„Wel, Sinjeur de goochelaar, vertel me dat even, als je kunt,” zeide de Stuurman met een lachje, dat hem niet van harte afging.
Henri Quatre boog zich dichter tot zijn oor en fluisterde: „Op dat groote blad staat geschreven: „Wat moeten we aanvangen zonder drinkwater?” Kan ik goed gedachten lezen?”
„Gebrekkig, man, gebrekkig!”
„Stil maar, we zijn er nog niet. Op datzelfde blad staat met koeienkoppen van letters te lezen: „Waarom liet de Ouwe, tegen beter weten in, twee streken westelijker sturen?” Ben ik er nu, man?”
„Dat is zoo, bootsman! Die hooghartige bui van ....”
Hij zweeg op eenmaal.
„Nu, waarom gaat ge niet voort?” vroeg Dolf.
De Stuurman keek voorzichtig rond of er niemand was, die hem beluisteren kon en zeide toen: „Die hooghartige bui van den Kapitein zal ons duur te staan komen, vrees ik.”
„En de Ouwe ziet dat ook in, en vandaar de bokkepruik, die hij op heeft. Als een mensch wat verkeerds gedaan heeft, tracht hij altijd zichzelven zooveel mogelijk te verontschuldigen. Dan is hij knorrig op iedereen, omdat hij te trotsch is, knorrig op zichzelven te zijn! Is het niet zoo, Stuurman?”
„Zoo is het, Dolf! En, als ik je nu de gulle waarheid zeggen moet, dan zit ik erg in angst.”
„Waarom, Stuurman? Enkel en alleen om het bedorven water?”
„Neen! Het volk is ontevreden, en de nare manier van doen van den Kapitein maakt, dat er een oproerige geest komt. Ik heb mijne ooren en oogen niet in den zak zitten; ik hoor en zie meer dan me lief is, rekent er op. Het lijntje zal gauw genoeg breken.”
„Maar niet allen zijn oproerig. Er zijn er nog wel, die te vertrouwen zijn,” meende Henri Quatre.
„Bootsman, ik heb de vertelling gehoord van Joost en ik weet, dat hij niet gefabeld heeft, het is er toen zóó en niet anders toe gegaan. Maar als we in dien vreeselijken toestand moeten komen, wel, ik weet het zoo niet, maar ik geloof, dat ik dan voor mijzelven niet zou instaan.”
„Maar, Stuurman!?”
„Het is zoo, bootsman! Zie, ik weet hoe we in dit perykel gekomen zijn. Jelui weet het en, weest ervan verzekerd, dat er onder het volk ook genoeg zijn, die het weten, en zij, die het weten, zullen, als pitje bij paaltje komt, wel zorgen dat allen op de hoogte zijn. En nu kan er op een schip veel gebeuren. De eene ramp na de andere kan bezoek komen brengen, als het volk den Ouwe vertrouwt, dan blijft alles toch goed gaan. Een flinke Ouwe is in die gevaarlijke oogenblikken en in die moeielijke uren en dagen de God van Janmaat. Naar hem ziet iedereen; naar hem luistert alles; op hem hopen en vertrouwen Stuurman en pluimgraaf, Opperkoopman en kajuits-wachter. Maar wee, wee, als men den Ouwe niet vertrouwt. Dan mag hij bevelen, zij dreigen; dan mag hij bidden, zij lachen hem uit; dan mag hij op zijne knieën smeeken hem gehoorzaam te zijn, ze trappen hem opzijde. Ik ga de toekomst donker in, mannen!”
Dolf en Willem keken elkander aan, en alsof ze mekaêr in de ziel konden lezen, zoo zeiden ze, als uit één’ mond: „IJzeren Neptunus, wees gij onze Kapitein! Word het op staanden voet eer het te laat is. Het volk zal u gehoorzamen, dat weet je wel. Jij, en jij hebt bij het volk meer vertrouwen in je pink, dan de Kapitein in zijn heele lichaam.”
„Mannen, mannen, wat zijt gij onvoorzichtig in uwe voorstellen! De wetten verbieden het mij te doen, al wilde ik.”
„Daar gaat wat boven de wet, Stuurman!”
„Wat dan?”
„Redding uit nood, Stuurman!” sprak de bootsman.
Londenaar bedacht zich een oogenblik en zeide toen: „Neen, neen, nu zeker nog niet! Maar, wat anders! Gij kent het volk misschien beter dan ik, want ge gaat er meer rechtstreeks mede om. Wie zijn het minst genegen oproer te maken?”
„Die zijn gauw opgenoemd, Stuurman! In de eerste plaats u niet en wij ook niet. Meester Troost der Armen is ook geen oproermaker en Hoepel denkt er niet aan. Dirk en Garrit, de zoogenaamde „Twee Vromen,” en de timmerman zijn ook te vertrouwen!”
„Dat zijn er acht! Ga verder!”
„Er zijn er, naar ik berekenen kan, al zoo veel niet meer, Stuurman! De ontevredenheid is algemeen!”
„Och kom! de kok, de bottelier en de Tweede Stuurman dan? Die zullen toch geen oproer maken?”
„Zijn als de rest. Ze behooren tot dat slag van volk, dat in den Ouwe een’ God ziet waarvoor hij knielt of een kwâjongen, dien hij ringelooren zal, al naarmate de Ouwe is. Begrepen?”
Een oorverdoovend gelach liet zich op dat oogenblik op het voorschip hooren. De drie vrienden liepen er heen in de stille meening, dat die laatste proef met het zuiveren van het water goed gelukt was, en dat daardoor de aanleiding tot die luidruchtige vroolijkheid was ontstaan.
Spoedig echter zag men dat het wat anders was.
Tusschen vier verkleede matrozen, die zich het aangezicht met gebrande kurk ingewreven hadden om er als negers uit te zien en die vier baliemanden met kruiken en flesschen droegen, liep iemand, die zich zooveel mogelijk verkleed en veranderd had om op den Kapitein te gelijken. Hieraan zou men echter niet zoo gauw gezien hebben, wien de verkleede man voorstelde, maar de Kapitein had eenige dagen geleden met den linkervoet in een’ spijker getrapt, en daar Troost der Armen nog niet veel baat gebracht had, zoo liep hij een weinig te trekkebeenen. Dit nu deed de verkleede ook, en daardoor wist iedereen, wie er bedoeld werd.
„Het is de kok!” fluisterde Dolf zijn vriend in het oor.
„Ja, en die anderen?”
„Dat zie ik zoo gauw niet. Wacht, de konstabel is er bij!”
„Ja, en — en — Hoepel! Hoepel werkelijk ook. Dat valt me dan vreeselijk tegen, want, zie je, het is heel wat anders dan een grapje, bedacht om de verveling te verdrijven.”
„Je hebt gelijk! En die andere twee gelijken wel wat op den Tweeden Stuurman en „Kreeft.”
Kreeft was een matroos, wiens bovenlijf naar de linkerzijde wat overhing. Daarom had hij ook van het andere zeevolk, dat altijd heel vindingrijk is in het geven van bijnamen, den naam van „Kreeft” gekregen.
„Wat zijn die toch van plan?” vroeg IJzeren Neptunus. „Ik zie er een heel gevaarlijk spelletje in.”
„Dat zullen we zien en hooren,” antwoordde Henri Quatre.
De stoet hield eensklaps stil.
„Au! Au! Verdraaide horlevoet, wat doe je me eene pijn! Ellendige spijker! Wie was de ezel, die hem heeft laten vallen en laten liggen? Hij moet gebritst, gekielhaald, ja, hij moet gehangen worden,” riep hij, die voor Kapitein speelde en nu allerlei bewegingen maakte, alsof de wonde aan den voet hem veel pijn veroorzaakte.
„Joris Kopstuk, Kapitein Pompernikkel!” luidde het antwoord van een der lachende matrozen.
„Wie is die Joris Kopstuk?” klonk de vraag.
„Ja, Kapitein Pompernikkel,” hernam dezelfde spreker, „Joris Kopstuk is een bijnaam, dien we hem gegeven hebben. Zijn eigenlijke naam is Tweestrekenverkeerdwest!”
„Wat? Hoor ik goed? Maar wat naam is dat? Zulk een naam is er in heel de Republiek der Vereenigde Nederlanden niet! Twee-streken-verkeerd-west! Zelfs de Boschjesmannen en Hottentotten hebben zulke malle namen niet!”
„Hij is ook geen Boschjesman of Hottentot, Kapitein! Zijn Vader was een sausneger, een echte sausneger, van komaf. Hij liet zijn zoontje in den broek doen en bestelde hem aanboord van een schip der Compagnie. Daar bofte dat sausnegerszoontje zoo, dat hij Kapitein op eene mooie fluit werd.”
„Ik weet er niemendal van!”
„Dan zal u het weten! En eens op een’ keer wilde het ei wijzer zijn dan het hoen, en toen stuurde hij zijn schip dicht bij de Linie twee streken westelijker dan alle andere christenmenschen zouden gedaan hebben, en zooals hem ook afgeraden werd te doen. Maar de baas had een hard vel voor het voorhoofd zitten en dat kwam, omdat hij maar een sausneger was. En weet u, wat er toen gebeurd is?”
„Ik wil me geene raadseltjes laten opgeven! Ik vaar toch niet als jonge brasem uit!”
„Neen, Kapitein Pompernikkel, ik zou zoo zeggen: u vaart als oude brasem uit!”
„Nu, wat vlugger! Je vertelt, alsof je jezelven een spijker in je tong gebabbeld hebt, zooals ik er een’ in mijn’ voet trapte!”
„En door dat twee streken westelijker sturen kwam het schip zes weken onder de Linie te liggen en stierf de helft van het volk aan allerlei akelige ziekten. Toch kwam het schip, wonder boven wonder om aan den balk te schrijven, behouden aan, en nu vaart datzelfde sausnegers-zoontje aanboord van de „Heukelom”.”
„Heukelom? Heukelom? Maar wat babbelt gij toch voor onzin? Heukelom ligt in de buurt van Asperen en van Leerdam, van Leeeerdaaam!”
„Juist, juist, jawel, Kapitein Pompernikkel! En die sausnegers-zoon nu heeft een’ spijker laten vallen en laten liggen.”
„Dan moet hij gestraft worden! Op staanden voet! Een vijftig voor de brits over een’ ledigen legger!”
„Over een’ ledigen legger, misschien nog wel een’ schoongemaakten? Je bent niet recht frisch! Neen, als hij over een’ legger moet, dan over een’ opengemaakten vollen, nergens anders over. Dan heeft hij pijn van achter en reuk van voor!” riep een ander, en dit voorstel vond zooveel bijval, dat men het met een allergeweldigst gejuich en geschreeuw ontving.
„Dat loopt daar mis, Stuurman!” zeide opeens Ouwe Joost, die met Dirk en Garrit zich van het luidruchtige troepje afgezonderd hadden.
IJzeren Neptunus verstond en begreep hem. Maar wat was er aan te doen? Het was immers nog maar een grapje? Men wist wel wie er met dat sausnegers-zoontje of Joris Tweestrekenverkeerdwest bedoeld werd, maar men kon er zich nog altijd afmaken met te zeggen: „Die man of die Kapitein bestaat immers niet?”
„Vooralsnog niets aan te doen, Joost,” sprak de Stuurman.
Ouwe Joost haalde de schouders op, zuchtte en verwijderde zich met zijne twee jonge vrienden.
Toen het gelach een weinig bedaard was, begon de man, die zich „Kapitein Pompernikkel” noemen liet, alweer zijne stem te laten hooren, en goed ook, alsjeblief!
„Stilte! Stilte!” schreeuwde hij. „Je spraakt daar om Joris Kopstuk over een’ vollen legger te britsen, opdat hij pijn van achter en reuk van voor zou hebben! Is er dan een luchtje aan het water?”
„Kom en ruik, Kapitein Pompernikkel,” zeiden een paar uit den hoop en brachten den trekkebeenenden vriend bij een’ vollen legger, die open was blijven staan om er de akelige, bedorven lucht uit te krijgen.
Kapitein Pompernikkel boog zich, onder het maken van allerlei dwaze bewegingen, over het geopende vat, maar pas had hij dat gedaan, of hij liet zich achterover vallen en gilde uit: „O, benauwd! benauwd! De stank is op mijn hart geslagen en dat klopt nu twee streken westelijker! Benauwd! Dat is bedorven duivelsdrek![13] Help, help! Ik kan niet meer!”
Gedienstige handen schoten toe en brachten den man weer bij de manden. Hij nam eene kruik, haalde er de stop af, rook eens en zeide toen: „Ha, ha! Ik bekom! Dat is heel wat anders! Dat is drank, dien de Goden hebben uitgevonden!”
„Wat is het dan, Kapitein Pompernikkel?”
„Bier, jongen, best bier! Ik heb er voor mijzelven en voor de Officieren achter een’ kelder vol! Het is echte faro, zoo rechtstreeks uit de Brusselsche brouwerijen ontvangen. Daar achter is het een kapitaal leven.”
„Waar achter?”
„In de kajuit van de „Heukelom,” mannen!”
„Dan kunnen de Officieren zich zad drinken, Kapitein!”
„Ja, maar ze krijgen geen bier! Ik heb den sleutel weggestopt, want ze zijn niet zoet! Ze moeten ook maar bedorven water drinken of van dorst sterven! Maar ik ben om geld verlegen en kom hier mijn bier verkoopen. Ga je gang, Slungel, mijn jongen! Ik ben Notaris en verkoop faro, zoo uit Brussel. Jij bent mijn afslager of crieerder! Begin!”
Slungel was een van de zoogenaamde knechts van Kapitein Pompernikkel, die nu opeens alweer Notaris geworden was. Hij hief eene kruik in de hoogte en begon: „Bij afslag, mannen, bij afslag!”
„Neen, bij opbod!” liet een zich hooren.
„Dat duurt te lang! Bij afslag! Het zijn duiten, hoort ge! Wie geeft zestig, vijftig, veertig, twintig, tien, negen, acht, zeven, zes....”
„Mijn!” riep een.
De kruik werd hem met de noodige grappen overgereikt en het verkoopen van eene tweede begon.
Ieder, die eene kruik gekocht had, haalde er de stop af en deed, alsof hij naar hartelust dronk.
„Ik geloof stellig, dat ze drinken,” zeide Dolf.
„Dat behoeft ge niet te gelooven, dat kunt ge wel voor zeker houden. Ik heb er zoo even alles van gezien en gehoord,” sprak Ouwe Joost. „De bottelier heeft de biervaten aangesproken!”
„Kom, hoe zou hij dat durven?”
„Durven? Hij heeft nog meer gedurfd! Ze hebben wijn, jenever en brandewijn ook!”
De Eerste Stuurman, die dat gehoord had, begaf zich terstond naar de kajuit. Hij klopte aan de deur, doch ontving geen antwoord. Hij klopte nog eens en nog eens, maar alles bleef stil, doodstil. Het scheen wel, dat de kajuit geheel verlaten was. Stil, alles stil!
Stil bij de deur van de kajuit en in de kajuit, ja, maar op het voorschip niet! Hoor, hoor toch eens wat een dronkemansgezang!
Kapitein Pompernikkel is voorzanger!
„Excellent is ’t druivenatje!
Laburdon, tierelieron!
Als ’t zoo koel komt uit het vatje!
Laburette,
Tierelierette!
Laburdon, tierelieron!
Siet het uit den roemer springen,
Laburdon, tierelieron!
Heysa, lustig, laet ons zingen!
Laburette,
Tierelierette!
Laburdon, tierelieron!
Onzen wijngod fraei ter eeren
Labu....”
„Neen, neen, een ander lied, Kapitein Pompernikkel! Een ander lied!” schreeuwde de Tweede Stuurman, en onderwijl nog een deel van het volk zong:
„Laburette, tierelieron!
Laet ons Bacchus vrij waerdeeren,”[14]
brulde hij, want zingen kon men het waarlijk niet noemen:
Wie wilt opgeschreven worden?
Bacchus neemt soldaten aan.
Op de bierbanck is ’t slagh-orden
Daer wij moeten vechten gaen.
d’ Herberg is de rendez-vous,[15]
Het woord is: ’k breng het u, of avous.
Vecht knecht, doot kaes en broot!
Schenckt! Drinckt!
’t Glaesen trompet dat klinkt!”
Langzamerhand kreeg het lied, dat de Tweede Stuurman liet hooren, bijval, en met het tweede couplet zongen reeds allen mede:
„Bacchus tonneken is de trommel,
Die men in den oorlogh slaet!
Want men suypt daar als de drommel.
Dat de buyk gespannen staet.
Als een trommeltje zoo brou,
Dat het daer op klincken zou!
Vecht knecht, doot kaes en broot!
Schenckt! Drinckt!
’t Glaesen trompet dat klinckt!
Bierbuyck hout drie compagniën
Louter drinckboers in het velt,
Om den oreloogh te bieën,
Aen den dorst, die ’t keelgat quelt.
Dikke Pier is kolonel!
Hij brenght de drinckbroer elckeen snel.
Vecht knecht, doot kaes en broot!
Schenckt! Drinckt!
’t Glaesen trompet dat klinckt.
Hei, coraedje! Jan Potaedje
Drinckt dat syne neus wordt root,
’t Is een teycken van coraedje,
Van coraedje die es groot!”
Verder hoorde IJzeren Neptunus niet meer naar dat gebrul; want zijn geduld was ten einde en na vruchteloos beproefd te hebben de deur, die van binnen gesloten was, te openen, trapte hij ze in.
Bij het walmend licht van eene vetkaars, die reeds in de pijp brandde, zag hij den Kapitein onder de rustbank op den vloer liggen. Hij lag er stil, doodstil, en sliep.
Eene sterke lucht van brandewijn en een beker, die nog half vol met dit vocht was, zeiden hem genoeg, wat er gebeurd was.
De man, die zichzelven te hoog geschat had om den raad, van een’ veel ouderen Scheepskapitein op te volgen, had nu geen’ moed genoeg gehad om het gevaar, waarin hij manschap en schip gebracht had, het hoofd te bieden.
Hij had zich dronken gemaakt en lag als een lijk op den grond, om in den slaap te vergeten, dat hij niets anders was dan een hooghartige lafaard.
Zonder goed na te denken, wat hij deed, snelde de Stuurman nu naar de hut van den Opperkoopman, die sinds den vorigen dag ziek in de kooi lag om dezen te vertellen in welken toestand hij den Kapitein gevonden had. Er moest, het mocht kosten, wat het wilde, raad geschaft worden. In zijne haast vergat hij echter de deur der kajuit te sluiten.
Terwijl de brave Stuurman nu met den Opperkoopman middelen beraamde om het oproer, en misschien allerlei ongelukken te voorkomen, schreeuwde Kapitein Pompernikkel in dronkemanstaal en met echten dronkemansmoed: „Halloh, mannen, frisch op! Naar Joris Kopstuk! Hij zal naar onze pijpen dansen zoo mooi of zoo leelijk, als je het nog nooit gezien hebt.”
„Ja, ja, Joris Kopstuk zal dansen,” riepen er een paar. „We moeten bij al onze ellende toch een beetje verzet hebben ook!”
Zwaaiende, gierende, zingende en schreeuwende kwam de menigte bij de kajuit en....
„De baas heeft een graantje gepikt! Hoezee! Jongens, de Ouwe heeft de hoogte en ligt nu heelemaal Noord! Zijn kompas wijst glad mis,” schreeuwde de Tweede Stuurman.
„Terug! Terug!” klonk op eenmaal eene stem.
Het was Henri Quatre, die, gevolgd door Dolf, Joost, Dirk en Garrit, zich voor den woesten hoop plaatste.
„Verloopen student, commandeer den hond en blaf zelf,” schreeuwde de bottelier en greep den bootsman aan, doch deze, die voor geen klein geruchtje vervaard was, smeet den aanvaller in een oogenblik zóó hardhandig neer, dat alle beenderen en ribben in zijn lijf „krak” zeiden.
„W—w—wat moet, zal, wat moet dat—dat hier?” klonk thans de dronkemans-stem van den Kapitein, die door al het geweld een weinig tot zichzelven kwam.
„Dronken varken, geef ons goed water,” riep de Tweede Stuurman. „Hoort ge waarachtig nog, ja?”
„Maak ijzeren bouten—bouten—gloeiend—gloeiend, en stop—stop—die—dan—dan—in—in—het—w—wa—water,” zeide de Kapitein met dubbelslaande tong.
„Hoort ge het wel, mannen? De Kapitein geeft een’ goeden raad, en het zal verstandig zijn dien op te volgen,” zeide de Opperkoopman, die half gekleed in de kajuit kwam.
„Jij met je goeden raad!” riep een der ruwste matrozen. „Wat weet me zoo’n kruidenier, die peperhuiskens plakken en kaneel afwegen kan, van een’ goeden raad! Loop voor mijn part naar de maan!”
„Ga jij eens mee maat, dan zal ik je ’reis vertellen waar je de maan kunt zien ondergaan,” sprak IJzeren Neptunus op kalmen toon en hij droeg den oproerigen matroos zoo gemakkelijk de kajuitstrap op, alsof hij een bakerkind in de armen had.
„Naar boven, mannen, naar boven!” liet zich nu de Tweede Stuurman hooren. „Die IJzeren Neptunus zal een ongeluk aan Maaikenneef begaan! Mee! Mee!”
In een oogenblik was nu de dolle menigte op het dek.
IJzeren Neptunus stond heel bedaard met Maaikenneef in de handen bij de verschansing.
„Als je één’ stap nader komt gaat hij overboord voor de haaien, zoo waar als ik hier voor je sta, lafhartige schreeuwers,” sprak de sterke man, en met eene onbegrijpelijke kracht hief hij met de linkerhand Maaikenneef op en hield hem half overboord.
Toen de anderen dat zagen, stonden ze een oogenblik ontzet stil. Dat was eene kracht, die boven hunne bevatting ging.
„Hij durft niet, mannen!” schreeuwde de Tweede Stuurman en naderde den reus. Deze evenwel stak plotseling de vrije rechterhand uit en greep dezen tweeden belhamel ook zoo beet, dat deze zich niet verroeren kon.
„Nog eenmaal, terug, mannen, of er gaan er twee overboord,” zeide de sterke man op zulk een’ ijzingwekkenden, kalmen toon, alsof er niets bijzonders aan de hand was.
Zijne oogen straalden vuur, en even als bij een hollend paard, waren zijne neusgaten wijd geopend. Hij geleek een reus uit de fabelleer, en nooit had hij zijn’ bijnaam van „IJzeren Neptunus” meer eer aangedaan dan in dit vreeselijke oogenblik. De matroos en de Tweede Stuurman konden letterlijk niets doen; ze waren als poppekens in de handen van een’ grooten schooljongen.
Zij, die niet tot de oproermakers behoorden, schaarden zich om hun’ Aanvoerder en eindelijk kwam ook de Kapitein op het dek aanzwaaien.
„Sm—smijt ze—over—overb—boo—boord, stuur—Stuurman!” beval hij. „Smijt ze voor—voor—voor— doe ze—smijt ze....”
„Brengt dat dronken schandaal weg, mannen! Ik neem het bevel van het schip op me,” sprak de Eerste Stuurman. „Als we te Batavia komen, leveren we hem uit.”
„Of hij levert ons uit, als oproermakers! Wij weten immers bij ondervinding, dat de Heeren een’ matroos niet zoo gauw gelooven, en vooral hier niet, want de Kapitein staat hoog aangeschreven bij de Compagnie! Wij loopen dus gevaar een’ put voor onszelven te graven,” sprak meester Troost der Armen, die zoo wat tusschen de beide partijen stond.
„Hiervoor sta ik u borg,” dus liet de Opperkoopman zich hooren. „Ik zal een stuk schrijven en daarin alles uit elkander zetten waarom wij hem niet langer als onzen Gezagvoerder erkennen en onzen Eersten Stuurman tot Kapitein aanstellen. Het kan niet langer zoo gaan. Die man zal ons anders allen aan de golven prijsgeven. Hij is totaal waanzinnig.”
„Ja, en als hij dan verhoord wordt, zal hij zeggen, dat we oproer gemaakt hebben,” zeide nu de Tweede Stuurman, die door „IJzeren Neptunus” losgelaten was. Ook Maaikenneef was weer vrij en heelemaal binnenboord.
„Hij was dronken toen dat gebeurde,” meende Henri Quatre, „en bovendien het was zijne schuld. Tegen den raad in van den Kapitein van de „Nieuwpoort” heeft hij twee streken westelijker laten sturen en ons daardoor in deze perykelen gebracht. Hij was dus de oorzaak van het oproer.”
„Nu als het zóó is en zóó kan, laat dan het stuk geschreven worden. Wij zullen het allen onderteekenen. IJzeren Neptunus, ziehier mijn knuist, je bent een kerel! Jij bent onze Kapitein! Was je het altijd geweest, deze heele geschiedenis zou niet gebeurd zijn! Voor jou heb ik respect, dat heb ik, dat hebben wij allemaal! Mannen, de hekken zijn verhangen! Nu hebben we een’ Kapitein, die waard is, dat we dorst lijden! Alles in orde en geen vuiltje aan de lucht! Leve IJzeren Neptunus, onze Kapitein!” riep Maaikenneef.
Wonderlijk volkje, die varensmannen. Zóó zijn ze als tijgers en zóó zijn ze als kinderkens. Velen hadden tranen in de oogen en allen riepen: „Leve onze nieuwe Kapitein!”
„Hoezee!” juichte de Tweede Stuurman en meende inderdaad wat hij zoo luid liet hooren.
„Dolf, ga dadelijk mede om het stuk op te stellen,” beval de Opperkoopman.
Er scheen dus een einde aan de zaak gekomen te zijn.
Maar....
Het drinkwater, het drinkwater!
Men proefde het, en het was nog even bedorven.
„Volgt dan den raad van onzen gewezen Kapitein, mannen! Maakt ijzeren bouten gloeiend en steekt die in het water,” sprak Kreeft. „We moeten geen middel onbeproefd laten.”
Alleman was terstond in de weer om dien raad op te volgen.
De smeêkolen werden in de kombuis gebracht en weldra had men eenige staven witgloeiend.
„Hier, hier, in dit vat,” riep Hoepel.
Het werd geopend, de staven gingen er in, en —
Een vreeselijke vlam sloeg uit het vat naar buiten.
Men had de witgloeiende ijzers in een vol vat Franschen brandewijn gestoken. De oproermakers hadden het met behulp van den bottelier, die de sleutels had, boven op het dek gebracht en nu dacht niemand er aan, dat het er nog altijd stond. De drank was in den man en de wijsheid in de kan gekomen.
Het vat sprong en het brandende vocht stroomde langs het dek en bereikte een’ hoop touwen, die pas geteerd waren. Ook deze vatt’en vuur.
Iedereen deed, wat hij kon, om de vlammen te blusschen. Ook de kok, die voor het vuur in de kombuis te zorgen had, verliet zijn’ haard en de ijzeren bouten, die er nog in lagen. Door de vreeselijke hitte smolten deze en het vloeibare ijzer lekte op den grond en veroorzaakte brand, waar niemand dien op dat oogenblik zocht. Eene pan vet vatte vuur en weldra sloegen ook daar de vlammen uit.
„Brand! Brand!” riep de kok, die het nieuwe, dreigende gevaar het eerst ontdekte. „Brand in de kombuis!”
„Vlucht! Vlucht!” riep een uit den hoop. „De booten in!”
„Wie het waagt eene boot los te maken, schiet ik als een’ hond neer,” liet IJzeren Neptunus zich hooren.
Op dit oogenblik kwam Hoepel aansnellen en riep: „De vlammen zijn al door de scheuren der beschotten in het ruim geslagen! Nog een oogenblik en ze zijn bij het kruit!”
„Vluchten! Vluchten!” klonken reeds meerdere stemmen.
De oude oproermakers-geest, zoo even onderdrukt, kwam weer met kracht boven.
„Ik laat me niet verbranden, mannen! De booten in!” riep Kreeft. „Vooruit! Wie zijn leven lief heeft, die volge mij!”
Het baatte niet of IJzeren Neptunus er nu twee beetpakte en dreigde overboord te smijten.
Het hielp niet, dat Henri Quatre, Dolf, Ouwe Joost, Hoepel, de Opperkoopman, de Scheepsbarbier, Dirk en Garrit zich bij hun’ nieuwen Kapitein aansloten. De oproermakers waren te ver in de overmacht, niet alleen door getal, maar ook door wapenen; want de konstabel en zijn maat, die mede tot de rebellen behoorden, hadden geladen musketten, pistolen, kruit en lood uitgedeeld, waarna ze den sleutel van het wapen- en kruitmagazijn in zee gesmeten hadden.
Inmiddels nam de brand overal toe en de booten werden neergelaten en wie geen’ moed had om te blijven, vluchtte.
Ook Garrit, de Scheepsbarbier en de Opperkoopman kwamen in eene boot terecht.
Op dat oogenblik stak er een zuchtje wind op, het fluitschip kwam in beweging, en brandende passeerde het in dien nacht de Linie.
Maar geen was er, die er aan dacht.
Zonder iets aan het voortwoekeren der vlammen te kunnen doen, stonden IJzeren Neptunus, Henri Quatre, Joost, Hoepel, de Tweede Stuurman en Dolf bij elkander op het achterschip.
„De „Leerdam” komt er slechter af dan de „Het Huys ter Horst”,” bromde Joost. „We zijn voor de haaien, mannen! Als het kruit vuur vat dan....”
Daar viel de groote mast overboord en bijna op hetzelfde oogenblik volgde de fokkemast.
„Mannen,” sprak de nieuwe Kapitein, „de booten zijn alle weg. Over een klein kwartier vat het kruit vuur en dan zijn we allen verloren. Ons eenig behoud is om overboord te springen en te trachten op de masten te komen. Komt, het kan niet anders!”
De trouwe mannen begrepen dat ook. De een na den ander sprong overboord in zee, doch IJzeren Neptunus bleef achter.
Eindelijk kwam hij ook met .... den dronken Kapitein.
Hij sloeg den linkerarm om hem heen en onder het korte gebed: „Goede God, sta ons bij!” plofte hij ook in zee.
Wat een held was die man in dat oogenblik!
De Opperkoopman zag het aan en mompelde: „Dat is nu eerst nog eens eene schoone en edele daad! Die eenvoudige stuurman, hij is een groot man!”
„Zoo, Dirk, jongen, ben je ook boven water?” vroeg Henri Quatre, die gelukkig post gevat had op den grooten mast, aan Dirk, die op een ander stuk hout kwam aandrijven.
„Ja, bootsman, ja! Maar hebt ge onzen nieuwen ouwe in zee zien springen met den ouden ouwe?”
Het was eene malle vraag en dat nog wel in een oogenblik, dat men aan het grootste gevaar bloot gesteld was. Toch schoot Henri Quatre onwillekeurig in den lach en zeide: „Jij met je nieuwen en ouden ouwe, je doet een mensch nog lachen, als hij ieder moment gevaar loopt van in zee te duikelen en door haaien verslonden te worden. Maar gezien, ja, ik heb het gezien! Wat een kerel! Kijk, kijk, daar komt hij aanzwemmen!”
„Konden we hem maar helpen en wat toegooien, een touw of zoo iets,” zeide Dirk. „Maar ik zie niets.”
„Gooi maar niemendal, maat, en houd je liever maar vast. Het is wel hardvochtig zijn’ medemensen misschien zoo maar voor zijne oogen te zien verdrinken, maar het hemd is nader dan de rok, mijn jongen,” sprak de bootsman.
„Och, Heere, hij kan niet meer,” riep Dirk.
Plof!
Wat was dat?
Op hetzelfde oogenblik dat Dirk riep: „Hij kan niet meer,” vergat Henri Quatre, dat het hemd nader was dan de rok en zwom naar IJzeren Neptunus om dien te helpen. Met vereenigde pogingen kwamen de twee wakkere kerels met den Kapitein, die nu heelemaal ontnuchterd was, op den grooten mast. Wat verder zwommen Joost en Hoepel terwijl Dolf zich wanhopig aan een stuk waarloos hout, dat overboord gevallen was, vastklampte.[16]
Gelukkig waren de twee booten niet zoo ver van het schip, of ze konden de rondzwalkende achterblijvers hulp komen bieden, en zóó waren ze nu niet, om dat na te laten. Ze zeilden en roeiden met alle macht naar de arme mannen en mochten het geluk smaken allen te redden. Alleen de Tweede Stuurman werd niet gevonden en daar men vreesde in de nabijheid van het brandende schip te blijven, zoo gaf men het zoeken spoedig op en verwijderde zich zoo schielijk mogelijk.
Intusschen was het geheel dag geworden, en juist toen de zon boven de kimmen rees, vloog de „Leerdam” met een’ vreeselijken slag in de lucht. De beweging daardoor in het water veroorzaakt was zoo sterk, dat de twee vol geladen booten bijna omsloegen. Men kwam dit gevaar evenwel gelukkig te boven; een ander echter, neen, vele andere gevaren ging men te gemoet.
De twee booten toch, waarvan slechts de eene zeil voerde en de andere moest geroeid worden, waren overvol; men kon zich amper bewegen. Dan had men geen’ druppel drinken en geen stuk eten aanboord. Een kompas om naar te sturen had men niet. De wind was op het oogenblik flauw, maar hij kon opsteken en tot storm aangroeien. En wat zou men in een’ storm met twee zulke wrakke vaartuigen op het midden van den Oceaan beginnen?
Wie weet, als men de stormen misliep, hoeveel dagen men zonder eten of drinken zou moeten doorbrengen! En dan onder de Linie met zulk eene hitte!
„Weet je wat, mannen,” dus sprak IJzeren Neptunus toen de twee booten tegen elkander lagen, „er moet raad geschaft worden! Zoo kunnen we niet blijven!”
„Mag ik spreken?” vroeg de gewezen Kapitein, terwijl hij vreemde pogingen aanwendde om op te staan.
„Daartoe heeft ieder het recht, die meent dat hij een’ goeden raad weet te geven,” zeide de Eerste Stuurman. „Niemand zal zich daar tegen verzetten!”
„Welnu dan,” hernam de vernederde man, „welnu dan! Mijne trotschheid heeft u allen in dezen toestand gebracht. Ik wil dit niet ontkennen. Het is zoo!”
„Eeuwig jammer dat hij het niet eene week vroeger heeft willen erkennen,” mompelde Hoepel.
„Wat die man daar zegt, doet mij meer leed dan ik u uitdrukken kan, mannen, want ik gevoel het, dat hij waarheid spreekt. Maar nu mijn raad. Gij hebt goed gedaan Stuurman Londenaar tot uw’ Gezagvoerder te benoemen. Al was ik het nog, ik zou het niet lang meer wezen. Ik ben inwendig gekneusd, en ik weet zeker, dat ik vandaag of morgen aan die wonden sterven moet. En nu, in het aangezicht van den dood, zeg ik u dit: „Gehoorzaamt onvoorwaardelijk uw’ nieuwen Kapitein Stuurman Londenaar, bijgenaamd „IJzeren Neptunus”; want als er redding mogelijk is, dan kan hij de man zijn, die met Gods hulp u die redding bezorgt. Hij is in deze streken goed bekend, en als hij raad noodig heeft, dan zal „Ouwe Joost” dien geven. Deze man zou ik tot uw’ Kapitein benoemen, als Londenaar er niet was. Hij is een bevaren matroos, meer dan ieder uwer. Maar als ge redding wilt, dan moet ge in de eerste plaats naar de plek terugkeeren, waar de „Leerdam” in de lucht vloog. Vischt daar op, wat ge kunt, en zoekt vooral beschuit- en watervaten.”
„Er kan immers niets meer in de booten, Kapitein!” zeide Henri Quatre. „Ze zijn nu al meer dan vol!”
„Ik ben uw Kapitein niet meer, bootsman! En dat er niets meer in de booten kan, dat zie ik. Het plekje waar ik zit, is te klein om er iets te bergen; vandaag of morgen zal het wel onder u allen verdeeld zijn. Maar beproeft nu losse balken, of welk ander houtwerk ook, met touwen aan elkander te binden. Sjort daarop den voorraad vast, en neemt dat soort vlot dan mede op sleeptouw. Als ge .... als ge....”
De voormalige Kapitein zakte in elkander.
„Vergeving, mannen! Genade, o, mijn God, genade — gena....” bracht hij stamelend uit en gaf den geest.
„Dat is de eerste doode, mannen,” sprak de nieuwe Kapitein. „Wie weet hoe velen onzer hem volgen.”
„Gelukkig de slechtste,” bromde Kreeft.
„Hij was niet zoo slecht, mannen! Zijn laatste raad legt hiervan getuigenis af. Ik heb meer met hem gevaren en ik weet dat hij knap, zeer knap was en niet gauw uit het veld geslagen ook. Deze reis was zijne ongeluksreis,” sprak Ouwe Joost. „Ik heb het dadelijk gedacht, dat het verkeerd zou uitloopen. Ja, dat heb ik; want het laatste levende wezen, dat ik in het Vaderland aan den wal zag, was eene zwarte kat.”
Niemand was er, die den bijgeloovigen zeeman tegensprak. Al geloofde men nu niet aan allerlei voorteekens, van zwarte katten hield men toch niet.
„Ouwe Joost heeft gelijk, mannen! Onze ouwe was zoo kwaad niet en daarom laten we hem alles vergeven en een zeemansgraf geven. Barbier, wees zoo goed en bid,” sprak Kapitein Londenaar. „Eene eerlijke begrafenis mag hij toch wel hebben.”
Het was een aandoenlijk oogenblik toen, bij gebrek aan een’ ziekentrooster, de scheepsbarbier daar met luide stem het „Onze Vader, die in de Hemelen zijt,” uitsprak.
Zoodra hij „Amen” had gezegd, werd de doode overboord geschoven en aan de golven toevertrouwd.
„Dat twee graden westelijker toch zooveel rampen kunnen veroorzaken,” fluisterde Dirk zijn’ broeder in het oor.
„En nu, mannen, den laatsten raad van den doode ten uitvoer gebracht,” sprak Kapitein Londenaar en stuurde de zeilboot naar de plaats waar de „Leerdam” in de lucht gevlogen was.
Al spoedig had men een heel stuk van het achterdek gevonden en hoewel dit wel wat zwaar was om het mee op sleeptouw te nemen, begreep men toch, dat men op het zwaarste voorwerp ook het meeste bergen kon. Het was zelfs zoo groot, dat het gemakkelijk tien of twaalf man dragen kon zonder dat het kantelde. Van de masten sneed men zooveel touwen af, als men maar kon, en toen ging men aan het opvisschen van vaten. Men was zoo gelukkig drie tonnetjes bier en een paar vaatjes wijn te vinden. De leggers met water schenen stuk geslagen te zijn, althans men vond ze niet. Een paar vaten beschuit, een ton pekelspek en nog heel wat andere dingen kwamen nu op het vlot.
„Daar drijft mijne medicijnkist,” riep de scheepsbarbier.
„Laat die maar drijven! Ze zou ons misschien meer kwaad dan goed doen,” zeide de Kapitein.
„Maar er is een haarlok in van mijne lieve Moeder!” liet de barbier zich hooren.
„Van zijn meisje!” spotte er een.
Plomp!
Daar sprong de barbier in zee, zwom naar zijne kist en bracht ze gelukkig op het vlot.
Met een sleuteltje deed hij ze open en vol vreugde riep hij uit: „Alles droog, gelukkig, alles droog!”
„Behalve de man zelf, die druipt!” liet dezelfde spotter zich weer hooren, doch toen hij nog meer wilde zeggen, hield hij zich in, want de barbier drukte een lok grijze haren tegen de lippen en zeide: „Dag, Moeder! Dag, lieve Moeder! Je jongen is er nog en hoopt u weer te zien!”
Zie, dat had men nu toch van dien mallen Meester Troost der Armen niet kunnen denken.
„En hier is wat voor u, Kapitein,” hervatte de barbier.
„Een potje troost soms?” vroeg deze.
„Ja, wel troost, maar geen troost der armen, Kapitein! Doe het doosje maar open!”
De Kapitein deed het en riep uit: „Goud, goud, duizendmaal meer dan goud! Een kompasje, mannen, een echt Amsterdamsch zeekompasje! Ha, dat is een schat! Dankje, dankje, hoor!”
Dat was nog eerst eene mooie vondst!
Hoe gebrekkig het kleine voorwerp ook was, men had in allen gevallen wat om er den koers naar te richten, hoewel men daarom nog niet wist waar men was.
Zoodra men het voornaamste opgevischt en op het vlot had, liet de Kapitein beschuit en wat bier ronddeelen.
Het was een vreemd en een gebrekkig maal; want de beschuiten waren alle geweekt en dan in zeewater, dat maakte ze ook niet smakelijker.
De lucht stond nog even helder en het water was nog altijd kalm.
„We moeten de beschuiten op het vlot te drogen leggen,” zeide de Kapitein, „want als we dat niet doen, dan zullen ze bederven!”
Aan dat bevel werd gehoorzaamd en toen Dirk, die braaf mede geholpen had, ze daar alle zoo netjes zag liggen, zei hij: „Precies eene groote poffertjes-pan!”
„Maar kermis is het hier niet, mijn jongen,” sprak Dolf.
De tocht ging slechts langzaam voorwaarts.
De zeilboot voer vooruit en was met een touw aan de roeiboot verbonden. Aan de roeiboot had men het vlot vastgemaakt. Om meer ruimte in de booten te hebben, hadden tien mannen plaats op het vlot genomen.
Van tijd tot tijd werden de beschuiten gekeerd en in één dag en nacht waren ze kurkdroog en kon men ze weer in de vaten doen.
Intusschen begon het zuchtje wind, dat hen sedert den vorigen ochtend wat voortgedreven had, zoo te verminderen, dat men in de zeilboot ook de roeispanen moest gaan gebruiken om toch wat vooruit te komen.
„Het weerlicht, Dirk,” zeide Garrit op den tweeden dag des avonds tot zijn’ broeder.
„Maak je daarover nog maar niet ongerust,” sprak de bootsman, „dat gebeurt onder de Linie zoo dikwijls, zonder dat er onweder of storm op volgt. Maar....”
„Nu, blijf niet steken! Wat wilde je nog meer zeggen?”
„Ja, jongen, eerst moet ik het weer zien lichten, dan zal ik vertellen, wat ik geloof dat ik zie.”
Het was, alsof zelfs de natuur nu ook dit licht hun wilde onthouden; want het duurde ontzettend lang eer het andermaal lichtte.
Eindelijk, ja, even, heel even en heel flauw!
De bootsman liet een’ lichten kreet hooren en zeide: „Een schip! Het is een schip, dat ik bij het licht gezien heb!”
„Een schip!” als een loopend vuurtje ging die tijding van het vlot naar de roeiboot en van de roeiboot naar de zeilschuit waarin de Kapitein was.
„Wie praat er van een schip?” vroeg hij.
„Hoepel, die in de roeiboot is, heeft het mij gezegd,” antwoordde Kreeft, „anders weet ik het ook niet.”
Hoepel werd aangeroepen en deze zeide, dat de boodschap van het vlot gekomen was en dat de „Twee vromen” het hem gezegd hadden.
Nu werden de „Twee vromen” aangeroepen en Dirk, de holle hand voor den mond zettend riep: „Schip aan bakboord!”
Aller oogen wendden zich nu naar de kimmen en werkelijk bij het flauwe weerlicht ontdekte men een schip.
Welk schip was het?
„Om het even,” dus liet Kreeft zich uit, „al was het een Spanjool of een Portugees! Beter gevangen-man dan doô-man! Want dat zit er op!”
De zeilboot kwam nu naar de roeiboot en het vlot werd bijgehaald. Men moest samen eens bespreken wat te doen.
Nu, de meeningen waren zeer verschillend, maar ten laatste werd er dan toch besloten zooveel mogelijk in het gezicht van het schip te blijven en den morgen af te wachten.
Wat duurde die nacht lang, vreeselijk lang!
Het scheen, alsof de zon ook vergat op te komen.
Maar eindelijk begonnen de sterren te verbleeken; de schemering brak door en....
„Het is eene Portugeesche karveel!” riep Ouwe Joost. „Ik zie het aan heel hare tuigage!”[17]
„Mannen,” dus liet de Kapitein zich nu hooren, „de nood dwingt ons te handelen. Houdt uwe musketten gereed en brandt er op los, als ik het beveel! Kunnen we er op hulp rekenen, zooveel te beter; maar tracht men ons in den grond te boren, dan zullen we ons leven zoo duur mogelijk verkoopen! Dat gaat er op los!”
Och arme, wat ging dat langzaam!
Maar toch, men vorderde en het schip was men weldra op een musketschot-afstands genaderd.
„Bootsman, schiet een musket in de hoogte af,” beval de Kapitein. „Ze zullen ons hooren, als ze ons niet zien!”
Een schot klonk over het water.
Maar op het schip deed men, alsof men er niemendal van hoorde. Het bleef er doodstil.
„Ze schijnen doof te zijn,” meende Dirk.
„Of liggen op den loer om ons, als we dichtbij genoeg zijn, ineens onze bekomst te geven,” gaf Garrit ten antwoord.
Weer naderde men een vijftig riemslagen en opnieuw gaf de Kapitein bevel een musket in de lucht af te schieten.
Maar aanboord van den Portugees vertoonde zich geen sterveling. Het heele dek was ledig.
Ja, ja, toch!
„Ik zie wat,” riep Dirk.
„Ik ook! Ik ook!” klonk het van verscheidene kanten.
De meeningen waren verdeeld, doch de meesten hielden het ervoor, dat ze een’ neger gezien hadden.
„In alle gevallen we moeten er haring of kuit van hebben,” dus sprak de Kapitein, en thans roeide men uit alle macht naar het schip, dat men weldra langszij lag.
„Hallooi! Man aanboord!” riep de bootsman op de gewone wijze van den zeeman, die ergens aanboord wil komen.
Er werd geen antwoord gegeven, maar hooren, ja, hooren deed men toch wel wat. Men kon duidelijk het rammelen van een’ ketting hooren.
„De booze!” mompelde Ouwe Joost en zijn gelaat betrok.
„Misschien wel een betooverd schip,” meende Hoepel.
„Of de Vliegende Hollander,” bromde Kreeft.
„Maar ik zal kijken wie er aanboord is,” riep Henri Quatre en klom langs een afhangend touw naar boven.
„En ik volg u,” riepen Dirk en Garrit tegelijkertijd en palmden zich ook aanboord.
Beneden bleef men in spanning tot men opeens het geroep hoorde: „Een aap! Een aap!”
De valreep was nergens te vinden en het mooie en prachtig getimmerde schip scheen geheel verlaten te zijn.
De bootsman gaf met de zware zeelaarzen een’ stamp op het dek en schreeuwde: „Hallooi! Hallooi! Volk!”
Onze aap klauterde van angst in het want.
Nu ging de bootsman naar de kajuit, opende die en .... niemand was te vinden.
Hij snelde naar de verschansing en riep: „Een verlaten schip! Komt! Komt!”
Touwen werden neergelaten en eer de zon op was, stond de heele bemanning van de „Leerdam” voor zooverre zij althans niet omgekomen was, aanboord van eene groote karveel, waar geen ander levend wezen te vinden was dan een aap, die op de mars van den grooten mast zat en allerlei leelijke gezichten naar de vreemde mannen trok.
„De booten zijn weg,” riep Kreeft.
„En de leggers zijn ledig, schoon ledig!” voegde Dirk er bij. „Geen druppel drinkwater is er aanboord.”
„Mannen,” dus ving de Kapitein aan, „ik vermoed dat watergebrek de manschappen van dit schip met de booten heeft doen vluchten. We willen het vaartuig onderzoeken, maar houdt uwe musketten gereed!”
Het heele schip werd nu onderzocht en men bevond dat het verlaten en buitengewoon goed geproviandeerd en rijk geladen was.
Toen allen weer op het dek waren, sprak de Kapitein: „Hoort eens, mannen, recht of geen recht! Ik neem in naam van de Oost-Indische Compagnie bezit van dezen bodem. Wij zullen, nu we ons eigen schip verloren hebben, beproeven of we hiermede de Oost kunnen bereiken. Maar laten we eerst alles aanboord halen, wat we daar beneden hebben!”
Aan dit bevel werd gevolg gegeven en men werkte zoo vroolijk, alsof men thans alle gevaren te boven was. Dirk en Garrit lieten zelfs een Wilhelmusje hooren.
„Jongens, vogels die zoo vroeg zingen, zijn overdag voor de poes,” zeide Ouwe Joost.
„Nu ben je toch niet meer bang, ouwentje?” vroeg Garrit.
„Gij zijt een paar onnoozele brasems,” sprak de oude man. „Ik vraag je: wat hebben we gewonnen?”
„Een schip! En een mooi ook!”
„En waarom is het verlaten?”
„Omdat .... omdat....”
Garrit voelde waar Ouwe Joost heen wilde en deze vulde nu zelf het antwoord aan en zeide op somberen toon tot de beide jongens: „Omdat ze van dit schip hunne doodkist niet wilden maken! Er was geen drinken aanboord, vat je?”
Dirk en Garrit stonden verslagen en voelden dat ze verbleekten. Die Joost kon ook maar alles zeggen, zooals het voor zijn’ mond kwam.
„Zoo, is nu op eenmaal alle moed weg?”
„Dat zou wel wonder zijn, als een mensch niet akelig werd van zulke vertellingen en zulke vreeselijke voorspellingen!”
„Geene voorspelling en het is nog veel minder eene vertelling, jonge borst! Het is eene waarheid!”
„Nu, goed, eene waarheid! Maar dan toch eene waarheid, die iemand allen moed ontneemt,” meende Garrit.
„Jong bloed bruist wel, maar koelt gauw,” zeide Ouwe Joost. „Dat valt van het eene uiterste in het andere. Er is verschil tusschen moed en overmoed, jongens! Maar dat zult ge eerst later wel leeren begrijpen, als je even als ik, met den eenen voet op het zesde kruisje van je leven staat. Gaat maar mede! De ouwe heeft ons geroepen. Hij zal stellig wel wat te zeggen hebben waarnaar we met beide ooren luisteren mogen.”
De twee broeders volgden hem naar het middenschip waar Kapitein Londenaar bij den grooten mast had plaats genomen.
„Mannen,” dus begon hij, „wij zijn hier aanboord van een ander schip. Naar al wat ik ervan gezien heb, is het eene karveel, die de tweede reize naar de Oost maakt. Weet iemand uwer hoe ze heet? Heeft iemand den naam soms ook gezien?”
„Ik zal wel eens gaan kijken, Kapitein,” zeide Dolf en liet zich bij den hoogen achtersteven, spiegel geheeten, langs een touw afzakken. Spoedig kwam hij terug en nauwelijks was zijn hoofd boven den spiegel zichtbaar of hij riep: „Het is de „Vossa Senñora de la Victoria”, vrienden!”
„Dan verdoop ik ze in „De nieuwe Leerdam”, dat is een goede naam,” hernam Kapitein Londenaar. „Maar die oude naam moet hoe eerder hoe beter met verf overdekt en door den nieuwen vervangen worden. Dat is uw werk, meester timmerman! Zwarte verf is hier en witte zullen we wel vinden.”
De timmerman zocht een paar matrozen op om hem te helpen en was weldra aan den arbeid. De overigen bleven staan, altijd in afwachting van hetgeen er verder gezegd of bevolen zou worden.
„Op onzen tocht hebben we twee mannen verloren en we zijn op het oogenblik zonder Stuurlieden,” dus sprak de Kapitein. „Naar ik meen zal de Opperkoopman er wel niet tegen hebben, als ik Dolf van hem afneem en tot Stuurman aanstel met zijn’ vriend Willem de Stichtenaar. Hoepel zal dienst doen als bootsman en Kreeft als bootsmansmaat. Zoo zijn de rollen verdeeld en weet ieder, wat hij doen moet!”
Ouwe Joost, schudde het hoofd en zeide: „Het zal niet gaan, Kapitein, het zal waarlijk niet gaan!”
„Wel, waarom niet Joost?”
„We hebben niet leeren varen met Latijnsche tuigage!”
„Dat is waar ook, Joost!”
„Zouden we nu van de windstilte, die er nog is, geen gebruik maken om de tuigage op Hollandsche manier in te richten, Kapitein?” vroeg de oude. „Ik geloof dat het verstandig zal zijn, als we dat doen.”
„Er is waarloos hout genoeg aanboord en zeilen hebben we genoeg op het vlot gehad. Komt aan, alle man aan het werk. Wie weet hoe spoedig we uit den nood zijn!”
Op deze woorden vergat ieder voor een oogenblik zijn’ dorst en begaf zich aan den arbeid.
De aap, die rustig alles gezien had, kreeg het op de mars te kwaad en klom in het topje van den mast.
„Wacht, beest, wat heb jij daar voor moois?” riep Garrit, die zag dat de aap wat blinkends in den poot hield.
De jongen klom het vlugge dier na, doch toen hij meende het te grijpen, deed het een’ reuzensprong en kwam in den anderen mast terecht.
„Wel verdraaid, dat sprongetje doe ik je niet na,” zeide onze matroos en keek eens rond. Hij zag niets, doch op het punt zich naar beneden te laten glijden, meende hij heel in de verte toch iets te zien. Het was iets, dat blonk en schitterde.
„Kom naar beneden, slingeraap,” schreeuwde de nieuwe bootsman. „Kom, Kees! Goed volk! Kom beest!”
„Ik zie, ik zie,” riep Garrit.
„Twee apen in den mast! Kom af,” liet Dolf zich hooren. „Dat beest daar boven zal zijn fortuin wel vinden.”
„Neen, ik zie een zeil in het Zuidwesten!”
„Een zeil?” riep Kreeft, die in den anderen mast zat, „een zeil! De Hemel beware ons! Dat is eene stormwolk!”
Eene stormwolk!
Bange tijding! Hoe zou „De nieuwe Leerdam” zich houden? En niet half klaar!
Goede tijding! Men had nu kans buiten den gordel der windstilte te komen en .... regenwater op te vangen.
Kapitein Londenaar toonde voor zijne moeielijke taak volkomen berekend te zijn. Hij liet alle zeilen, op twee kleine na, opbergen, en toen dat gedaan was, zeide hij: „En nu het regenzeil!”
„Het regenzeil? Wat is dat?” vroeg Henri Quatre.
„Men spanne onze twee grootste zeilen gedeeltelijk tusschen de masten uit en make in het midden een stroomgat.”
„Regenzeil! Stroomgat! Nooit van gehoord!” mompelde Ouwe Joost, doch hielp trouw mede om de zeilen zoo te spannen, dat de komende storm er geen vat op kon hebben en dat ze toch water konden opvangen! Onder de zoogenaamde „stroomgaten” zette men twee schoone en groote leggers, die met klampen en touwen vastgesjord werden.
„Bottelier, een oorlam!” beval de Kapitein. „Een oorlam uit den voorraad van den Portugees.”
Hierop liet de Kapitein ieder twee beschuiten geven om in den zak te steken, en toen dat geschied was, sprak hij: „Jongens, de groote baas komt! Houdt je allen goed! Gehoorzaamt je meerderen en .... vertrouwt op God!”
Nauwelijks had hij deze woorden gesproken of de wind deed de twee kleine zeilen zwellen!
„Daar gaan we!” riep Ouwe Joost. „Te koekoek, wat vangen die lapjes hem! Het is eene liefhebberij om het te zien.”
Met den wind kwamen ook de wolken en met de wolken onweder en regenstroomen.
In een oogenblik waren de leggers vol, doch om andere te zetten was het nu geen tijd. Het zou ook slecht in zijn werk gegaan hebben, want „De nieuwe Leerdam” vloog langs de oproerige wateren, als een hollend paard door de duinen, nu de hoogte op, dan de laagte in, maar steeds in snelle vaart vooruit.
„Twee booten! Twee booten!” riep Dirk.
„Ze hebben eene Portugeesche vlag op,” zei Kreeft.
„Het zal het volk van dit schip zijn,” liet Henri Quatre zich hooren. „Ze zullen hun schip herkennen en aanboord willen!”
De arme kerels! Ze staken de riemen en handen op! Ze wuifden met doeken en mutsen! Ze smeekten om hulp!
Te vergeefs!
De storm joeg de karveel voort en pogingen aan te wenden om den mannen hulp te bieden, dat ging niet! Het zou een zinneloos werk geweest zijn.
Voort, voort ging het!
De manschap, wel gewoon met Hollandsche schepen te varen, zou al zeer onbeholpen gestaan hebben op een schip als dit, dat eene heel andere tuigage dan de Oostindie-vaarders had, als niet Dolf, in Franschen dienst, eenmaal gedurende een half jaar het bevel gehad had over een dergelijk schip, dat als kaper door de Franschen genomen, onder storm en slecht weder uit de golf van Biscaye door hem naar Duinkerken was gebracht.
Thans toonde Kapitein Londenaar, dat hij verstandiger was dan zijn voorganger, want hij liet het bevel geheel aan Dolf over.
En te midden van de felste vlagen bleef de aap zich boven in den mast vastklemmen, maar hield het blinkende voorwerp tusschen de tanden.
„Eene hoos! Eene hoos!” schreeuwde Henri Quatre. „Houdt je vast, mannen! Houdt je vast!”
Eene groote, leikleurige wolk, die het voorkomen had van een’ reuzentrechter, naderde, steeds wentelend, kronkelend en draaiend, meer en meer het voorthollende schip!
Ze kwam al nader en nader!
Het werd donker als midden in den nacht.
„O!”
Akelig klonk dat „O!” uit den mond van al de mannen.
Ze waren onder water.
Verdronken?
Neen, neen! De hoos was dicht bij het schip uit elkander gebarsten en slechts het kleinste deel van de vreeselijke massa water, die zij bevatte, was op het dek nedergeploft.
Gelukkig dat alle luiken dicht waren. Het water stroomde weg en .... de zon brak door. De storm was merkbaar bedaard. Men kwam wat tot kalmte.
„Hoe heb ik het nu? Wat is ons overkomen?” riep Kapitein Londenaar.
„Wel wat vreemds, Kapitein, maar daarom nog niet wat ongewoons! Dat is de tweede keer, dat ik zoo iets bijwoon,” zeide Ouwe Joost. „En als het nu dezen keer gaat, als den eersten, dan zullen we een dag of drie regenachtig weder met een’ frisschen wind hebben.”
„Daar ligt de aap!” riep Dirk en wees naar het regenzeil.
Verscheidene handen waren nu in de weer om het dier te grijpen. Hiertoe was evenwel geene vlugheid noodig, want het dier was dood en vlak naast hem lag een gouden ring met grooten diamant.
Ouwe Joost nam den ring, ging er mede naar Kapitein Londenaar en zeide: „Hier, Kapitein! Die is voor u!”
„Hoezee!” juichte het volk toen het zag wat de oude man deed. „Flink zoo! Ferm zoo, Joost!”
Maar Kapitein Londenaar ging met den ring naar Dolf en zeide: „Hier, goede vriend! Hier is eene gedachtenis van het dankbare scheepsvolk aan u. Hadden we u niet gehad, zeker zouden we allen met „De nieuwe Leerdam” naar den kelder gegaan zijn!”
Kapitein Londenaar stak den ring aan Dolfs vinger en diep ontroerd antwoordde de flinke gezel in ronde zeemanstaal: „Dank! Dank! Voor Holland en de Compagnie mijn leven en mijn bloed! Hoezee!”
Met een hartelijk gejuich werden deze woorden begroet en daarna begaf ieder zich naar de leggers om zich eens te verzadigen aan het heerlijke water, dat men opgevangen had, terwijl men zorg droeg om al de andere leggers schoon te maken en ook vol te laten loopen.
Thans had men weer moed en wie die schepelingen nu gezien had, zou vol verbazing hebben uitgeroepen: „En zijn dat nu de mannen, die onlangs oproer maakten?”
Maar waren er dan geene redenen voor geweest om hen toen zoo ontevreden te stemmen?
Ja, ik weet wel, oproer mag men nooit maken, maar, een mensch is een mensch, en Janmaat is ook een mensch.
Nu had men geene redenen meer om ontevreden te zijn.
De gestadige regenbuien vulden al de leggers.
Erwten, boonen, pekelvleesch en spek, alles was vol-op aanboord. Ja, zelfs zeer lichten tafelwijn vond men er in overvloed en de Opperkoopman, die maar wat blij was, dat hij met al zijne ongelukken nog zulk eene voordeelige reis maakte, liet iederen dag aan elk man eene halve flesch van dien wijn uitdeelen. Ieder kreeg bovendien nog eene goede portie suiker, zoodat ze zich verfrisschen konden met heerlijke limonade van wijn.
De kok kon koken en braden zooveel hij wilde.
De wind, die geregeld en zonder vlagen woei, deed „De nieuwe Leerdam” voortvliegen, alsof ze de manschappen de verloren schade wilde doen inhalen.
Ziek was niemand; vroolijk waren velen; tevreden waren allen.
„Wie had dát kunnen denken, dat het zóó afloopen zou, Joostje?” zeide de Kapitein toen ze reeds in de nabijheid van Kaap de Goede Hoop waren.
Deze Kaap werd in vroegere jaren zoowel op de heen-, als op de terugreis aangedaan. Tegenwoordig geschiedt dit alleen op de terugreis.
Oude Joost keek den Gezagvoerder eens aan en zeide: „Als Dolf de Boef er eens niet geweest ware, dan weet ik niet, of alles wel zoo goed zou afgeloopen zijn, Kapitein!”
„Het is zooals gij zegt, Joost! „Dolf de Boef” werd met Gods hulp „Dolf de Redder”,” zeide de Kapitein en wie die woorden hoorde, stemde hiermede van ganscher harte in.
„Nu, Dolf,” zeide Henri Quatre aan den avond van dien dag, toen ze arm in arm op het scheepsdek heen en weer liepen, „nu, Dolf, je kostje is gekocht, als we het geluk hebben te Batavia te komen.”
„Zult gij mij dan aan uw’ neef den Gouverneur-Generaal voorstellen, Willem?” vroeg Dolf met een lachje.
„Gij lacht terwijl ge dit vraagt, Dolf! Daaruit blijkt het, dat ge zelf er niet veel van gelooft. Neen, man, de Gouverneur-Generaal kent me zelfs niet en wil mij liever maar niet kennen ook. Ge begrijpt, een bootsman en een Toewan besaar passen al heel slecht bij mekaêr![18] Het is al mooi, dat hij er voor gezorgd heeft, dat ik altijd, hoewel ik den naam heb van lastig te zijn, als bootsman vaart heb. Ik moet dat al prijzen; want als hij me hieraan niet hielp, dan kon ik misschien wel geen schip als matroos krijgen. Maar met jou is het wat anders. De Super-carga zal wel voor je zorgen, dat je vooruit komt!”
„Stil, Willem, stil! Wil hij voor ons beiden zorgen, goed; maar liever vaar ik als matroos uit en blijf bij jou aanboord, dan dat ik je verlaat om op een ander schip in rang boven je staan. We zijn nu weer bij mekaêr en .... we blijven bij mekaêr. Wel te rusten!”
De twee vrienden zochten nu ieder hunne kooi op en Ouwe Joost, die een en ander van hun gesprek verstaan had, zeide in zichzelven: „Vlamingen zijn ze, maar, alével ferme kerels!”
Dat was voor Ouwe Joost al heel veel gezegd; want bij hem ging er niemand boven een’ Hollander, Fries of Zeeuw. Dat waren de Pieten. Kwamen ze uit een van de andere vier gewesten, dan was het maar zoo-zoo; maar vreemdelingen bleven vreemdelingen, en waren in zijn oog meestal geen knip voor den neus waard.