„Wilt gij dat zeggen?” vroeg de Kapitein.

„Zeker, wil ik dat,” luidde het antwoord. „Toen ik vanwege den Kapitein hoorde zeggen, dat men geene ontvluchte galei-boeven aanboord nam, hoorde ik de riemslagen van de boot, die mij achterna zat. Liever verdrinken dan weer naar de galeien, dacht ik, sprong in zee en zwom naar den anderen kant van het schip, dat op het oogenblik eene streek wendde en dus weinig vaart had. Ik hoorde mijne achtervolgers aanboord komen en op het punt van te zinken zag ik van den boeg een touw hangen. Met de kracht der wanhoop greep ik dat aan en hield mij er eenige seconden mede boven, doch ik voelde, dat ik de zuiging van het water voor den boeg niet langer wederstaan kon. Ik klom derhalve naar boven en in het halfduister wrong ik mij in den boegsprietsoven en achter het wapen of beeld bij den boegspriet. Hoe ik daartusschen gekomen ben, weet ik niet. Hier bracht ik in duizend angsten eenige oogenblikken door en toen schijn ik buiten westen geraakt te zijn. Hoe lang ik in dien toestand verkeerd heb, weet ik niet. Toen ik weer tot mijzelven kwam was het schemerdonker en ik hoorde stemmen. Ik greep moed en het gelukte mij met veel inspanning een keer of wat over de verschansing te kijken. Ik zag dat de man bij het roer mij ontdekt had, doch mij ontbrak de kracht om eenig geluid te geven. Hoe ik verder aanboord ben gekomen zal de bootsman of Stuurman wel zeggen kunnen. Ik weet het niet.”

„Mij dunkt, dat we nu genoeg gehoord hebben,” zeide de Opper-koopman, „en ik meen zoo, dat het verstandig zijn zal, zoo de twee voormalige vrienden zich thans verwijderen. We kunnen dan beter onze meening zeggen.”

Dit werd goed gevonden en het gevolg van hunne beraadslagingen was, dat de bootsman natuurlijk van alle beschuldigingen vrijgesproken werd. De Opper-koopman verklaarde dat hij den anderen gewezen student aan zijn dienst verbinden wilde. Een Doctor in de Rechten kon hem in vele gevallen behulpzaam zijn. Ook wilde Mijnheer Melters den anderen wel hebben, als klerk of wat ook, want het ging toch niet aan dat een Jonker, die nog al Doctor was, dienst deed als bootsman.

Henri Quatre echter verklaarde, dat hij voorloopig liever bleef, wat hij was en dat hij later, als hij in de Oost kwam, altijd nog zou kunnen zien, wat hij deed.

Zoo was op eene bijzondere wijze de bemanning der „Leerdam” met één persoon vermeerderd, en later zou het blijken, dat al wat boef heet daarom nog geen boef is.


DERDE HOOFDSTUK.
Den dans ontsnapt.

De wind, die bij het uitzeilen zoo gunstig was geweest, blies, toen ze goed en wel in den Atlantischen Oceaan gekomen waren, stijf uit het Noordoosten en nog altijd waren de schepen, waarmede de „Leerdam” uitgezeild was, de „Nieuwpoort” en de „Dolfijn” elkander in het gezicht.

Op het laatst van Mei kwam men dicht bij de Linie en reeds hoorde men onder de matrozen praten van de pret, die men hebben zou, als aanboord het doopfeest van Neptunus zou gevierd worden. Men had onder elkander de rollen reeds verdeeld, en Hoepel zou Neptunus zijn.

Weinig kon men vermoeden, dat er van het heele feest niets komen zou.

Op zekeren dag kwam de Eerste Stuurman in de kajuit bij den Kapitein, die een uitstekend zeeman was. Hoewel buitengewoon streng en dikwijls zelfs bar en onbillijk, hield het volk wel van hem, want het wist, dat er op hem te rekenen viel, als de nood aan den man kwam. Die onaangename geschiedenis met de twee Jonkers had hij vergeten, en zoo nu en dan toonde hij door een gesprek met één van die twee aan te knoopen, dat hij niet haatdragend was ook en liefst alles maar vergeven en vergeten wilde. De ongemeen voorspoedige reis had hem ook in eene pleizierige stemming gebracht, zoodat hij, toen de Stuurman binnentrad, hem lachend ontving en dadelijk de vraag deed: „Wel, Londenaar, wanneer zullen we de Linie passeeren, denkt ge? Naar mijne berekening kan dat best over twee dagen zijn. Nog nooit zulk eene voorspoedige vaart gehad. Maar, heb je me soms wat te zeggen?”

„Ja, Kapitein! U wordt door den Kapitein aanboord van de „Nieuwpoort” geseind.”

Het voorhoofd van den Kapitein betrok.

„Hij heeft mij niet te seinen. Ik ben zijn knecht niet! Of meent hij soms, dat hij zooveel als Bevelhebber over de drie schepen is? Dan is hij glad bezijden de plank.”

„De „Dolfijn” zal ons weldra verlaten, Kapitein! U weet dat ze naar de Goudkust moet. En Bevelhebber der twee schepen is hij niet; maar, hij is de oudste en heeft veel voornaam volk aanboord!”

„Voornaam volk, ha, ha! Ik heb twee adellijke Heeren, die Advocaat zijn! Die tellen ook mee! En ouder! Misschien een jaar of drie!”

„Minstens twintig, Kapitein!”

„Nu, laat het twintig zijn! Al was het veertig, ik heb met den ouderdom niemendal te maken. Ik ben Kapitein op de „Leerdam” en hang van niemand af. Ik ga niet vanboord!”

„Zullen we dan beproeven elkander te naderen?”

„Mij goed! Maar verbeeld je niet, dat ik me maar eenigszins de wetten laat voorschrijven. Ik heb een’ kop, als het er op aankomt, en allerminst ben ik genegen mij te onderwerpen aan eenige bevelen van den Kapitein van een ander schip.”

De Stuurman verwijderde zich, doch bromde binnensmonds: „Jammer, dat zulk een Kapitein van het bovenste plankje, zoo oploopend en licht geraakt is. Ik vrees, dat het den een’ of anderen keer nog eens misloopt.”

Bij het roer gekomen gaf hij de noodige bevelen op de „Nieuwpoort” aan te houden, doch als men daar gebelgd was geweest over de wijze van doen van den Kapitein der „Leerdam”, dan had er eene zware wijs op gegaan bij elkander te komen; want de „Nieuwpoort” was wat vooruit en nog wat beter bezeild dan de „Leerdam”.

Na verloop van een paar uren was men dan door de gewilligheid en toegevendheid van den Kapitein der „Nieuwpoort” zoo ver gekomen, dat de twee Gezagvoerders met elkander spreken konden. Die van de „Nieuwpoort” stelde voor denzelfden koers te blijven houden, dien men tot op dit oogenblik gevolgd was. Naar zijne inzichten liep men dan minder gevaar om onder de Linie door vervelende en dikwijls zeer gevaarlijke windstilte te worden opgehouden.

Deze meening deed hij van zulke deugdelijke gronden vergezeld gaan, dat de „IJzeren Neptunus” zeide: „Dat is zoo helder als glas!”

„Ik geloof niet, dat ons dit geraden is, en dat we beter doen met twee streken westelijker te houden. We snappen dan spoediger den Braziliaanschen Stroom en we zullen zulk eene korte reis maken, dat ze eenig is en blijft in de geschiedenis der Compagnie-schepen,” zeide de Kapitein der „Leerdam”.

IJzeren Neptunus schudde het hoofd en ook de Kapitein der „Nieuwpoort” trok de redeneering van den ander in twijfel en meende, dat de verkorting der reis wel eens op eene verlenging kon uitdraaien, doch toen hij zag dat de ander bij zijne meening bleef, zeide hij: „Nu, gij moet het zelf weten. Wij zijn niet aan elkander getrouwd. Goede reis!”

„Hetzelfde!” klonk het uit den mond van den stuggen Kapitein. De „Leerdam” stuurde twee streken westelijker en eer de avond viel waren de beide schepen geheel uit elkanders gezicht.

„Dat wordt heelemaal mis, Londenaar,” sprak de bootsman tot den Stuurman. „Zoo komen we ten achteren en heel leelijk ook. Jammer dat de Ouwe zulke vlagen van een’ betweter heeft.”

„Als we nu maar niet al te lang onder de Linie moeten blijven,” bromde de bottelier. „Er is veel kans op.”

„Toch geen gebrek aan water, hoop ik?” vroeg de Stuurman.

„Nu, wat zal ik ervan zeggen? Gebrek aan water is er niet, maar er begint een luchtje aan te komen! Daar straks waren er al een paar matrozen, die zeiden, dat ze er van walgden, en dat het water nog te slecht was om ratten te vergeven.”

„We willen hopen, dat de Ouwe het bij het rechte einde heeft gehad,” mompelde de bootsman.

Er kwam dien avond niet veel van naar kooi gaan. Het was tusschendeks in de hangmatten niet uit te houden zoo heet als het was. Al het volk bleef aan dek en zocht het daar met wat zeilen op de harde planken zich zoo gemakkelijk te maken, als het maar eenigszins kon.

Op het voorschip had zich een groot deel van de manschappen verzameld. Ze lagen daar half uitgekleed op het dek en wisten, door hitte bevangen, niet wat ze doen moesten.

De wind ging meer en meer liggen en toen de hondenwacht betrokken werd, bromde de Tweede Stuurman: „Verwenschte windstilte! Daar hebben we de poppen al aan het dansen. Ik wilde voor ik weet niet wat, dat de Ouwe de „Nieuwpoort” gevolgd was.”

De zeilen, die anders door den wind bol geblazen werden, hingen er thans als natte vaatdoeken bij, en gaven nu en dan alleen door een zwak, klapperend geluid te hooren, dat nog niet alle wind weg was.

„Ik wilde dat ik wat slapen kon,” zeide Hoepel.

„Het bed is wel wat hard, maar het is het bed niet, dat me den slaap uit de oogen houdt; het is die ondragelijke hitte,” sprak Dirk. „Het is voor een’ mensch niet om uit te staan. Oef!”

„Ja, man, zoo heet stoken ze in de Middellandsche Zee den oven niet,” spotte een matroos, die zich zoo even eene puts zeewater over het lijf gegoten had om zich te verfrisschen, hoewel hij verklaarde, dat zelfs het zeewater wel over het vuur scheen te hangen.

„Let op, het heele Neptunus-feest zal er bij inschieten, Hoepeltje,” zeide een ander.

„Vraag eens aan den Ouwe of hij niet eens een deuntje fluiten wil, ik heb me de mondklem al bezorgd door het fluiten,” liet een oud matroos zich hooren.

„Jij met je fluiten! Als dat hielp, dan zou ik zeggen, laten we allemaal fluiten. Ik geloof er niemendal van,” sprak Hoepel. „Dat is alles bijgeloof, niets anders. Dat zeg ik.”

„Je bent een ongeloovige Thomas,” herhaalde de oude matroos. „Ik zeg je dat het meermalen gebleken is, dat de wind zich door fluiten laat lokken.”

„Och, loop heen! Verkoop zulke praatjes aan oude vrouwen en kleine kinderen,” spotte Hoepel.

„Je kunt zeggen wat je wilt, Hoepel! Het is zoo! Ik heb het immers zelf bijgewoond! Ik deed toen mijne tiende Indische voyage!”

„Je tiende? Is dit dan je elfde?” vroeg Garrit.

„Mijne zestiende, jonge brasem! Mijne zestiende! Ik kan meepraten, als het er op aankomt.”

„Maar wat heb je dan bijgewoond, ouwentje?” klonk het van een’ anderen kant. „Toe, vertel ons ’reis een en ander. Een varensman is zóó niet, of hij wil graag nog meer hooren.”

„Ja,” bromde een andere oude matroos, „om dan te kunnen vertellen, dat men alles zelf ondervonden en bijgewoond heeft. Maar ieder moet weten, wat hij er mee doet, dat zeg ik, en daarom, ouwe maat, toon dat je tong losser zit, dan je rug, want die zegt al krik-krak, als je bukt.”

„Ei, is het waar ook,” antwoordde de verteller lachend. „Maar als we over ruggen en beenen gaan spreken, die krik-krak zeggen, dan komen we niet verder. Ik zal je vertellen van mijne reizen, maar eerst vooral hoe we door fluiten wind kregen en niet zuinig ook. Het werd een orkaan en er haperde niet veel aan of van de heele „Het Huys ter Horst”, zoo heette het schip, kwam geen stuk terecht!”

„Fluitjes in den zak! Liever windstilte dan een orkaan,” riep een jonge matroos, die misschien zijne tweede reize maakte en altijd nog griezelig werd, als hij van vreeselijke gebeurtenissen hoorde spreken.

„Kunt gij van een’ orkaan medepraten?” vroeg de oude.

„Niet zuinig! Op de Oost heb ik maar weinig gevaren en ik ben er bekend als een snoek op zolder. Maar naar de West deed ik heel wat voyage’s en daar heb ik een storm bijgewoond, die zoo even raak was. De West is het rijk van Koning Storm, en die is me zoo even een bulderbast!”

„Dat behoef je me niet te vertellen! Dat weet ik bij ondervinding. Maar kan je ook meepraten van windstilte?”

„Ook al! Dat was in ’53. Toen hebben we onder de Linie bijna drie volle dagen doodstil gelegen. Een schip, dat voor anker lag kon niet rustiger en kalmer liggen.”

„Drie dagen! Neen, dan kan ik er wat anders van vertellen. Drie dagen windstilte! Neen, maat, drie dagen tel ik niet.”

De matrozen kwamen nader bij den ouden man om geen woord van zijn verhaal te missen. Zelfs enkele Officieren, benevens „Dolf de Boef”, zooals de Fransche vluchteling genoemd werd, de bootsman, de scheepsbarbier, de Opper-koopman en IJzeren Neptunus behoorden onder zijn gehoor.

Intusschen bleef de oude man een’ geruimen tijd zwijgen.

„Nu, ouwe Joost, begin! Wij luisteren!” zeide de Opper-koopman. „Je bent toch niet verlegen, als je zooveel toehoorders hebt? Je moet maar denken, dat we allemaal turven zijn!”

„Al zacht, al zacht, Sinjeur! Ik moet de rommelkamer van mijn geheugen eerst eens wat opknappen, anders smijt ik het een door het ander. Maar nu ben ik er.

Het was in ’29 en ik deed mijne vierde reize naar de Oost met de fluit „Het Huys ter Horst”. Het was een stevig, mooi en groot schip en we hadden op de heenreis over de honderdvijftig man aanboord. Natuurlijk niet allemaal varensgasten waren het. Er bevonden zich vele voorname Heeren bij met hunne bedienden, die niet allen plaats hadden kunnen vinden op de „Hollandia”, die den Ordinaris Raad van Indië, Jacques Specx, aanboord had. Er was in die dagen in de Oost, waar Jan Pietersz. Coen Gouverneur-Generaal was, nog heel wat te doen en — Coen werd niet door ieder vertrouwd....”

„Nu, met recht meen ik,” viel de Opper-koopman den verteller in de rede. „Die Gouverneur-Generaal Coen was....”

„Met uw verlof, Sinjeur! Ik heb Coen gekend en beter dan menigeen. Ik heb aan zijne zijde gevochten, ik heb hem eene pooze als knecht bediend en hem gadegeslagen. Hij was een groot man. Hij was in de handen van den Heer het werktuig om de Oost-Indische Compagnie groot en vermogend te maken. Hij was in den oorlog dapper, maar nooit onberaden. Nooit heeft hij met slinksche middelen eene overwinning behaald, en rechtvaardig was hij, als er misschien geen enkel mensch geweest is. En dat zeide niet ik alleen, dat erkende ieder, die ooit met hem in aanraking gekomen was.”

„Nu, rechtvaardig, rechtvaardig, Joost, zeg dat maar niet zoo hard op! Hiervan konden de ongelukkige dochter van Specx en haar minnaar Pieter Jacobsz. Cortenhoeff u wat anders vertellen. Of was het niet meer dan schande om een dertienjarig meisje in het openbaar te laten geeselen en een zeventienjarig jongeling te laten onthoofden, omdat die twee in het huis van den Gouverneur-Generaal een verboden minnehandel hadden? Geen wonder, dat Coen op het bericht, dat de Vader van dat arme meisje, als Ordinaris Raad van Indië, dus in rang slechts ééne plaats beneden hem, aangekomen was, van schrik stierf. Iedereen sprak er schande van, dat hij zóó iets had durven doen.”

„Ja, Sinjeur, die geschiedenis heb ik natuurlijk ook hooren vertellen, maar alweer op eene heel andere manier dan u dat doet. Ik heb ze ook nog heel anders hooren vertellen, en als ééne en dezelfde gebeurtenis op drie of vier verschillende manieren verteld wordt, zie, dan zegt mijn dom verstand: „Geloof er niet al te veel van.” Waar is het, dat Coen buitengewoon streng en zedelijk was. Hij stond er op, dat wij, Hollanders, die dan toch voor beschaafder moesten doorgaan dan de Javanen, in alles een voorbeeld van beschaving gaven ook. Hij was Christen en vertelde aan iederen Javaan, als het zoo gelegen kwam, dat de Christelijke leer veel beter was dan die van de Mohammedanen, maar hij trachtte ook te zorgen, dat wij Hollanders, dat door onze daden niet tegenspraken. En praat me nu niets ten voordeele van dien Cortenhoeff, want ik heb dat heerschap gekend. Wat hij onder den neus had, wol of mollenhaar, dat wist hij zelf niet. Zóó jong was hij nog. Maar als het op liederlijke stukjes aankwam, dan was hij ons allemaal te glad af. Er leefden toen heel wat jonge losbollen en lichtmissen in de Oost, maar hij spande de kroon. En hoe de vertellingen nu ook uit mekaêr loopen, hierin stemmen ze alle overeen, dat hij de Javaansche bedienden van Coens huis omgekocht had, om hem des nachts stilletjes in Coens woning te laten. Dat gelukte den schelm maar al te goed, en nu vraag ik je in gemoede, Sinjeur, wat zou u met zoo’n liederlijken jongen doen, die des nachts zóó in uw huis kwam? En wat Saartje Specx aangaat, half Javaansche en half Nederlandsche, nu daarover willen we liefst zwijgen. Jammer is het evenwel, dat Coen in dit opzicht niet meer met bedaarde zinnen handelde, maar hij was buiten zichzelven van woede en wat doet een mensch dan niet? Ik zeg maar: die staat, zie toe, dat hij niet valle. En als zelfs de Predikanten en Kerkeraad van Batavia schreven: „Het scheen een plage van God den Heere te zijn, dat hij, die altijd zulk een rechtvaardig man geweest was, nu hierin zóó ver afdwaalde”, ben ik het met die menschen volkomen eens, maar als Sinjeur de Opperkoopman nu vertelt, dat Coen van schrik stierf toen hij hoorde, dat de Vader van Sara Specx, als „Ordinaris Raad van Indië”, was aangekomen, dan vergist hij zich zeer. De Gouverneur-Generaal, Coen, stierf aan eene vreeselijke ingewandsziekte, eene ziekte, die te Mecca soms duizenden doet sterven, als de Mohammedanen daarheen trekken om op het graf van hun’ Profeet Mohammed te bidden. Maar we dwaalden te ver af en daarom dan, om op mijne vertelling terug te komen: De Ordinaris Raad Specx dan stond aan het hoofd van acht schepen, waarvan het onze er een was. Maar was „Het Huys ter Horst” een mooi en groot schip, luier zeiler was er bij de geheele vloot niet, zoodat het niet lang duurde of onze Kapitein kreeg de noodige bevelen, die hij zou na te komen hebben, als we soms bij de andere zeven moesten achterblijven. Dat dit vandaag of morgen gebeuren zou, was wel te voorzien. Op zekeren morgen althans kwam de wachthebbende Officier berichten, dat van de zeven andere schepen alleen nog maar de „Hollandia” te zien was, en eer we allen op het dek aan onze gewone bezigheden waren, was ook de „Hollandia” ons uit het gezicht. Velen onder ons, en niet het minst de groote Heeren, zagen dat met leedwezen en angst. En geen wonder! Admiraal Piet Hein toch had ten vorigen jare den Spanjaarden hunne Zilvervloot ontkaapt en de Spanjaarden waren nu zóó niet, of ze vonden dat minder pleizierig, dat spreekt. Zoo’n elf millioen gulden is dan ook vrij wat meer dan een knoop van een wambuis. Ze lagen daarom op den loer om ons eene poets te bakken en een eenzaam zeilend schip liep altijd groot gevaar in handen van den vijand te vallen.”

„Valsch volk die Spanjolen! Echte beesten!” bromde een uit den hoop.

„Nu, maat, prijzen zal ik de Spanjaarden ook niet en „broertje-spelen” met die luî nog minder. Maar ik meen zoo, heb ik het mis, dan vergeve men het mij, ik ben maar een dom matroos, maar ik meen zoo, dat de Spanjaarden zoo ongeveer hetzelfde van ons dachten. Ik zeg maar, je moet een engel wezen om je een elf millioen te laten ontfutselen en dan nog te zeggen: „Die Hollanders zijn veel te brave luî om ze kwaad te doen. We zullen ze maar stilletjes laten begaan.” Als ze jou eens je buidel ontnamen, Evert, wat zou je doen?”

Evert, die vond dat de Spanjaarden een valsch volk waren, aarzelde niet lang met antwoord te geven en zeide, terwijl hij de groote vuist balde: „Ik zou ze met interest terughalen, Ouwentje! En niet zuinig ook, dat geef ik je op een briefje!”

„Scheld dan niet meer op de Spanjaarden, Evert,” vervolgde Joost en zette zijn verhaal weer voort. „Met krabbelen en nog eens krabbelen hadden we eindelijk de Kaapverdische Eilanden achter den rug en toen we des middags poolshoogte namen, bevonden we ons op zestien graden benoorden de Linie. Wij waren nog altijd in den noordoostpassaat en maakten er zoo goed mogelijk gebruik van om onze logge kast te laten voortkruipen. Ja, het was om van nijd zijne nagels als koek te eten, om te zien hoe wij altijd maar ten achteren kwamen. De bouwmeesters van ons schip hadden, zeker voor de aardigheid, eens willen laten zien, voor hoeveel geld er in één schip kan. Ze hadden het prachtig gewonnen, wat de ladingruimte betreft, maar schandelijk verloren, als het op „uit de voeten maken” aankwam. Dat zag zelfs de pluimgraaf, die eens zeî: „Dikke heeren zwemmen slecht.” De bengel had gelijk, want het was om zich dood te ergeren, zoo weinig als we vorderden. Tegen een uur of vijf riep de wacht, dat er ten Zuiden van ons een schip te zien was.

„Dat zal de „Hollandia” zijn,” meende de Kapitein. „Men zal ons komen opzoeken! Laat maar gauw de Prinsenvlag waaien, dan zien ze wie we zijn!”

„Een schip in het gezicht en het zal de „Hollandia” zijn,” dat was een prettig bericht. Alle gezichten fleurden op, als bloempjes na den verkwikkenden zomerregen. Maar de prettige gezichten betrokken al heel gauw toen de Kapitein met behulp van zijn’ scheepskijker het schip eens goed opgenomen had, en nu tot heel andere gedachten gekomen was, dan dat we daar zoo opeens een onzer schepen waarmede we uitgezeild waren, in het gezicht gekregen hadden.

„Het is een Portugeesch oorlogs-vaartuig,” mompelde hij, en hij liet er luid genoeg op volgen om door iedereen verstaan te worden: „Dat belooft nu nog eens eene fraaie geschiedenis te worden. Men moet iemand met zulk eene kast maar aan zijn lot overlaten, dan komt er wat moois van!”

Dat bracht wat eene ontsteltenis teweeg. Gekerm hier, geklaag daar, gezucht ginds, gemopper overal.

„Ja, hoort eens, vrienden,” zei de Kapitein, toen we allen om hem heen stonden, als kinderen om een’ straatkunstenaar, „ja, hoort eens, vrienden, ik ben niet van plan mijn schip zoo maar klakkeloos over te geven.”

„We zullen toch niet gaan vechten, Kapitein!” riep een piepjong heertje, dat zoo van de Hoogeschool te Leiden gekomen was en nu naar Batavia ging, om daar de Compagnie te dienen, en zichzelven meteen.

Het manneke verschoot van kleur en het kippenvel kwam door zijn dun kneveltje heengluren.

De Kapitein zag den held eens aan en zeide lachend: „Bij mijne trouw, heer Jurdens, wij zullen van uwe dapperheid geen gebruik behoeven te maken. Het zal u wel leed doen, maar u is gewoon het zwaard aan den wal te hanteeren om den driesten vijand uw voorhoofd te laten zien en op eene schandelijke vlucht te jagen. Eén geluk evenwel, Mijnheer! Ik kan het met mijn volkje alleen wel af, nietwaar, mannen?”

Deze laatste woorden waren tot ons gericht en nu de Kapitein ons zoo in het oogloopend een pluimpje gaf, was er niet een van ons, die hem afviel.

De Eerste Stuurman deed voor ons het woord en zeide: „Niets vaster dan dat, Kapitein! Gij kunt op ons rekenen!”

„Welnu,” hernam de Kapitein en wendde zich hierop tot de passagiers, „gij hebt het gehoord, Heeren, dat wij het met ons volkje best af kunnen. Weest dus zoo goed naar uwe hutten te gaan, dan hebben we het dek vrij en kunnen we ons naar hartelust bewegen. Uzelf zal wel begrijpen, dat we, als het tot een gevecht moet komen, soms wel eens ruw te werk moeten gaan.”

Er was evenwel niemand, die naar zijne hut ging en allen bleven waar ze waren. Ze gevoelden het maar al te goed, dat de Kapitein eigenlijk meende, dat het hun aan den noodigen moed ontbrak om te vechten.

„Moeten we, Kapitein?” vroeg een der Heeren, die tot het gevolg van den Ordinaris Raad behoorde.

De Kapitein zag hem even aan en zeide: „Nu, moeten, moeten! Ik dwing u nu nog niet!”

„Als we niet moeten, Kapitein, zou ik u wel willen voorstellen ook van onze handen gebruik te willen maken. Wij zijn ook geen mannekens van moppendeeg, Kapitein!”

„Nu, wie, als het er op aankomt, wil mee bakkeleien, die mag, en graag ook. Maar op ééne voorwaarde!”

„En die is, Kapitein?”

„Dat gij u onder mijne bevelen stelt, al neem ik voor en na het gevecht voor u, als mijne meerderen, de muts af. Zoo lang het gevecht duurt, heb ik te commandeeren en geen mensch anders, tenminste, als het onze wil is om het niet te verliezen.”

„Ge kunt op mij rekenen, Kapitein,” sprak de kordate heer en schaarde zich tusschen ons. Zijn voorbeeld werd door allen gevolgd, zelfs door het heertje met het kippenvel.

Dat beviel den Kapitein niet; want hij wist vooruit, dat zulke helden meer kwaad dan goed doen. Hij kon echter moeielijk zeggen, dat zij zich verwijderen moesten en daarom verzon hij er wat op, dat naar zijne meening bij velen den moed wegblazen zou, zoo als de stormwind een’ ouden schoorsteen neerslaat.

„Bootsman,” sprak hij nu, „ga gij naar beneden en breng daar in het ruim alles in orde om de gekwetsten te kunnen verzorgen. De scheepsbarbier zal u daarbij behulpzaam zijn. Reken maar op heel veel dooden en gewonden.”

De bootsman en de scheepsbarbier verwijderden zich.

„Maar den bootsman heb ik bij het gevecht op het dek noodig,” hervatte de Kapitein, „en daar het zich laat aanzien, dat het er warm langs zal gaan, zoo zullen er wel veel gekwetsten vallen en zal de barbier wel hulp noodig hebben. Wie van de Heeren meent nu, dat hij beter beneden helpen kan? Het verplegen van gewonden zonder armen of beenen is eigenlijk het werk niet van Janmaat. Die is er te hardhandig voor!”

Het heertje met het kippenvel trad vooruit en zeide: „Ik, Kapitein! Als student heb ik ook wel enkele lessen in het verbandleggen bijgewoond, en ik vertrouw dat ik, als het er op aankwam, ook een arm of been zou kunnen zetten. En akelig bij het zien van bloed word ik ook al niet. Ik zag, toen ik nog op de armen van de kindermeid zat, zelfs heel graag varkens slachten, zoodat die meid dikwijls tegen hare kameraad zeide: „De jongeheer wordt nog een beroemd held. Dat zal je zien. Intusschen heb ik veel te veel tijd noodig gehad om te studeeren, zoodat ik nooit vecht, maar in mijn woordenboek staat het woordje bang niet!”

„Welnu, ga dan naar beneden en stel u onder de bevelen van den barbier,” sprak de Kapitein bijna lachend.

De jonge held, gevolgd door nog een tiental van zijn slag, ging naar het ruim om daar te wachten op de arme gekwetsten.

„Nog meer mannen, die een verband kunnen leggen soms?” vroeg de Kapitein met een fijn lachje, en toen er niemand zich meer voor die betrekking aanbood, begon de Kapitein alles gereed te maken om den vijand af te wachten. De kanonnen werden gesteld, kruitvaatjes en kogels werden op het dek gebracht, wapenen werden uitgedeeld.

De Portugees kwam steeds nader, doch bleef op eerbiedigen afstand. Blijkbaar vertrouwde hij de zaak niet en zag wel dat de „Het Huys ter Horst” geen kwâjongen was, die men om boodschappen uitgestuurd had.

„Hij schijnt te dralen, mannen,” sprak de Kapitein. „Laten wij nu de stoute schoenen aantrekken en het eerste schot lossen. Wie brutaal is, krijgt de halve wereld!”

Men vond dien raad goed. Eén der stukken werd gelost en we zagen den fokkemast van den Portugees al heel raar doen. Het was duidelijk, dat we dien getroffen hadden.

De Portugees gaf van zijn’ kant geen krimp en schoot vier stukken achter elkander af, doch zonder ons te raken.

„Hoezee! Hoezee!” juichten wij, en alsof we de overwinning al behaald hadden, zoo brandden wij het tweede stuk los. Ook dat was raak en sloeg een stuk van zijn bakboord weg.

Opeens evenwel kwam „Held Kippenvel” op het dek stormen; maar pas was hij er op, of hij struikelde over eene vreeselijk lange sabel, die hem bijna voor den buik hing.

„Wat nu?” vroeg de Kapitein.

Onze held krabbelde, doch met heel veel moeite, op, en stamelde: „Hoe—hoe—hoe—veel....”

„Hoeveel dappere helden? vroeg de Kapitein lachend.

„Hoe—hoeveel—doo—dooden en ge—gekwetsten?” klonk het met eene benauwde stem.

Wij proestten van het lachen toen de man daar met zijn gezicht, zoo wit als een beddelaken, en met knikkende knieën het antwoord stond af te wachten.

„Gij hebt zeker de koorts, Mijnheer,” zeide de Kapitein. „Ik zou u aanraden naar de kooi te gaan!”

„Ja, ja, u heeft gelijk! Ik heb de koorts! De koorts! Ik zal uw’ raad volgen. De koude koorts, die met beven en klappertanden begint!”

De held sukkelde nu naar beneden en kroop gekleed en al, ja, zonder zijne sleepsabel af te leggen, diep onder het dek.

Inmiddels was de avond geheel gevallen en verloren we in het donker den Portugees uit het gezicht. Wij bleven evenwel goede wacht houden, doch toen de dag aanbrak was er van den vijand niets meer te zien. Hij durfde het katje zeker niet aan.

Voor dit oogenblik waren we aan den dans ontsnapt, doch de Kapitein bromde tot den Eersten Stuurman: „Het was ons geluk, dat de vijand een groote lafaard was, want als hij het gewaagd had ons aan te vallen, dan hadden we het stellig moeten verliezen. Zag je wel, welk een vlug zeiler hij was? Maar, het is voorbij en laten we maar niet klagen over hetgeen achter den rug is, en hopen dat we ook nooit anders dan zulke hazenharten voor den boeg krijgen. Laat nu alweer maar alles bergen, Stuur!”

Met ijver werd aan dat bevel voldaan, want voor een koopvaardij-matroos zag het dek er al te rommelig uit om er pleizier in te hebben.


VIERDE HOOFDSTUK.
Opgedirkte waarheid.

Zoodra het overal aanboord bekend was, dat de vijand ons verlaten had, kwam „Held Kippenvel”, we noemden hem niet anders meer, gewapend en wel te voorschijn.

„Tot uwe bevelen, Kapitein!” zeide hij. „De koorts is over.”

Hij stampte met de sabel op het dek en deed alle mogelijke pogingen zijn kneveltje op te strijken, doch dat gelukte hem niet; want het was nog maar in aanbouw.

Zij, die dat kereltje zoo hoorden spreken en zagen doen, barstten bijna van het lachen, doch de Kapitein hield zich leuk en verzocht hem beleefd, of hij wel zoo goed wilde zijn, gedurende een uur of drie de wacht te houden bij de vaten, die op het voorschip stonden.

„Welzeker, welzeker! En het wachtwoord, Kapitein?”

„Orang daging babi!”[9] zeide de Kapitein, die moeite had nu ook niet in den lach te schieten.

Het heertje hield alles voor ernst en ging met uitgetrokken sabel en een dapper gezicht bij de vaatjes staan, en ieder, die in de nabijheid kwam, hield hij de sabel dwars voor het lijf en voegde hem toe: „Het wachtwoord!”

„Orang daging babi!” zeiden we dan, doch daar de meesten er bij lachten, begreep hij ten laatste toch, dat hij daar voor gek stond, en zoodra de Kapitein in zijne nabijheid kwam vroeg hij: „Maar, Kapitein, is het niet gevaarlijk die kruitvaten daar maar te laten staan?”

„Ik weet van geene kruitvaten. Welke vaten bedoelt ge?” vroeg de Kapitein met het onnoozelste gezicht.

„Wel, deze, waarbij ik op wacht sta!”

„Dat zijn geene vaten met kruit, Meneer! De vaten met kruit zijn al ....

„Wat is er dan in?”

„Het zijn eenige vaten met ransig spek, die straks over boord moeten gesmeten worden!”

„En waarom moest ik daar op wacht staan?”

„Wel, Mijnheer, ik wist geene andere plaats voor u,” sprak de Kapitein en liet den held den rug zien.

Deze was woedend en toen wij een luid gelach lieten hooren, stak hij de vuist op en schreeuwde: „De Goeverneur-Generaal zal alles weten hoe het hier aanboord toegaat. Rekent er op! En berouwen zal het u allen, dat gij het gewaagd hebt mij als een’ straatbengel te behandelen! Weet gij wel, Meneer de Kapitein, dat ik Juridisch Doctor ben?”

„Juridisch doctor, Meneer? Is dat een baantje bij het eene of andere gilde?” vroeg de Kapitein. „Ik moet eerlijk zeggen, dat ik er nooit van gehoord heb.”

„Neen, neen, het is geen baantje! Het is een graad in de Rechten,” luidde het antwoord.

„O, maar een graad! Als het nu nog eens een been was, dan was het wat anders!”

„Kapitein, u maakt mij woedend,” schreeuwde het kereltje en kwam met dreigende houding nader terwijl hij heel fier de rechterhand op den greep der sabel sloeg.

„Ga vlier en kamillen drinken, kerel!” zeide de Kapitein en liet het manneke staan.

De held stampte, omdat éénmaal kinderachtig en tweetal flauw was, drie keeren ferm met zijne sabel op het dek, streek den knevel in aanbouw op en marcheerde naar zijne hut, waar hij, zonder zich ergens te laten zien, zich den heelen dag opsloot.

Wij hadden, dat spreekt vanzelf, de grootste pret van de wereld en nauwelijks had één onzer eventjes het deuntje laten hooren:

Drink vlier en kamillen,
O mensch, je krijgt er heldenbloed van!
Drink vlier en kamillen
Zooveel maar als je kan!

of bijna den heelen dag zongen we dat zoo luid mogelijk, en stellig zal hij het gehoord en van puren heldenmoed nog wel eens gestampt hebben.

Maar met dat al waren wij door die ontmoeting met den Portugees een heel eind uit den koers geraakt, en het duurde niet lang of de wind ging geheel liggen.

Het was brandend heet en wij hadden dorst om eene heele zee ledig te drinken.

„Spaarzaam zijn met het water,” klonk het bevel, en opdat niemand zich in stilte aan het water zou te goed doen, hield een der Officieren er bestendig de wacht bij; want de manschappen zelven waren niet te vertrouwen.

Om de brandende zonnehitte te keeren maakten we zonne-tenten op het voorschip, waar we nu alweer ruimte hadden.

Het baatte niet; de zon brandde er door heen.

Wij gooiden om ons zelven te verfrisschen elkander putsen zeewater over het lijf.

Wat baatte het? Het water was niet koud en wij werkten ons in het zweet.

De zee was, zoo ver we zien konden, effen, en tot vervelens toe klotste het water tegen de wanden van het stilliggende schip, dat wel aan de zonnestralen gemeerd leek.

Zoo ging de eene, zoo ging de andere dag voorbij.

Wij keken en staarden in de verte of we niet een enkel wolkje zagen aankomen.

Te vergeefs! De lucht bleef helder en scheen van gloeiend metaal te zijn.

Aan den morgen van den zestienden dag stonden we bij de watervaten om de eerste van onze drie portie’s water te ontvangen. Sedert drie dagen waren we op dat rantsoen gesteld.

De bottelier moest aan een nieuw vat beginnen; maar nauwelijks was het open of....

„Bah!” riep hij en sprong achteruit. „Dat water is bedorven! Wat een stank!”

Hij opende het tweede vat, en alweer hetzelfde.

Wij stonden er sprakeloos bij.

„Nu nog het derde vat, mannen! Dat is het laatste!” zei hij. „We willen hopen, dat dit nog goed is!”

Hij sloeg het open, en alsof er iets heel bijzonders zou te zien zijn, schaarden wij er ons omheen, maar — onze neuzen vertelden al heel gauw, dat ook dit derde of laatste vat bedorven was.

Daar stonden we nu zonder ander dan bedorven water.

Wel proefden er sommigen van; maar met walging spuwden ze het weer uit.

En hooger steeg de zon en feller werd de hitte.

„De scheepsbarbier heeft daar zoo even gelukkig in zijn medicamenten-boek een uitmuntend middel gevonden om bedorven water zoo smakelijk en frisch als versch te maken,” werd er verteld en weldra hoopte de heele bemanning, dat die proef gelukken mocht.

Daar kwam hij aan met een’ ijzeren aschlepel vol glimmende houtskolen. Hij wierp die in het water, en vol ongeduld wachtten wij de uitkomst van zijne proef af.

Tegen den middag zouden we te weten kunnen komen of het middel zoo uitstekend was, als in het medicamenten-boek verteld werd.

Hoe we naar den middag verlangden!

En toen die gekomen was....

„Het heeft niet geholpen, mannen,” sprak de bottelier. „Het water is en blijft bedorven! De toekomst ziet er donker voor ons allen uit, vrienden! Ik vrees het ergste! God moge den armen zeeman genadig zijn!”

„Beter slecht water dan van dorst sterven,” riep een der matrozen en naar het vat loopend begon hij daar te drinken, alsof er geen verzadigen aan zijn’ dorst was.

Zijn voorbeeld werkte bijna op al het volk aanstekelijk. Men verdrong tierend en razend, elkander aan de vaten, ja, menige vuistslag werd gegeven en ontvangen voor één’ dronk slecht water.

„Houdt op! Houdt op, mannen! Gij drinkt de pest in uw lijf!” schreeuwde de Kapitein, die uit zijne hut kwam aanloopen. „Houdt op, zeg ik! Zijt gij dan allen bezetenen geworden?”

„Pest of geene pest! We willen drinken, en we zullen drinken!” schreeuwde één uit den hoop.

„Mannen, dorst lijden, zooals we nu doen is vreeselijk, ik erken het,” sprak de Kapitein. „Maar dàt water, gelooft me, het is nog erger dan vergif. Ik verbied het u te drinken.”

„Jij kunt gemakkelijk verbieden, als je den buik vol wijn of bier hebt! Ik stoor mij aan geene pest en aan geen’ Kapitein! Drinken zal ik!” brulde een matroos, die wel krankzinnig van dorstwoede scheen, want hij was mogelijk wel de beste van heel de bemanning, altijd beleefd, altijd bij de hand, steeds opgeruimd en steeds bij de zaak, dag of nacht, weer of geen weer. En nu zóó! Wij stonden als van verbazing geslagen toen we hem dat hoorden schreeuwen. Het was niet meer of minder dan verzet tegen het wettige gezag. Het was oproer maken. Hij voegde de daad bij het woord, schepte eene blikken maat vol van dat water en bracht ze aan den mond.

Pats, daar vloog die maat de hoogte in. De Kapitein sloeg ze hem uit de handen.

„Drinken! Drinken zal ik!” klonk op akeligen toon de stem van den ongelukkige.

„Stuurman, neem dien man gevangen!” beval de Kapitein. „Hij maakt oproer! Slaat hem in de boeien!”

„Dat nooit!” riep thans de arme kerel, die door dorst het verstand scheen verloren te hebben. „Drinken zal ik! Ik lust dat vatwater niet! Toch zal ik drinken! Drinken! Drinken, de zee leeg! Ha, heerlijk! Heerlijk! De heele zee leeg!”

Eensklaps wrong hij zich uit de handen van hen, die hem vasthielden en sprong in zee.

Wij allen liepen naar de verschansing om hem tegen te houden, maar hij was ons te vlug af en overboord eer iemand hem bij de kleeren kon grijpen. Wij tuurden in de zee, en....

„Help, help!” klonk eene stem uit de diepte.

De man kwam boven en zwom eenige slagen verwoed voort. Wilde hij zich nu zwemmend bovenhouden tot we eene boot neergelaten hadden om hem te redden, of had hij thans een ander plan? Was het alleen maar eene bedreiging geweest en was hij zulk een goed zwemmer, dat hij wel wist, dat hij toch niet verdrinken zou?

Of....

„Hu,” schreeuwde een matroos. „Ik zie wat, mannen, en dat zag de arme kerel daar beneden ook!”

Zoodra hij dit gezegd had, kwam het water in eene heftige beweging en een monsterachtig groote haai verhief zich boven de oppervlakte.

„Help! Help!” klonk het nog eenmaal.

Van schrik deden we de oogen even toe en ze weer openend, zagen we de staartvin van den haai in de diepte verdwijnen en — alles was weer stil.

Dat was een vreeselijk oogenblik geweest!

Vol ontzetting keken we elkander aan!

Heere, Heere, wat zou ons lot zijn?

Als we hier toch eens altijd moesten blijven liggen! Er is immers eene plek op zee waar men nooit vandaan komt, zooals een oude zeemansvertelling luidt? Eene plek waar het schip niet meer voortdrijft, maar blijft liggen, alsof het tusschen schoren op de helling staat? Eene plek waar het groene zeemos aan den buitenkant der schuit wast en aan de arme varensmannen een groen graf geeft, alsof ze aan den wal begraven waren. Daar wonen booze geesten, die het schip bij de kiel grijpen en het voortgaan beletten ....!”

„Die plek is nergens op zee te vinden, Ouwe Joost,” sprak Henri Quatre. „Het is niets anders dan eene fabel!”

„De een gelooft het en de ander niet! Dat gaat met alle vertellingen zoo! En nu mag je het hoofd bedenkelijk schudden of er mee knikken, ik zeg je: ik geloof het wel, bootsman!” antwoordde Ouwe Joost en zette zijn somber en droevig verhaal aldus voort.

„Toen die arme kerel dan voor onze oogen door een’ haai verslonden was, keerden we ons van die akelige plek af, en, onverschillig voor alles, slenterden we op het dek, zonder een woord met elkander te spreken, op en neer, of we lieten ons neervallen op een plekje waar de zon niet scheen en nog een soort van koeltje te voelen was.

De kok schafte het eten op; maar we raakten het niet aan.

„Zwarte Jan” heeft verteld, dat hij nog één middel weet, en een goed ook,” hoorden we opeens fluisteren.

„Zwarte Jan” was een matroos met wien niemand omging. Elkeen ontweek hem; want we geloofden, dat hij meester was in de zwarte konst en omgang met den booze had.

En daar kwam „Zwarte Jan.”

Hij nam een rood lapje, legde dat op het deksel van een der vaten, trok er met krijt drie kringen om, mompelde eenige woorden en — het water bleef zooals het was.

„Duivelskunsten,” riep Antwerper-Hein, die Roomsch was. „Duivelskunsten! Dit moet helpen!”

Hij maakte het teeken des kruises over het vat.

Het hielp niet; het water bleef bedorven.

„Bidden! Bidden!” riep een ander, wierp zich op de knieën en smeekte God om uitkomst.

Maar het water bleef onbruikbaar.

„Ik krijg de koorts,” zeide er een, en hoe ondragelijk heet het ook was, de man liep te klappertanden van koude.

Kort daarop volgde een ander, die ook de koorts kreeg.

Na dien tweeden kwamen een derde, een vierde, een vijfde, een zesde! En het was zulk eene vreemde koorts!

„De pest,” mompelde men.

De sterksten onzer werden aangetast en waren soms binnen dertig of veertig uren al bezweken. En te midden van onze ziekte liepen we, als woedenden, over het dek. Eenigen sprongen in het ijlen der koorts overboord.

De scheepsbarbier bezweek; de Eerste Stuurman volgde en daarna het arme heertje, dat den Kapitein en heel de bemanning bij den Gouverneur-Generaal zou aanklagen, omdat men hem zoo beleedigd had.

Alleen „Zwarte Jan” liep onverschillig tusschen al de zieken rond en belas enkelen van ons, die er den moed toe hadden om het te laten doen. Ik geloof anders niet, dat het veel helpt; ik liet me ook belezen en werd beter, maar zes anderen stierven nog denzelfden dag.”

„De koorts belezen, nooit van gehoord,” bromde de Opper-koopman. „Wat is dat nu weer?”

„Met uw verlof, sinjeur, u heeft van zooveel nog niet gehoord. Ik zal u zeggen, wat „Zwarte Jan” deed. Hij kwam bij me staan, streek zijne handen over heel mijn lichaam, deed toen, alsof hij wat overboord gooide en zeide:

„Olde marolde!
Ik heb de kolde!
Ik hebbe ze noe,
Ik geve ze oe.
Ik bind ze hier neer,
Ik krijg ze niet weer.”

„Wat eene gekheid toch! Dat is God verzoeken!” riep Hoepel. „Niets anders! Het verdient ravallen en kielhalen!”

„Het kan zijn, Hoepel, maar ik genas toch! En nu wil ik wel aannemen, dat ik genezen zou zijn ook, al had ik mij niet laten belezen, zooals met den bottelier het geval was geweest, ik zie toch niet in, dat het zoo strafbaar zou zijn. Wij zaten in benauwdheid, en je weet: eene kat, die in de benauwdheid zit, doet vreemde sprongen. Eindelijk toen er meer dan vijftig aan die akelige ziekte gestorven waren, kwam er beterschap. Slechts acht waren geheel vrij gebleven en de overigen waren zoogenaamd hersteld. Maar hoe kon iemand geheel beter worden zonder drinken? We waggelden langs het dek, als beschonken mannen.

En de zon bleef branden; de lucht onbewolkt; het schip stil, onbewegelijk stil, vier weken lang.

Onze toestand was akelig; wij dronken zelfs zeewater en, als rantsoen, één mutsje bier per dag. De wijn was voor de zieken, of voor de zwakken, die ziek geweest waren en toch maar niet op krachten konden komen.

Daar ging „Zwarte Jan” naar den Kapitein en vroeg of het hem vergund was den wind te fluiten.

De Kapitein lachte ongeloovig en zeide: „Ga je gang, meester der zwarte konst!”

De matroos ging nu op den boegspriet zitten en begon op eene zonderlinge manier te fluiten.[10]

Brrr, te midden van die stilte klonk het akelig.

De zon ging onder; het werd donker en — alsof hij nooit gebrek aan adem krijgen kon, ging de man voort met fluiten. We rilden en keken angstig rond of we den booze niet zagen. Geen onzer durfde, ronduit gezegd, naar kooi gaan.

Eindelijk tegen middernacht hield hij op en kwam naar den Kapitein, die moedeloos tegen de deur van zijne hut leunde.

„Kapitein!” zeide hij, „laat alle zeilen bergen. De storm-fok is meer dan voldoende! De wind komt!”

Onwillekeurig volgde de Kapitein het bevel op van den vreemden man, die zich weer naar den boegspriet begaf en zijn akelig gefluit opnieuw liet klinken.

Het weerlichtte in het Zuiden en kort daarop in het Noorden. Met ontzettende snelheid naderde een onweder. Er kwam beweging in de zee, en het was of het schip door eene onzichtbare reuzenkracht eenigszins in de hoogte geheven werd en zuchtte.

Maar wind? Neen! Het bleef kalm, vreeselijk kalm!

„Hoor, hoor, wat is dat?” vroeg een man, die naast me stond. „Wat een vreemd geluid is dat!”

We hoorden beiden een gedruisch.

Het fluiten hield op en werd vervangen door een lied, waarvan ik de woorden nooit vergeten zal. Het luidde:

Wind, wind!
Kom gezwind!
Kom, orkaan,
Vliegend aan.
De heksen vieren feesten
Te midden der tempeesten!
Rommel, rommel, rommel, donder,
’T moet er op of ’t moet er onder!
Daar komt hij!
Hoor, hoor, hoe bromt hij!
Hoe gromt hij!
Op, op!
Hals over kop
In vreeselijke vlucht,
Als een pijl in de lucht!
Wind, wind!
Kom gezwind!
Ha, de orkaan
Komt aan!
Ha — ha!

Wij rilden en beefden van angst! Hu, wie kon er nu zingen? Zingen te midden van die akelige duisternis!

Neen, zingen niet meer! Hij floot alweer!

Opeens flikkerde een vreeselijke bliksemstraal door het donkere zwerk en een ratelende slag volgde.

De storm schoot door de spleten der wolken en — voort, voort ging het, eerst kalm, maar daarna sneller, steeds sneller.

De regen plaste neer en te midden van die ontzettende verschijnselen der natuur kropen we op onzen buik langs het dek om het regenwater op te likken.

Het waren geene druppels, die vielen, het waren stralen! Wij dronken ons zad en kropen toen naar masten en touwen om ons vast te houden. Het onweder was ontzettend en de storm nam in kracht toe! Ons schip draaide soms in het rond als een tol, om dan weer met woeste vaart vooruit te schieten langs de golven van den fel bewogen Oceaan.

„Zwarte Jan” bleef fluiten; maar te midden van die vreeselijke geluiden hoorden we er niet veel van.

En donker als het was, men kon op enkele oogenblikken letterlijk geene hand voor de oogen zien!

De zon scheen ons te vergeten, of was het nog geen morgen?

O, al lang, al heel lang!

En waar waren we nu?

Gelukkig, het werd wat helderder! Er brak een straaltje daglicht door de dichte wolken; maar nauwelijks hadden wij het gezien, of weg was het.

En voort, zonder ophouden, altijd maar voort, vlogen we met gezwichte fok langs de geweldige golven!

Was dat nu dat luie schip, die nare achterblijver?

Op, op!
Hals over kop!
In vreeselijke vlucht,
Als een pijl door de lucht!
Voort, voort, voort!
Ongestoord,
Al maar voort!
Naar het Zuid, naar het Noord,
Naar het Oost, naar het West!
Naar de Pool op het lest!
Ha — ha!”

Zoo zong „Zwarte Jan” op den boegspriet, waar hij zich aan de touwen vasthield om niet in zee gesmeten te worden.

Eindelijk scheen hij genoeg gezongen en gefloten te hebben. Met heel veel inspanning kwam hij weer op het dek en bij mij staan. De man zag er vreeselijk ontdaan uit.

„Dat zet nog eens aarde aan den dijk, ouwe jongen,” schreeuwde hij mij toe.

Ik keek hem even aan, doch gaf geen antwoord, want ik was werkelijk bang voor dien zonderling en had hem wel willen ontloopen, als ik maar geweten had waarheen.

Toch scheen het grootste gevaar voorbij te zijn; want de storm bleef uit één’ hoek waaien, zoodat het schip één koers ging en we niet meer zoo naar alle kanten rondgeslagen werden. Dat bracht ons wat tot bedaren, en gaandeweg kwamen wij er toe, een en ander met overleg te doen.

De watervaten, die we niet vastgesjord hadden, waren over het dek gesmeten en ledig geloopen. Zoo goed en kwaad, als we konden zetten wij er twee overeind en sjorden ze aan den mast. Toen de storm wat ging liggen, gelukte het ons een zeil zóó gespannen te krijgen, dat het een soort van dak vormde, en het water, dat er afliep, wisten we in de vaten op te vangen. In een oogenblik waren beide vaten vol, en we waren gelukkig in het vooruitzicht, althans in de eerste dagen versch water te hebben. Onder al die bedrijven door kwam de een na den ander er ook toe een stuk beschuit met spek te gebruiken, en eindelijk, volle zes etmalen, nadat de storm begonnen was, konden we des namiddags waarnemingen doen omtrent de lengte en breedte waarop we ons bevonden. Zelden of nooit misschien was een schip zoo uit den koers geslagen als wij, en toen we eindelijk Kaap de Goede Hoop aandeden, vernamen we daar, dat de andere schepen reeds meer dan acht weken geleden vertrokken waren. Men had het er voor gehouden, dat we met man en muis vergaan waren.

En dat is nu een stukje geschiedenis van mijne vierde reize naar de Oost. Het is te hopen, dat de „Leerdam” beter over de Linie komt dan de „Het Huys ter Horst.”

„Maar hoe is het toch afgeloopen met „Zwarten Jan?” vroeg Dirk, die aandachtig had staan luisteren.

„Ja, jongen, droevig genoeg. Toen alles na de windstilte en den storm weer tot orde gekomen was, begon de man heel vreemd te doen. Het was, alsof hij maalde, en eindelijk liep hij als een wezenlooze over het dek. Hij voerde niemendal uit. Hij at bijna niets en dronk heel weinig. Tegen niemand sprak hij, en als hij maar den een of ander op hem zag afkomen, maakte hij zich uit de voeten. Zijne krachten namen zichtbaar af en één der Heeren, die wij aanboord hadden, en die naar de Oost ging om daar zijn geluk als Medicijnmeester te zoeken, verklaarde dat de man aan de zenuwen leed en het niet lang meer zou maken. Dat kwam zoo uit ook. Wij dachten, dat hij zich met lijf en ziel aan den booze verkocht had, doch toen hij, drie dagen vóór dat we aan de Kaap aankwamen, des morgens dood in zijne hangmat lag, vonden we op zijne borst een boekje met Christelijke gebeden. Daaruit bleek het duidelijk, dat de booze geen vat op hem gehad had, en dat de arme man zich maar verbeeld had, dat hij de zwarte konst verstond.”

Onder het spreken der laatste woorden was Ouwe Joost opgestaan en met een: „Maar de jaren blijven den zeeman niet in den pijjakker zitten. Ik ga mijn matje in! Wel te rusten,” verdween hij in het matrozen-logies.

Enkelen der anderen volgden zijn voorbeeld, doch verreweg de meesten bleven op het dek en trachtten daar den slaap te vatten, hetgeen hun eindelijk ook gelukte.

Dirk en Garrit, die beiden de hondenwacht hadden, stonden zwijgend bij elkander, doch toen ze zoo eene poos gestaan hadden, vatte Garrit de hand zijns broeders en zeî: „De Ouwe Joost heeft me bang gemaakt. Wat begon zijn verhaal prettig en wat eindigde het treurig! O, Dirk, als wij, eer wij de Linie passeeren, ook eens zulke vreeselijke dagen moeten doorbrengen als de „Het Huys ter Horst,” wat dan?”

„Moeder zou zeggen: „Wij zijn in de hand des Heeren,” Garrit! Laten we daarom getroost zijn en hopen, dat de „Leerdam” met de heele bemanning behouden te Batavia zal aankomen. Je moet je niet zoo ongerust maken!”

„Je hebt mooi spreken, Dirk! Maar je bent zelf toch ook niet gerust. Dat zag ik wel toen je aan Ouwe Joost vroeg hoe het met dien regenfluiter afgeloopen was.

„Geen wonder ook. Al die oude varensgezellen kunnen wat mooi vertellen, maar geen van allen zooals Ouwe Joost dat kan, vooral niet, zooals hij het nu deed. Ze moesten allemaal luisteren, of ze wilden of niet!”

„Ja, Ouwe Joost was in zijne kracht!”

„Dat was hij zeker, maar nu we hem niet meer hooren en zien, nu hebben we tijd om over zijne vertellingen na te denken, en hoe meer we dat doen, hoe meer we er achter komen zullen, dat een ander met dezelfde vertelling ons niet zoo akelig zou gemaakt hebben. Als de „IJzeren Neptunus” ze verteld had, dan ....”

„Dan waren we er mogelijk bij in slaap gevallen.”

„Dat geloof ik ook; maar hoe zou dat gekomen zijn? Het was dan toch dezelfde geschiedenis!”

„Weet ik het?”

„Dan zal ik het zeggen: Ouwe Joost maakt zijne vertellingen mooi, door ze, door ze, ik zal maar zeggen, door ze met allerlei kleursel op te dirken. Dat zou IJzeren Neptunus niet gedaan hebben.”

„Ouwe Joost heeft ons toch geene leugens wijs gemaakt?”

„Dat niet, wel wat anders.”

„Wat dan?”

„Het was opgedirkte waarheid, dat was het!”


VIJFDE HOOFDSTUK.
Een groot man.

„Kapitein,” sprak twee dagen later de bottelier, „het water in de leggers[11] is geheel bedorven.”

„Kan ik dat helpen, man?”

„Neen, Kapitein! Maar ik wilde u nu vragen wat het volk dan drinken zal? Alleman heeft dorst.”

„Wel, natuurlijk van dat water!”

„Ze lusten het niet, Kapitein!”

„Dan laten ze het maar staan. Wie niet lust is dood! Had je nóg wat?”

„Ja, Kapitein!”

„Nu, gauw dan wat! Ik heb geen’ tijd om naar allerlei beuzelarijen en onzinnige vragen te luisteren.”

„Het volk wordt oproerig, Kapitein! Ze zeggen, dat als ze achter[12] volop wijn en bier drinken, zij niet verkiezen de pest te drinken aan bedorven water uit de leggers.”

„De pest? Wie heeft die zotteklap uitgekraamd? De bootsman zeker? Hij is er precies de man toe.”

„Neen, Kapitein! Ouwe Joost heeft onlangs verteld, dat ....”

„Dat hij een babbelaar is, die niet weet, wat hij zegt. Hij babbelt den grooten mast nog onderstboven. Ik vaar toch ook niet als jonge brasem uit, zou ik denken, en ik heb er nog nooit van gehoord.”

„Met uw verlof, Kapitein,” sprak thans de Eerste Stuurman. „Ik heb er wel van gehoord, en ik kan u verzekeren, dat het water, zooals het nu is, onmogelijk kan gedronken worden. Het is geen kost, men walgt, als men het maar ruikt en .... Maar wat zullen we nu weten? Wat voeren ze nu toch in vredesnaam met het water uit?”

Nadat hij deze laatste woorden had uitgesproken, begaf hij zich met den bottelier naar de plaats waar men bezig was een’ legger ledig te maken in allerlei vaten en bakken. Met lepels roerde men het dan duchtig om en liet het uit den vollen lepel van eene zekere hoogte weer in de bakken en vaten vallen. Dit hielp zeker om den stank minder te maken, wel wat, doch niet genoeg. Het was op raad van Dolf de Boef, dat de kok, geholpen door enkele matrozen, hiermede begonnen was, en nadat men meer dan een half uur het water telkens overgegoten had, proefde de kok er eens van en zeide „De stank is minder, maar de smaak nog even ellendig!”

„We hebben nog niet alles gedaan, wat we kunnen,” zeide Dolf. „Hebt ge ook ijzeren of looden buizen aanboord?”

„Neen,” zeide de timmerman. „Wij hebben wel rollen lood waarvan desnoods buizen gemaakt kunnen worden.”

„We moeten ons weten te behelpen,” hernam Dolf. „Ik heb wel eens gehoord, dat bedorven water beter wordt, als het door ijzeren of looden pijpen, waarin gaatjes zijn, loopt. Als we nu eene lange reep lood nemen en die vouwen tot eene goot, dan kunnen wij er wel gaatjes in slaan, zoodat het water er door druppelen kan.”

„Zeg eens even: kan jij water in eene vergiettest dragen? Het loopt immers door de gaatjes over land weg? Dat zal met die looden pijp of goot immers ook gebeuren?”

„In zee, wilt ge zeggen,” zeide Dolf tot den timmerman die hem in de rede gevallen was. „Dat zou waar zijn, als men onder die looden goot met gaatjes geene tweede zonder gaatjes hield. In die onderste kan het opgevangen en in schoone vaten gebracht worden.”

„Met een dood kalf is het goed sollen,” liet de Eerste Stuurman zich hooren. „Maar nu heb ik ook nog een voorstel, en dat is dat we dien ledigen legger met zeewater en potasch eerst eens terdege schoonmaken. Het bederf zit in het hout ook en is er niet zoo gauw uit.”

Aan een en ander werd gevolg gegeven, en daar niemand der manschappen aanboord iets te doen had, omdat het schip zich bijna niet voortbewoog, zoo begon iedereen te werken aan de waterverversching.

Met veel moeite werd het toestel tot stand gebracht en de proef begon. Men ving het doorgedruppelde water uit de onderste goot op, alsof het levens-elixer was.

Verscheidene ledige leggers waren schoongemaakt en men liet het water maar telkens van het eene vat in het andere loopen. Het was eene algemeene bezigheid.

Eindelijk werd er van geproefd en, waarlijk, het had wel niet veel, maar toch wàt geholpen.

„Nu weet ik nóg wat!” riep Dolf eensklaps uit, „en dat kan ook helpen. We nemen een ledig vat en maken in den bodem kleine gaatjes. Op dien bodem legt men dan een stuk linnen en op dat linnen doen we schoon zand, waardoor fijne houtskool geroerd is. We moeten alles probeeren!”

„Maar dan sijpelt het water door de gaatjes van den bodem weer op het dek,” meende de timmerman.

„Kunnen we dan dat zuiveringsvat niet boven een’ ledigen legger zetten?” vroeg Dolf.

„Je bent vindingrijk, Dolf!” zeide de bootsman vriendelijk.

„Nu, ik heb op de hoogeschool niet al mijn’ tijd verboemeld, zoo min als jij!” hernam Dolf.

Weldra was men in de weer om ook nog deze proef te beginnen, hoewel velen ongeloovig de schouders ophaalden.

„Ze krijgen er de pest toch niet uit,” bromde Ouwe Joost.

Reeds begon de avond te vallen eer men den toestel in orde had. Het volk had dien dag zijn maal gedaan met beschuit en een weinig bier, dat de Opperkoopman uit zijn’ eigen voorraad uitgedeeld had. De Kapitein, wiens geweten zeker begon te spreken, liet zich zoo weinig mogelijk zien.

Nieuwsgierig hoe het zou afloopen bleven de meesten van het volk op het dek en keken naar de vaten met een paar oogen, alsof hunne Grootmoeders er kousen in zaten te breiden, en zóó voor den dag komen zouden.

Het was beneden in het matrozen-logies of in het ruim ook haast niet om uit te houden van de vreeselijke en afmattende warmte en het groote gebrek aan versche lucht.

Wel werd de vloer dikwijls opgedweild met zeewater en azijn, maar de vunzige lucht liet zich niet zoo gemakkelijk verdrijven. Daar is een koeltje voor noodig, die ze wegblaast, ver zee in. Daarom werd alles tegen elkander over opengezet om tocht door te laten; maar bij de groote windstilte hielp dat zooveel als niemendal. Velen van het volk begonnen bovendien last te krijgen van koortsen en allerlei andere ongesteldheden, die een gevolg waren van het ledigloopen en niets doen, maar vooral van de warmte en het slechte drinken.

Een spreekwoord zegt: Ledigheid is des duivels oorkussen.

Zoo de Kapitein daaraan wat meer gedacht had, zoo hij voor het volk wel werk gezocht hebben.

Maar de Kapitein, die anders wakker genoeg was, had de bokkepruik op, en als er één was, die wist waarom, dan was het wel onze IJzeren Neptunus, de Eerste Stuurman.

„Wat hapert er toch aan den Ouwe, Stuurman?” vroeg eenigen tijd later de bootsman, die met zijn vriend Dolf bij den grooten mast stond te praten over oude gebeurtenissen.

„Laten we eerst vragen, Willem,” zei Dolf, „wat er onzen IJzeren Neptunus in den weg zit. Terwijl we hier staan, is hij ons al een keer of wat voorbij geloopen met de vingers in den mond, of liever met den nagel tusschen de tanden.”

De Stuurman bleef stil staan en zeide somber en half zuchtend: „Och, ik liep zoo maar wat te denken. Een mensch moet toch iets verzinnen om zichzelven niet ziek van verveling te maken. Dat zal jelui toch ook wel eens overkomen niet?”

„Zeker,” zeide Dolf, „uit gebrek aan andere stof praatten Willem en ik al over ons vroeger studenten-leven. Maar zeg, liep je soms te denken over het mislukken van mijne waterverversching-proef?”

„Neen, ik dacht aan heel wat anders. Maar is de laatste proef dan ook niet geheel gelukt?”

„Dat zal nog moeten blijken, Stuurman! Maar ik vrees er wel voor. Ouwe Joost is zoo gek niet, als zijne muts wel staat, en die heeft gezegd: „Ze krijgen er de pest toch niet uit.” En ik geloof het met hem. Om de waarheid te zeggen: het water was al veel te ver weg.”

„Nu, raar water heb ik wel eens meer gedronken,” zeide de Stuurman, „maar zulk water nooit. Ik geloof eigenlijk dat de vaten niet goed schoon gemaakt waren toen men het water er in deed.”

„Of gevuld met dat ongelukkige Maaswater,” sprak Henri Quatre. „Neen, dan hebben wij op onze hooge gronden in het Geldersche ander water. Als men het daar uit den grond pompt, dan kraalt het als bier in een glas.”

„Het is geen Maaswater, maar zuiver bronwater geweest, dat er in kwam, dat weet je ook wel. We namen op Madeira water in.”

„Je hebt gelijk,” begon nu Dolf, „maar nu we toch zoo bij elkander staan, moesten we eens even over het water zwijgen. Al dat praten er over maakt den dorst maar erger. Zeg ons liever maar eens waarover je toch zoo dacht!”

„Och, dat kan ik moeielijk zeggen, mannen! Als kind speelde ik dikwijls met gekleurd zand, dat ik door een’ trechter liet loopen. In het eerst kon ik zeggen, als het er uitliep: Zwart zand, wit zand, rood zand, groen zand, rood zand, maar op het laatst liepen de kleuren door mekaêr en kon men ze niet meer onderscheiden. Zoo gaat het met de gedachten van een’ zeeman, die zich loopt vervelen ook. In het begin houdt men alles netjes bij elkaêr, maar het duurt niet lang of al die mooi uit mekaêr gehouden gedachten, doen als de droge blâren op den hoek van eene straat, als het waait. Alleen een baas van een blad kan men dan nog onderscheiden.”

Henri Quatre ging nu vertrouwelijk naast hem staan, legde hem eene hand op den schouder, en zeide: „Precies, Stuur, precies! Bij u dwarrelen die gedachten nu ook als die droge blâren, maar .... dat groote blad, dat er bij is, houd je in het gezicht. En wil ik je nu eens vertellen, wat er op dat groote blad geschreven staat?”