Door den overvloedig gevallen regen hadden ze de leggers thans vol met heerlijk regenwater. Levensmiddelen waren in overvloed aanboord en aan andere zaken had men geen gebrek. Daarom stelde de nieuwe Kapitein voor, omdat men toch al zooveel ten achteren was, de Kaap maar niet aan te doen, en, gebruik makende van den gunstigen wind, liever rechtuit naar Batavia te zeilen. Toen ieder overtuigd was, dat men terwille van water, levensmiddelen of wat anders niet gedwongen was eene haven op te zoeken, werd Londenaars voorstel aangenomen en het gevolg daarvan was, dat men, na zóóveel ondervonden te hebben, slechts zes weken later te Batavia aankwam dan de „Nieuwpoort”, waarmede men uitgezeild was.
De komst op de reede van Batavia van eene Portugeesche karveel onder de Prinsen- of Statenvlag verwekte daar groote verwondering, en eer de Javaansche kadraaiers[19] aanboord waren, was de Fiskaal er reeds met zijn gevolg om het schip en de lading te onderzoeken, en te zien of er ook iets te vinden was, waarvan de Compagnie den invoer had verboden. Het spreekt vanzelf dat Kapitein Londenaar terstond alles mededeelde van hetgeen er met de „Leerdam” gebeurd was, en hoe het kwam dat eene Portugeesche karveel den naam gekregen had van „De nieuwe Leerdam”.
Nadat het onderzoek natuurlijk bevredigend afgeloopen was, ging de Super-carga met den Fiskaal aan wal. Al de anderen moesten blijven waar ze waren; niemand mocht het schip verlaten.
„Kijk eens, kijk eens, Garrit, wat rare luî komen daar aan in die kleine bootjes!” riep Dirk en wees op eenige kadraaiers, die met elkander en lang niet altijd op eene vreedzame manier, schenen te wedijveren wie het eerst bij het schip zou zijn.
„Dat zijn Chineesche kadraaiers, jongens,” zeide Ouwe Joost. „Als je nu maar een’ vollen buidel hebt, dan is het goed. Dan kunt ge aan den koop!”
„Ik ga mijne borre halen!” riep Dirk.
„En ik ook,” zei Garrit.
Lachend zag de oude matroos de twee jongens na en zeide: „Als ik niet oppas en een oogje in het zeil houd, dan koopen ze zich aan allerlei ontuig ineens arm. Ik ken die afzetters!”
Garrit en Dirk waren juist met hunne geldbuidels, of zooals zij deze noemden, borren, terug toen de eerste Chineezen met hunne waar beneden bij het schip gekomen waren.
„Hoort eens, mannen,” sprak nu Kapitein Londenaar, „ik zal een paar van deze kerels aanboord laten komen. Maar, betaalt niet wat ze vragen! Ze overvragen erg. Dingt gerust de helft af en koopt toch niet al te veel fruit; want wie dat hier veel eet, krijgt eene ziekte in de ingewanden en moet zijne gulzigheid meestal met den dood bekoopen!”
„Meester Troost der Armen is er toch nog en die zal ons wel zóó inzalven, dat we er geen hinder van hebben, Kapitein,” riep een matroos, en zoodra een der Chineezen aanboord was, liep hij er heen en haalde twee groote water-limoenen en vier pisangs uit zijne mand, en betaalde, dom genoeg, wat de slimme Chinees er voor beliefde te vragen.
De kooplieden waren weldra zóó door het volk omringd, dat de Twee Vromen er niet bij konden komen, en terwijl ze hierover stonden te klagen, kwam Ouwe Joost bij hen en zei: „Hebt maar geduld, jongens! Er komt nog meer van dat volk, en als je mij laat koopen, dan heb je alles voor een bagatel en bovendien puike waar. Ik weet er mee om te springen!”
Half onwillig lieten Garrit en Dirk zich overhalen, geduld te oefenen. Zij voelden het water in hun’ mond komen, als ze zagen hoe hunne makkers in de heerlijke, sappige vruchten beten.
Reeds drie kadraaiers hadden al hunne vruchten verkocht; want Kapitein Londenaar mocht waarschuwen zooveel hij wilde, de meesten sloegen zijn’ goeden raad in den wind en verslonden de eene vrucht na de andere.
Eindelijk schenen ze hunne bekomst te hebben, althans toen een vierde kadraaier aanboord kwam, waren er maar weinig liefhebbers meer.
„Nu is het onze beurt, jongens!” zei Ouwe Joost. Hij haalde een paar groote limoenen uit de mand, bekeek ze eens, rook er eens aan en legde ze toen weer met een verachtelijk lachje neer.
„Bah, wat een uitschot!” zei hij in gebroken Maleisch. „Hoeveel durf je nog voor die dingen vragen?”
De koopman noemde eene som en Ouwe Joost bood juist het derde deel.
„Je hebt goed slag van afdingen,” zeide Dolf, die er bij stond en nog niets gekocht had, omdat hij de eenige aanboord was, die geen geld had. Hij wist wel, dat Kapitein Londenaar zorgen zou, dat de Compagnie hem betalen zou voor het werk, dat hij verricht had, als matroos en als Stuurman; hij begreep ook wel, dat er nog wel wat extra’s op overschieten zou ook, maar, hij was te trotsch om voorschot te vragen op eene gage, die ze hem niet behoefden uit te betalen, omdat hij niet op de monsterrol vermeld stond. Zijn vriend de bootsman was niet aanboord, want die bracht den Super-carga aanwal. Hij zou spoedig terugkeeren en misschien dat Dolf dan hem om geld zou vragen.
„Je zult zien,” antwoordde Ouwe Joost, „dat ik ze voor dat geld krijg.” Hij deed alsof hij weg wilde gaan.
Zoo was het evenwel door den Chinees niet gemeend. Hij liep hem na, verminderde steeds den gevraagden prijs en eindigde met de twee heerlijke limoenen te verkoopen voor een prijsje, waarvoor de haastige koopers geen uitschot hadden gekregen. Ja, Joost wist het zóó aan te leggen, dat hij er nog twee grootere bij kocht voor nog minder geld.
„Vooreerst genoeg, jongens,” zei hij. „Morgen komt er weer een dag. Weest maar niet ongerust, dat ze vandaag uitverkocht zullen zijn.”
„Voor ieder maar één?” riep Garrit verwonderd. „Of is die vierde voor Dirk en mij?”
„Neen, niet voor u en niet voor uw broêr,” sprak de matroos, en de mooiste limoen Dolf toereikend, zei hij: „Hier, man! Gewezen boeven hebben geene duiten. Het geld krijg ik later.”
Dolf aarzelde de vrucht aan te nemen en kreeg eene kleur.
„Nu, bloos maar niet als een ijdeltuitig jofferken,” riep Joost lachend. „Denk je dan dat wij niet weten, dat je geen geld hebben kunt. Als de Sinjeur, de Super-carga, afrekent, zult ge ons beschaamd zetten. Koop er dan een voor mij, Dolf, en eet nu deze van mij op! Weinig, maar uit een goed hart, man!”
„Je kunt en moogt veel zeggen, brave vriend,” sprak Dolf, geroerd over den hartelijken eenvoud van den grijzen zeerob. „Ik neem deze vrucht in dank aan!”
„Dat begreep ik ook wel,” hernam de matroos, „en gij, Garritje, je bent bang dat je er aan één niet genoeg hebt, he? Wacht maar een uurken, dan zult ge blij zijn, dat ge er geen twee op hebt.”
„Hei, hei, nieuwe Dokter,” riep Meester troost der Armen, die alles verstaan had. „Ik ben nu Dokter en ik mag dus een woordje mede spreken, maar ik zeg, dat ik er nog nooit last van gehad heb, als ik vijf of zes limoenen achter mekaêr opat. Ik heb er nu eens acht opgegeten en....”
Meester Troost der Armen zweeg opeens, trok een pijnlijk gezicht en legde de hand op zijn’ buik.
„En nu komt het appelmanneke al om zijn geld! Gauw, meester! Ga nu maar als de wind zoo vlug in een vat troost der armen liggen,” riep Ouwe Joost lachend.
De scheepsbarbier hoorde niet meer, wat de matroos zeide, maar verwijderde zich zoo schielijk, als hij maar kon.
Tusschen al die bedrijven door was Henri Quatre met de sloep teruggekomen. Zijne bootsgezellen kochten den kadraaier ledig en deze maakte zoodoende nog goede zaken.
Een half uurtje later kwam een matroos naar den Kapitein loopen en riep: „Kapitein, de scheepsbarbier ligt op zijn uiterste. Hij leeft geen uur meer!”
„Dadelijk naar de stad om hulp te halen,” beval de Kapitein, die vreesde, dat er wel meer zieken zouden komen.
Ouwe Joost, Dirk, Garrit en Henri Quatre, die geen van allen te veel gegeten hadden, roeiden naar de stad en waren zoo gelukkig Meester Hermanus Benedictus, den scheepsbarbier van de „Nieuwpoort”, mede te krijgen. Deze begreep wel, wat er gaande was, en nam alvast eene goede hoeveelheid van een zeker medicament mede om dat de zieken in te geven.
Deze Hermanus Benedictus was de zoogenaamde Meester Jonas, die bij Meester Troost der Armen zoo slecht aangeschreven stond, omdat men van den man vertelde, dat hij alles met rabarber wilde genezen. Dit nu was in het geheel niet waar, ja, de man moet zelfs voor zijn’ tijd een zeer knap geneesheer geweest zijn, want zijn naam wordt met veel lof genoemd.
Zoodra hij aanboord kwam en zag hoe Meester Troost der Armen zich van pijn in elkander wrong, zei hij: „Jawel, jawel, de pisang-poppekens zijn aan het dansen en de limoen-joosjes spelen de fluit erbij! Slikken maat!”[20]
Hij zette hem eene spoelkom vol krachtige medicijnen aan den mond, doch de zieke weigerde ervan te gebruiken.
„Och, staat me eens een oogenblik bij, mannen,” sprak Meester Benedictus enkele matrozen toe, en dezen waren daartoe dadelijk bereid. De eerste hield het rechterbeen van den zieke beet, en de tweede het linker. Twee anderen belastten zich met zijne armen. Henri Quatre trok hem achterover en hield hem op den rug, en Kapitein Londenaar kneep met zijne fijne handjes den brullenden scheepsbarbier den neus dicht, en telkens, als deze gaapte, goot Meester Benedictus hem den mond vol. Zoo kwam de gansche inhoud van de spoelkom terecht in het lijf van den zieken scheeps-barbier, en dit scheen zijn behoud te zijn; want spoedig kwam hij tot rust en reeds twee dagen later was hij instaat zijne kooi te verlaten. Een paar matrozen evenwel hadden hunne gulzigheid met den dood moeten bekoopen.
Intusschen werd het schip gelost en naar het eiland Onrust gebracht waar het tot nadere bevelen moest blijven liggen. Men had ook goed gevonden het geheel te verbouwen en het volk op een ander schip eene reis te laten doen. Dat schip was er echter nog niet, en tot zoo lang bleef de heele bemanning aanboord van „De nieuwe Leerdam”.
Eén enkele maal was de Gouverneur-Generaal, die toen een man was van ruim vijftig jaar, op het schip geweest en had bij die gelegenheid gezegd, dat hij van den Super-carga vernomen had, dat al het volk zich zoo cordaat had gehouden. Als eene belooning voor die goede diensten wilde hij hen allen bij elkander houden. Kapitein Londenaar zou Kapitein blijven en Dolf zou eene aanstelling krijgen als Stuurman. Van zijn’ neef sprak hij niet, en alleen in het voorbijgaan keek hij hem aan en zei: „U is bootsman Willem van Aspervelde?”
Henri Quatre boog zeer beleefd en zeide: „Om u te dienen, Heer neef! Ik ben jonker Willem van Aspervelde.”
De Gouverneur-Generaal scheen het niet prettig te vinden aldus aangesproken te worden, doch bemoedigend en alles behalve onvriendelijk zeide hij: „Laat dat „neef” voorloopig nog maar weg, bootsman! De Regeering heeft uitnemende rapporten van u ontvangen, en zoo ik hoop en vertrouw, zult ge er geen berouw van hebben andermaal in Indië aangekomen te zijn. Als gij er lust in hebt, zal ik zorgen dat gij als Kapitein een schip krijgt. Wilt ge op eene andere wijze uw geluk beproeven, laat mij het weten en ik zal u gaarne voorthelpen!”
Zonder meer te zeggen verwijderde hij zich, doch eer het avond was, had Willem van Aspervelde zijne aanstelling als Opper-stuurman bij de Compagnie.
Zoo brak de drieentwintigste Januari aan, en aan den avond van dien dag zeide Meester Troost der Armen, dat hij zijn’ collega Meester Benedictus eens ging opzoeken om hem dank te zeggen voor de goede behandeling. Als belooning daarvoor wilde hij hem het recept geven van zijne kostbare zalf „troost der armen” en tegelijkertijd deed hij er twee groote Keulsche potten van die zalf bij. Garrit en Dirk waren wel zoo goed ieder een’ dezer potten te dragen.
Meester Troost der Armen stapte heel deftig vooruit. Hij moest hier te midden van al dat vreemde volk zijne waardigheid toch ophouden! Meester Petrus Pruymius, zijn ware naam was Pieter Pruym, moest toch toonen, dat hij aanboord van een schip der Compagnie geen kwâjongen was. Hij had zich daarom heel deftig aangekleed en voor deze gelegenheid een’ degen aangegespt. Toevallig hing die aan zijne rechterzijde, omdat Meester Pruymius links was.
Nadat ze reeds een heel eind waren voortgeloopen, zeide Dirk: „Meester, ik zou wel eens wat willen rusten! Ik word moede van mij door het gedrang te wringen. Hoe komt het toch dat het vandaag zoo bijster drok is?”
„Ja, die Chineezen gelijken wel gek,” meende Garrit.
Meester Pruymius zocht een stil plaatsje uit en zeide: „Rust hier dan wat, jongens! En die drukte? Welnu, het is vandaag Nieuwjaarsdag voor de Chineezen.”
„En waar ergens woont Meester Benedictus?” vroeg Garrit. „Zou het nog ver loopen zijn?”
„Ja, jongen, dat weet ik niet; maar een man als Meester Benedictus zullen ze hier toch wel kennen. Ik zal het eens aan dien vroolijken Chinees vragen.” Hij ging hierop naar een’ Chinees, die zich in een buffelhuid gestoken en zijn gezicht geel en groen geverfd had. Evenals zoovele andere Chineezen had deze man zich bij gelegenheid van Nieuwjaarsdag verkleed en zeker ook wel wat anders gedronken dan slappe thee.
Meester Pruymius hield hem staande en vroeg in eene taal, die hij Maleisch noemde: „Mana doekoen Benedictus ajar?”
De Chinees keek den man eens aan, haalde de schouders op, lachte, maakte een’ luchtsprong en liep naar een paar andere Chineezen, die onze drie vrienden ook eens even aankeken en toen lachend verder gingen.
„Wat heeft u toch gevraagd, Meester?” vroeg Dirk.
„Wel, ik vroeg dien knul in best, heel best Maleisch, waar Dokter Benedictus was, maar die snoeshaan scheen alleen zijn eigen Koeterwaalsch te verstaan. We zullen nu maar....”
„Meester, meester, kijk eens wat eene beweging! Wat zou dat zijn?” zei Garrit opeens.
„Wat loopen ze!” riep Dirk. „Ze schijnen te vluchten!”
Ons drietal ging nu op een’ hoop steenen staan om te zien, wat er gebeurde.
Gillend en schreeuwend kwamen Chineezen, Javanen en enkele Blanken aanloopen. Ze werden achtervolgd door een’ man, die bijna geheel naakt was en een groot mes zwaaide.
Eene der vluchtende vrouwen, door hem ingehaald, stak hij koelbloedig dood en rende toen weer verder, achtervolgd door eene menigte gewapenden, die zoo luid mogelijk schreeuwden: „Amok! Amok!”
„O wee!” riep Meester Pruymius, „dat is een amok-maker!” en hierop zijn degen losgespende ging hij aan den haal zoo hard hij kon.[21]
Garrit volgde het voorbeeld van den dapperen Dokter en liet den Keulschen pot in den steek. Ook Dirk wilde op de vlucht gaan, doch het was, alsof zijne voeten aan den grond vastgegroeid waren. Hij kon niet van zijne plaats af en zag zijn’ broeder en den scheepsbarbier weldra in de vluchtende menigte verdwijnen.
Daar naderde de vreeselijke man. Het was akelig om dat verwrongen gezicht en die vreeselijke, dreigende bewegingen te zien. En niet zoodra kreeg de amok-maker den armen verslagen jongen in het oog, of hij kwam woedend op hem af.
Dirk beproefde alweer te vluchten; maar hij kon niet.
Het angstzweet liep met stralen langs zijne wangen.
Nog eenige stappen en....
In dat vreeselijk bange oogenblik liet Dirk een’ schreeuw hooren, zoo akelig, dat hij zelf ervan schrikte, en niet wetend, wat hij deed, smeet hij met de kracht der wanhoop, den Keulschen pot met zalf op goed geluk af naar het hoofd van den waanzinnige.
En ziet eens aan, als een tweede David trof hij dien kerel zóó goed tegen den linkerslaap van zijn voorhoofd, dat hij achterover sloeg en bewusteloos neerviel. Van dat oogenblik maakte Dirk gebruik om den woesteling het mes uit de hand te rukken. Doch de kerel kwam spoedig weer bij en reeds was hij gereed zich op te richten, toen Henri Quatre, Dolf en IJzeren Neptunus kwamen aansnellen en hem geheel onschadelijk maakten. De handdruk, dien IJzeren Neptunus dien kerel gaf, was zóó hartelijk, dat hij hem den pols ontwrichtte. Terstond kwam het vluchtende volk terug en wie gezien had, wat Dirk had gedaan, sloeg den opgeschoten, baardeloozen knaap met bewondering gade. Ieder meende in hem een’ held te zien, en het scheelde niet veel, of hij werd door de menigte met gejuich rondgedragen. IJzeren Neptunus zag evenwel zeer goed, dat de knaap zich overspannen had en nam hem mede zoo gauw hij kon.
Aanboord viel hij werkelijk in onmacht neder, doch Kapitein Londenaar wist hem spoedig bij te brengen en liet hem nu vertellen, wat er toch gebeurd was. Dirk deed dat en toen hij zijn kort verslag uitgebracht had, was zijne eerste vraag: „En waar is Garrit? Zouden ze hem niet vermoord hebben?”
„Garrit vermoord?” vroeg Henri Quatre. „Waarom zouden ze dat gedaan hebben? Er was maar één amok-maker, hoor, en dat was al meer dan genoeg. Garrit zal best terecht komen. Verheug je maar, dat wij met ons drietjes zoo toevallig op de wandeling waren. Dat was je geluk, kereltje!”
Ondertusschen werd het avond, maar wie er terugkwamen, Garrit en Meester Pruymius niet.
„We zullen de luî gaan opzoeken,” zeide Henri Quatre, en gevolgd door Dolf, Hoepel en Kreeft, allen goed gewapend, begaf hij zich op weg.
Het was overal in de stad nog tamelijk onrustig, doch hoe meer men het Chineesche kwartier naderde, hoe meer de luidruchtigheid toenam.
De Chineezen, die gewapende Hollanders ziende, begrepen niet, wat er gaande was. Zij waren toch geene amok-makers, dat wist de Regeering ook wel! Ze vierden maar vroolijk feest, dat was het al.
Henri Quatre zag wel dat hunne verschijning daar niet gewenscht was en vroeg in het Maleisch, dat de Chineezen best verstonden, want velen hunner waren met inlandsche vrouwen getrouwd, of ze niet twee Hollanders gezien hadden.
„Twee Hollanders?” vroeg een oude Chinees, die zich van onder tot boven met kleine belletjes behangen had, „ja, die zijn in ons kwartier. Gaat maar mede, ik zal u bij hen brengen.”
De Hollanders volgden den Chinees door een’ doolhof van armoedige hutten en stonden eindelijk stil voor eene vrij groote woning waarvoor men een houten tooneel opgeslagen had. Op dat tooneel vertoonden de Chineezen allerlei zotternijen en eene groote menigte zat er om heen, en telkens als men de eene of andere klucht vertoonde, barstte het heele gezelschap in een luid gelach los.
„Daar zitten ze,” zeide de oude Chinees en wees Meester Pruymius en Garrit aan.
Onze vier vrienden begaven zich er heen.
„Hei, Meester Troost der Armen!” dus begon Henri Quatre, „hoe zit gij hier en gaapt en laat ons aanboord in angst over uw wegblijven?”
Meester Pruymius keek zijne vrienden aan met een paar schelvisch-oogen en zeide met dubbelslaande tong: „Vanmiddag, zie je, zei ik, zie je, tegen Garrit, weet je, we zullen een afzakkertje nemen voor den schrik, zie je! En dat afzakkertje, zie je, is in onze kuiten gezakt, weet je, en nu rusten we hier wat uit, zie je!”
„Jij met je zie-je en weet-je! Gaat allebei maar gauw mee,” sprak Henri Quatre. „Dirk is in de grootste ongerustheid over zijn broer en ....”
Krak-krak-krak! klonk het opeens.
Allen keken wat er gebeurde.
Nu, erg was het niet. Er was maar eene plank van het tooneel doorgebroken en een klein Chineesje was er doorgezakt. Men haalde het kind spoedig te voorschijn. Het scheen op den neus terecht gekomen te zijn en bloedde hevig.
„Troost der armen! Troost der armen! Kwâjongen, waar is de Keulsche pot?” riep opeens Meester Pruymius.
De Chineezen bleven doodbedaard en eene der vrouwen kwam dadelijk met wat zalf aanloopen. Het kleine Chineesje werd afgewasschen en toen geheel met die zalf ingesmeerd. Het bloeden van den neus had opgehouden.
Of nu het ventje niet zoo heel hard op den neus terecht gekomen was, hieraan dacht meester Pruymius niet. Hij meende dat het door de zalf kwam en vroeg op zijn Hollandsch, dat men beter verstond dan zijn Maleisch, wat het was.
„Dat is borreborrie,” zeide de oude Chinees met bellen.
„Waarvan gemaakt?” vroeg Meester Pruymius.
„Van klapperolie, zaagsel van sandelhout en wat saffraan,” luidde het antwoord.
„Kom, kom, Meester Troost der Armen, mee! Verzin nu maar geen nieuwe medicament om ons naar de andere wereld te helpen,” zeide Dolf, en met Kreeft, onzen barbier onder den arm nemende, sukkelden ze door de menigte heen en kwamen omstreeks negen uur aanboord terug. Onderweg had Meester Pruymius den mond vol van borreborrie, en hij zwoer, dat hij voortaan alleen die zalf zou gebruiken. Dat was nog eerst een heerlijk middel!
Toen hij evenwel den volgenden morgen hoorde vertellen hoe Dirk met den Keulschen pot vol troost der armen den amok-maker zoo netjes suf gegooid had, wierp hij een der potten van de nieuwe zalf, welke hij al gemaakt had, overboord en zeî: „Weg met dat poespas borreborrie! Er gaat niets boven troost der armen!”
„Jawel, Meester,” sprak Kapitein Londenaar.
„Wat dan, Kapitein?” vroeg Meester Pruymius.
„Een tochtje naar de Molukken, Meester! Zoo even heb ik bevel gekregen, ons in te schepen op de „Koning van Polen”, die daar ligt. Maak je boeltje maar gereed!”
Dat gaf eene heele drukte dien dag en ook nog den volgenden, doch eer Januari uit was, lichtte de „Koning van Polen” het anker, en onder het losbranden van het geschut, zette men koers naar de nieuwe bestemming.
Meester Pruymius stond over de verschansing gebogen en zag Batavia langzamerhand verdwijnen, en toen hij eindelijk niets meer van de stad zag, bleef hij toch staan.
„Hei, Meester! Wat zoekt ge daar in de diepte?” vroeg Dolf, die lachend hem eene hand op den schouder legde. „Zoekt ge soms borreborrie?”
Meester Pruymius hief zich op en zeide vol waardigheid: „Borreborrie, kwakzalvers-poespas, niets anders! Troost der armen is de baas! Laat Dirk maar spreken, die weet er alles af!”
„Meer dan de amok-maker,” antwoordde Dolf.
„Ja, die kwam door mijn’ troost heel leelijk aan zijn einde,” antwoordde de knappe Dokter.
Dolf lachte er hartelijk om, doch Joost, die de zalf van Meester Pruymius niet zien of ruiken kon en toevallig voorbijkwam, zeide: „Je pakt uit, Meester! Maar ik houd het ervoor dat de Keulsche pot harder aankwam dan het vette ontuig.”
„Vet ontuig, Joost,” riep Meester Pruymius opgewonden uit. „Heel de wereld zal je tegenspreken en je zeggen, dat mijne zalf juist het tegendeel is van vet ontuig!”
„Heb ik vet ontuig gezegd?” riep Joost lachend uit.
„Ja, wat anders? Ze hebben het allemaal gehoord.”
„Vergeving, Meester, ik versprak me en meende „mager ontuig,” zie je,” zeide de vroolijke oude, die zich lachend verwijderde.
„Ze mogen mijn troost der armen vet of mager ontuig noemen,” bromde onze barbier, „ik noem het een koningsmiddel!”
Meer dan een jaar lang had de „Koning van Polen” reeds in de Molukken vertoefd en menigen tocht naar Amboina en Ternate gedaan. Het was nu April en het schip kruiste met nog twee andere Compagnie-schepen op de hoogte van het eiland Boeroe, een der grootste van de Molukken of Specerij-eilanden. Bijna het geheele eiland, dat eene grootere oppervlakte beslaat dan de provinciën Zuid-Holland, Noord-Holland, Zeeland en Utrecht samen, is omringd door koraal-riffen. Alleen aan de Noordoostkust kunnen groote zeeschepen het eiland aandoen. Het is zeer vruchtbaar, en drie jaar te voren hadden de Nederlanders het in bezit genomen.
De „Koning van Polen” was nu hier om hout in te nemen, dat in de groote bosschen van dit eiland zoo maar voor het halen was.
Op zekeren dag, dat het volk weinig te doen had, zeide Garrit, dat hij wel eens zou willen visschen, want dat hij verlangde, nog wat anders te eten dan het gewone scheepsvoedsel. Terstond waren verscheidene mannen daartoe bereid, en na van den Kapitein vergunning gekregen te hebben aan wal te gaan, stapten een twintig mannen in de groote boot en voeren naar het land.
„En ik zou liever wat kennis maken met de kust,” zeide Henri Quatre. „Het schijnt een eigenaardig eiland te zijn.”
„Om met het schip op de koraal-riffen te komen, zeker?” vroeg Dolf. „Het is er vol van!”
„Neen, niet met het schip, maar met eene boot. Ga je mee, als de Kapitein daartoe vergunning geeft?”
„Ik wel,” was het antwoord, en Dirk, die aan boord gebleven was, vroeg of hij dan ook mede mocht.
Dit werd toegestaan.
De lucht stond niet naar verandering; de wind was niet hevig en de zee niet anders dan gewoonlijk, zoodat Kapitein Londenaar er geen bezwaar in zag, dat zijne twee Stuurlieden en Dirk samen een tochtje gingen maken. Ze kregen evenwel het bevel mede vóór vier uren terug te zijn.
Zoo lang meende men niet eens weg te blijven, en Dolf, die zag, dat de visschers eene goede vangst maakten, verzekerde bovendien, dat hij aanboord zou zijn, als de visch opgedischt werd.
Spoedig was ons drietal aan wal; de boot werd vastgelegd en goed gewapend begaven ze zich op pad.
De zon scheen brandend heet en om de hitte te ontvluchten, hielden ze op hunne wandeling langs de kust, zooveel mogelijk de lommerrijke bosschen.
Dat pad was echter niet gebaand en zeer moeielijk te betreden. Ieder oogenblik moesten ze zichzelven dwars door het kreupelhout en de slingerplanten heen met het mes een’ doortocht banen en dan was het nog een paadje om handen en gelaat vol schrammen te krijgen.
Nu en dan zagen ze ook boschjes van specerij-planten, die een’ heerlijken geur verspreidden, en daar tusschen bevonden zich de armoedige hutten der inwoners, die wel zorgden voor onze drie onzichtbaar te blijven, en als ze per ongeluk op hun’ weg kwamen, dan namen ze schielijk de vlucht.
„Ik kan niet zeggen, dat het eiland veel afwisseling biedt,” zeide Henri Quatre. „Het begin was als hier, en hier is het als in het begin. Hout en nog eens hout is alles, wat we zien. Me dunkt, we moesten maar terugkeeren, dan zal de visch juist gaar zijn, als we aanboord komen.”
Dirk en Dolf keurden dit voorstel goed en men nam den terugweg aan, doch om nu zooveel mogelijk nog wat anders te zien dan op hunne heenreis, besloten ze iets dieper landwaarts in te gaan. Onwillekeurig maakten ze nu een’ langeren weg en kwamen eerst na den middag bij het kleine Nederlandsche fort aan.
Het bootje lag er nog; maar juist toen zij wilden instappen, zeide Henri Quatre: „Gauw, gauw, als de wind zoo vlug! Er komt een onweder op, en vóór het losbreekt, wilde ik graag aanboord wezen.”
„Nu,” zeide Dirk, „dat zal wel gaan, denk ik. Binnen een half uurtje zijn we aanboord. Vanmorgen hebben we het in minder dan twintig minuten gedaan.”
„Vanmorgen was vanmorgen,” hernam Henri Quatre, die blijkbaar zeer gejaagd was. „Nu is het vloed, en er gaat hier een sterke stroom. Als we over een uur bij het schip zijn, mogen we blijde wezen. En vóór dien tijd zullen we, vrees ik, de bui op het lijf krijgen. Jij, Dirk, aan het roer! Dolf en ik zullen roeien!”
De twee krachtige mannen sloegen de riemen in het water, en hoewel ze trokken, dat de riemen soms krom stonden, vorderden ze maar weinig.
Intusschen kwam het onweder met ontzettende snelheid nader, en aanboord van de „Koning van Polen” scheen men ook iets te begrijpen van het naderende gevaar, want de zeilen werden met spoed geborgen, terwijl men door wenken en wuiven de drie, die in de boot op zee waren, tot meer haast aanspoorde.
Uit de verte hoorde men het gerommel van den donder.
„Het blijft gelukkig stil,” zeide Dirk.
„Stil! Was er maar wat wind,” sprak Henri Quatre, wien het zweet tappelings langs de bruine wangen stroomde. „We komen er niet, en —”
Eensklaps smeet hij zijn’ riem in de boot, wierp Dirk terzijde en greep het roer.
„Roeien, roeien! Ons leven hangt aan een zijden draadje!” riep hij.
Dirk nam den riem op en trok, wat hij kon.
Nog slechts eene halve mijl waren ze van het schip af.
Zouden ze het halen? Zouden ze?
„Gauw! Gauw!” klonk Londenaars stem door den roeper.
„Daar komt de baas! God sta ons bij!” riep Henri Quatre en pas had hij dit gezegd, of de stormwind joeg langs de wateren en sloeg schip en boot van elkander af.
„Voor wind en zee af! In Godsnaam!” klonk de stem van den wakkeren Stuurman en het kleine vaartuig vloog over de golven. Wanneer ze op den top van eene golf zaten, konden ze het schip zien, maar wanneer ze zich tusschen die ontzettende waterbergen bevonden, dan zagen ze niets dan het woedende element en de loodkleurige lucht. Eindelijk begon het ook te stortregenen. Geene bootslengte van zich af kon men zien. Het was te vergeefs dat de drie mannen elkander een woord toeschreeuwden. Het geluid van den storm, van de bruisende golven, van den suizenden regen en den ratelenden donder overstemde hun geroep. Maar konden ze elkander niet bespreken, toch zagen ze wel, dat ze iets moesten doen, wilden ze niet zinken, en dat was het water, dat met elke golf in het bootje kwam, uithoozen. Bij gebrek aan wat beters, gebruikte men daarvoor wat men had: mutsen en schoenen.
„Land!” schreeuwde op eenmaal Henri Quatre.
Pas had hij dat geroepen of de boot stootte op een rif, zoo hard en onverwachts, dat Dirk overboord sloeg. Eene golf nam hem op en droeg hem op de kust.
Henri Quatre zag dat, en hij begreep, dat zijn eenig behoud ook hierin lag, dat hij overboord sprong, als hij eene golf zag aankomen. Hij liep naar Dolf en schreeuwde hem in het oor, wat hij doen moest.
Dolf knikte ten teeken, dat hij zijn’ vriend begrepen had.
Daar naderde eene golf: een reus onder de reuzen.
Bijna op hetzelfde oogenblik sprongen de mannen overboord en wat Dirk overkomen was, gebeurde met hen, de golf droeg beiden ongedeerd over de branding heen op het strand, dat maar zeer smal, en door steile rotsen begrensd was.
„Die rotsen over en dan verder zien, wat we doen. Ik geloof, dat we nog altijd op Boeroe zijn, en als dat zoo is, dan zullen we, hoop ik, wel terecht komen,” sprak Henri.
De drie schipbreukelingen klauterden nu tegen de rotsen op en hadden weldra een uitgestrekt woud voor zich.
Ook hier had de storm vreeselijk huisgehouden en ging hij voort de hooge reuzenstammen af te breken.
De regen viel nog steeds bij stroomen neder, en het onweder scheen in hevigheid toe te nemen.
Het ware dwaasheid geweest in dit weder verder te gaan; want daar ze geen tien passen voor zich uit konden zien, zouden ze misschien slechts afdwalen. Ze kropen daarom onder eene uitstekende rotspunt, waar ze voor den fellen slagregen beveiligd waren, en hier wachtten ze het einde van de bui af.
Ze huiverden van de koude, en geen wonder.
Eerst hadden ze zich doornat in het zweet gewerkt, en nu zaten ze daar, doornat van den regen. Het water liep met straaltjes uit hunne kleederen, en om nu geene koude op te loopen, besloot Henri Quatre zich inspanning te geven. Hij beproefde tegen de steile rotsen te klauteren en kreeg daardoor de gewone lichaamswarmte terug. Zijn voorbeeld werd door de twee anderen gevolgd, en toen ze een half uur later den top der rots bereikt hadden, zagen ze heel in de verte hun schip en op een kwartier afstands het Hollandsche fort.
„Daarheen, vrienden,” sprak Henri toen de bui bedaard was. „We zullen er gauw zijn.”
Dat gauw zijn bleek evenwel niet het geval te wezen.
Wat vóór de bui beekjes waren, waarover men zonder stok gemakkelijk springen kon, dat waren nu breede stroomen geworden, welke met woeste snelheid hunne wateren naar zee stuwden.
„Er dwars doorheen,” zei Dolf en stapte in het water.
„Dank je krachtig,” riep Henri en trok zijn’ vriend op het droge. „Zie je daar die lieve jongens niet? Denk je, dat ik de zee verlaten heb om in den buik van een’ kaai-man te verhuizen? Een kaaiman is geen kikvorsch, hoor!”
„Vriendelijk dank voor die waarschuwing,” zeide Dolf. „Ik zag die vreeselijke dieren niet.”
Om nu geen gevaar te loopen aangevallen te worden door de kaailuî, waarvan de riviertjes wemelden, waren de drie mannen genoodzaakt, een’ grooten omweg te maken.
Die lange weg begon hun echter vreeselijk te vervelen, en daarom besloten ze eene rivier, die blijkbaar zeer ondiep was, te doorwaden.
„Voor onze veiligheid zal ik dit wandelstokje medenemen,” zeide Dolf en nam een stuk hout van een gestrand schip op.
Zij begaven zich onbevreesd te water en zagen aan den anderen oever eenige Boeroeneezen nedergeknield liggen.
„Die mannen schijnen ons om lijfsbehoud te bidden,” sprak Dirk. „Zie maar hoe benauwd ze ons aankijken!”
Henri Quatre lachte eens en zeide: „Nu zullen ze ons niet ontvluchten. Ze zien wel, dat we niet gewapend zijn. Ze zijn zeker water-aanbidders! Nu knielen ze ... Dolf, Dolf, pas op! Sla toe!”
„Begrepen, buurman!” riep Dolf en sloeg zijn stuk hout op den harden kop van een’ kaaiman, die op hem toegeschoten was en den vreeselijken muil geheel boven water had.
Een vreeselijk geschreeuw liet zich aan den oever hooren.
„Ze hebben medelijden met ons,” zeide Dirk.
„Medelijden? Mooi medelijden! Pas op, ze gaan ons nog te lijf, ja! Ik wed wel, om ik weet niet wat, dat ze kaaiman-aanbidders zijn,” antwoordde Dolf en sprong aan den oever, waar hij terstond door de inboorlingen met dreigende gebaren ontvangen werd.
„Orang Wolanda!” riep hij.
„Jan Kompanie!” schreeuwde Dirk.
Beide uitroepen hielpen. De inboorlingen wisten dat „Orang Wolanda” een „Hollander” beteekende, en dat Jan Kompanie, zooals ze de Oost-Indische Compagnie noemden, niet gemakkelijk aan zijn kamizool was, als een zijner dienaren mishandeld werd. Het bleef dus bij bedreigingen, en ongedeerd zett’en de drie vrienden hun’ tocht voort en bereikten twee uren later het fort, waar ze liefderijk opgenomen werden.
Toen Dolf vertelde, wat hun onderweg overkomen was met den kaaiman, zeide Joan van Leipzig, de Commandant der kleine sterkte, dat ze door „Orang Wolanda” te roepen stellig hun leven gered hadden; want dat de Boeroeneezen aan de kaailuî godsdienstige eer bewezen.
„Nu spelt ge ons toch wat op de mouw,” meende Henri Quatre. „Wie zal nu zulk een dier godsdienstige eer gaan bewijzen? Dat zou toch al heel dom zijn!”
„Neen, stellig niet,” zeide van Leipzig. „Onder de Heidensche volken merkt men het meer op, dat ze aan booze wezens godsdienstige eer bewijzen in de hoop, dat die booze geesten, gedrochten of dieren hun dan geen kwaad zullen doen. Dit is nu onder de Boeroeneezen evenwel het geval niet. Zij gelooven dat eenmaal een kaaiman met eene der dochters van een’ hunner vroegere Koningen getrouwd is. Al de kaailuî, die in deze buurt zich ophouden, heeten van dat vreemde paar af te stammen. Maar, men seint van het schip! Misschien zoeken ze ulieden?”
Van Leipzig liet een klein kanon losbranden, doch alsof men aanboord van de „Koning van Polen” niet begreep, wat dat beduidde, ging men maar voort met seinen.
„Weet je wat, gaat naar eene der hoogste rotsen en laat u alle drie zien. Het is het eenige, wat er op zit,” zeide van Leipzig. „Ze zullen zeker willen weten, of je op zee verongelukt of behouden aanwal gekomen bent!”
Onze vrienden vonden dien raad goed, zochten eene hooge rots op, en zoodra ze den top bereikt hadden, begonnen ze met hunne mutsen en zakdoeken te wuiven.
Dat scheen te helpen; want er werd eene boot neergelaten en twee uren later waren ze weer aanboord terug, waar ze met gejuich ontvangen werden. Garrit vooral, die geloofd had, dat Dirk in den storm wel omgekomen zou zijn, was uitgelaten van vreugde.
Thans waren de manschappen weer bij elkander en zette men koers naar Amboina.
„Schip in ’t zicht,” riep de uitkijk.
„De kerel kon wel roepen schepen,” zei Joost. „Het is, bijlo, eene gansche vloot, die daar nadert. Maar het zijn allemaal compagnie-schepen!”
Kapitein Londenaar stuurde zijn schip naar de naderende vloot, en zag weldra, dat van een der vaartuigen de Admiraalsvlag woei. Aanboord van het Admiraalsschip gekomen, vernam Londenaar uit den mond van Johan van Dam en Truytman, die met het bevel der vloot belast waren, dat de „Koning van Polen” hen te volgen had.
„Mag ik ook weten waarheen de koers is, Admiraal?” vroeg Londenaar beleefd.
„De tocht is een geheim en zal later bekend gemaakt worden. Geen enkele Kapitein weet het nog. Nu hebt ge alleen ons bevel te gehoorzamen en bij u op het schip alles tot een vinnig gevecht gereed te maken,” sprak Truytman.
„Het zal geschieden, Heer Admiraal,” zeide Londenaar en liet terstond zich aanboord van de „Koning van Polen” terugbrengen, waar hij onmiddellijk alles in gereedheid liet brengen voor een mogelijk gevecht.
„Wat zullen we nu weten, Kapitein?” vroeg Dolf.
„Ik kan het u niet zeggen, goede vriend!” luidde het antwoord. „De Bevelhebbers der vloot, de Heeren van Dam en Truytman, zeggen, dat ze eerst op eene bepaalde hoogte ons in kennis mogen stellen met het doel van den tocht. Dat de onderneming belangrijk is, geloof ik te mogen opmaken uit de menigte welbemande vaartuigen.”
„Wedden, Kapitein, dat ik weet waarheen het gaat?” vroeg Oude Joost. „Ik geloof dat ik het weet.”
„Nu, waarheen dan?”
„Naar Makassar, Kapitein! Ik heb er zoo een voorgevoel van. En als dat zoo is, sta dan vast; want de Makassaren zijn niet gemakkelijk, als ze beginnen. Ik weet hiervan mede te praten, en meer dan mij lief is.”
„Zijt ge dan al eens met die luiden slaags geweest?” vroeg Dolf, die nu juist geene groote studie van de geschiedenis der Oost-Indische Compagnie gemaakt had, wat trouwens in ons land bijna niemand deed. Tegenwoordig wordt ook op de scholen de aardrijkskunde van de Oost geleerd, maar toch is het nog zeer gering, wat wij van dien merkwaardigen en rijken Archipel weten. Toen leerde men van de aardrijkskunde van ons eigen land zelfs nog niets op de scholen en dus nog veel minder van de Oost.
Oude Joost keek den vrager eens aan en zeide: „Hoor eens, maat, geleerd mag je wezen, maar of je van onze Oost wel veel weet, dat geloof ik niet. Je vraagt me daar of we met die van Makassar wel eens aan het bakkeleien geweest zijn. Nu, niet zuinig ook. Het was in de Molukken lang niet altijd botertje tot op den boôm. En dat kwam nu niet, omdat de Compagnie telkens redenen tot ontevredenheid gaf, maar wel omdat er van alle kanten kwaad gestookt werd. Onder de grootste stokebranden behoorde vooral de Sultan van Makassar.”
„Maar Prins Patinggaloan deed toch al, wat hij kon om ons te bevoordeelen,” merkte Meester Troost der Armen aan.
„Daaraf weet ik mee te praten,” zeide Kreeft. „Hebben de Heeren Bewindhebbers der Compagnie hem niet eene prachtige koperen aardglobe ten geschenke gegeven? Ik heb dat ding helpen brengen, man, ikzelf. Het was je maar wat een mooi draaiding, en ik dacht zoo al bij mezelven: wat is de aarde toch een raar toestel, dat ze zoo tusschen een houten rand draait. Als we de Linie passeerden heb ik wel eens gekeken of ik dien houten rand niet zag!”
„Ik meen ook dat Joost van den Vondel op die globe een gedicht heeft gemaakt,” sprak Henri Quatre.
„Dat ik kan opzeggen,” nam Kreeft het woord. „Vondel schreef ervan:
Tot eer van Hollants waterleeuw,
Herschept de kunst de kopere eeuw
Een ronde....”
„Ga maar niet verder, man, ik weet dat alles,” zeide Oude Joost. „Ik weet ook dat diezelfde Prins Patinggaloan een zeer geleerd man was, die zelfs Latijn verstond. Ik weet dat hij grooten invloed op den Sultan had; maar hij was als de rest en had ze achter zijn’ elleboog. Zijn baas de Sultan, Galedoella Mochahoca, had aan den Gouverneur-Generaal geschreven, dat hij niemendal tegen de Compagnie had, maar dat hij alleen de bewoners van de Molukken tegen ons opstookte om Gods wil en om zijne Mohammedaansche leer te beschermen. Maar dat waren maar praatjes, want dan had hij de Portugeezen, die dan toch ook geene Mohammedanen zijn, ook niet in zijn land moeten dulden.”
„Is zoo’n globe niet een rond ding?” vroeg Hoepel.
„Ja, nog ronder dan jij bent,” riep er een uit het gezelschap.
Hoepel deed alsof hij die hatelijkheid niet hoorde en zeide: „Wat doen ze ook zulke konstige, ronde dingen te geven. Zoo iets kunnen alleen de groote Heeren verzinnen, maar dat zou nooit opkomen in het hoofd van Janmaat. Die geeft wat anders dan presentjes waarop de Poeëten gedichten maken!”
Joost lachte eens even en zeide: „Ik begrijp je, maat! Ja, wij zouden die luiden op eene andere manier aanboord klampen. We zouden hun ook ronde dingen geven, maar dan van ijzer of lood en te grabbelen gegooid door Sinjeur Buspoeder. Nu, wees maar stil, ik wed dat het er nu zoo van langs zal gaan. En dan zal ik het dien luiden nog eens betaald zetten, dat ze me vier maanden lang op water en brood gehouden hebben.”
„Dus je bent in Makassar geweest?” vroeg Hoepel.
„Dat ben ik, maar niet voor mijn pleizier. Wij lagen daar met ons schip de „Oude Hondt” en zouden lading innemen, toen we heel onverwachts door eene bende roovers overvallen werden, die ons meesleepten naar een oud fort van de Portugeezen en ons daar gevangen hielden tot we tegen ettelijke Makassaren uitgewisseld werden.”
„En de „Oude Hondt,” waar was die?” vroeg Kreeft.
„Dat zoudt ge aan de Portugeezen kunnen vragen, en ik geloof zoo, dat we „De nieuwe Leerdam” nog duur hebben, als we meenen, dat er eenvoudig geruild is.”
Op dat oogenblik passeerde de vloot het eiland Solor.
„Kijk eens,” riep Garrit nu eensklaps uit. „Kijk die luî daar eens aan! Zouden ze aan het hengelen zijn?”
Hengelen was ook toen reeds zulk eene echt vaderlandsche bezigheid, dat het meerendeel van de manschappen over de verschansing ging liggen om te zien, wat men daar deed.
Niet ver van het land af zag men verscheidene kleine bootjes, die alle met één persoon bemand waren, en ieder dezer personen was een hengelaar. Maar men hengelde niet met haakjes, dat zag men wel, doch waarmede men het dan wèl deed, dat kon men niet nauwkeurig zien.
„Het is alsof er een bosje pluis aan het touwtje zit,” zeide Dirk. „Kijk maar! Ik geloof dat ze peuren!”
„Dat behoef je niet te gelooven, dat is werkelijk zoo. Die luî zijn bezig met sakkoos vangen,” sprak Oude Joost. „Een sakko is een visch, die zeer veel op onze geep gelijkt en al even onsmakelijk is. In den bek heeft hij eene menigte tanden, die in haakvormige puntjes eindigen. Nu maken de visschers van deze streken, in plaats van een haakje, een bosje uitgerafeld lijnwaad of werk aan het touwtje vast. De sakkoos zien dat voor aas aan, bijten even en blijven dan met de haakjes hunner tanden in dat pluis zitten. Zoodra er een visch gehapt heeft, voelt de visscher dat. Hij slaat op en het is maar hoogzelden, dat er onder dat opslaan een visch afvalt. Maar wat gebeurt nu? Kijk me die visschers eens ruim baan maken!”
Pas had Oude Joost dat geroepen of eene versierde prauw, door nog vele andere prauwen gevolgd, zette koers naar de vloot. Eene akelige, eentonige muziek, nu en dan afgewisseld met gezang, klonk over het water.
„Er zit eene vrouw in,” riep Garrit. „Lieve deugd, wat een leelijk schepsel is dat! Hoe oud! Precies eene Juffrouw Kinderschrik, die het heele weeshuis naar bed jagen kan.”
De prauwen kwamen zóó in de nabijheid van de „Koning van Polen”, dat men al de lieden, die er in zaten, nauwkeurig onderscheiden kon.
„Begrijp je er wat van?” vroeg Dirk aan zijn’ broeder.
„Geen steek!” luidde het antwoord.
Opeens schoot eene der prauwen wat vooruit, kwam de „Koning van Polen” terzijde, en een man, een blauwbruine kerel, hield de hand voor den mond en riep de onzen wat toe.
„Wat roept hij toch?” vroegen verscheidenen aan elkander.
„Ik heb er maar één woord van verstaan,” sprak Kreeft, „en dat is „laksamana”, dat zooveel als Admiraal beteekent.”
„En ik heb het woord „Radja parampoewan” gehoord, dat wil zeggen: Koningin,” zeide Hoepel.
Oude Joost, die bij het aanleggen der prauw wat naar de plaats geloopen was waar ze lag, kwam nu terug en zeide: „Voornaam bezoek, jongens! De Koningin van Solor wenscht den Admiraal te spreken.”
Bijna op hetzelfde oogenblik kwam Henri Quatre, en op bevel van den Kapitein gelastte hij twaalf man uit den hoop, hem te volgen om naar het Admiraalsschip te varen en daar twee boodschappers van de Koningin aanboord te brengen.
De groote boot werd neergelaten. Henri Quatre zette zich aan het roer, twee bruine Edellieden namen ook achter plaats en de twaalf mannen zett’en zich aan de riemen. In den tijd, dat de boot naar het Admiraalsschip voer, bleven de prauwen wat heen en weer drijven.
Spoedig was de boodschap door de twee bruine Afgezanten overgebracht, en terstond lieten de Admiraals al de vlaggen hijschen, die ze bij de hand hadden. De andere schepen volgden dit voorbeeld en toen de Edellieden aan de Koningin gezegd hadden, dat de Admiraal haar wachtte en de prauwen zich daarop in beweging zett’en naar het Admiraalsschip, werd vandaar het sein gegeven tot een eere-saluut uit het grof geschut.
„Is dat eiland Solor dan zoo groot, dat wij aan die Koningin, en dan nog wel aan zulk eene vogelverschrikster zooveel hulde moeten bewijzen?” vroeg Dirk aan Joost.
„Welneen, jongen! Solor met nog eenige eilandjes erbij vormt maar een heel klein Koninkrijkje, dat voor de Compagnie in het jaar ’13 door den Zeekapitein Appollonius Schot op de Portugeezen veroverd werd. Als er in het geheel tienduizend menschen op wonen, zal het mooi zijn. Bovendien is de grond niet best bebouwd, en men heeft er veel last van vulkanische uitbarstingen, zoodat ze ons al heel weinig voordeel opleveren. Alleen bij het vervallen fort Frederik Hendrik komt zoo nu en dan een Compagnie-scheepje om er wat zwavel en salpeter te halen. Bamboe kan men er krijgen zooveel men hebben wil.”[22]
„Maar wat hebben we er dan toch voor doel mede om aan de Koningin van zulk een nestig landje zooveel eer te bewijzen?” vroeg Garrit.
„Wie het kleintje niet eert, is het groote niet weerd,” hernam Oude Joost. „En al is dat land nu niet zoo heel groot, alle beetjes helpen. Bovendien bestaat slechts het kleinste gedeelte der bewoners uit Maleiers, die Mohammedanen zijn en dus heulen kunnen met dien mooien Sultan van Makassar. Het andere deel bestaat uit Alfoeren.”
„Wat zijn dat voor luî?” klonk hierop de vraag van een’ der luisteraars. „Alfoeren, wat een naam!”
„Alfoeren zijn donkerbruine, groote en sterke menschen, die niemendal van de Mohammedanen willen weten en Heidenen zijn. Ze zijn in den oorlog verbazend vlug en weten met hunne groote zwaarden vreeselijk huis te houden. Lafhartig is er niet één; maar van koppensnellen bij den vijand zijn ze groote liefhebbers. Voor het overige leven ze vreedzaam en ze zijn minder valsch dan Maleiers, die niet altijd te vertrouwen zijn.”
Nadat men op die wijze een tijdlang had staan praten, kwam Kapitein Londenaar, die inmiddels aanboord van het Admiraalsschip geseind was geworden en er natuurlijk heengebracht was, alweer terug en zeide tot het verzamelde volk: „Mannen, thans kan ik u mededeelen waarheen de tocht is.”
„Dat weten we al, Kapitein,” zeide Meester Troost der Armen. „Onze vriend Oude Joost kan nog beter ruiken dan een hond. Hij heeft ons al eenige dagen geleden verteld, dat de tocht naar Makassar ging om daar den Sultan eens even te leeren, wat meer achting en eerbied voor de Compagnie te hebben.”
„Dan heeft Oude Joost goed geroken,” hervatte Kapitein Londenaar. „Maar alles kan hij toch niet geroken hebben, daarom zal ik u een en ander mededeelen. De Koningin der Solor-eilanden kwam ons verzoeken weer eene nieuwe sterkte te bouwen of de oude te herstellen, teneinde haar tegen den overmoed ter Portugeezen te beschermen. Admiraal Truytman heeft haar beloofd hieraan te voldoen, zoodra we de Makassaren getuchtigd en onderworpen hebben.”
„Nu, dat zullen we dezen keer toch wel klaar spelen, meen ik,” dus liet Dolf zich hooren. „Onze vloot is sterk en er is volk genoeg aanboord ook!”
„Volk genoeg, Stuurman, daarin hebt gij gelijk! Maar niet ieder staat zijn’ man, als het er op aankomt.”
Een ontevreden gemompel liet zich hooren en Kreeft, vooruit tredend, zeide: „Kapitein, krom ben ik; maar sedert wanneer ben ik een lafaard?”
„Wij zijn ook geen lafaards,” lieten zich nu een paar andere stemmen hooren.
„En wij ook niet! Neen, wij ook niet!” klonk het in koor.
Kapitein Londenaar lachte even en hernam: „Gijlieden roept haring vóór Sint-Jan[23]. Als ik zeg, dat niet iedereen zijn’ man staat, dan bedoel ik er niet één van het Compagniesvolk. Maar wij hebben op de vloot verscheidene compagnies Amboineezen en het is de groote vraag maar, wat we daaraan hebben zullen, hulp of tegenstand.”
„Hoor eens, Kapitein,” waagde Oude Joost te zeggen, „die soldaatjes zullen de kaas niet van hunne boterham laten halen. Er leeft in heel den Archipel geen moediger en dapperder volkje.”
„Oude Joost meent er niet één van,” riep een uit het volk. „Aan heel zijn gezicht kan men zien, dat hij een loopje met ons neemt.”
„Neen, Oude Joost spreekt waarheid,” liet Meester Troost der Armen zich hooren, doch zijne bevestiging diende alleen maar om het volk er nog minder aan te laten gelooven.
„Het zijn zeker even groote helden als u, Meester,” zeide een matroos.
„Of ik een held ben weet ik niet,” zeide de Scheepsbarbier kalm, „ik ben nog nooit bij een zeegevecht tegenwoordig geweest. Maar die Amboineezen hebben onze Joost en ik bezig gezien en ik verzeker je, dat menig Europeaansch Compagnie-soldaat er een voorbeeld aan nemen kon. Ze zijn dapper in den aanval, bij tegenspoed standvastig en zoo trouw aan hun vaandel als een Christenmensch er maar trouw aan zijn kan.”
„Wat onze barbier daar vertelt, Kapitein, is waar,” sprak Oude Joost. „En als we aan den dans moeten gaan, dan zal u, ja, dan zullen allen zien, dat de barbier en ik u geene onwaarheden wijs maakten.”
„Nu, Joost, ik hoop, dat je het bij het rechte einde zult hebben,” zeide de Kapitein.
„Ja,” vervolgde Oude Joost, „en het is beter ook dat u, Kapitein en al de anderen dat nu al weten ook.”
„Waarom?” vroeg de Kapitein.
„Omdat ze uiterst gevoelig zijn voor beleedigingen, Kapitein! Worden ze vriendelijk en voorkomend behandeld, dan vinden ze dat blijkbaar aangenaam, maar bemerken ze, dat ze door de Europeanen met minachting aangezien en behandeld worden, dan hebben ze de bokkenpruik op en, we hebben het op zee gezien, een mensch hoe goed anders ook, wordt een onding, als hij die op heeft. En om u nu nog allen te overtuigen, dat ik waarheid spreek, ben ik bereid een’ eed te doen op hetgeen ik gezegd heb.”[24]
„En ik ook,” sprak de barbier.
„Nu, dan trek ik mijne beschuldigingen in,” zeide de Kapitein, „en ik beloof je dat ik het volk zal voorgaan in het bewijzen van achting aan mannen, die achting verdienen. En waar ik voorga, dat weet je, daar volgen al de anderen.”
Nog maar even had Kapitein Londenaar dit gezegd toen de Amboineezen aanboord gebracht werden. De aanvoerder van die afdeeling trad op Kapitein Londenaar en vroeg hem:
„Jy Kapitan?”
Kapitein Londenaar knikte bevestigend.
„Ik ook Kapitan,” vervolgde de Officier, „en helpen maak kopje kleiner dat vijand.”
„Dat is uitnemend, Kapitein!” zeide Kapitein Londenaar, die werkelijk met welgevallen de flinke houding van de uitnemend gewapende Amboineezen opnam.
Nu wilde onze Amboinees zeggen, dat hij zelfs een’ eed gezworen had de Compagnie trouw te dienen, en hij drukte dat uit door te zeggen: „En ik gedaan opsteken twee vingers.”
De koddige manier van spreken was oorzaak, dat bijna al het scheepsvolk in een luid gelach uitbarstte, doch Kapitein Londenaar keek allen zóó ernstig aan, dat ze het niet waagden te doen.
„Ik wil hopen,” zeide IJzeren Neptunus nu, „dat we elkander niet tegenvallen. Ik zal u nu de plaats voor uwe manschappen laten aanwijzen en u, Meneer de Kapitein, zal, zoo lang u hier aanboord is, tot de Officieren gerekend worden! Joost, jij kunt nog wat van die menschen verstaan, wijs hun logies!”
Ondertusschen kwamen de bewoners van Solor van alle kanten in hunne prauwen opdagen om allerlei eetwaren aan de schepelingen te verkoopen; doch daar de vloot meer in de nabijheid van het kleine eiland Serbiette het anker had laten vallen, zoo werd er besloten de schepen op dit eiland van water te voorzien.
Niet ver van het vlek Lamahal was eene kleine rivier met heerlijk drinkwater, en daar werden de booten heengezonden. De manschappen namen ook allerlei snuisterijen mede om deze te verruilen voor dingen van waarde, doch de bewoners van dit eilandje waren niet rijk en bezaten zeer weinig kostbaarheden, zoodat er bitter weinig te ruilen viel.
Een der eilanders vertelde evenwel, dat niet verre van Lamahal een put was met kokendheet water, dat afgekoeld, bijzonder heilzaam was voor allerlei wonden. Zoodra Meester Pruymius dit vernam, besloot hij van dat heilzame water zooveel mede te nemen, als hij maar bergen kon. Wat zou hij er eene eer in stellen om na het gevecht, dat denkelijk wel bloedig zijn zou, de gekwetsten met zijn wonderwater te genezen! Wie weet of hij daardoor geen kans liep lijfarts van den Gouverneur-Generaal te worden. Hij ging daarop naar Kapitein Londenaar en vroeg hem eene boot met eenige mannen om van dat wonderwater te gaan halen, en hoewel de Kapitein er niet veel van geloofde, zoo gaf hij hem er toch vergunning toe.
Ik schreef daar met opzet dat de Kapitein er niet veel van geloofde, en dat bewijst juist, dat hij het niet tegenspreken durfde ook. De leer der geneesmiddelen was toen en nog zeer vele jaren daarna, al eene heel vreemde leer. Ze is het voor een deel nog, want hoevele onnoozele menschen leggen bij eene wonde er papier van een tabakszakje of spinrag op. Het eerste dient om de wond af te sluiten en het tweede om het bloeden tegen te gaan. Beide middelen zijn intusschen zeer gevaarlijk en veroorzaken niet zelden bloedvergiftiging. Op het platteland van Walcheren gebruikte men bij eene verwonding een linnen doekje, doortrokken met sla-olie, waarin men een paar maanden vroeger veenmollen geworpen had om die er in te laten aftrekken. En als men zoo iets nu nog in onze eeuw ziet doen, dan is het immers niet te verwonderen, dat in het midden der zeventiende eeuw, zelfs Scheepskapiteins geheime geneeskundige krachten aan sommige dingen toeschreven?
Tot de matrozen, die Meester Pruymius vergezelden, behoorden ook Garrit, Dirk, Hoepel en Kreeft. Dolf zat aan het roer en onze goede scheepsbarbier zat voor in de boot tusschen een twintig groote stoopskruiken[25].
„Wel, Meester,” dus begon Dolf lachend, „als ge al die kruiken vol hebt, dan kunt ge wel twintig vloten bedienen.”
„Beter te veel dan te weinig, Stuurman,” gaf Meester Troost ten antwoord. „Ik weet ook niet hoeveel ik moet gebruiken. Dat zal de ondervinding mij nog moeten leeren.”
„In alle gevallen, Meester, ik hoop dat ge met uw wonderwater van mijn lijf zult blijven, hoewel ik er geen oogenblik aan twijfel of we zullen eene harde noot te kraken hebben. Ik denk zoo, dat er bloed genoeg vloeien zal.”
„Meer dan roode wijn, Stuurman,” zeide Meester Troost der Armen met een’ diepen zucht; want hoewel op zee voor geen klein geruchtje vervaard, had hij, zooals men dat noemt, aan vechten toch een broertje dood.
„Je zucht alsof de Makassaren allen amok-makers waren,” zeide Garrit, en onwillekeurig dacht hij aan die geschiedenis te Batavia, waar hij met Meester Pruymius hard aan den haal gegaan was en waarbij Dirk, zonder den Keulschen pot, zeker het mannetje van de rekening zou geworden zijn.
„Als we geene Keulsche potten genoeg hebben, dan kunnen we het met stoopskruiken probeeren,” zeide Dirk, en op dat oogenblik werden de riemen ingehaald en stapte men aan wal, waar de kruiken voorzichtig neergezet werden.
Dolf, Kreeft en Garrit bleven gewapend bij de boot; want hoewel de arme inwoners nog geen enkel teeken van vijandigheid gegeven hadden, deed men toch goed dien lieden niet al te veel vertrouwen te schenken. Dirk en Hoepel, óók gewapend, zouden den barbier vergezellen. Maar hoe twintig volle stoopskruiken van de bron bij de boot te krijgen, waar men met de twintig ledige al geen’ weg wist?
„Misschien dat de mannen van het eiland je wel helpen willen,” zeide Dolf. „In alle gevallen hebt ge toch iemand noodig, die u den weg wijst!”
„Dat is waar ook,” zei Meester Pruymius en een’ half naakten eilander terzijde tredend, zei hij tot dezen: „Bawa gindi-gindi soemoer panas ajer!”
„Wat zeg je toch?” vroeg Dolf, toen hij zag dat de Serbietter hem niet verstond.
„Wel, ik zeide in goed Maleisch: Draag de kruiken naar den put met warm water!”
„Ik geloof dat je al even goed Maleisch spreekt, als ik, maat, en ik spreek het als een Zeeuwsche boer. Wacht maar, ik zal wel zeggen, wat we willen.”
Dolf ging hierop naar den Serbietter en klopte hem op den schouder. De man zag om en Dolf wenkte hem naar den waterkant te volgen. Hierop stak hij de handen in het water en schudde van neen. Daarop stak hij andermaal de handen in het water, doch trok ze er schielijk uit en deed, alsof hij zich gebrand had. Toen knikte hij van ja en wees op de kruiken en in de richting waarin die bron moest liggen.
De Serbietter scheen hem te begrijpen, doch op de kruiken, wijzend en deze tellend, stak hij tweemaal beide handen op en schudde het hoofd.
Dolf wees toen op hem en stak vijf vingers op.
De Serbietter scheen zoo dom niet te zijn, als hij er uit zag, want hij liep naar de naaste huizen en kwam weldra met nog drie man terug. De man stak, ten bewijze dat hij Dolf goed begrepen had, ook de handen in het water, trok een afschuwelijk leelijk gezicht en schreeuwde allerakeligst: „Au! Au!” Daarop wees hij naar de kruiken en vervolgens naar het bosch, dat achter Lamahal lag.
Dolf knikte hem toe en toen staken de vier mannen een’ langen stok door de ooren van de tien kruiken en daarna een’ anderen stok door de ooren der overige tien. De uiteinden der stokken werden op de schouders gelegd en daarop zett’en ze het op zoo’n aardig sukkeldrafje, dat Meester Pruymius, Dirk en Hoepel genoodzaakt waren mede te draven.
Schuddend van het lachen zagen de achterblijvers de dravende zeven mannen na.
In het begin ging de tocht vrij voorspoedig, doch het duurde niet lang of ze kwamen op een’ steenachtigen bodem waar het loopen minder goed ging voor onze drie Hollanders, die lage zeemansschoenen aan hadden. Op het schip zijn die voor alle bewegingen zeer gemakkelijk, doch om er mede langs scherp gepunte steenen te loopen, zijn de zolen wel wat dun. De Serbietters liepen blootsvoets en stonden daardoor veel vaster. Nog nimmer hadden ze kousen of schoenen aan de voeten gehad en daardoor was de huid onder de voeten harder geworden dan het beste gelooide leder van paarden en ossen. De voeten zelve waren ook veel beter gevormd dan die der Europeanen, die al te dikwijls misvormd waren door het dragen van schoeisel, dat veel te nauw was, omdat breede voeten zoo leelijk stonden. Men gelooft dat, jammer genoeg, nog al te veel, en duizenden beschaafde Europeanen loopen met misvormde voeten. Ten laatste werd Meester Pruymius zóó moede, dat hij bijna niet meer voort kon. Maar hoe het dien wilden aan het verstand te brengen, dat ze zoo hard niet loopen moesten? Hij zag daartoe geen’ kans, en nadat hij te vergeefs alle pogingen aangewend had om hen langzamer te laten loopen, dacht hij ten laatste: „Die luî verstaan me toch niet; ik zal hen maar laten begaan.”
Ongemerkt kwamen de vier Serbietters daardoor een heel eind vooruit en het duurde niet lang of, bij eene kromming van het ruwe pad, waren ze uit het gezicht verdwenen en toen de drie Hollanders bij dezelfde kromming aangekomen waren, zagen ze, dat het pad zich in drieën splitste.
„Welk pad, Meester?” vroeg Dirk.
„Links, rechts of rechtuit?” vroeg Hoepel.
Meester Pruymius stampvoette van kwaadheid en zeide: „Die vier schelmen zijn met onze kruiken op den loop. Er zit niets anders op dan terug te keeren.”
„Maar eer we dat heele eind nu alweer terugloopen, wil ik eerst toch wel eens even uitblazen,” zeide Hoepel en zette zich op een’ omgevallen, hollen boom neder.
De andere twee meenden juist dat voorbeeld te volgen toen Hoepel opeens van den boom sprong en op de vlucht ging, achtervolgd door een’ zwerm bijen op wier nest hij was gaan zitten. Ook Dirk en Meester Pruymius gingen aan den haal en alle drie kwamen ze, met wonden overdekt en zonder kruiken, bij de boot aan.
De bijen achtervolgden hare zoogenaamde vijanden niet verder; want zoodra men in de boot gesprongen en van wal gestoken was, keerden de diertjes terug. Haar instinct waarschuwde genoeg voor de gevaren, die haar boven het water dreigden.
Zoodra ze zagen dat de bijen aftrokken, was Dolfs eerste vraag: „En de kruiken?”
„Breng me naar de Admiraals dan vraag ik hun of ze dit eiland willen platschieten!” schreeuwde de barbier.
Dolf en de anderen lachten.
„Lacht niet, kerels! Lacht niet! Die lummels, die dieven en afzetters, die zakkenrollers en straatroovers, ze hebben mij bestolen, mij, Meester Pruymius, scheepsbarbier bij de Oost-Indische Compagnie! Bestolen voor twintig spik-splinternieuwe stoopskruiken. Naar het Admiraalsschip, Stuurman! Naar het Admiraalsschip!”
„Ge begrijpt toch, Meester, dat ik zóó dwaas niet zijn zal,” antwoordde Dolf. „Als gij u te beklagen hebt over de behandeling der Serbietters, dan dient ge zulks bij onzen Kapitein te doen, en deze zal dan wel weten of het noodig is, dat voor twintig voddige kruiken een heel eiland verwoest moet worden. Komtaan, jongens, rechtuit naar de „Koning van Polen”, en flink voortgeroerd ook; want de zon gaat onder!”
De vier mannen sloegen de riemen in het water en bekommerden zich weinig om het geraas en getier van Meester Pruymius, die als een dolle tekeer ging.
Men was evenwel nog heel dicht onder den wal toen men van den kant van het bosch geschreeuw vernam. Dolf keek om en zeide: „Ik geloof zoo waar, dat ge u zonder redenen boos gemaakt hebt en dat de vier zoogenaamde dieven ginder met hunne vracht komen aanloopen.”
„Ja, ja, dat zijn ze! Dat zijn ze!” riep de barbier, die nu weer uitgelaten van blijdschap was, dat hij zijne kruiken terug zou hebben en misschien wel gevuld bovendien. Men roeide naar den wal terug en spoedig kwamen de vier dragers, uitgeput van vermoeidheid, bij de boot en gaven de volle kruiken over. Ze waren nog zóó warm, dat men ze zonder doeken niet kon aanpakken. Uit dankbaarheid gaf de barbier ieder hunner een’ tinnen lepel en hiermede waren de mannen zóó tevreden, dat ze van pure pret begonnen te dansen, welk voorbeeld Meester Pruymius heel graag had willen volgen, nu hij op zulk eene goedkoope en gemakkelijke manier aan die groote hoeveelheid wonderwater gekomen was.