„Zoudt ge,” dus begon Dolf toen ze allen met de kruiken in de boot waren, „nu eerst dat wonderwater maar niet op jezelven toepassen, Meester? Helpt dat middel tegen wonden, dan helpt het ook wel tegen de bulten, die de angels der bijen u bezorgden.”

„Hoe dom daaraan niet te denken,” riep de barbier. „Zeker, ik doe het dadelijk.”

Hij haalde nu uit een lederen kokertje, dat hij steeds bij zich droeg, een strookje verbandlinnen, bette dat in het water, liet het boven de kruik afkoelen en begon er toen de bulten mede te wasschen. Hij zeide dat hij er soulaas, dat is baat, bij had en begon nu de bulten der andere twee ook te wasschen met hetzelfde gunstige gevolg. Geen wonder, dat de man boven de wolken van blijdschap was en verklaarde, dat hij, als ze weer in Batavia waren, den Gouverneur-Generaal het voorstel zou doen om eene heele scheepslading van dit water te halen en dan te zorgen dat iedere scheepsbarbier bij elke reis, vooral als er kans was, dat er gewonden kwamen, eene flinke hoeveelheid mede kreeg. Naar hem moest dat wonderwater dan heeten „Aqua Prumii”.

Na de wassching met dat water zette men zich aan de riemen en roeide zoo snel men kon om niet door de duisternis overvallen te worden, naar het schip terug, waar onze brave barbier, die zoo vol zorg voor het welzijn der schepelingen was, den kostelijken voorraad dadelijk in zijne hut borg. Ja, hij ging zelfs zoo ver, dat hij Dirk’ een dukaat beloofde, als hij hem eens eene kleine wonde mocht maken om dan het genoegen te hebben, de deugdzaamheid van het wonderwater ook in dit opzicht op hem toe te passen.

Natuurlijk bedankte Dirk daarvoor, zoodat Meester Pruymius niets overbleef dan de kruiken goed te kurken en met natte blazen te overdekken.

Het spreekt vanzelf, dat men het op het voorschip dien avond over de kleine gebeurtenissen van den dag had. Als er niets bijzonders voorvalt, grijpt men dikwijls het minste aan om toch maar stof tot praten te hebben. Al heel spoedig kregen Meester Troost der Armen, Hoepel en Dirk van allen, op één’ na, de volle laag over hunne lafhartigheid om voor zulke kleine diertjes, als de bijen zijn, op den loop te gaan. Ja, Kreeft ging zoover met te zeggen: „Hij is geen knip voor den neus waard, die dat doet. Wat zeg gij, Ouwe Joost?”

Joost, die tot nu maar altijd gezwegen had, keek even op en vroeg zoo leuk mogelijk: „Wel?”

„Ik zeg dat ieder, die voor bijen aan den haal gaat, geen’ knip voor den neus waard is,” hernam Kreeft. „En nu vraag ik jou of ik gelijk heb of niet!”

„En als je dan niet eens gelijk hebt, ben jij dan wèl een’ knip voor den neus waard?”

Kreeft keek den ouden zeerob eens aan en zei toen lachend:

„Als Ouwe Joost mij één’ flink man weet aan te wijzen, die voor bijen of andere dergelijke diertjes op den loop ging, dan zal ik de eerste zijn, die een Makassaar, man tegen man, te woord staat.”

„Aangenomen! Aangenomen!” klonk het thans van verscheidene kanten. „En als Ouwe Joost het niet kan, dan zal hij de man zijn, die dat het eerst doet.”

„Jelui praat als een hoop gekken,” hervatte Joost. „Wie het eerst een Makassaar man tegen man te woord zal staan, hangt niet van ons, maar in de eerste plaats van de Bevelhebbers der vloot en dan van onzen Kapitein af. Maar, evengoed, alsof het eene weddenschap gold, zal ik jelui man en paard noemen. Wie uwer heeft nooit gehoord van Willem IJsbrantsz. Bontekoe?”

Willem IJsbrantsz. Bontekoe, wie zou van dien man nooit gehoord hebben? Was er een matroos, die lezen kon, dan had hij „Journaal ofte Gedenkweerdige Beschrijvinge van de Oost-Indische Reyse van Willem IJsbrantsz. Bontekoe van Hoorn”, gelezen, ja, de lotgevallen van dien man waren reeds zóó algemeen bekend dat de uitdrukking: „Een reisje van Bontekoe”, als men eene ongelukkige reis gemaakt had, terstond door ieder begrepen was. Dat boekje was onder het scheepsvolk hetzelfde, wat later Robinson Crusoe voor de jongens werd. Het werd gelezen en nog eens gelezen. Maar, men las toen ook al, zooals velen nu nog doen, zóó dat men vergat, wat men gelezen had. Eene vertelling, vooral als Oude Joost die deed, bleef veel vaster in het geheugen.

Het algemeene geroep was dus: „Ja, ja, Bontekoe kennen we!” terwijl enkele lezers van dat boek er zelfs bijvoegden: „Maar die ging toch niet voor bijen op den loop?”

„Neen, niet voor bijen,” zeide Joost, „maar toen onze ongeluks-vogel van een’ Kapitein eindelijk op de thuisreis was, landde hij op het eiland Madagascar. Hij en zijn volk werden door de inwoners zeer vriendelijk ontvangen, doch op Bontekoe’s vraag, of ze ook rijst te koop hadden, liet de Koning antwoorden, dat ze geen rijst konden missen, omdat de heele oogst door de sprinkhanen zoo goed als vernietigd was.”

Garrit en Dirk lachten, en de laatste zei: „Och kom, sprinkhanen! Hoe zouden die kleine beestjes den heelen oogst kunnen vernietigen? Dat is toch immers niet waar?”

„Jelui kent geene andere dan die kleine, grauwe sprinkhaantjes, die bij ons te lande door het gras hippen. Dat zijn geene sprinkhanen en die onschuldige, vlugge diertjes doen zooveel kwaad niet. Maar de echte sprinkhanen, wel een’ mansduim lang en bijna even dik, wij noemden ze thuis „koolhazen”, dat zijn wat schadelijke beesten. Die aan de Kaap en in heel Zuid-Afrika zijn nog grooter en komen soms bij duizenden en nog eens duizenden aanvliegen. Dan kan het op klaarlichten dag zoo donker worden, als midden in den nacht. Waar die dieren neerstrijken, daar wordt, al wat blad of gras is, kaal gegeten. En voor zulk een’ zwerm sprinkhanen ging dezelfde Bontekoe, die voor de grootste gevaren niet terug gedeinsd was, op de vlucht. Ze vlogen hem op het lijf, zoo schrijft hij zelf, zoo dik, dat hij geen’ adem halen kon. Toen hij eindelijk bij den Koning van dat land kwam, die hem voor zijne hut zat af te wachten, begon de Koning hartelijk te lachen en een’ sprinkhaan vangende, at hij hem levend op!”

„Bah! Wat een kost!” klonk het van verscheidene kanten.

„Maar Ouwe Joost heeft het verloren ook,” riep Kreeft. „Ik heb gezegd „bijen of andere dergelijke diertjes”; en wie heeft nu ooit bijen gezien zoo groot als heele mansduimen?”

„Zoo, Kreeftje,” sprak Joost, „zoo; maar ik heb liever met tien sprinkhanen dan met ééne bij te doen. Eene bij kan venijnig steken, en een sprinkhaan is zoo goed als weerloos. Maar, het komt er niet op aan, hoor! Als ge meent, dat ik het verloren heb, dan neem ik van ganscher harte, en altijd met goedvinden van den Kapitein, den eersten Makassaar, man tegen man, voor mijne rekening.”

„Als ge dat meent, dan zult ge al heel spoedig aan den slag kunnen gaan, want we gaan er nu rechtstreeks heen. Op het Admiraalsschip wordt het sein van vertrek gegeven! Komtaan, jongens aan den slag!” Dus sprak Henri Quatre, die het gezelschap ongemerkt genaderd was en het laatste gedeelte van het gesprek verstaan had. Spoedig waren de ankers gelicht en onder een’ heerlijken sterrenhemel en een’ goeden wind werd de tocht aangevangen.

Zoodra alles op orde was en dat deel van het scheeps-volk, hetwelk geene wacht had, ter kooi zou gaan, zei Joost: „Hoor eens, mannen! Het is wellicht de laatste maal, dat we allen zoo rustig bij elkander zijn. Wat de dagen, die komen, geven zullen, de Heere weet het; wij weten het niet. Laten we daarom te zamen nog eens een stichtelijk lied zingen.”

„Dat is goed, Joost,” zei Kreeft, „maar je haalt je toch geene muizenissen in het hoofd?”

„Muizenissen, neen, dat niet, maar als men tegen een volkje als de Makassaren optrekt, dan weet men wel, dat men er heengaat, doch het wederkeeren is eene groote vraag. Ik verzeker je, het zal er geducht spannen! En daarom jongens, komtaan, het tiende vers van den achtenzestigsten psalm!”

Hij zette zelf dadelijk in en niet één onder de mannen was er, of hij zong niet mede.

Het was een aangrijpend schoon gezicht daar al die ruwe mannen zoo in ernst te hooren zingen, en nog plechtiger werd het, toen van de dicht bij zijnde schepen hetzelfde lied door velen mede gezongen werd. De Amboinneezen wisten niet hoe zij het hadden. Alleen het Opperhoofd mompelde angstig: „Tampik soerak!”[26]

Kapitein Londenaar hoorde dat, en zeide hem dat dit der Christenen avond-gebed was. Dit stelde den man wat gerust en deed hem ook met meer aandacht naar de voortzetting van het lied luisteren.

Onder den indruk van dit lied begaven de meesten zich ter ruste, doch Dolf, die niet mede gezongen had, omdat hij, daar hij Roomsch was, dezen psalm, of althans die wijs niet kende, zeide tot Henri: „Ik had niet gedacht, dat er onder die ruwe kerels nog zooveel vrome zielen gevonden werden.”

„Wat zal ik zeggen, mijn vriend,” antwoordde Henri. „Zeevolk, vreemd volk!”


TIENDE HOOFDSTUK.
Eene Joffer om een’ Barbier.

De vloot, vier en dertig zeilen sterk, vertrok den achtentwintigsten Mei van de eilandjes, die het Koninkrijkje Solor vormden, en zette koers naar het Noordwesten. De tocht moest evenwel met alle omzichtigheid plaats hebben, want in de nabijheid dezer eilanden zijn zeer veel blinde klippen, en het was er in dien tijd nog verre af, dat zelfs geleerde vreemdelingen onze zeekaarten prijzen konden. De meeste schippers zeilden met geteekende kaarten en moesten die aan het einde der reis weder terug geven. Men liet ze niet drukken uit vrees, dat andere volkeren dan ook van deze kaarten zouden gebruik maken en gemakkelijk in onze Koloniën komen.[27]

De vloot kwam echter gelukkig buiten de gevaarlijke zeeëngte en door een’ voorspoedigen wind geholpen, had men weldra het Saleyer-eiland, of zooals het nu op de kaarten heet, Silajara, ten Zuiden van Celebes, en niet zoo heel ver van het Rijk van Makassar, bereikt.

Er woei een flinke doorstaande oostenwind, zoodat de vaart vrij snel ging. Vrij snel echter en ook niet meer. Bij de heele vloot was slechts één schip, dat niets anders was dan een oorlogsschip. Het was de „Mars” en de Bevelhebber van Dam was hier aanboord. De andere schepen waren niet veel anders dan Oostindie-vaarders, die als oorlogsschepen moesten dienst doen. Dat kon ook wel, want de onveiligheid niet alleen in de Indische wateren, maar ook door onze voortdurende oorlogen met Spanje, Portugal, Engeland, Zweden en Denemarken, op den Atlantischen Oceaan en in de Europeesche wateren, was zóó groot, dat elke Oostindie-vaarder zeer veel volk aanboord medenam, en ook zorgde kanonnen, geweren, kogels en kruit te hebben om zich te kunnen verdedigen, als men aangevallen werd. Zulk een Oostindie-vaarder was dus meestal heel wat mans, maar toch had hij veel tegen. Men had die schepen gewoonlijk al te zeer gebouwd met het oog op eene groote laadruimte, en daardoor hadden ze inplaats van een’ ranken, een’ loggen vorm. Zóó scherp bij den wind zeilen, dat de boeg het water, als het ware sneed, was niet mogelijk. De boeg was er veel te breed voor en moest dus het water wegduwen, waardoor zeer veel kracht van den wind verloren ging. Dezelfde logge vorm was ook oorzaak, dat het schip zich niet gemakkelijk wenden kon; het was traag in elke beweging en dat was in een zeegevecht of bij een’ aanval op kust-sterkten niet weinig in het nadeel.

Niettegenstaande de wind goed was en flink doorstond, had men aanboord tijd genoeg om alles, wat men zag, goed op te nemen. Vooral had het volk er veel schik in, dat er nu en dan een vliegende visch zich zien liet, en enkele malen was het ook gelukt er een te vangen.

Terwijl Dirk en Garrit zoo naar vliegende visschen stonden uit te kijken, riep Garrit opeens en wees naar eene plek niet verre van hem af: „Kijk eens, Dirk, wat al visschen! Gauw, roep Ouwe Joost eens, dan kan die ons zeggen, welke visschen dat zijn.”

„Laat Ouwe Joost maar bij zijn werk,” zeide de barbier, die daar in de nabijheid was, „dat kan ik ook wel zeggen. Dat zijn tonynen en boniten! Die visschen schijnen van gezelligheid te houden, want even als de haringen zwemmen ze in groote scholen. Of ze onder mekaêr wel eens ruzie hebben, dat zou ik niet kunnen zeggen, maar dat ze wel eens krijgertje met mekaêr spelen, dat zie je, want een heel troepje springt zoo nu en dan boven het water uit.”

„Maar wat is dat toch, Meester?” vroeg Dirk en hij wees op eenigen afstand naar een paar dingen, die boven het water uitstaken en voortdreven. „Het gelijken wel plankjes op den kant.”

„Rare plankjes, jongen,” antwoordde de barbier lachend, „je zoudt er niet heel veel van timmeren, als je er bij waart.”

„Wat zijn het dan?”

„Dat zijn de rugvinnen van haaien, mijn jongen! Boven water zie je hun lijf maar zelden, doch ze komen toch zóó dicht bij de oppervlakte, dat de scherpe rugvin er boven uitsteekt. Er is daar een aardig troepje van die vreeselijke dieren bij mekaêr. Ze hopen zeker op een’ storm, die een schip doet vergaan, dan hebben ze alweer wat te eten.”

„En dat daar, Meester,” riep Garrit, die nu weer in eene andere richting wees, „dat is net als eene fontein!”

„Eene fontein is het toch niet, vriendje! Het is een walvisch!”

„Och kom, Meester, de walvisschen leven immers in de Noordelijke zeeën,” merkte Garrit aan. „Je moet ons niet wat wijs maken!”

„Ik maak je niets wijs, Garrit! Het zijn werkelijk walvisschen, en wie je verteld heeft, dat die dieren alleen in de Noordelijke zeeën leven, die weet er niets van. Ze leven in de Zuidelijke zeeën ook en in heele scholen trekken ze soms den Atlantischen of den Stillen Oceaan door, om uit de Noordelijke in de Zuidelijke IJszee te komen. Op dien tocht maken ze bitter weinig haast en inplaats van rechtuit, rechtaan te zwemmen, doen ze precies als de honden op de straat, en zijn nu hier dan daar. Hier in de Moluksche zeeën komen ze veel voor, en het is eene bijzondere soort, bekend onder den naam van potvisschen.”

Het fluitje van den bootsman, dat nu op het oogenblik klonk, maakte aan het gesprek een einde, want alle man werd het want ingestuurd om zoo vlug, als het maar kon, alle razeilen te bergen. Men zag dat op al de andere schepen ook doen en nauwelijks nog waren al die zeilen in de lijken geslagen, of de vloot werd overvallen door een’ hevigen noordoostenwind.

„Hoe vreemd is dat nu,” zeide Dolf tot Kapitein Londenaar.

„Niet zoo heel vreemd, mijn vriend! Dat gebeurt in de Moluksche zeeën maar al te vaak. Op zijne tellen passen is hier zaak.”

„Hoe komt dat zoo?”

„Ja, men vermoedt dat dit de oorzaak is. In de binnenlanden van het Makassaarsche Rijk moeten hooge gebergten zijn. Op die bergen nu heeft eene sterke warmte-uitstraling plaats, die eene verkoeling teweeg brengt op de lucht, die op deze bergen rust. Die afgekoelde lucht nu wordt zwaarder dan de onderste, die warm is en daalt snel naar beneden. Gij zijt geleerder dan ik en zult dus wel weten, dat wind niets anders is dan eene verplaatsing van warme en koude lucht. Doch stil, ik word aanboord van de „Mars” geseind. Er zal zeker algemeene scheepsraad gehouden moeten worden.”

Henri Quatre werd nu gelast eene boot neer te laten en die te bemannen, waarna hij Kapitein Londenaar naar het zoogenaamde Admiraalsschip bracht, waar weldra de heele krijgsraad vergaderd was. In het eerst ging het er in dien raad niet zeer ordelijk toe, wat misschien wel een gevolg mocht heeten van den onverstandigen maatregel, dien men genomen had om twee personen, beiden met hetzelfde gezag bekleed, aan het hoofd der scheepsmacht te plaatsen. Gelukkig waren van Dam en Truytman nog al inschikkelijk ten opzichte van elkander, en duurde het niet lang of de beraadslagingen geschiedden in orde, en de besluiten werden zonder veel geharrewar geregeld genomen.

Nadat men alzoo het plan voor den aanval op de stad, de versterking van Makassar en de Portugeesche vloot ontworpen had, werd er ten slotte nog besloten, dat de beide Admiraals met de schepen de „Breukelen” en de „Mars” vooruit zouden stevenen om te trachten den Koning van Makassar met vriendelijke woorden over te halen voortaan der Compagnie terwille te zijn.

„Dan weet ik toch wel, wat het einde van het lied zal zijn,” sprak Kapitein Londenaar.

„Wat dan, Kapitein?” vroeg Admiraal Truytman.

„Wel, als ze dan de heele vloot daarginder ook in het gezicht krijgen, dan laat de Koning u bij zich aan het Hof roepen; hij overlaadt u met geschenken, bewijst allerlei beleefdheden en doet duizend beloften, de eene al fraaier dan de andere. Hij, die complotten smeedt met den Soesoehoenan van Java om al de Nederlanders uit den heelen Archipel te verdrijven, is een slimme vogel, die meer met list dan met krijgsgeweld gedaan krijgt.”

„Wij weten, Kapitein,” dus begon nu Johan van Dam, „dat die Sultan of Koning van Makasser dat verraderlijk plan koestert en er zelfs heel veel verwachting van heeft. Was den Gouverneur-Generaal dat plan niet bekend geworden, dan zouden wij hier niet met zulk eene groote vloot zijn om dat rumoerige en valsche heerschap eens goed op zijn nummer te zetten. U begrijpt dus wel, dat wij ons door hem geene knollen voor citroenen in de handen zullen laten stoppen. Bovendien, als Landvoogd van Amboina, waar ik lang genoeg geweest ben, geloof ik, dat ik meer gelegenheid had om achter de schermen te kijken, dan een zeeman, die hier tamelijk vreemd in deze streken is.”

Niet uit het veld geslagen door den hoogen toon, dien van Dam aansloeg, zeide nu IJzeren Neptunus kalm: „Heer van Dam houde het mij ten goede, dat ik nog eens het woord neem. Ik verdenk u niet van domheid, maar ik meen zoo, dat de knapste kop van de wereld niet instaat zou zijn om uit te maken of het „ja” van den Koning gemeend of niet gemeend is, als hij dat woord uitspreekt in het gezicht van eene vloot van vierendertig schepen.”

„Hierin moet ik Kapitein Londenaar gelijk geven,” zeide een der andere Scheepskapiteins.

„En wat zoudt gij dan meenen, dat er gedaan moet worden, Kapitein Londenaar?” vroeg Admiraal Truytman, die wel een weinig korzelig was, dat een der beste Scheepskapiteins zoo uit de hoogte neergezet was geworden. „Ik hecht heel veel waarde aan uw’ raad, want ik weet, dat gij een praktisch en moedig man zijt. Wij kennen den IJzeren Neptunus.”

„Als ik een’ raad geven mag, dan zal het deze zijn: Heer Johan van Dam als Landvoogd van Amboina, en Heer Truytman als Admiraal der Oost-Indische Compagnie zeilen vooruit met twee of drie schepen, en....”

„Is het dan Kapitein Londenaar in het hoofd geslagen?” riep een jong Kapitein uit, die de Gezagvoerder van de fluit „Edam” was. „Dat is immers al aangenomen? Ik dacht niet dat de gewezen Stuurman van de „Leerdam” aan het suffen was. Het blijkt evenwel dat dit toch het geval is, anders zou hij niet zoo onbeholpen uit den hoek komen.”

IJzeren Neptunus keek den jongen man aan en zeide zoo bedaard mogelijk: „Zoolang de Kapitein van de fluit „Edam” zich nog op de zeekaarten den weg moet laten wijzen door zijn’ Tweeden Stuurman, zoolang moest dezelfde Kapitein in een’ krijgsraad het niet wagen om een’ gewezen Eersten Stuurman op hoogen toon de les te lezen, en moest hij tenminste zooveel weten, dat hij het woord niet neemt vóór een ander uitgesproken is.” Hierop wendde Kapitein Londenaar zich tot de twee Bevelhebbers en zeide: „En als u dan met uwe schepen vooruitzeilt, dan kiezen wij zee, om uit het gezicht van den vijand te zijn.”

„En zorgen vooraf dat er nu al geene verklikkers vooruitgaan om den Koning te vertellen, dat we hem foppen,” zei Truytman en wees door een raam van de kajuit, waarin de raad gehouden werd, naar buiten.

„Dat zijn twee Chineesche jonken! Zij hebben ons gezien en houden nu met alle macht van de vloot af. Wij moeten jacht maken op die schelmen,” sprak van Dam.

„Dat wordt al gedaan, zie ik,” zeide de Kapitein van de „Breukelen” en wees op eenige zeilbooten, die de zware jonken met vlugheid nazaten.

„Het is de vraag of men ze nog krijgen zal,” meende van Dam. „De Chineezen zijn wakker zoowel op het land als op het water.”

„In alle gevallen wordt op het oogenblik het beste gedaan, wat er gedaan kan worden,” zeide Truytman. „Halen de onzen de jonken in, dan zullen ze die schelmsche Chineezen wel meevoeren. Halen zij ze niet in, welnu, dan in vredesnaam. Maar om op het voorstel van Kapitein Londenaar terug te komen, mij dunkt, dat is zoo kwaad niet bedacht.”

„Zoo kan alleen een held als Admiraal Truytman spreken,” zeide nu de jonge Kapitein van de „Edam” met vleiende stem. „Maar ik ben er tegen, en ik zal duidelijk maken waarom. Terwijl wij in zee zijn, slaan ze u en al de onzen dood en maken de schepen prijs.”

„U schijnt al heel weinig ondervinding te hebben van Makassaarsche zaken, Kapitein,” antwoordde Truytman, die een veel te flink zeeman was om het niet onaangenaam te vinden, dat dit jonge kereltje, die door gunst van een’ der Heeren Bewindhebbers Kapitein van eene fluit geworden was op een’ leeftijd, dat een ander nauwelijks voor derden stuurman vaart kon krijgen, nu hier in den krijgsraad eene borst zette, alsof hij wijsheid en moed in pacht had. En daarom vervolgde hij snijdend scherp, ja, beleedigend: „U voegt het in deze zaak alleen te hooren en dan te doen, wat er besloten is, want raad geven kunt gij niet, daar ge nog nimmer in deze streken geweest zijt. Het is volkomen waar, wat Kapitein Londenaar zeide, dat de Koning van Makassar een uitgeslapen slimmerd is, die de huik heel aardig naar den wind weet te hangen. Hij weet zeer goed dat de tijd voor hem nog niet gekomen is om handelend tegen de Compagnie op te treden, en dat hij, door ons aan te vallen, zijn heele plan in duigen werpen zou. Wat u dus daar zegt, dat hij die twee schepen nemen en de onzen dooden zal, raakt kant noch wal. Zijne heele kracht en al zijne macht zitten in zijne slimheid. Ik weet zeker dat er voor ons geen gevaar bestaat. Ja, al toonden wij terstond onze tanden en gingen gewapenderhand te werk, dan nog zou er voor ons leven in de eerste dagen geen gevaar bestaan. Ik stel dus voor dat wij, Heer Johan van Dam, als Landvoogd van Amboina, en ik, als Admiraal der Compagnie, met de „Mars” en de „Breukelen” vooruitzeilen om te beproeven, wat we gedaan kunnen krijgen. De andere tweeëndertig zeilen kiezen zee, doch zorgen over twee dagen, geheel slagvaardig bij het eiland Tanah-kéké[28] te liggen. Wij komen dan zelven daar bericht van ons wedervaren brengen, of sturen eene boodschap. Wie heeft hierin nog wat te zeggen?”

Niemand antwoordde.

„Welnu,” sprak toen Heer van Dam, „wij zullen het dan als eene aangenomen zaak beschouwen. Maar nu kom ik ook nog met een verzoek. De „Mars” waarop onze Admiraals-vlag waait, is een oorlogs-jacht en wél bewapend, dat is zoo. Ik zal het niet tegenspreken. Maar ik wilde toch, ziet ge, ik wilde....”

Heer van Dam viel in eene gemaakte hoestbui en al de anderen zagen elkander lachend aan.

„Als u soms meent dat twee schepen toch te weinig zijn, Heer van Dam, dan kunnen we nog altijd ons besluit intrekken en een ander nemen,” sprak nu Truytman, die meende dat van Dam twee schepen toch wel wat weinig vond, maar aarzelde om dat te zeggen, omdat men dan mogelijk aan zijn’ moed zou twijfelen.

Dat woord scheen te helpen.

„U verstaat mij verkeerd, of liever, ge legt mijn stotteren verkeerd uit, Admiraal!” zeide nu van Dam. „Zie, ik ben wel lang op Amboina en heel lang uit Nederland geweest, maar de warmte van de Indische zon heeft er daarom den Hollandschen moed nog niet uitgebraden, en ik beloof u dat ik, als we van leer trekken, toonen zal dat van Dam wel groote woorden spreekt, maar ook groote daden verricht.”

Truytman bloosde en antwoordde verlegen: „Ik verdenk u niet van lafhartigheid, goede vriend! Maar uwe zonderlinge rede deed me denken, dat er iets in het besluit tegen uw’ zin was. Ik bid u daarom, als ge wat op het gemoed hebt, dat ge dan vrij spreekt, en wat ge ook voorstellen moogt, niet één onzer zal u ook maar een enkel oogenblik van lafhartigheid verdenken. Ik bidde u, spreekt dus.”

„Welnu, ik ben begonnen met A te zeggen, ik zal voortgaan tot Z. Eenigen tijd geleden is Heer Simon Cos, Landvoogd van Ternate gestorven.”

„Dat weet ik,” zeide Truytman. Hij stierf te midden van het hoogste geluk; want hij was nog jong en pas geleden gehuwd met het liefste en mooiste vrouwtje, dat ik ooit gekend heb. Het leven is als eene bloeme des velds overal, maar hier in de Oost met die verraderlijke ingewandsziekten en dikwerf ook nog vele andere, is dat nog veel meer het geval. Heer Simon Cos was al heel schielijk uit zijn’ tijd. Maar Heer van Dam houde het mij ten goede, dat ik hem eerlijk verklaar, dat ik niet weet, wat de schoone weduwe Cos met de Makassaarsche zaken te maken heeft.”

„U zal dat weten, Admiraal, en de andere Heeren zullen het nu ook weten,” zeide van Dam, „want eigenlijk valt de zaak toch moeielijk om nog langer geheim gehouden te worden. De jonge weduwe van vriend Cos kwam op Amboina aan, Heeren! Ik leerde haar daar kennen, en ....”

Hier hield hij weer een oogenblik op, alsof hij verlegen was met de zaak voort te gaan.

„U maakt ons nieuwsgierig, Heer Landvoogd,” sprak een Kapitein. „Hoe is het verder met haar gegaan?”

„Het kwam ten laatste zoover, dat wij elkander trouw beloofden. Maar zoo lang ik nog Landvoogd van Amboina ben en zoo dag aan dag in allerlei zaken zit, kan ik aan geen huwen denken. Ik heb daarom met haar goedvinden besloten haar naar Batavia te zenden. De Gouverneur-Generaal is, zooals ge weet, een mijner beste vrienden, en ik stel haar onder zijne bescherming tot mijn diensttijd als Landvoogd verstreken is. Dan ga ik ook naar Batavia en huw haar!”

„Goede vriend,” zeide Truytman en stak van Dam de hand toe, „wees dan langer jaren gelukkig met haar dan de arme Simon Cos was. Maar u moet het mij niet euvel duiden, dat ik nog niet inzie, wat deze zaak met ons besluit te maken heeft. Wees zoo goed en leg dat eens uit.”

„Dat zal ik,” vervolgde van Dam. „Deze weduwe is hier op de „Mars” aanboord en zij bewoont de hut, die anders voor mij bestemd was geweest.”

„Ha, nu begrijp ik waarom gij u met de ellendigste hut van de „Mars” tevreden steldet!” zeide Admiraal Truytman. „Ik wist waarlijk niet dat de „Mars” zulk eene eêle lading in had. Nu zou u zeker voor de „Mars” liever een ander schip nemen, om haar buiten alle mogelijke gevaren te houden en de „Mars” dadelijk naar Batavia willen zenden!”

„Gij raadt het niet, Admiraal,” hernam van Dam. „Neen, de „Mars” is, als het er op aankomt, het eenige schip, dat geheel ten oorlog uitgerust is. Wij kunnen het niet missen. Maar als wij nu te Makassar aankomen, wij, de „Mars” en de „Breukelen”, en het gaat eens niet naar wensch, alles kan gebeuren, welnu, dan moeten we kunnen toonen, dat we bijten durven. Die vrouw nu zou ons misschien in onze bewegingen belemmeren. En daarom heb ik nog dit voorstel te doen. De weduwe van den Heer Cos gaat nu over aanboord van een der andere schepen en blijft daar, ook als het later tot een gevecht komt. Bij den hoofdaanval met vierendertig zeilen zal zij ons niet in den weg zijn; zij is eene Hollandsche vrouw. Maar waar we het er op wagen, met twee schepen op slimme manier ons doel te bereiken, daar kon het toch wel eens gebeuren, dat de overmacht ons te groot werd. Zónder die vrouw zou ik kunnen zeggen: „Liever de lucht in dan gevangen!” Of ik het ook zeggen zou mét die vrouw aanboord, dat durf ik niet verzekeren.”

„Heer van Dam, laat de schoone weduwe aanboord van de „Edam” komen en ik zal haar tegen tienduizend vijanden beschermen,” riep de jonge Kapitein en zette bij voorbaat een gezicht, alsof er tenminste al vijfduizend vijanden voor hem op den loop gegaan waren. „Ik ben van oud-adellijke afkomst, en een mijner Stamvaders, die onder Hertog Godfried van Bouillon den Eersten Kruistocht mede maakte en na den dapperen Hertog het eerst op de muren van Jeruzalem stond, had tot wapenspreuk: „Trouw aan de vrouwen en het zwaard!” Hij sloeg met de vlakke hand tegen de borst en riep nu, bijna kraaiend van dapperheid: „En ik, zijn nazaat, heb dezelfde spreuk.”

„Zoo iets heb ik precies bij ons te Amsterdam in den schouwburg hooren zeggen,” zeide een oud Scheepskapitein zoo leuk voor zijn’ neus weg. „Ze gaven den Gijsbreght van Aemstel, en de Ridder, die voor van Egmond speelde, zag er uit, alsof hij de heele wereld aandurfde en zeide ook, dat kwam zoo in het stuk te pas, weet je,

„Zoo yemant streeft na eer, ick toon hem ’t rechte pad.”

Dat was heel mooi gezegd en hij sloeg op zijn borstharnas, dat ik dacht, dat voel je man! Maar een held ben je! Dan, den volgenden dag langs straat slenterend, zag ik dienzelfden dapperen man op den loop gaan voor een keffend hondje! Het was grappig!”

„Zulk een lafaard ben ik niet,” riep het jonge Kapiteintje, „en je zult zien dat....”

„Gij voor geen honderd honden op den loop gaat? Ik mag het lijden,” zeide de oude Kapitein zonder zich om den jongen man te bekommeren.

„Stil, stil, geen gekibbel,” sprak nu van Dam en wendde zich tot den jongen Kapitein met de woorden: „Vriendelijk dank voor uw aanbod, Kapitein! Ik heb een ander op het oog. IJzeren Neptunus, mag ik met u een ruiltje leggen?”

„Met mij een ruiltje leggen, Heer van Dam? Ik begrijp u niet,” sprak Kapitein Londenaar verlegen.

„Ik zal het u uitleggen. Gij hebt aanboord twee gewezen studenten, die al lichtelijk wat van de medicijn-kist weten. Onze scheepsbarbier is onderweg gestorven, en nu vraag ik u de weduwe Joffer Cos te ruilen tegen Meester Pruymius. Wees gij haar Ridder tot de Makassaarsche zaken aan een’ kant zijn, tenminste tot het eerste gedeelte ervan afgeloopen is. Dan kunnen wij opnieuw ruilen. Kunt ge in dien voorslag treden? Mogelijk hebt ge vermoed, dat ik iets tegen u had, doch dit is zoo niet; ik ben geen voorzichtig redenaar en verspreek mij wel eens. Heb ik u evenwel beleedigd dan wil ik het openlijk goedmaken, en daarom nog eens: Wilt ge Joffer Cos bij u aanboord nemen en als Ridder terzijde staan?”

Kapitein Londenaar was een wakker man en zag dikwijls zeer diep. Nu echter liet hij zich om den tuin leiden door van Dams rondborstig woord en daarom zeide hij, en hij sprak zijne woorden zelfs eenigszins zoo, dat de oude Scheepskapitein onwillekeurig alweer aan den tooneelheld, van Egmond, dacht: „U zal Meester Pruymius hebben, Heer van Dam en ik zal Joffer Cos beschermen. Een man, een man; een woord een woord.”[29]

„Dat hadt ge niet gedroomd, IJzeren Neptunus, toen ge als Stuurman met de „Leerdam” uit het Vaderland vertrokt, dat ge op de „Koning van Polen”, hier in de wateren van Makassar, als Ridder van eene weerlooze vrouw zoudt optreden. Het is met u gegaan naar de lijfspreuk van onzen dichter Brederoô: „Het kan verkeeren.” Nu, man, de Oost-Indische Compagnie heeft wel Kapiteins, die met hun vieren niet tegen u alleen opwegen,” zeide Admiraal Truytman, en zich hierop tot al de aanwezigen wendend, vervolgde hij: „En nu, mannen, gijlieden weet, wat er besloten is. Ik weet niet of we binnen een paar dagen alweer algemeenen krijgsraad zullen kunnen beleggen. Daarom zeg ik nu, wat ik nog op het hart heb. Volbrengt nauwkeurig de bevelen, die u van het Admiraalsschip gegeven worden. Spreekt allen uw volk moed in en toont ten allen tijde en in alle gevallen, dat de Oost-Indische Compagnie misschien onervaren Scheepskapiteins kan hebben, maar lafaards niet één! Leve de Oost-Indische Compagnie!”

Vol geestdrift werd dat geroep beantwoord en een half uurtje later bevonden al de Kapiteins zich in hunne booten en lieten zich naar hunne schepen brengen.


ELFDE HOOFDSTUK.
Een slechte ruil.

De laatste, die van de „Mars” afvoer, was de boot van de „Koning van Polen” en de daarin wachtende matrozen keken vreemd op toen Kapitein Londenaar heel beleefd eene jonge vrouw van de neergelaten scheepstrap in de boot bracht, en haar bij zich aan het roer een plaatsje gaf.

Wat de matrozen elkander zoo al lachend in de ooren fluisterden, willen we liever maar niet vertellen, te meer niet, omdat er onder de roeiers toch geen enkele van onze oude kennissen was.

Toen Kapitein Londenaar in de nabijheid van zijn schip kwam, zag hij dat er twee jonken naast lagen en nauwelijks was hij op het dek, of Henri Quatre trad op hem toe en zeide: „Kapitein, terwijl u den krijgsraad bijwoonde, zagen wij twee Chineesche jonken. Ik heb toen op eigen houtje gehandeld en ze laten nazetten.”

„Wij hebben gezien, dat het gedaan werd,” sprak Londenaar. „En hoe is het afgeloopen?”

„Dolf is zoo gelukkig geweest, de beide jonken in te halen en op zijne dreiging, dat ze hem te volgen hadden, of dat ze anders door de heele vloot in den grond zouden geschoten worden, zijn ze hem gevolgd. Daar liggen de jonken en het volk is beneden in het ruim. Heb ik goed gedaan?”

„Heel goed, Stuurman, heel goed! Maar op het oogenblik heb ik andere zaken. Een paar minuten maar.”

Hij wendde zich hierop tot Joost en Kreeft en zeide: „Laat de scheepstrap neer!”

„Goed, Kapitein,” antwoordde de oude man, maar binnensmonds mompelde hij: „Welk een voornaam personage zullen we nu aanboord krijgen?”

Onder aan het schip lag nog altijd de boot en daar er nog al zeeën gingen, zoo had Joffer Cos zich het hoofd en het bovenlijf geheel met een’ mantel bedekt. Van het dek af had men dus niet gezien, dat er eene vrouw in de boot was.

Zoodra de scheepstrap neergelaten was, daalde Kapitein Londenaar af en hielp Joffer Cos uit de boot op het dek. Vol verbazing zagen de mannen haar aan en toen ook de roeiers uit de boot op het dek waren, zeide Kapitein Londenaar: „Mannen, deze Joffer is de Bruid van Heer van Dam, den Landvoogd van Amboina, en tegelijk een onzer Bevelhebbers. Zij zal voor een paar dagen de gast zijn van den Kapitein en de bemanning van de „Koning van Polen”. Ik vertrouw dat ze een’ goeden dunk van ons zal medenemen!”

„Leve de Bruid van den Landvoogd!” riep Garrit en smeet van pure geestdrift zijne muts zóó hoog, dat de wind haar opnam en in zee woei.

Natuurlijk werd dit welkom door heel de bemanning herhaald. Alleen Oude Joost schudde het hoofd en bromde: „De „Koning van Polen” krijgt al vreemde ballast in.”

Kapitein Londenaar bracht Joffer Cos naar zijne hut en verzocht haar, het hem niet euvel te duiden, als hij haar een oogenblik alleen liet, daar hij zaken in orde te brengen had, die geen uitstel konden velen.

„Ga uw’ gang, Kapitein! Ik ben eene gemakkelijke gast! Maar als ge lang wegblijft, dan mag ik, als ik mij hier begin te vervelen, mij toch wel op het dek vertoonen?” zeide Joffer Cos met een vriendelijk lachje, en liet daarbij twee rijen hagelwitte tanden zien, waarmede ze wel wat scheen te willen pronken.

„Natuurlijk, Joffer! U is zoo vrij als een vogel in de lucht. Maar ik zal zoo lang niet wegblijven,” antwoordde Londenaar en verwijderde zich.

Zoodra hij weer op het dek gekomen was, begaf hij zich naar Meester Pruymius, die al vast bezig was pluksel te maken en verbanddoeken in gereedheid te brengen. Geholpen door Dirk en Garrit zat hij voor een’ hoop linnen tusschen twee groote kisten en een paar bamboe-manden. Hij zelf was gewapend met eene schaar en knipte lange reepen, waaraan Dirk met zeilmakers-garen, omdat men geen fijner bij de hand had, zoomen naaide en bandjes vastmaakte. Uit de overgebleven stukken maakte Garrit pluksel en hij ging hiermede zoo vlug te werk, dat hij al eene bamboe-mand tot het randje vol had. Onder deze bezigheid werden de beide knapen „opgevroolijkt” door de vertellingen van Meester Troost der Armen, die eigenlijk van niets anders sprak dan van allerlei akelige verwondingen.

Op het laatst maakte hij het evenwel zóó erg, dat Garrit uitriep: „Meester, ik wilde wel dat ge met uw akelige vertellingen twintig zeemijlen van me af waart!”

„Nog liever vijftig!” verbeterde Dirk.

„Uw wensch zal vervuld worden, jongens,” sprak op dit oogenblik de Kapitein, die lachend al die verbanddoeken en die mand vol pluksel bekeek.

Meester Troost der Armen keek verwonderd op.

„Ja, Meester! De wensch dezer jonge borsten zal letterlijk vervuld worden. Beneden licht de boot te wachten, welke u overbrengen zal naar het Admiraalsschip waarop de barbier gestorven is! Dolf, wilt ge zoo goed zijn hem er heen te brengen en dan aan den Admiraal of Heer van Dam te vragen, wat we met de Chineezen moeten aanvangen. Deel hun dan meteen mede op welke manier gij die twee jonken nagezet en genomen hebt, dan weten ze althans, dat die Chineezen de nadering der Hollandsche vloot niet aan de vijanden verraden hebben. Wij allen hadden er vrees voor.”

„Goed, Kapitein,” sprak Dolf. „Ik zal alles mededeelen, zooals het gegaan is. En nu, ik ben klaar! Kom, Meester, mee!”

„Maar ik heb mijne medicamenten-kist hier nog niet!”

„Er is eene beste aanboord van de „Mars”, goede vriend,” zeide de Kapitein. „De barbier daar had er ook eene.”

„Jawel, maar mijn pluksel en mijne verbanddoeken!”

„Die kunnen mede! Hier, Hoepel, deze manden en kisten in de boot. Ze zullen misschien wel noodig zijn.”

„Maar mijne potten met troost der armen!”

„Garrit, hier is eene ledige mand! Haal hierin vijf of zes potten „troost”, zei Londenaar lachend.

„En dan het wonderwater van Serbiette, en de potten met die Chineesche zalf, die, die, die borreborrie!”

„Maar, Meester, je zult daar tusschen al die potten, pannen, manden, kisten en flesschen zitten, als een Nassauer op de Pottenmarkt te Middelburg,” riep Hoepel en schaterde van het lachen, alleen bij de gedachte dat hij den barbier daar zou zien zitten.

Meester Pruymius zette eene hooge borst en zeide: „De lijfarts van de Bevelhebbers der vloot moet toonen, dat hij geen kwâjongen is, die alles op een koopje doet!”

Ondertusschen had de eene matroos na den anderen een’ pot, eene kruik, eene flesch of eene mand gehaald, en één zelfs kwam met een’ versleten zwabber aan, gaf dien aan Meester Troost over en zeide; „Een wonderwasschertje, Meester!”

„Nu, nu, spels genoeg! Brengt dien rommel, waar ge hem gehaald hebt! De Heeren zouden anders wel denken, dat we hen voor den gek hielden. En, vlug in de boot! De „Mars” wacht op onzen Meester om te vertrekken,” beval Londenaar.

Hoe Meester Troost ook tegenpruttelde, hij kreeg slechts eene flesch wonderwater, ééne mand „troost” benevens één’ pot met borreborrie mede. Hij wilde ook nog een welsprekend afscheid van de bemanning nemen, doch de Kapitein maakte er een einde aan door hem in het oor te fluisteren: „Wees verstandig, Meester, en zwijg liever! Het volk is te dom om uwe geleerdheid te begrijpen! Gij zoudt niet veel meer doen dan paarlen voor de zwijnen werpen. Ga maar gauw in de boot. Men wacht u.”

Hierdoor gevleid daalde Meester Pruymius den valreep af en kort daarop was hij aanboord van het Admiraalsschip, waar hij door de bemanning met een: „Hoezee! Meester Troost! Hoezee!” ontvangen werd.

Een uur voor zons-ondergang was Dolf op de „Koning van Polen” terug.

„Kapitein,” zei hij, „Admiraal Truytman en Heer van Dam hebben gezegd, dat ge de jonken op sleeptouw medenemen moet en het volk wel behandelen. Wanneer we over een paar dagen bij het eiland Tanah-kéké de boodschap ontvangen, dat het tusschen ons en den Koning van Makassar botertje tot op den boôm is, dan kunt ge ze vrij laten.”

„En als het eens andersom is?”

„Dan zal men u een nader bericht zenden. Maar vooral moest ik u op het gemoed drukken de mannen goed en vriendelijk te behandelen en niet op te sluiten. Men moest hen evenwel scherp in het oog houden en zorgen, dat ze des nachts niet in alle stilte de wacht overrompelen en het schip ontvluchten. Hij, Admiraal Truytman namelijk, zeide, dat ze er best toe in staat zijn om zoo iets te doen.”

„Ook zonder dat me dit bevolen werd, zou ik het gedaan hebben. Maar wat beteekenen toch al die kisten, die ze daar op dek hijschen?”

„Dat zijn reiskoffers van Joffer Cos, Kapitein! Er zijn ook kisten met Chineesche lekkernijen bij en die zijn ook voor de Joffer. Maar ééne mand is voor u en het volk. Heer van Dam wilde, dat we van avond op de gezondheid zijner Bruid een extra-oorlam drinken zouden!”

„Goed, goed! Laat al die pakken en kisten maar in de hut bij de Joffer brengen. Ze zal zeker.... Wacht, daar komt ze zelve reeds aan!”

„Wat noemt u toch lang, Kapitein,” dus begon ze met een lachje en liet weer hare tanden zien, „als u een klein uur niet lang noemt? Ik begon mij te vervelen, en daar ik door het venster der kajuit eene boot met mijne kisten zag naderen, dacht ik de vrijheid te mogen nemen eens op het dek te komen!”

Dolf naderde haar en haar een briefken overreikend, zeide hij: „Met de groeten van Heer van Dam, Joffer!”

Joffer Cos opende het briefje en in dien tijd namen de matrozen en Officieren de gelegenheid waar, de jonge weduwe eens goed op te nemen.

Na het lezen ging ze naar den Kapitein en zeide: „Ik zal u wel niet lang van uwe kajuit berooven, Kapitein! Heer van Dam meldt me, dat ik over een’ dag of drie wel weer aanboord van de „Mars” zal kunnen terugkeeren. Doch wil u zoo goed zijn, deze pakkage in de kajuit te laten brengen? Zooals ik lees, heeft Heer van Dam ook voor eene versnapering voor u en uw volk gezorgd. Dat is goed. Ik heb vanavond niets meer noodig en zou gaarne alleen met mijne gedachten zijn. U begrijpt wel dat eene arme weduwe, als ik ben, die alweer op het punt staat met een wakker dienaar der Compagnie in het huwelijk te treden, gaarne eens even stil droomen wil van hetgeen haar in de toekomst mogelijk wachten zal.”

Alweer lachte ze vriendelijk en begaf zich naar de kajuit, doch toen ze Joost voorbijliep en deze bij ongeluk met zijne ruwe, beteerde matrozen-hand haar’ blanken arm aanraakte toen hij eene kist oplichtte, keek ze hem zóó nijdig en zóó uit de hoogte aan, dat de man er heelemaal verslagen van was.

„Kan jij niet beter uit jouw oogen kijken, oude lomperd?” snauwde zij hem toe. „Of hebt jij jouw oogen soms ook in den zak zitten?”

Joost zette de kist terstond neer en wilde heengaan.

„Nou, pak op!” beet ze hem toe, en ook nu kwamen de hagelwitte tanden te voorschijn.

Henri Quatre was de eenige, die er iets van gehoord en gezien had. Hij ging naar die twee en zeide: „Die kist is u te zwaar, brave kerel! Er wordt te veel boven op gelegd! Ik zal ze wel in de kajuit brengen!”

Joost verwijderde zich en scheen met de grove vuist wat uit de oogen te boenen, dat uit het waterland afkomstig was. Hij zeide evenwel niets.

Henri Quatre zette de kist in de kajuit neer en wilde ook heengaan, doch Joffer Cos hield hem tegen en vroeg: „Is u hier Eerste Stuurman aanboord?”

„Jawel, Joffer,” antwoordde Henri Quatre met eene buiging, alsof hij als student voor eene schoone burgemeesters-dochter stond, gereed haar ten dans te vragen.