Joffer Cos zag hieraan dadelijk, dat hij een man van beschaafde vormen was, en meende al een heel wit voetje bij hem te krijgen door hem weer lachend hare tanden te laten zien, en beleefd toe te voegen: „Wat bedoelde u toch om tegen dien lompen kerel te zeggen, dat er te veel op de kist gelegd werd? Er ligt toch niets op?”

„Joffer, onverdiende scheldwoorden uit een’ schoonen mond zijn onzichtbaar, maar wegen zwaarder dan lood! Gij hebt den braafsten man en misschien den dappersten kerel van de „Koning van Polen” bitter gegriefd. En als dat uw wil niet geweest is, maak het dan bij hem met een hartelijk en vriendelijk woord weer goed! Nu weet u, wat die kist voor den braven oude zoo zwaar maakte.”

„De Bruid van den Landvoogd van Amboina is de gelijke niet van een’ zeebonk! Gij kunt gaan, Stuurman,” antwoordde de Joffer geraakt en keerde hem den rug toe.

Henri Quatre verwijderde zich, haalde minachtend de schouders op en bevond zich spoedig op het dek.

„Een aangenaam onderhoud gehad, Willem?” vroeg Dolf.

„Ik gun je er zoo een van ganscher harte, Dolf, maar dan moet je eerst mijn vijand worden. Zij is begonnen met onzen goeden Joost een lomperd te noemen en geëindigd met mij de deur te wijzen, omdat ik haar durfde zeggen, dat ze den braafsten kerel van heel de vloot beleedigd had. Hoe eer we die trotsche dame kwijt zijn, hoe liever!”

„Trotsch, het is mogelijk,” zeide Dolf, „maar wanneer men hier in de Oost niets anders ziet dan bruine mannen aanboord en leikleurige mannen en vrouwen aan den wal, dan is het een heel verzetje om eens zulk eene jonge en schoone Hollandsche vrouw te zien. Zag je wel haar mooi mondje met prachtige tanden? Mensen, men zou er immers de oogen op uitkijken?”

„Kijk je oogen dan nog liever op eene oude Javaansche vrouw uit,” zeide Henri Quatre. „En mooie tanden? Zeker! Poes is ook poezel en heeft ook mooie tanden! Noem haar Joffer Poes en beklaag hem, die haar tot vrouw krijgt.”

„Stuurman,” sprak Kapitein Londenaar, „wapen eenige mannen en laat dan de Chineezen boven komen. Ik wil er inspectie over houden en hun zeggen, wat ze weten moeten.”

Dolf, tot wien dit bevel gericht was, wapende eenigen der manschappen en toen dit geschied was, begaf hij zich met een viertal naar het ruim, deed het luik open en trachtte den Chineezen door teekenen duidelijk te maken, dat ze op het dek moesten komen.

De Chineezen begrepen hem zeer goed, en het was voor de arme kerels, die inderdaad zonder opzet met hunne jonken temidden van de Hollandsche vloot verzeild waren, een welkom bevel.

De een na den ander verliet het dompige hol en op het dek gekomen, werden ze door Henri Quatre in twee rijen geschaard, en toen dat geschied was, verscheen de Kapitein door gewapend volk omringd.

De Chineezen vielen dadelijk, met hunne aangezichten over de gevouwen handen gebogen, op de knieën, ten bewijze van hulde en onderdanigheid.

IJzeren Neptunus, gekleed in de waardigheid van Scheeps-bevelhebber, met de sjerp om het lijf, schreed langzaam tusschen de geknielde Chineezen voort en toen hij de einden der twee rijen bereikt had, stond hij stil en had hun gaarne wat gezegd, als hij de Chineesche taal slechts machtig ware geweest.

De Kapitein der Amboinneezen, die ook op het dek stond, scheen te begrijpen, wat er aan haperde. Hij ging nu naar Kapitein Londenaar en zeide, dat hij wel met die lieden spreken kon, zoodat hij gaarne, als tolk zou optreden.

Met vreugde nam de Kapitein dit voorstel aan en zeide nu door middel van zijn’ tolk tot de Chineezen:

„Mannen, wij gaan den valschen Koning van Makassar beoorlogen om hem te dwingen de Compagnie voortaan niet meer door verraderlijke listen en streken te benadeelen.”

De Chineezen knikten, alsof ze zeggen wilden: „We begrijpen u, ga maar voort!”

„En opdat de Makassaren niet, ons ten nadeele, van het hun dreigende gevaar zouden verwittigd worden, zoo hebben we ons genoodzaakt gezien u met uwe jonken aan te houden. Gij zijt evenwel geene gevangenen en ge kunt u hier aanboord vrij bewegen. Maar de eerste de beste, die pogingen aanwendt, te ontvluchten, wordt zonder genade op staanden voet doodgeschoten. Na verloop van twee of drie dagen zult ge denkelijk uwe vrijheid terugkrijgen en de jonken, met alles, wat er op, in en aan is, nemen we op sleeptouw. Gij kunt er dan mede heengaan, waar het u belieft. Den kost deelt ge met de manschap hier aanboord, tenzij uw godsdienst zulks verbiedt. In dit geval geef ik u de vergunning te eten, wat ge in de jonken in voorraad hebt. Onder goed geleide moogt ge dat halen, doch hier aanboord moet gij het eten. Uwe slaapplaats zal zoo goed zijn, als die van één onzer. Dat was het, wat ik u te zeggen had. Stuurman, wijs hun de matten, waarin ze den nacht zullen doorbrengen.”

De aangezichten der gevangenen zagen er na de toespraak vrij wat opgeruimder uit dan er voor, en toen ze een poosje later weer op het dek kwamen, had het al den schijn, dat er bij geen van allen plan bestond, te ontvluchten. Zij maakten op hunne manier praatjes met onze matrozen en hier en daar waren er zelfs, die zich met enkelen van het volk vermaakten met het leelijke gezicht, dat Joost voortdurend trok.

Even voor het ondergaan der zon ging de heele vloot weer in zee en deelde de Kapitein van de „Koning van Polen” een extra-oorlam uit om dat te drinken op de gast van het schip, de Bruid van den Landvoogd van Amboina.

Het was een kostelijke drank, doch Henri Quatre en Joost weigerden van den wijn te proeven.

„Nu, nu,” zei Hoepel, „zet maar niet zoo’n gezicht, Joostje, alsof er honderd oorwormen in den beker rondzwommen! Lust jij ’m niet, goed, geef dan je portie mij maar. Dat is nog een ander kostje dan het water, dat we onder de Linie dronken. Nu, hoor, je gezondheid en de gezondheid van de mooie Bruid!”

Op dien krachtigen dronk volgde een oogenblik van dolle vreugde, doch weldra werd er bevel gegeven ter kooi te gaan en de wacht te betrekken.

„Zeg, Dirk, wat zou er toch aan den Ouwen Joost haperen?” vroeg Garrit, toen ze zich gereed maakten om de wacht te betrekken. „Hij keek zoo echt verdrietig, maar toen de bottelier hem het extra-oorlam wilde geven, scheelde het maar weinig of hij sloeg het hem uit de handen. Hij was echt nijdig, dat zeg ik.”

„Och, eene oudemans-bui, jongen,” luidde het antwoord.

„Wat scheelt er toch aan, Joost?” vroeg nog een oogenblik later Dolf, die mede de wacht had. „Is er soms wat gebeurd? Zeg het dan, je weet wel, dat ik het goed met je meen!”

„Ja, Stuurman, ja!”

„Heeft die dame met die mooie tanden u soms van streek gebracht? Joost, Joost, ik dacht dat je die malle jaren te boven waart!”

„Wat doen we met zulk een katvisch en zulk een hutspot aanboord van de „Koning van Polen,” dat vraag ik,” bromde de oude man.

Dolf en Garrit barstten in lachen uit en de eerste riep: „Maar, Joost, jongen, die Joffer behoort dan toch niet tot dat, wat men katvisch of hutspot noemt?”

„Ze behoort er niet bij en is er toch bij gedaan; de hutspot wordt er te slechter door. Een hoop Chineezen en eene Joffer, die de deur toedoet. Heeft een schip ooit zulk een zoodje als bemanning gehad?”

Op dat oogenblik werd de deur van de kajuit geopend en trad de vrouw, over wie men het zoo even nog gehad had, naar de kampanje waar de Kapitein stond.

„Er zijn ratten aanboord, Kapitein,” zeide ze op vrij luiden toon. „Hoort u wel, er zijn ratten!”

„Dat weet ik, Joffer! En dat is lastig gezelschap; maar er is al weinig aan te doen!”

„Wat zegt u,” riep de ontevreden dame op schellen toon, „is er weinig aan te doen? U heeft toch volk genoeg aanboord!”

„Volk genoeg, maar katten te kort. Een matroos is een slecht rattenvanger, Joffer! Intusschen doet het me leed, dat ze u in den slaap gestoord hebben! Maar zou u niet naar binnen gaan? Het wordt koel op het dek!”

„En de ratten dan, Kapitein?”

Thans was het geduld van den goedigen Londenaar teneinde, en eenigszins boos, en zonder aan hare gewoonte te denken, zeide hij driftig: „Dan laat u dien beesten de tanden maar zien en roept ge: koest!”

Henri Quatre, die altijd goedlachsch was, schoot in een’ helderen lach, en dat maakte de Joffer zóó boos, dat ze uitriep: „Het volk is lomp; maar de Kapitein is de lompste van allen!”

„Een gast kon wel anders spreken, Joffer! Thans verzoek ik u oogenblikkelijk heen te gaan. Als u op de „Mars” is, kan u doen en zeggen, wat u begeert; maar op de „Koning van Polen” ben ik Koning en u behoort tot mijn gevolg. Dat gevolg heeft te gehoorzamen.” Hij daalde nu de trap van de kampanje af en vroeg: „Mag ik de Joffer ook naar binnen brengen?”

Kapitein Londenaar bood haar zijn’ arm aan, doch zij stiet hem terzijde, liep naar de kajuit en sloeg de deur zoo hard dicht, als ze kon.

„Nu maar, ik gun Heer van Dam dat presentje,” zeide Henri Quatre. „Als hij haar krijgt....”[30]

„Dan koopt hij eene kat in den zak,” vulde Joost aan, die door dit voorval weer geheel in zijn humeur gekomen was. „Maar met dat al heeft de „Koning van Polen” dan toch een vreemd gevolg, zou ik zoo zeggen.”

Hiermede liep het gesprek over Juffer Cos ten einde, doch den volgenden dag wist iedereen, wat er des avonds laat nog voorgevallen was. De matrozen staken er braaf den gek mede en algemeen kreeg de weduwe den bijnaam van Joffer Poes. Eenigen hadden zelfs afgesproken, als zij op het dek kwam, om dan te gaan mauwen. Zij scheen evenwel niets met het dek te hebben uitstaan en liet zich al den tijd, dat ze in volle zee waren, niet zien.

Op den bepaalden dag, den tienden Juni, kwam de vloot bij het eiland Tanah-kéké en terstond begon men overal zich slagvaardig te maken. Al spoedig zagen ze eene prauw, en in het eerst dacht men, dat het volk, dat er in zat, de boodschap kwam brengen, dat de vrede gesloten was, doch toen zij zich schielijk verwijderde, begreep men, dat de zaak niet in den haak was. Ze stonden juist op het punt haar te achtervolgen toen de „Mars” en de „Breukelen” in het gezicht kwamen. De heele vloot zeilde deze twee schepen te gemoet en van het Admiraalsschip werd weer geseind om krijgsraad te houden. De boot van de „Koning van Polen” werd neergelaten en toen men wilde afsteken, kwam, onder het gemauw van al het scheepsvolk, Joffer Cos bij den valreep, klom naar beneden, sprong in de boot en zette, zonder een woord te spreken, maar rood van kwaadheid zich bij de voorplecht neer. Op hetzelfde oogenblik kwam van het Admiraalsschip eene andere boot en in deze zat Meester Troost der Armen.

„Hoezee!” riep Oude Joost vroolijk uit. „Hoezee! De ruil was al te slecht! Hoezee!”


TWAALFDE HOOFDSTUK.
De Hollandsche Remedie.

Met gejuich werd Meester Pruymius door het volk ontvangen, en alsof hij twee jaar, inplaats van twee dagen weg geweest was, zoo drukte men hem van alle kanten de hand.

„Wat kom je doen?”

„Ben je weg gejaagd?”

„Hij is als de katten en zoekt zijn oud huis weer op!”

„Katten? Jongens, laat je hooren, allemaal: Mauw, mauw, miauw!”

Zoo klonk het verward door elkander, maar het gemiauw overwon ten laatste toch, zoodat Meester Pruymius met een gezicht, alsof hij water zag branden, uitriep: „Maar houdt toch eens op met dat helsche geschreeuw! Je lijkt wel bezetenen! Ben ik dan hier in een dolhuis?”

„Pure pret over je terugkomst, man, anders niet,” zeide Henri Quatre. „We kunnen niet zonder onzen goeden Meester!”

„En blijdschap over het vertrek van Joffer Poes,” vulde Dolf aan. „Maar zeg, Meester, wat kom je toch doen? Je....”

„Je riekt naar brand, naar—naar—naar buskruit!” riep Oude Joost. „Toch niet aan het bakkeleien geweest?”

„Niet zuinig! Kerels, we hebben zoo van laken gegeven. Al mijn wonderwater is op. Een uitmuntend middel. Hadde ik er maar een scheepsruim vol van!”

„Zijn er dan gewonden?” vroeg Henri Quatre.

„Acht stuks; maar al bijna klaar! Een heerlijk middel dat wonderwater! Zóó gebruikt, zóó beter, tenminste, als het boeltje er niet af is, want er ledematen mede aanplakken, dat gaat niet.”

„Ja, maar dat zal dan zeker ook niet noodig geweest zijn,” meende Hoepel. „Zulk eene vaart zal het toch wel niet geloopen hebben.”

„Je weet er ook heel wat van,” snauwde Meester Pruymius hem toe. „Terwijl jelui hier bezig waart met bruidstranen drinken en hylikmaker eten, zijn we zoo even aan den slag geweest, en ik zeg je: niet zuinig!”

„Zag je soms een paar potvisschen raken?” vroeg Kreeft.

„Naar potvisschen zag ik niet, ik had meer dan genoeg te kijken naar de gewonden. Naar de dooden keek ik maar niet, want die konden zelfs met troost der armen of wonderwater niet meer tot hun verhaal gebracht worden.”

„Maar kom, dooden! Zijn er dan dooden ook gevallen?” klonk het van een’ anderen kant.

„Maar vier!”

Van alle kanten omringde men nu den barbier, die op het laatst tegen de verschansing bijna plat gedrukt werd.

„Gaat dan toch op zij! Maakt ruim baan! Ik kom om wonderwater,” riep Meester Pruymius.

„We willen weten, wat er gebeurd is!” schreeuwden eenigen.

„Ja, wat gebeurd is, dat vertel zal!” riep de Kapitein der Amboineezen.

„Maakt dan ruimte, dan zal ik mededeelen, wat er geschied is,” antwoordde Meester Pruymius.

Met behulp van Dolf en Hoepel kwam de barbier in benauwdheid vrij, en op een kanon springend en zich aan het want vasthoudend, begon hij op luiden toon het volgende mede te deelen.

„Zooals gij weet zouden die van Makassar al lang en breed zoete broodjes bij de Compagnie gebakken hebben, als....”

„De Portugeezen er niet waren,” schreeuwde een.

„Die trotsche Doms moeten de Oost uit!” riep een ander.

„Als ge mij in de rede valt moet ik ophouden,” zeide Meester Pruymius. „We kunnen wel allemaal tegelijk zingen, maar niet allemaal tegelijk praten!”

„Wie het nog één keer waagt, wordt tot scheeps-rattenvanger aangesteld,” liet één uit den hoop zich hooren.

Men lachte, doch kwam spoedig weer tot bedaren.

„Het is zoo, de Portugeezen zijn te Makassar onze ergste vijanden, en ze hebben daar een kwartier opgeslagen, dat met tal van kanonnen verdedigd kan worden. Om nu te maken, dat de Makassaren niet naar de Compagnie overloopen, hebben ze al tal van jaren uitgestrooid, dat de Hollanders maar laffe zeeroovers zijn, te arm om er een’ Vorst op na te houden. Het spreekt dus vanzelf, dat wij daar te Makassar ook met de Portugeezen een appeltje te schillen hebben.

Zoodra wij nu de vestiging in het gezicht konden krijgen stonden we allen over de verschansing te turen.

Opeens riep de uitkijk in den mast: „Zes zeilen vooruit!”

De bevelhebbers wapenden zich met hunne kijkers en Heer Johan van Dam was de eerste, die zeide: „Dat zijn zes Portugeesche karveelen, die gereed liggen om te vertrekken!”

Zes karveelen! En wij waren met ons tweeën!

Geen wonder, dat bij velen de moed in de schoenen zonk, en dat er algemeen gemompeld werd, maar te vertrekken en de hoofdvloot weer op te zoeken.

„Hoort eens, jongens,” dus begon nu Admiraal Truytman, „wij zijn hier niet gekomen om uit de verte een kijkje te nemen en dan weg te loopen. Dan zouden de Portugeezen ons met de vingers nawijzen en tot de Makassaren zeggen: „Ziet gij wel, dat wij gelijk hebben gehad en dat de Hollanders laffe zeeschuimers zijn, die het dadelijk op een loopen zetten, als er gevaar van klappen deelen is?” Neen, mannen, we moeten toonen, dat we geene lafaards zijn, maar kerels, die durven, als het er op aankomt. Ze gaan hunne tegenstanders niet eerst tellen om nauwkeurig te becijferen of de kansen wel gelijk staan; ze laten Chineezen tellen, die houden ervan, maar inplaats van te gaan cijferen, vallen ze aan!”

„Niemand zal mij ooit van lafhartigheid beschuldigen,” sprak nu de Kapitein van de „Breukelen”, die met eenigen zijner Officieren bij ons aanboord was, „maar ik zou den Admiraal toch wel willen vragen, hoe er eenige mogelijkheid bestaat, dat wij er niet slecht afkomen?”

„Wel, Kapitein, dat wil ik niet alleen u, maar allen zeggen. Die karveelen zijn zwaar geladen en log gebouwd, zoodat ze zich heel moeielijk bewegen kunnen. De „Mars” is een vlug schip, en de „Breukelen” ligt als eene veêr op het water. Wat we in talrijkheid verliezen, dat winnen we meer dan dubbel uit door de vlugheid van onze bewegingen.”

„Toegegeven, Admiraal! Maar zullen de kanonnen van het Portugeesche kwartier ons niet deerlijk toetakelen? En zullen de Makassaren niet wakker mede helpen? Na al wat ik er van gezien en gehoord heb, zijn ze daartoe wel gedwongen. De overmacht wordt dus zóó groot, dat ik vragen durf: Zijn wij wel lafaards, als we nu toch eerst eens gaan tellen?”

Op deze laatste vraag van den Kapitein zeide Heer Johan van Dam, die werkelijk een man is, die durft: „Kapitein, ik ken die van Makassar een weinig, want ik kwam er menigmaal mede in aanraking. En als ik nu ronduit zeggen moet, wat ik denk, dan is het dit: Ik houd het er voor, dat de Koning van Makassar stilletjes toekijken zal om te zien hoe de zaak afloopt. Met een oud Hollandsch spreekwoord gezegd: De slimmerd zal heel eenvoudig de kat uit den boom kijken.”

„En wat de kanonnen van het Portugeesche kwartier betreft, ook daarvoor ben ik zoo bang niet,” hernam Admiraal Truytman op geruststellenden toon, „wij overrompelen de luiden, en bij den vijand zal alles wel niet tot eene onverwachte verdediging gereed zijn. Vooral hier niet, waar ze meenen volkomen veilig te zijn. Ik ben dus voor een’ flinken aanval, en gelukt het ons, de karveelen te overwinnen, wie weet welk een’ rijken buit wij dan vinden, want hoogstwaarschijnlijk komen zij van Macao en liggen ze gereed om naar Goa te vertrekken. Ziet, ziet, ze maken al aanstalten om ons te ontwijken!”

„Dan er maar op los!” riep de Kapitein van de „Breukelen” nu uit. „En hoe eer hoe liever!”

„Toch zullen we genoodzaakt zijn den volgenden dag af te wachten,” zeide de Admiraal. „Zoo op het oogenblik valt de nacht in en het vaarwater is hier voor ons onveilig, omdat we er nog geene kaarten van hebben. Als we omhoog kwamen te zitten, waren we verloren. In de vrije vaart moet onze kracht liggen.”

„Maar als die schoone buit ons nu van nacht ontsnapt,” liet een der Officieren zich ontvallen.

„Hiervoor kunnen wij zorgen, man,” antwoordde Truytman. „Als ze ontvluchten willen, moeten ze hier voorbij, en zoo donker is de nacht niet, of we zullen dat zien!”

Algemeen begreep men, dat de Admiraal den besten voorslag deed, die gedaan kon worden en daarom besloot men dien aan te nemen.

Er kwam dien nacht natuurlijk niet veel van slapen. Iedereen was in de weer en nauwelijks begon het licht der starren wat te verbleeken, of men riep al het volk op het dek bij elkander tot het gebed. Dit gebeurde ook op de „Breukelen”, dat zagen we, want we lagen zóó dicht bij elkander, dat we zonder te schreeuwen heel gemakkelijk met elkander spreken konden.

Na alzoo in den gebede moed verzameld te hebben, begaf ieder zich op zijn’ post en de morgenschemering was pas begonnen of de Admiraal gaf het teeken tot den aanval.

Zoodra men de karveelen genoeg genaderd was, zeide de Admiraal tot de lieden, die het geschut bedienden: „Mannen, wenscht den luiden op die logge karveelen eens zoo hartelijk mogelijk met een paar flinke kogels, op Oud-Hollandsche manier, goeden morgen! Vuur!”

Wat de uitwerking van dien barren morgengroet was, kon niemand ontdekken; want de rook van de laag aan stuurboord was nog niet eens opgetrokken of de laag van bakboordszijde werd dadelijk daarop losgebrand. De „Mars” had zich als een vogel zoo vlug gewend. Het is een prachtig schip, die „Mars”. Men kan er mede doen wat men wil.

Ook de „Breukelen” had ons voorbeeld gevolgd.

Maar opeens zagen we verscheidene lichten op de karveelen; spaanders vlogen van de masten; het water werd door zware, ronde dingen, waarvan ik je den naam niet behoef te zeggen, felbruisend doorploegd en een vreeselijk gedreun volgde.

„Ei, de Dom is wakker,” riep Truytman. „Houdt hem aan de praat, mannen! Vuur!”

Ik stond bij den grooten mast te midden van mijne medicamenten en verbandmiddelen, en ik wil eerlijk bekennen, dat ik niet erg op mijn gemak was. Ik heb ook nog nooit een echt zeegevecht bijgewoond, want in de Oostzee was het kloppen juist gedaan toen ik er aankwam, en zou het weer beginnen toen ik vertrok. Wat ik dus van zeegevechten wist, had ik van aanhooren, zelf wist ik er niets van, maar nu ben ik door de wol geverfd en weet ik het. Als men er maar eenmaal door heen is, dan valt het nog al mee. Maar het duurt nog al een poosje eer men zoo ver is, ten minste bij mij was dat het geval. Nog nooit had ik zulk een leven gehoord, dat wil ik wel zeggen. Van met elkander eens een woordje spreken, geene sprake van. Een had een kogel in zijne borst gekregen en toen ze hem bij me brachten, zei de arme kerel: „Dat is mijn dood, Meester!” Ik verstond hem niet goed en vroeg: „Wat? Vraag je om brood? Vraag liever om troost der armen!” Toen zette de man de hand voor zijne mond en schreeuwde: „Ik ga dood!” — De stumperd! Het roepen was boven zijne krachten geweest want oogenblikkelijk was hij dood ook. Ik zag dat alles heel kalm aan en om de waarheid te zeggen, ik begreep mezelven niet. Dat kwam zeker van de kruitlucht. Ik stond al gereed om ook eens even een kanon te helpen afsteken, toen er opeens een vreeselijk gerinkinkel bij me gehoord werd.

Eilacie! Een kogel was dwars door mijne medicamenten gevlogen en had al mijne potten met troost der armen en borreborrie aan gruizels gesmeten. Aan een gat op het dek kon ik zien, dat die leelijke kogel tusschen mijne voeten doorgevlogen was. Ik stond te kijken als een haan voor eene krijtstreep en zei tot mijzelven: „Meester Pruymius hoe is het mogelijk, dat door zulk eene nauwe opening nog zoo’n baas van een’ kogel kan! Pas maar op, anders heeft de Admiraal straks geen lijfarts meer. Zoek een beter plaatsje, maat!”

Dat was een verstandige raad, dien ik mijzelven gaf en daarom maakte ik maar dadelijk aanstalten om mijne flesschen wonderwater en overgebleven brokken „troost” naar beneden te brengen, toen men juist met een’ matroos kwam aandragen.

„De tweede, Meester,” zeide men.

Men legde den gekwetste bij me neer! Deze deed even de oogen open, stamelde nog flauw: „Dag, Moeder!” en, de arme jongen was dood. Hij had een’ matten kogel tegen de hartstreek gekregen, en dat had hem den dood gedaan.

Ondertusschen nam het kanongebulder nog in hevigheid toe.

„Daar komt de Portugeesche Admiraal op ons af,” klonk het hier, daar en overal. „Het is niet te houden!”

„Vluchten! Vluchten!” schreeuwde de kok.

„Men voert ons naar de slachtbank!” bulkte de koksmaat.

„Heer Admiraal, de overmacht is werkelijk toch te groot,” zeide een Officier.

Zoo verhieven zich van alle kanten stemmen van luî, die liever aan een’ schotel opgewarmde spinazie zaten, doch de meesten hielden zich cordaat en bleven pal staan. Dat kwam misschien wel, omdat Admiraal Truytman zulk een goed voorbeeld op de „Breukelen” gaf, want Sinjeur van Dam riep nu: „Vluchten? Nooit! Vuur! Vuur!” en hij stak zelf een kanon af.

Ondertusschen kwam de Portugeesche Bevelhebber, die heel wat mans was, onze beide schepen al dichter en dichter bij.

„Vuur!” hoorde ik Admiraal Truytman door zijn’ roeper schreeuwen en „Vuur!” riep Sinjeur van Dam.

De konstabels, zwart als schoorsteenvegers, stonden weer gereed, den Portugees de volle laag te geven, toen....

„Bom, daar lag ik!” —

Een vreeselijk gelach werd nu aanboord van de „Koning van Polen” gehoord; want Meester Pruymius vertelde zoo vol vuur, dat hij vergat zich aan het want vast te houden en op het dek neertuimelde. Hij stond evenwel spoedig weder op en vervolgde zijn verhaal.

„Bom, daar lag ik!

Wat was er gebeurd?

Er volgde een slag, zoo hevig, zoo ontzettend, alsof er een heel kruitmagazijn in de lucht vloog.

Ons schip werd op en neer, en heen en weer gesmeten.

Stukken hout, ijzer, kogels, vaten, geweren, sabels, hoeden, menschen, potten, pannen, ja, van alles zoo wat, plofte op ons dek neer. Het lag in een omzien bezaaid met een’ rommel, zooals je dien in heel Amsterdam bij geen’ enkelen uitdrager vindt.

Ik stond op en schreeuwde: „Wat is er gebeurd? Wat is er gebeurd?”

„De Portugeesche Admiraal is in de lucht gevlogen, Meester,” zeide Sinjeur van Dam. „En dat wij behouden zijn gebleven is een wonder! Op, op, mannen! Van de verwarring gebruik gemaakt. Leve de Oost-Indische Compagnie! Vuur! Vuur!” riep hij met donderende stem. De man scheen niet heesch te kunnen worden en zette alle kersenwachters in Zeeland en in de Betuwe beschaamd.

„Een doode en drie zwaar gekwetsten, Meester! Wij brengen werk aan den winkel,” zeiden eenige matrozen, die met een’ gesneuvelde en drie anderen, die wonden ontvangen hadden, kwamen aandragen.

Gelukkig waren de twee kruiken met wonderwater heel gebleven. Ik onderzocht de wonden, wiesch ze met schoon regenwater en na een compres met wonderwater er op gelegd te hebben, deed ik er verbanddoeken om. De arme kerels bekwamen er heelemaal van en zeiden, dat het dadelijk vermindering van pijn gaf.

Na zoo drie gekwetsten geholpen te hebben, werden ze beneden gebracht, waar ze geruster konden liggen. Een half uur lang had ik niets te doen dan rondkijken, en ik gaf mijne oogen den kost, want er was heel wat meer te kijken dan in eene verloopen bakkerij waar de oven afgebroken is.

Maar op eens, daar stond ik blootshoofds; mijne muts vloog zoo netjes van mijn hoofd, alsof de wind die er afgeblazen had. Voor kouvatten ben ik altijd bang geweest, vooral na den tijd, dat de maan door mijne haren schijnt. Ik ging dus aan het zoeken en eindelijk vond ik mijne muts. Ik bekeek ze en zag nu, dat er een musketkogel dwars doorheen gegaan was. Kijk, hier zijn de gaten! Je begrijpt dat ik die muts, als eene gedachtenis, bewaar. Eene nieuwe zullen de Makassaren mij geven. Maar laat ik verder vertellen. Ik gaf dan mijne oogen goed den kost en zag het heele strand bezaaid met bruine, halfnaakte menschen, die verbaasd schenen te kijken, dat de twee zoogenaamde laffe zeeroovers den strijd dorsten wagen tegen zes dapperen, die onderdanen van een’ Koning waren. Dat scheen hun begrip te boven te gaan. Hoe kon men geen’ Koning hebben en toch dapper zijn?”

„Meester Jan telt wel voor vier Koningen! Leve Meester Jan!” riep een Dordtenaar, die op zijne manier een aanhanger of vriend van de gebroeders de Witt was.

„Vivat, Oranje boven!” klonk het van een’ anderen kant.

„Heila, geen Meester Jan en geen Prins van Oranje hier!” riep Henri Quatre. „Leve Jan Compagnie! Dat is hier onze Koning of Koningin, al naar ge wilt!”

Enkelen riepen: „Leve Jan Compagnie!” doch de meesten zwegen of drongen er bij Meester Pruymius op aan, dat hij verder zou gaan met zijne vertelling.

Na zich met een’ teug waters de keel gelaafd te hebben, vervolgde onze scheepsbarbier weer even opgeruimd:

„Zoodra de rook van het in de lucht gevlogen Portugeesche Admiraalsschip wat opgetrokken was, zag ik, dat door dit ongeval nog twee andere karveelen in brand geraakt waren. De schepen brandden als pek, en het volk sprong in zijne radeloosheid overboord.

Met dat al gaven de drie andere karveelen nog zoo gauw geen krimp, en uit het Portugeesche kwartier schoten ze als dollen; maar juist daardoor raakten ze zeker meer lucht dan schepen; want bijna geen enkel schot was raak.”

„En de Makassaren? Hadden die geene prauwen? Konden die niets doen?”

„Wel lieve zielen, ze deden wat!

Ze liepen als mieren, wier nest men verstoord heeft, door mekaêr van hot naar haar. Ze sloegen op de gong-gong als bezetenen, en op de oorlogstrommels als dronken nachtwakers. Overal zag men de bloedvlaggen uitsteken, maar vechten, ja, dat konden de Portugeezen aan hun hart voelen.[31]

„Meester, Meester, berg je!” riep op eenmaal de bottelier van de „Mars.” Ik keek gek op en — plof — daar kreeg me de sukkel zulk een stuk hout tegen zijn hoofd, dat duizend potten borreborrie en duizend kruiken wonderwater hem niet meer genezen konden; want de man was opeens dood, en eer ik nog recht wist, uit welken hoek de wind nu woei, hoorde ik weer een’ vreeselijken slag en geen twee tellens later nog een!

De twee brandende karveelen waren ook in de lucht gevlogen.

„Mannen,” riep nu Sinjeur van Dam uit, „de „Breukelen” heeft hare partij gevonden en klampt ginder eene karveel aanboord. Eéne van de overige twee is voor ons! Vooruit! Vuur!”

Van dat losbranden der kanonnen had ik geen’ last meer; ik stond zoo vast op mijne beenen als een reiger in een moeras, en ik hielp hard meeschreeuwen: „Vooruit! Vooruit!”

„Hei, jij daar met je „vooruit”, hier heb je weer een, dien je met je „troost” pleizier kan doen,” zeide de Tweede Stuurman, die met een gewonden arm bij me kwam.

„Maar, mensch!” schreeuwde ik.

„Ik ben niet doof,” zei hij. „Bind er maar een’ heelen ellenwinkel vol lappen om, dan kan ik weer aan den slag.”

Hierop stak hij mij den arm toe en ik zag, dat er gelukkig maar een musketkogel dwars door het vleesch gegaan was. Ik verbond hem dus gauw, en gebruikte daarbij weer maar een’ plas wonderwater, en kijk eens aan, pas had hij de doeken om, of hij riep: „Vooruit, Mina! Nu weer met frisschen moed aan den slag! Verdraaid, wat kunnen die dikke Portugeezen nog loopen, als ze bang zijn voor klapper-olie op hun baaitje!”

Met nieuwen moed ging de wakkere man weer op zijn’ post bij het roer; maar hoe handig hij wist te sturen, de twee karveelen zett’en het met volle zeilen op het strand aan, en het duurde niet lang, of ze lagen daar zoo mooi omhoog, als eene turf op eene aschvaalt.

„Nog verder, Admiraal?” vroeg de Stuurman.

„Neen, vriend, het is ver genoeg, anders geraken wij ook omhoog! Afhouden! Maar eerst nog eens van beide kanten de volle laag!”

Nu, dat deden de konstabels met het grootste genoegen, en andermaal werden met verwonderlijke snelheid de batterijen afgeschoten.

„De „Breukelen” heeft die karveel overmeesterd! Kijk maar, de Hollandsche vlag wordt er geheschen!” riep de Eerste Stuurman, die mee had geholpen, het geschut te bedienen en er nu door buskruit en rook nog zwarter uitzag dan de zwartste Moor uit het Moorenland.

„Gij hebt gelijk, Stuurman,” antwoordde Heer van Dam. „De „Breukelen” is gelukkiger dan de „Mars.” Voor een oorlogsjacht, als wij hebben, is zulks te bejammeren.”

„Ho, ho, Heer van Dam,” dus viel de Kapitein hem in de rede. „Mij dunkt zoo, dat de Portugees zelf wel zeggen zal, dat de „Mars” haar’ naam geene schande heeft aangedaan. Weet ge wel hoeveel kruit we op het oogenblik nog hebben?”

„Ik weet niet eens hoeveel de „Mars” aanboord heeft gehad, Kapitein! Maar aardig wat verschoten is er!”

„Er was veel meer kruit dan we noodig hadden, en als we nu nog twee keer losbranden dan is alles op!”

Na het veroveren van de Portugeesche karveel kwam Admiraal Truytman ook bij ons aanboord en daar hij gehoord had, wat de Kapitein van de „Mars” zeide, zoo vroeg Sinjeur van Dam hem: „Zou het dan geene zaak zijn, het voor vandaag hierbij te laten en de andere schepen op te zoeken?”

„Ik meen zoo, dat we zulks zonder schande kunnen doen. En hoe denkt u dan te handelen?” was het antwoord.

„Wel, morgen aan den dag het kasteel Panakoke vermeesteren, een groot deel van de stad met het paleis van den Koning in brand steken en het Portugeesche kwartier plat schieten! Vindt ge dat plan niet uitmuntend, Admiraal?”

„Ja, Heer van Dam, en als we kans willen hebben, dat plan ook te volvoeren, dan moet zulks morgen aan den dag gebeuren, eer de vijand zich geheel met den Portugees verstaat. Deze laatste heeft zich kranig gehouden. Maar komaan, laten wij nu samen eens gaan zien, wat de „Breukelen” veroverd heeft; ik kwam u daartoe uitnoodigen.”

Wij zett’en nu koers naar onze makkers en zagen dat de veroverde karveel „Nostra Signora de Remedia” heette, en weldra vernamen we, dat ze eene kostbare lading in had van zijden stoffen, sandelhout, lakwerk, porselein en andere Chineesche waren. Wij namen het schip op sleeptouw mede, doch lieten de Portugeezen aan land gaan, om bij hunne kameraads de boodschap te brengen, dat hunne boontjes nog in de week lagen, en dat dit alles nog maar een begin van al de ellende was. En hiermede heb ik alles verteld. Morgen, bij leven en welzijn, beleven we samen de rest.”

„En wat zal er met die karveel gebeuren?” vroeg Henri Quatre. „Ze zullen zulk een schip toch wel houden?”

„Die zal met Hollandsch volk bemand en verdoopt worden in de „Hollandsche Remedie”. Is er beter naam mogelijk?”

„Als het met ons dan maar niet gaat, zooals het rijmken luidt:

„Pleun wil sich hangen, vind een schat:
Hy laet den strick en kiest het padt;
Maer, die ’t begroef, die vind den strick,
Dies hy sich hanght aen eene mick.”

dat wil zeggen: Als de „Nostra Signora de Remedia” ten laatste de strik maar niet wordt, waarin wij ons verhangen,” zeide Hoepel. „Ik zou er althans voor passen alweer op zoo’n karveel te dienen. Met zoo een gevalletje vaart een fatsoenlijk Hollander zich in den kelder.”

„Als Dolf er dan als Kapitein op dient, dan zal „de Nieuwe Leerdam” in het niet verzinken bij de „Hollandsche Remedie”, Hoepeltje!” sprak Meester Troost, en thans voor goed van het kanon springende, zei hij: „En nu mijn wonderwater, alsjeblief, dan ga ik jelui weer voor tijd en wijl groeten.”

Daar er onder de matrozen niemand was, die aan de kracht van dat wonderwater twijfelde, zoo wilden ze niet hebben, dat Meester Pruymius alles medenam.

„Het zijn toch mijne spulletjes zou ik meenen,” bromde de goedige man. „En wie zal me nu willen beletten ze mede te nemen?”

„Dat is waar; maar jij met je spulletjes behoort tot de „Koning van Polen”. Als wij aan den slag gaan en er vallen hier aanboord gekwetsten, waarmede zullen wij ons dan laten genezen? Wij gunnen een ander ook wel wat; maar, het hemd is nader dan de rok, begrepen? Dus, de helft blijft hier; de andere helft kunt gij medenemen,” sprak Hoepel.

Meester Pruymius moest er zich in schikken of hij wilde of niet, doch toen hij de helft van zijn’ voorraad al in de boot had en zelf gereed stond heen te gaan, kwam Kapitein Londenaar van den krijgsraad terug.

Hij zag er niet vroolijk uit en het scheen wel, dat het in dien raad niet naar zijn’ zin was afgeloopen. Later vernam men dat Joffer Cos eigenlijk de oorzaak was geweest van Londenaars ontevredenheid. Dat mensch had Heer Johan van Dam zooveel leelijks van „IJzeren Neptunus” en zijn volk verteld, dat de Landvoogd onmogelijk alles voor verzinsels kon houden. Het gevolg was geweest, dat hij den braven Kapitein grof bejegend had, en deze had op zijne beurt toen ook een woordje gesproken, dat raak was, zoodat Admiraal Truytman genoodzaakt was geweest, hem te zeggen, dat Heer Johan van Dam, als Landvoogd van Amboina en Mede-bevelhebber der vloot, te hoog in rang stond om zich in den vollen krijgsraad door een’ Kapitein van de Compagnie de waarheid te laten zeggen.

Dit had onzen wakkeren Kapitein niet weinig gegriefd, en hij begreep bovendien, dat de groote Heeren het hem wel inpeperen zouden.

„Gij blijft bij ons aanboord, Meester,” dus was Londenaars eerste woord, en zich hierop tot eenige matrozen wendend, gaf hij dezen bevel de koffers en kisten van Joffer Cos gereed te zetten, want men zou ze zoo op het oogenblik halen. De matrozen deden het, en nauwelijks hadden zij ze op het dek gebracht, of eene boot van de „Mars” kwam er al om.

„Kapitein,” zeide de Stuurman van dit vaartuig, „hier heeft u een briefke van onzen Admiraal, waarin hij u zeker zal zeggen, wat ge ons moet medegeven.”

Kapitein Londenaar opende het briefje en las:

„Goede vriend! Zend de kofferen van Joffer Cos met deze boot mede. Gedenk mijn woord in den krijgsraad niet langer, en geloof dat ik alleen zoo sprak om erger te voorkomen. Die Joffer heeft al meer op hare rekening, ook tusschen mij en den Landvoogd. Edoch, moed gehouden. Deze week verlaat ze met de „Hollandsche Remedie” de vloot. Uw vriend Truytman.”

Dat vriendelijke briefke bracht Londenaar weer geheel op dreef en toen de kisten vanboord en de mannen van de „Mars” vertrokken waren, zei hij: „Ziezoo, nu zijn we weer met ons eigen volkje. Roep de Chineezen, Stuurman!”

Dolf riep de Chineezen, die meestal op een hoopje bij elkander zaten en zoodra ze voor Kapitein Londenaar verschenen waren, zeide hij, alweer met behulp van den tolk natuurlijk: „Mannen, de twist, dien wij met den Koning van Makassar hebben, heeft ons gedwongen u eenige dagen van uwe vrijheid te berooven. Thans kunt ge gaan waar ge wilt. Stapt in uwe jonken over, ziet of er wat uitgenomen is, en als ge aan het een of ander gebrek hebt, zoo zegt het mij, en als ik kan, zal ik het u geven.”

Deze woorden werden met gejuich begroet. De Chineezen stapten op hunne jonken over en vonden alles in denzelfden toestand. Er werd niets vermist. Alleen hadden ze behoefte aan musketten, kruit en lood en een der twee Chineesche Gezagvoerders was zoo vrij, hier om te vragen.

Kapitein Londenaar zag hem lachend aan en zeide: „Zou het niet wat erg zijn, als wij ons met onze eigen wapenen lieten beoorlogen?”

„De Compagnie zal ons van meer voordeel zijn dan de Portugees of de Makassaar, Kapitein! Wij zullen de wapenen niet tegen u of tegen de Hollanders keeren. Ons belang verbiedt ons dat ten zeerste.”

„Zult gij ons dan helpen?”

„Ook dat niet. Als we zulks deden, brachten we onze broeders, die te Makassar zijn, in groot gevaar. Wij gaan naar ons land terug, doch wenschten ons onderweg, als het noodig was, voortaan te kunnen verdedigen.”

„Welnu, ik wil aannemen dat ik met eerlijke lieden en geene schelmen te doen heb,” sprak Kapitein Londenaar en liet iedere jonk van tien musketten en een’ goeden voorraad van kruit en lood voorzien.

Hierop namen de Chineezen dankbaar afscheid en — ze hielden woord. Ze dienden den vijand niet.


DERTIENDE HOOFDSTUK.
Toch niet alleen.

Den volgenden morgen, heel vroeg, werd er nog eens krijgsraad belegd om het plan van aanval te regelen. Toen al de Kapiteins bij elkander waren, zeide Admiraal Truytman: „Mijne waarde vrienden, deze nacht is niet voorbijgegaan zonder mij een plan te doen beramen. Ik zal het u mededeelen. Wij zeilen met de heele vloot naar Makassar. De wind is zeer flauw en zal ons naar alle waarschijnlijkheid al niet veel verder brengen dan tot het kasteel Panakoké. Hier zullen we dan gedurende den nacht blijven liggen, doch van de duisternis gebruik makend, zullen de landingstroepen van de elf grootste schepen op de jachten en fluiten overgaan. Als dan de morgenstond weer aanbreekt beginnen die elf schepen een hevig kanonvuur op Panakoké te openen, en als ze dat kasteel eenigen tijd beschoten hebben, dan zeilen ze verder. Ofschoon de Heer van Dam en ik bij de landingstroepen zullen blijven, moet de „Mars” toch de Admiraalsvlag blijven voeren, even alsof wij nog aanboord waren. Na het kasteel beschoten te hebben, blijven wij met onze vierentwintig kleinere schepen met de zeilen bij den mast liggen, en nemen den schijn aan van niets te kunnen doen. Zijn de elf groote schepen voor de stad zelve gekomen, dan moeten ze het Koninklijke kasteel Samboupo zoo hevig mogelijk gaan beschieten en zich houden, alsof ze hier eene landing willen beproeven. Zoodra de Makassaarsche bezetting van het kasteel Panakoké dat ziet, zal ze, denkend van de vierentwintig kleine schepen niets te vreezen te hebben, de bezetting van het Koninklijke slot te hulp komen. Zoodra die bezetting afgetrokken is, landen wij en nemen dan waarschijnlijk met zeer veel gemak dat kasteel Panakoké in en brengen den vijand zóó tusschen twee vuren, dat hij zich niet weet te bewegen en zich op genade of ongenade moet overgeven. Mocht door wind of door iets anders dit plan niet volvoerd kunnen worden, dan zullen we opnieuw trachten een’ krijgsraad te beleggen. Maar ik meen zoo, dat het gelukken moet, als de wind ons geene leelijke parten speelt.”

Geen der leden van den Raad had iets tegen dit plan in te brengen en de Kapiteins van de Amboineesche landingstroepen waren er zelfs wàt mede in hun’ schik. Ze hadden behoefte, naar het scheen, om te toonen, dat ze in moed en dapperheid voor de Europeanen niet onderdeden.

Kort daarop verliet men de plaats van bijeenkomst en stelde de vloot zich in beweging.

De wind was zeer flauw, zoodat de schepen langzaam vorderden. Zij, die nog nooit in deze streken geweest waren, hadden nu vol-op gelegenheid om dat heerlijke land van zeer nabij te bekijken.

Eerst tegen den middag kwam eene stevige koelte uit zee opzetten, en nauwelijks had men de stad en de versterkingen in het gezicht gekregen, of van al de schepen begon men het grof geschut te lossen. Men deed dit evenwel meer om indruk te maken en de stukken nu met schroot te kunnen laden.

Het strand was bezaaid met krijgsvolk en uit alles bleek, dat de Makassaren niet van plan waren, om zich zoo maar klakkeloos te onderwerpen, doch eer ze het tot een gevecht lieten komen, waarvan de uitslag toch altijd twijfelachtig was, besloten ze list te gebruiken.

Onverwachts vertoonde zich eene prachtig versierde prauw, die op ons Admiraalsschip afkwam. Zij had Afgezanten van den Koning aanboord en dezen vroegen gehoor bij den Admiraal. Dit werd hun natuurlijk toegestaan. Tusschen twee rijen sterk gewapend volk stapten de Afgezanten naar de kajuit, waar de twee Bevelhebbers hen wachtten.

„Gij hebt verlangd ons te spreken; wat is er van uw begeeren?” vroeg Heer van Dam, nadat de wederzijdsche begroetingen, die met heel veel deftigheid plaats hadden, waren afgeloopen.

De voornaamste der Afgezanten nam nu het woord en zeide: „Wij zijn allen Edellieden van Makassar en uit naam van onzen Grootmachtigen Gebieder, den Grooten Koning Hassanopdin, onzen Heer, komen wij u vragen waarom zulk eene groote vloot der Oost-Indische Compagnie naar Makassar is gekomen en de stad met schoten uit grof geschut begroet heeft. Indien het zwaard tegen dit Koninkrijk gekeerd is, dan weet onze Grootmachtige Gebieder niet, waaraan hij zulks toeschrijven moet, daar het ten allen tijde zijn streven geweest is met de Compagnie op een’ goeden voet van vriendschap te leven. En dit zal zijn streven blijven ook. De Heer Bevelhebber dezer vloot hebbe dus de goedheid te zeggen, waarom zijne komst alhier niet vredelievend is. Stellig en zeker, onze Grootmachtige Gebieder, wien Allah een lang leven schenke, wil van zijne zijde niets liever dan goede vriendschap.”

Toen de Afgezant dit gezegd had ging hij achterwaarts bij zijn gevolg en wachtte, in onderdanige houding, het antwoord der Bevelhebbers af.

Dat antwoord liet zich niet lang wachten. Admiraal Truytman stond op en zeide nu: „De Afgezanten van den Grootmachtigen Gebieder van Makassar kunnen met hun gevolg wel heengaan, en hun’ verraderlijken meester vertellen, dat de machtige Oost-Indische Compagnie thans lang genoeg geduld gehad heeft. Wij laten ons niet langer met kluitkens in het riet sturen en zijn gekomen om de Portugeezen te verjagen, Makassar plat te schieten en den Koning zóó te tuchtigen, dat hij geen’ anderen uitweg meer weet dan zich geheel aan de Compagnie over te geven. Gaat! Gij weet uwe boodschap!”

De Makassaarsche Edellieden vertrokken en daar inmiddels de avond begon te vallen, zoo ankerde de heele vloot op eene halve mijl afstands van het sterke kasteel Panakoké, waar blijkbaar alles in gereedheid gebracht werd voor eene moedige verdediging. Gedurende den nacht verlieten de Bevelhebbers en de landingstroepen de groote schepen en verborgen zich op de fluiten en jachten, die bedaard voor anker bleven liggen.

Met het aanbreken van den dageraad lichtten de elf grootste schepen de ankers. De „Mars”, met de Admiraalsvlag in top, zeilde vooruit en nauwelijks waren zij voor Panakoké gekomen, of zij begonnen dat fort allerhevigst te beschieten. De Makassaren, die daar ten getale van vier- of vijfduizend man in bezetting lagen, waren nu zóó niet, of ze beantwoordden die beleefdheid der Hollanders, en lieten ook de bloedvlaggen waaien. Daar het fort echter hooger lag dan het dek onzer schepen deden de kogels der vijanden niet veel kwaad. Na alzoo het kasteel een tijdlang beschoten te hebben zeilde de vloot onder gedurig schieten steeds verder tot ze recht voor het Koninklijke slot lag. Dit was eene zeer belangrijke sterkte en blijkbaar was het ook van eene buitengewoon groote bezetting voorzien.

Het gedonder van ons geschut werd niet weinig vermeerderd door dat van de Makassaren, die door de Portugeezen wakker geholpen werden, en dat deze laatsten het geschut bedienden, bleek uit het groot aantal goed gerichte schoten, die aan onze vloot niet weinig nadeel toebrachten. Dit nadeel en deze tegenstand verbitterden Janmaat niet weinig, en de kanonnen werden aanboord der schepen met zulk eene snelheid gelost en met zooveel nauwkeurigheid gericht, dat men in het slot bevreesd begon te worden en hulp vroeg aan de bezetting van Panakoké. De Bevelhebber dier sterkte, in den waan, dat de vierentwintig Compagnie-schepen, die daar lagen, niets konden uitrichten, snelde met een aanzienlijk deel der bezetting het bedreigde Koninklijke slot te hulp.

Wij weten dat dit juist door de Heeren Truytman en van Dam gehoopt werd, en zoodra was Panakoké dan ook niet door het grootste deel van zijne bezetting verlaten, of het landingsleger der onzen liet zich met eenig klein veldgeschut naar den wal brengen.

„Voorwaarts, mannen!” riep Truytman. „De sterkte bestormd, en ineens genomen!”

Moedig rukten de onzen voorwaarts en de kleine bezetting den onverwachten vijand ziende naderen, besloot haar leven niet in eene wanhopige verdediging te laten, maar op de vlucht te gaan. Met dit doel opende zij twee poorten, doch juist op het oogenblik, dat zij door deze poorten ontvluchten wilden, naderde eene bende piekeniers van de onzen in storm-pas. De Makassaren vloden in de vesting terug en begonnen zich nu wanhopig te verdedigen. Maar de macht der onzen was te groot; de meesten werden in de pan gehakt en in een’ betrekkelijk korten tijd was men van het kasteel meester, waar men dadelijk de Hollandsche vlag heesch en de Makassaarsche vlaggen neerhaalde.

Toen Garrit en Dirk, die aanboord van de „Koning van Polen” het bombardement van het Koninklijke slot hielpen mede maken, op Panakoké de vlag der Compagnie zagen wapperen, schreeuwden ze uit alle macht: „Victorie! Victorie!”

„Wat is er gaande, jongens?” vroeg Henri Quatre.

„Panakoké is ingenomen, Stuurman! Kijk maar onze vlag waait daar!”

„Daar gaat de vijand op Panakoké los!” schreeuwde Hoepel. „Als ze het nu maar houden daar ginder.”

„Er zal eene zware wijs op gaan, maat!” zeide Joost. „Wat een ontzettend leger heeft die Koning van Makassar! Dat is een machtige vijand!”

„Maar eer het een paar dagen verder is, een machtige bondgenoot,” meende Dolf.

„Zulke bondgenooten helpen de Compagnie van den wal in de sloot,” hernam Joost met wat bitters in de stem.

„Vuur! Vuur, mannen! Belet aan die Makassaren dat ze het fort terugnemen. Onze kogels moeten hun den pas afsnijden,” riep Kapitein Londenaar. „Daar gaat de groote stag van de „Mars”. Die daar op Samboupo hebben leeren mikken.”[32]

„Dat lappen ons die verdraaide Portugeezen, die....”

Het was Hoepel, die deze woorden sprak, doch den zin niet kon voltooien. Een kogel vloog hem tegen de borst en hij tuimelde achterover.

Dolf snelde toe om den gevallene op te helpen en naar Meester Pruymius, die de handen meer dan vol had, te brengen.

„Laat maar, Stuurman! Laat maar! Het is gedaan met mij! En toch....”

Hij richtte zich nog even op, haalde met bovenmenschelijke inspanning de muts van het hoofd, wierp die in de hoogte en riep: „Victorie! Vic....”

Thans zakte hij ineen en was dood.

„De zevende vandaag,” bromde Kreeft. „Ze houden hier groote opruiming!”

Na dit gezegd te hebben begaf hij zich naar zijn kanon, maar eer hij daar plaats genomen had, sloeg een vijandelijke kogel den grooten mast in splinters en een dik stuk hout trof hem en Dirk tegelijk. Kreeft was oogenblikkelijk dood, doch Dirk had alleen eene hevige wonde aan het hoofd bekomen en werd ook bij Meester Pruymius gebracht, die al zijn wonderwater al verbruikt had en nu de gewonden met borreborrie trachtte te genezen.

Terwijl dit alles aanboord van de „Koning van Polen” voorviel, ondernamen de Makassaren de sterkte Panakoké weder te hernemen.

Met een ijselijk geschreeuw vielen ze aan.

Het geschut hadden de onzen gelukkig in een’ uitmuntenden staat gevonden; het moest alleen maar beter op de affuiten gesteld worden. Kruit was er in overvloed en het was van eene uitmuntende hoedanigheid. Kogels, steenen, schroot en handgranaten had men vol-op.

„Wij zullen ze staan!” riep van Dam toen hij de duizenden naderen zag. „Ze krijgen ons er niet uit.”

„Ik vertrouw dat we nog wat meer zullen doen dan dit fort behouden,” zeide Admiraal Truytman. „We zullen die luî verjagen ook. De jongens van Amboina hebben zich dapper geweerd en dorsten er naar om te toonen, dat ze nog meer kunnen doen.”

De aanvallers naderden intusschen in dichtgesloten gelederen. Ze schenen er niet aan te denken, dat het geschut van het fort, wanneer het losgebrand werd in dien opeengepakten hoop, eene verschrikkelijke uitwerking zou hebben en er honderden zou doen vallen.

„Vuur!” commandeerde van Dam nu toen de Makassaren juist tegenover de batterijen gekomen waren.

De gevolgen van die losbranding waren verschrikkelijk, maar, met ware doodsverachting en onder het aanheffen van wilde krijgskreten stormden ze voorwaarts tegen de batterijen in. Geene nieuwe losbrandingen konden die dapperen doen wijken. Langzaam, maar zeker, naderden zij de wallen, en toen ze daar waren werden duizenden pijlen en lansen, die voor het meerendeel vergiftigd waren, naar de onzen geworpen.

Eindelijk werden de gelederen van den vijand door de vreeselijke uitwerking van ons geschut, dat grootendeels met schroot geladen werd, zóó gedund, dat de onverschrokken vijand den moed liet zinken en in wilde wanorde op de vlucht sloeg.

„Zet den vijand na! Zet den vijand na!” riepen van Dam en Truytman. „Nu moeten we van ons voordeel gebruik maken.”

Het werd nu geen gevecht meer, maar eene slachting en toen men ten laatste geene vijanden meer te dooden vond, werden, op bevel van van Dam, alle tempels, paleizen, landhuizen, pakhuizen, woonhuizen en scheepstimmerwerven inbrand gestoken.

Het arme Makassar, dat een paar dagen geleden, daar nog zoo rustig en vredig in al zijne heerlijkheid lag, was nu ééne brandende massa, ééne groote vuurzee, waaruit de vlammen wapperend en klapperend opstegen.

Intusschen waren de elf schepen van de vloot nog verder gegaan en bombardeerden nu het kwartier der Portugeezen, die evenwel toonden, dat ze even koen in het hanteeren der wapenen waren, als de Hollanders.

Nu, de Portugeesche zeevaarders waren door hunne onverschrokken zeetochten reeds wereldberoemd toen de eerste Nederlander, die een’ tocht naar de Oost zou maken, nog niet eens geboren was. Wij hadden dus met geene lafaards te doen, die bij een eerste kanonschot op de vlucht gingen of zich overgaven.

De Bevelhebber der Portugeezen was Dom Francisco Vigero, en deze scheen besloten te hebben de Hollanders, het mocht kosten wat het wilde, uit Makassar te houden.

Zijn geschut werd op uitstekende wijze bediend en bracht onze vloot groote nadeelen toe.

Doch de onzen gaven het ook niet gauw op en schoten, alsof hun voorraad van kruit en lood onuitputtelijk was.

Daar ging de „Mars” weer verder.

Aan de noordzijde van Makassar lag nog het fort Joupandan en dat had nog geene kennis met onze kogels gemaakt.

„Jongens, dat kan niet,” had de Kapitein van de „Mars” gezegd. „De een alles en de ander niemendal, dat is niet eerlijk! Vooruit! Die daar op Joupandan moeten onze blauwe boonen ook eens proeven!”

Nadat ook dit fort deerlijk toegetakeld was, keerde de „Mars” terug en zoodra het voor het kwartier der Portugeezen kwam, begon het lieve leven opnieuw.

„Ik wilde wel dat de „Breukelen” wat ruimte maakte.” zeide Kapitein Londenaar tot Henri Quatre.

„Kunnen we het dan niet wat meer langs den wal houden,” vroeg deze. „Zoo gaat het niet langer.”

„Dat moet dan maar,” sprak Londenaar, „maar oppassen is de boodschap, anders varen we omhoog.”

Dolf bracht daarop de „Koning van Polen” wat meer naar het strand, doch opeens kwam de Kapitein aanloopen en schreeuwde: „Roer op! Roer op!”

Ja, het was mooi gezegd: „Roer op!” maar het roer zat als een muur zoo vast.

„Wat is dat?” riep Dolf.

„Wij zijn boven de plaats waar gisteren de Portugeesche Admiraal in de lucht gevlogen is. Het roer zit vast aan het ankertouw van het wrak!”

Bom — bom — bom!

„Lieve schepsel, dat is nu om ons te doen!” riep Joost. „Nog niet genoeg dooden en gekwetsten?”

„Vuur, voor den drommel, vuur! Geef ze van laken!” riep Kapitein Londenaar. „Wij moeten van ons blijven afbijten.”

Dat kon echter nu maar van bakboordszijde gebeuren; want van wenden of keeren was geene sprake.

„Dag, Kapitein! Dag jongens!” riep op eenmaal Joost, die door een’ musketkogel getroffen was, uit.

„Drommels, Ouwe Joost, laat je het er bij liggen?” riep Dolf, die den man ophielp.

„Die — Por — Portugeezen — zijn — zijn — kerels! Laat me — laat me — sterven in de armen — armen van een’ Hollander, mijn — vriend! Laat — IJzeren — Nep — tunus — komen.”

IJzeren Neptunus trad nader.

„Wel, Joost,” zeî hij, „wat is dát?”

„Houd—uwe—hand—hand onder mijn hoofd—IJzeren—Nep—Neptunus!” stamelde hij.

Kapitein Londenaar deed het.

„Doe—de—groeten thuis—aan—vrouw en kin—kinderen! Vaar—wel, ka—me—raad! Ad—adjuus!”

Kapitein Londenaar hield een lijk in de armen.

Joost was in dienst der Compagnie gestorven.

Bom! bom! bom! klonken de kanonschoten der Portugeezen, en bijna ieder schot was raak.

„Sein om hulp!” riep Kapitein Londenaar.

„Hoezee! Hoezee!” riep op hetzelfde oogenblik Henri Quatre, en het schip was vrij.

Een vijandelijke kogel had het ankertouw, waarin het roer verward was, middendoor geschoten.

In een oogenblik had men het schip gewend en was de batterij aan stuurboord afgevuurd.

„Het is genoeg, Stuurman!” sprak Kapitein Londenaar. „Wij moeten afhouden. De „Koning van Polen” zal een’ zwaren dobber hebben om de andere tien bij te houden! Hoeveel water zouden we in het ruim hebben?”

„Niet veel, Kapitein! De scheepstimmerlui hebben wonderen gedaan! U heeft volk aanboord zoo goed als de Heeren Truytman en van Dam niet hebben,” zeide Dolf.

Wijselijk hield men van den wal af en liet men het geschut zwijgen. Het werd tijd, dat men ophield en zich verzamelde, om opnieuw krijgsraad te houden.

Toen de avond gevallen was lag de heele vloot weer voor Panakoké op dezelfde plaats van den voorgaanden nacht ten anker. De gezonden rustten uit van de vermoeienissen van den dag.

In den scheepsraad, die nog dien eigen avond aanboord van de „Mars” gehouden werd, bleek het, dat de „Koning van Polen” bijna alleen zooveel dooden en gekwetsten had, als al de andere schepen samen. Er waren dus bij het bombardement van de forten en de stad niet veel Hollandsche menschenlevens te betreuren. Ook bij de landingstroepen had men alleen een paar, die niet eens zwaar gewond waren en slechts één’ doode. Omtrent de plannen van den volgenden dag werd niet gerept. De Heer van Dam meende wel, dat de Koning van Makassar het niet wagen zou, na zulk eene ontzettende nederlaag, waarbij de keur van zijne oorlogsbenden omgekomen was, den strijd voort te zetten. Naar zijne gedachten zou er den volgenden morgen wel een nieuw Gezantschap komen om de voorwaarden te hooren, waarop de Compagnie vrede wilde sluiten. Er werd alleen maar aangenomen, dat men het kasteel Panakoké zou blijven bezetten en daar scherpe wacht houden. Men kon dan altijd den volgenden dag zien, wat er gedaan moest worden.

Natuurlijk was met het aanbreken van den dag weer alles op de been, en het eerste werk der Hollanders was, hunne dooden aan den wal te begraven en de gekwetsten over de vloot te verdeelen. De groote menigte lijken van Makassaren, die men vond, liet men, onbarmhartig genoeg, maar liggen. Zoodra men hiermede geheel klaar was, begon men alles weer gereed te maken om den Koning van Makassar en zijn’ vrienden de Portugeezen van hetzelfde laken een pak te geven als den vorigen dag. Men had nog krijgsvoorraad genoeg en door den ijver der matrozen was veel van het beschadigde weer hersteld. Eer men echter er toe kon overgaan, kwam er des morgens om negen uren al een prachtig versierd vaartuig met den voornaamsten Makassaarschen Prins en groot gevolg aanboord. Hij werd weer tot de Bevelhebbers der vloot toegelaten en thans kwam het uit, dat de Makassaren geen’ trek hadden nog een tweede pak van dat laken te ontvangen. Ze meenden zoo, dat ze met dat eene pak best voor den dag konden komen en begonnen met alvast een’ wapenstilstand te verzoeken. Verder kregen de Hollanders een pluimpje, dat ze zich zoo wakker geweerd hadden.

Onze Bevelhebbers hielden zich evenwel groot en vertelden, dat ze niet vanplan waren, het ditmaal met een’ sisser te laten afloopen. De vloot, die nu voor de stad lag, zeiden ze, bestond maar uit eenige koopvaarders, die opweg waren naar Batavia en besloten hadden meteen dat spelletje hier te spelen. Over eenigen tijd zouden de Koning en zijne vrienden nog wat anders zien. Dan kwam de eigenlijke oorlogsvloot, en al wat er nu gebeurd was, zou niemendal te beteekenen hebben bij hetgeen er dan gebeuren zou.

De Afgezant was ook door eenige Priesters vergezeld en nauwelijks hoorden deze die vreeselijke bedreiging, of één hunner schreeuwde luidkeels: „O, groote Profeet, is er dan nog niet genoeg bloed vergoten!”

„Of er nog niet genoeg bloed vergoten is,” zeide Admiraal Truytman, „dat hangt alleen van uw’ Koning af. Als deze zijne voornaamste Edellieden naar Batavia zendt om daar met den Grooten Heer een verbond van vriendschap en onderwerping te sluiten, dan heeft het bloedvergieten een einde genomen. Kan hij hiertoe niet overgaan, voorwaar, eer de zon ter kimmen daalt, zullen wij opnieuw getoond hebben, dat we na zoo lang gesard, geplaagd en bedrogen te zijn, eindelijk ons goed hart het zwijgen hebben opgelegd, en wraak willen nemen over zooveel onwil en trouweloosheid. Zeg dat aan uw’ Koning! En nog wat. Geruimen tijd geleden is op deze kusten een klein schip van de Compagnie gestrand en het volk gevangen genomen. Nog vandaag eischen we die gevangenen in ons midden. Verder geven wij een’ wapenstilstand van tweemaal vierentwintig uren en in dien tijd moet alles naar ons genoegen afgeloopen zijn. De Afgezant weet thans zijne boodschap en kan gaan.”

De Prins vertrok met hangende pootjes en zeker had hij zich wel niet voorgesteld dat die „kwade” Nederlanders zooveel noten op hun’ zang zouden hebben.

Spoedig daarop kwamen de Afgezanten weer terug met de boodschap, dat de Koning begon met de eischen van de Nederlanders aan te nemen, en dat hij hun zelfs het vrije verkeer aan den wal toeliet. Als een bewijs zijner hoogachting gaf hij den Bevelhebbers eene magere karbouw, doch de onzen gaven dat beestje dadelijk de vrijheid. Zij wilden den schijn niet aannemen, aan het een of ander gebrek te hebben.

Overal werden nu de roode vlaggen neergehaald en door witte vervangen. Dit geschiedde ook aanboord van onze schepen en nauwelijks was het bekend, dat het vrije verkeer aan den wal toegelaten was, of verscheidene matrozen en Officieren vroegen verlof van dit aanbod gebruik te maken.

„Hoort eens, mannen,” zeide Truytman, „ik vertrouw den Makassaar niet verder dan mijn neus lang is. Om hem te toonen, dat we aan wal durven komen, zullen we het doen ook; maar ieder neme de noodige maatregelen van voorzichtigheid in acht en zorge, dat hij goed gewapend zij en zich in geene hinderlaag late lokken. De elf groote schepen, die zich gisteren zoo kloek geweerd hebben, moeten vlak voor de stad komen liggen en terwijl het eene deel der manschappen zich wat ontspant, moet het andere deel zich gereed houden om mogelijk verraad oogenblikkelijk en op eene vreeselijke wijze te straffen. De Amboineezen zal ik gebruiken om de grachten om het fort Panakoké te laten verbeteren en uitdiepen; want, als de vloot vertrekt, moet dat fort bezet worden, en zóó sterk zijn, dat het, bij goede waakzaamheid, onmogelijk kan ingenomen worden.”

De wonde, welke Dirk den vorigen dag ontvangen had, was gelukkig niet erger, doch Meester Pruymius vond het beter, dat hij aanboord bleef en rust hield, omdat er mogelijk eene wondkoorts bij kon komen.

Dat viel Dirk tegen, want hij zou zoo gaarne met Garrit en den barbier eens naar den wal gegaan zijn om wat afleiding te hebben.

En afleiding had de knaap wel noodig. Als hij daar zoo eenzaam lag en Garrit niet bij zich had om wat met dezen te praten, dan dacht hij aan den goeden Ouden Joost, dien braven vriend, die altijd zoo hartelijk en vriendelijk voor hem was geweest als de andere matrozen hem en zijn’ broeder voor de „Twee Vromen” scholden. Vanmorgen hadden ze hem een eerlijk zeemans-graf aan den wal gegeven. Hem, ja, en Hoepel en Kreeft ook. Met wien moesten ze nu omgaan? Wie zou hun een’ riem onder het hart steken?

Henri Quatre? Ja, dat was een nobel man, maar — hij was Eerste Stuurman en zou nu wel gauw Kapitein worden. Dan ging hij over op een ander schip.

Dolf? Ja, die was ook goed, door en door goed zelfs; maar die was ook Stuurman, en aanboord van een schip ziet de Kapitein niet graag, dat de meerdere met den mindere zoo vriendschappelijk omgaat. Soort moet zich bij soort houden.

IJzeren Neptunus? Hij zou hun geen kwaad doen, neen, stellig niet! Hij was een braaf en goed man, maar om eens even het volle hart uit te storten, zooals ze dat bij Ouden Joost, bij Hoepel of bij Kreeft wel eens gedaan hadden, zie, dat konden ze nog minder.

Meester Pruymius? Och, die was wel goed; maar zoo vreemd! Ze hielden hem allemaal voor den gek met zijn troost der armen! En een verstandig woord spreken of een’ goeden raad geven, dat kon hij wel, maar zoo goed als de anderen dat konden, neen, dat in het geheel niet.

Onderwijl de arme Dirk zoo dacht begon hij zich zeer verlaten te gevoelen. Zijn hart werd al voller en voller en op het laatst barstte hij in tranen uit, sloeg de armen om de leuning van de trap en kermde: „o Lief, lief, goed Moedertje! Brave, beste Vader! Garrit en ik zijn zoo verlaten! Zoo verlaten en alleen!”

In zijne droefheid had hij niet gehoord, dat hem iemand genaderd was.

Eene hand werd op zijn’ schouder gelegd en een vriendelijk gefluister klonk aan zijn oor: „Ben ik er dan niet meer, jongen? Toe, kijk eens even op en zie me eens aan!”

Dirk schrikte, keek om en....”

IJzeren Neptunus zag hem aan.

En die man, die groote, sterke man, die zeebonk als een boom, — hij had tranen in de donkere oogen en nogmaals klonk het: „Ben ik er dan niet meer, jongen?”

„Kapitein! Kapitein!” riep Dirk. Maar meer kon hij niet zeggen en snikkend boog hij het kloppende hoofd aan de breede borst van den reus, waarin een hart zat zoo edel, zoo groot, zoo goed, dat Dirk zich ten laatste vermande en met diep bewogen stem vroeg: „Kapitein, wil u dan in de plaats van onze lieve Ouders komen? Wil u dat?”