„Of ik wil, jongen? Of ik wil? Ja, ja, van ganscher harte. Hier heb je mijne hand er op. Blijft gij allebei oppassen als tot nu, ik zal je helpen, troosten en bijstaan! De Almachtige hoort me spreken, en — een man, een man; een woord, een woord!” —
Was het wel te verwonderen, dat de arme jongen op Garrits vraag: „Dirk, ga je met mij en Meester Pruymius mede naar den wal? Als je maar kalm blijft, zal het je geen kwaad doen, zei Meester,” met een’ vroolijken lach op het gelaat uitriep: „Ja, Garrit, graag, graag!”
Er ligt voor menschen en kinderen, die zich op aarde verlaten wanen, zulk een groote troost in, te ervaren, dat men zich bedroog en hier op aarde toch niet alleen staat.
De tocht onzer drie gezellen was, zooals men lichtelijk begrijpen kan, naar het kasteel Panakoké. Ze wilden wel eens zien hoe sterk dat was en op welke wijze de Makassaren hunne forten bouwden.
Op weg daarheen zagen ze eenige soldaten der Makassaren aankomen. Zij waren sterk gewapend en hadden drie zwaar geboeide mannen in hun midden.
„Dat gelijken wel drie der onzen,” zeide Garrit. „Dat zullen toch die arme schipbreukelingen niet zijn, die ze ons zoo uitleveren?”
„Wel neen, jongen,” antwoordde Meester Pruymius. „Na het lesje, dat ze ontvangen hebben zullen ze zoo iets niet meer wagen. Kom, we zullen eens gaan kijken wat het is.”
Ons drietal verhaastte de schreden, doch lang vóór ze bij de hoofdpoort van Panakoké kwamen, waren de Makassaren er al met hunne gevangenen, die aan den Hollandschen Bevelhebber overgegeven werden.
De Makassaren keerden terug en de drie geboeide mannen werden op staanden voet en zonder eenigen vorm van proces, naast elkander, aan den diksten tak van een’ hoogen boom opgehangen.
De drie vrienden wendden hun hoofd van dat akelig gezicht af en zett’en, wel wat ontdaan over dit voorval, hun’ tocht voort. Spoedig waren ze nu bij de poort van het kasteel waar Meester Pruymius aan een’ Vaandrig der landingstroepen vroeg, waartoe die wreedheid toch diende.
„Wreedheid, sinjeur!” riep de Vaandrig. „Ik zou u raden een toontje lager te zingen. Er is recht, niets meer dan recht gedaan. Gij behoort toch niet tot de Doms of Makassaren?”
„Ik ben zoo goed een Hollander, als gij er een zijt, man,” zeide de barbier. „Ik ben Meester Pruymius van de „Koning van Polen.” Maar zoo iets, als hier gebeurt....”
„Gebeurt in de Vereenigde Nederlanden immers ook dikwijls genoeg? Of heeft niet iedere stad zijn galgenveld? En wordt dat galgenveld wel gebruikt om er doperwtjes en peultjes te telen?”
„Alles behalve, man! Maar ik heb er nooit aardigheid in gevonden om eens te gaan kijken of al de zeven pennen wel vol waren. Waren die drie ook moordenaars?”
„Erger, erger!” luidde het antwoord.
„Amok-makers dan?” vroeg Dirk en hij dacht terstond aan het vreeselijk oogenblik, dat hij te Batavia beleefd had en eene huivering liep bij die gedachte door al zijne leden.
„Nog erger, veel erger!” sprak de Vaandrig.
Geene moordenaars, maar erger dan deze!
Geen amok-makers, maar nog veel erger dan deze!
Welke vreeselijke menschen waren die drie dan toch?
Dat vroeg ook eindelijk Meester Pruymius.
„Het zijn drie overloopers,” antwoordde de Vaandrig. „Twee Franschen en een Portugees! Ze wilden zeker hun geluk eens bij den vijand beproeven en daar alles van onze aangelegenheden aan de groote klok hangen. Zoodra het echter bekend was, dat die drie weggeloopen waren, eischte onze Bevelhebber hen dadelijk van den Koning op en deze, nog niet bekomen van den schrik, heeft hen onmiddellijk uitgeleverd. Om een goed voorbeeld te stellen zijn ze bij de uitlevering, zonder verhoor zelfs, opgehangen. Dat komt ervan!”[33]
De drie gezellen lieten den wijzen Vaandrig, die zoo van korte metten maken hield, staan en gingen het fort binnen.
Men was druk bezig om binnen de ruimte, die tusschen de muren was, allerlei woningen voor de bezetting en magazijnen voor den levens- en krijgsvoorraad te bouwen.
De vier ronde punten aan de hoeken der muren waren voorzien met nieuwe en zware metalen kanonnen.
De muren zelve waren zeer dik en goed onderhouden en op de borstwering lagen stapels met gekloofde stammen van klapperboomen, om hiermede den vijand bij eene bestorming naar het hoofd te smijten.
De gracht om het fort werd overal uitgediept en met scherp gepunte schanspalen, zoogenaamde palissaden, voorzien en de voetangels en klemmen, die in dezen tijd bij eene versterkte plaats niet schenen gemist te kunnen worden, waren in overvloed neergelegd.
Het liet zich dus aanzien, dat de Makassaren, ook als de vloot vertrokken was, er niet gauw toe zouden overgaan om deze sterkte met geweld te bemachtigen. Wat ze door list zouden beproeven, moest men nog afwachten, zoodat hij, die hier Bevelhebber werd, een zeer waakzaam man en bovendien een dapper soldaat moest zijn.
Nadat ze zoo alles goed bekeken hadden, wilden ze de sterkte weer verlaten toen ze eenige uitgehongerde bedelaars aan de poort met den Vaandrig in gesprek zagen.
„Wie zouden die mannen zijn?” vroeg Garrit.
„Misschien ook wel overloopers,” meende Dirk en hij spoorde Meester Pruymius al aan om toch wat meer haast te maken, anders zouden ze mogelijk weer van zulk eene akelige terechtstelling getuigen moeten zijn.
In het eerst scheen de goedige Dokter, die zoo iets liever ook niet zou willen zien, aan het verzoek van Dirk gehoor te geven, doch hoe meer hij de poort, den Vaandrig en de bedelaars naderde, hoe langzamer hij liep.
Ten laatste stond hij zelfs stil en scheen het met zichzelven niet eens te zijn.
„Kom dan toch, Meester,” smeekten de jongens.
Onafgebroken hield Meester Pruymius het oog op den voorsten bedelaar gewend.
„Wat henker,” bromde hij, „dien man ken ik!”
„Kom, Meester, meê! meê!” riep Dirk.
„Jongen,” zei Meester Pruymius op eenmaal, en hij keek Garrit vlak in de oogen, „waar ligt uw Vader begraven?”
Garrit schrikte bij deze onverwachte vraag niet weinig en zeide: „Moeder ligt bij de smalle gemeente te Haarlem begraven. Waarom vraagt gij dat toch zoo opeens?”[34]
„Ik vraag niet naar je Moeder! Ik vraag naar je Vader,” hernam Meester Pruymius op driftigen toon.
„Dat heeft Moeder nooit willen zeggen,” sprak thans Dirk. „Maar waarom vraagt gij dat?”
„Zoo maar! Wanneer is je Vader gestorven?”
„Ook dat heeft Moeder nooit gezegd. Ik was drie jaar, meen ik, toen ik des avonds een’ man aan Moeder hoorde vertellen, maar op fluisterenden toon: „Verdronken!” Toen zeide hij nog wat; maar dat verstond ik niet. Zoodra die man weg was, barstte Moeder in luid geween uit. Garrit, die een jaar jonger is dan ik, huilde mede, maar wist niet waarom. Ik huilde, omdat ik het Moeder zag doen, en mijne armpjes om haar’ hals slaande, vroeg ik: „Wat is het, Moetje?” en snikkend klonk haar antwoord: „Kindertjes, gij hebt geen Vadertje meer!” Later heeft ze nooit meer over dezen avond gesproken. Dat is alles, wat ik ervan weet, en Garrit weet er zoo goed als niets van.”
„Zoo, zoo!” zeide Meester Pruymius nadenkend met het hoofd knikkend en ging weer langzaam verder.
De zoogenaamde bedelaars werden door den Vaandrig in het wachthuis gelaten en weldra ging Admiraal Truytman met eenigen zijner Officieren, van buiten gekomen, ook binnen.
Onze drie verlieten nu het kasteel, doch zoodra ze bij eene plaats kwamen waar juist eene boot van de „Koning van Polen” zou afvaren, riep Meester Pruymius het volk toe, dat het wachten moest, want dat zij mede wilden. Het volk wachtte en onder het gaan naar de boot vroeg de Dokter aan Dirk: „Hoe heette je Vader?”
„Cornelis Dirksz., Meester!” gaf Dirk ten antwoord.
„Haast je wat! Een uur en is geen kinderstoel en men kan het niet achteruit rijden!” riep Dolf, die de boot zou sturen en blijkbaar wat veel haast scheen te hebben.
„We zijn er,” sprak Meester Pruymius en liet de jongens vóór zich in de boot stappen, doch toen hij hen heette te willen volgen, trok hij zich terug en zei: „Gaat maar zonder mij! Ik heb in het kasteel wat vergeten en zal straks wel met eene andere boot aanboord komen.”
Na dit gezegd te hebben liep hij op een drafje terug.
„Wat doet Meester Troost der Armen toch gek,” zeide een der matrozen. „Hij schijnt erg zenuwachtig te zijn.”
„Och, hij zal een nieuw geneesmiddel voor Dirks hoofdwonde gevonden hebben en dat gaan halen!” spotte een andere matroos. „Wie weet welk een’ vreemden poespas hij nu weer opgedoken heeft.”
„Neen,” zeide Garrit, „hij heeft geen geneesmiddel gevonden, maar ik geloof dat hij akelig geworden is door het ophangen van die drie overloopers. Wij waren er juist bij toen dat gebeurde.”
„Ja, en toen hij die arme bedelaars in het fort zag komen, begon hij dadelijk heel raar te doen en naar Vader en Moeder te vragen,” zeide Dirk. „Ik geloof stellig dat hij er kennissen onder had.”
„Nu, nu, we zullen er later wel meer van hooren,” sprak Dolf. „Als onze Meester wat bijzonders heeft kan hij dat toch niet zwijgen! Vooruit, mannen!”
De riemen plasten in het water en een kwartier later was weer al het volk aanboord op den Kapitein en den scheepsbarbier na. Van den Kapitein was men dat gewoon, omdat deze nu telkens voor allerlei zaken aan den wal moest zijn, maar dat Meester Pruymius daar nu alleen achtergebleven was, zie, dat vond men toch vreemd, en allen meenden dat hij vast en stellig alweer met een nieuw wonderwatertje of een vreemd zalfje zou terugkeeren.
Natuurlijk zijn wij, die met den goedigen Meester ook aan wal gingen wel wat nieuwsgierig om te weten, wat hem bewoog terug te keeren. Daarom verlaten we ook de „Koning van Polen” en spoeden ons om Meester Pruymius in te halen. Onze beenen zijn nog heel wat jonger dan de zijne, zoodat hij ons wel niet uit het gezicht loopen zal. Zie, daar is hij al. Hij staat bij het wachthuis aan de poort van het fort en wij zijn er ook.
„Alweer terug, Meester?” vroeg de Vaandrig.
„Ja, dat ziet ge. Zijn die bedelaars daar nog binnen?”
„Bedelaars? Ik weet van geene bedelaars!”
„Dat slecht gekleede magere volk van daar straks!”
„O, meen je dat? Dat waren de Stuurman en de matrozen van het Hollandsche schip, dat hier eenige jaren geleden gestrand en geplunderd is! De Koning van Makassar heeft die lieden moeten uitleveren. Maar wat zien ze er uit! De zielen hebben wat geleden, hoor!”
„Ja, ja, dat zal wel! En zijn ze nog binnen?”
„Ja! De Admiraal en eenige Kapiteins willen zeker hunne lotgevallen vernemen. Stil, daar komen ze!”
De Bevelhebber, gevolgd door de meeste Kapiteins, trad nu buiten het wachthuis en ging de vesting van binnen met al hare versterkingen en voorraad-magazijnen in oogenschouw nemen.
„Mag ik binnengaan?” vroeg Meester Pruymius aan den Vaandrig. „Ik zou die arme slokkerds wel eens willen zien.”
De Vaandrig knikte toestemmend en zei: „Uwe medicamenten hebben ze vooreerst niet noodig, Meester! Ze zijn nu bezig den inwendigen mensch te versterken met pekelvleesch en beschuit, en dat schijnt hun goed te smaken ook, want ze rammelden van den honger.”
Meester Pruymius hoorde die laatste woorden niet eens en trad in het groote vertrek, waar acht mannen bezig waren met flink toe te tasten. Hij keek hen eens aan, en eindelijk zijn’ man gevonden hebbende, trad hij op hem toe, klopte hem op den schouder en vroeg botweg: „Wel, Cornelis Dirksz., smaakt het, ouwentje? Mij dunkt zoo dat je dit in langen tijd niet gehad hebt.”
„Ja, ja, best,” antwoordde de gevraagde met vollen mond. „Best, Sinjeur!” — Hij deed een’ slok en nog een’. Toen was de mond ledig. — „Maar mag ik weten wie u is?”
„Jij bent dus Cornelis Dirksz.? Is dat zoo?”
„Ja, ja, die ben ik! Maar ik ken u niet!”
„Ja man, dan staan we al even na. Ik ken u ook niet,” sprak Meester Pruymius verward.
„Och, Stuurman, laat die man u niet van het maal houden! Tast toe!” zeide thans een der etende en smullende matrozen en schoof Cornelis Dirksz. een’ schotel met vleesch toe. „Je weet, als het schaapje blaat verliest het zijn beetje.”
„Goed! Eet man, eet je genoegen! En als je den buik vol hebt, moet ik u een en ander vertellen,” sprak Meester Pruymius en ging toen, van pret in de handen wrijvend, het vertrek eenige keeren op en neer.
„Tot uw’ dienst, Sinjeur,” sprak na een poosje de man, die werkelijk Cornelis Dirksz. heette en die Stuurman bleek te zijn.
„Ik ken u niet, maar ik ken uwe jongens! Ik ken Garrit! En, al zie je er ook erg lijdend en vermagerd uit, toch lijkt je sprekend op dien jongen,” zeide Meester Pruymius.
„Garrit!” riep de man en greep de handen van den Dokter. „Garrit? Kent u hem? Hij moet al een heele kerel wezen. En Dirk ook al. Kent u Dirk ook? En mijne vrouw?”
„Uwe vrouw heb ik nooit gekend, goede vriend! Wie weet of de ziel al niet lang en breed dood is, ik geloof het haast. En Garrit, ja, een heele kerel! Hij is zeventien! Dirk is achttien. Ze dienen bij ons op het schip en omdat ze altijd zoo ingetogen en stil zijn, worden ze door het volk de „Twee Vromen” genoemd. Maar nu ik mij wel herinner, de jongens hebben me gezegd dat ze weezen waren, zoodat uwe vrouw stellig dood is.”
Dat alles was er uit eer Meester Pruymius er aan dacht, dat hij toch dom deed, dat alles zoo opeens te vertellen. Die man had zooveel geleden en zou dus misschien niet sterk genoeg zijn, om....
Daar ging hij al.
Gelukkig had Meester Pruymius het zien aankomen, en eer de man voorover sloeg, had hij hem in de armen opgevangen en droeg hem naar eene bank. Uit eene groote doos, die hij altijd bij zich droeg, haalde hij nu een fleschje, waarin een scherp riekend vocht was. Hij hield hem dat onder den neus en — de man kwam weer bij. Uit een ander fleschje, dat veel grooter was, en dat gevuld was met arak, liet hij hem nu een’ teug drinken.[35]
„Men sterft niet van blijdschap, Stuurman,” zeide nu Meester Pruymius. „Luister, wat ik u te vertellen heb.”
De twee mannen zett’en zich nu buiten het gebouw op eene bank neder en daar deelde de vriendelijke Dokter hem alles mede. Hij verzweeg ook niet, dat Dirk in het laatste gevecht gewond was geworden. En juist toen hij alles verteld had, kwam Kapitein Londenaar met Admiraal Truytman aan. Meester Pruymius ging naar die twee toe en zeide op beleefden toon, wat er gebeurd was en wien hij gevonden had.
„Weet je wat, Kapitein,” zeide de Admiraal. „Bij u aanboord zijn in het gevecht nog al dooden gevallen. Neem gij den Stuurman mede, dan is de Vader bij zijne zoons!”
„Ik heb geene Stuurlieden noodig, Admiraal!”
„Vanmiddag nog niet; vanavond wel. Uw Stuurman Adolf van Backerswerve zal, met Willem van Aspervelde als Kapitein, „de Hollandsche Remedie” naar Batavia brengen!”
„Mijne beste mannen,” riep Kapitein Londenaar.
„Heer Johan van Dam wil het zoo,” zeide Truytman en hierop klonk het nog half fluisterend: „Een soort van wraak, Kapitein! „De Hollandsche Remedie” zal Joffer Cos overbrengen. Laat Cornelis Dirksz. nu uw Eerste Stuurman zijn en de oudste zijner zoons de tweede. Ik stel beiden aan en maak zooveel goed als ik kan.”
Cornelis Dirksz., die alles, behalve het gefluister, verstaan had, kwam nu nader en zeide: „Admiraal, mijn innigen dank daarvoor! Kapitein, ik beloof u een goed Stuurman te zullen zijn, al ben ik het ook bij ongeluk geworden.”
„Ga dan maar gauw mede aanboord,” zeide IJzeren Neptunus, „dan kunnen Henri Quatre en Dolf de Boef nog aan een vreugdemaal deelnemen!”
Na afscheid van den Admiraal genomen te hebben wilde Kapitein Londenaar heengaan; maar zijn nieuwe Stuurman hield hem staande en zeide: „Ik moet mijn volk nog goeden dag zeggen en hun alles mededeelen. Ik mag immers wel? We hebben samen zooveel geleden en we deelden zoo hartelijk in elkanders lot!”
„Zeker moogt ge! En zoo is het beter ook. Meester Pruymius en ik gaan vooruit om uwe jongens op het heugelijke nieuws voor te bereiden. Over een half uur laat ik u halen. Tot straks!”
Zoodra Kapitein Londenaar op het dek van de „Koning van Polen” stond, kwam Henri Quatre op hem af en zeide: „Hier is een brief voor u van den Heer Johan van Dam. Ik-zelf heb er ook een ontvangen en Dolf ook een. En zonder dien van u gelezen te hebben, kunnen we haast raden wat de Heer van Dam u meldt. Wij gaan u verlaten, Kapitein! Dat doet ons beiden zeer veel leed; want wij konden het zoo goed met u vinden.”
„Dat gij mij verlaten zoudt, wist ik reeds van Admiraal Truytman, doch dat de Heer van Dam u reeds kennis van uwe bevordering gegeven had, kon ik niet vermoeden. Intusschen wensch ik u en Dolf van harte met de benoeming geluk. Wij hebben eene gelukkige reize gemaakt. En zeker weet gij al, dat ge aanboord van „de Hollandsche Remedie” een passagier zult hebben?”
„Neen,” riep Dolf. „Hiervan weten wij niets. Een der Afgezanten van den Koning van Makassar soms?”
„Die reizen op eigen gelegenheid met hunne eigen vaartuigen naar Batavia. Tenminste, als het er van komt; want we zijn nog zoo verre niet. De Makassaren zoeken telkens uitvluchten. Neen, Joffer Cos komt bij u aanboord en vanavond nog zult ge met haar vertrekken. Als er nu maar katten zijn op „de Hollandsche Remedie” of geene ratten!”
Daar stond wat van in toen de twee vrienden hoorden welk een gezelschap ze kregen. In het eerst waren ze zelfs instaat om voor de aangeboden betrekkingen te bedanken, doch Kapitein Londenaar beduidde hun’ dat ze wel dwaas zouden zijn, terwille van die lastige dame, hun geluk met voeten te treden. De overtocht was immers in eenige dagen volbracht? Weigerden ze het te doen, dan konden ze er ook wel op rekenen, dat ze nimmer bevorderd werden.
„Ondertusschen,” zeide de Kapitein, „zou ik nog vergeten u te zeggen, dat ik al een’ Eersten en een’ Tweeden Stuurman heb. Dat is heel gauw in zijn werk gegaan, he?”
Toen de beide vrienden, op het vernemen van dit bericht, ongeloovig met het hoofd schudd’en en bijna gelijktijdig: „Och, kom!” riepen, vertelde Kapitein Londenaar hun zijne ontmoeting aan den wal, en eindigde met te zeggen: „Haalt gij beiden hem nu af en — laat Garrit ook mee gaan. Meester Pruymius is op het oogenblik bezig om Dirk op het aangename bericht voor te bereiden.”
Een half uurtje later roeiden eenige mannen, waarbij ook Garrit, met de groote boot naar den wal om den nieuwen Stuurman aanboord te brengen. Garrit wist niet beter dan dat ze aan den wal een’ Eersten Stuurman gingen halen, en het volk, dat ook niet wist, wie die nieuwe Eerste Stuurman was, toonde zich met dien ruil in het geheel niet ingenomen, want Henri Quatre en Dolf hadden zich bij het volk zeer bemind weten te maken. Garrit zeide, dat hij, als Kapitein Londenaar en Meester Pruymius er niet waren, met zijn’ broer zou willen wegloopen.
„Ik wed om een’ zilveren duit, dat Garrit en zijn broer de eersten zullen zijn om blijde te wezen, dat ze een’ nieuwen Eersten Stuurman krijgen in den persoon, die daar aan den wal staat,” zeide Meester Pruymius en wees naar een’ man die blijkbaar op eene boot stond te wachten, en zag dat de boot, die naderde die was, welke hem kwam afhalen. Meester Pruymius was ver genoeg te herkennen.
De matrozen keken in de aangewezen richting en zoodra Garrit dat ook gedaan had, riep hij: „Dat is een halve Makassaar, een kwart Portugees en een kwart Hollander! Een mooie jongen, ja! Moet hij bij ons aanboord Eerste Stuurman worden? Ha! Ha!”
Zoo snappend over den „mooien jongen” roeiden de matrozen voort en hadden den wachtenden man weldra in hunne boot opgenomen. Van den vrijen tijd, dien men hem gelaten had, had hij niet alleen gebruik gemaakt om van zijne manschappen afscheid te nemen, maar ook om voor het geld, dat Admiraal Truytman hem en de andere mannen gegeven had, zich eens flink te reinigen, en inplaats van zijn bedelaars-pak andere kleederen te koopen. Hierop was evenwel eene zware wijs gegaan; want er waren in Makassar geene winkels waar men kleederen voor een’ Hollandschen zeeman koopen kon. Na lang zoeken was het hem eindelijk gelukt bij een’ Chinees het pak te koopen, dat hij aan had.
Op weg naar het schip had Henri Quatre den nieuwen Stuurman vlak naast Garrit gezet en daar deze hierover een weinig geraakt was, trok hij, om zijne boosheid te verzetten, aan zijn’ riem, alsof hij alleen de boot moest roeien.
„Daar zit kracht in je handen, jonge maat,” zeide Stuurman Dirksz., den knaap met welgevallen aanziende, doch niet vermoedende dat die jonge matroos zijn zoon was.
„Doet me pleizier, Stuurman,” antwoordde Garrit korzelig en trok toen nog veel sterker.
„Zeker al lang gevaren, al ben je nog jong!”
„Vijf jaar gevaren,” antwoordde Garrit nog nijdiger.
„We zijn er!” klonk op dit oogenblik Henri Quatre’s stem. De boot legde bij den valreep aan. Meester Pruymius repte zich om het eerst op het dek te zijn en daarna volgden de anderen.
„Welkom, Stuurman, op het dek van de „Koning van Polen”,” zeide Kapitein Londenaar. „Ik vertrouw, dat....”
„Vader! Vader! Waar is Vader?” schreeuwde opeens Dirk, die naar boven kwam loopen, tegengehouden door Meester Pruymius, die niets deed dan roepen: „Jongen, je hoofd! Denk aan je hoofd!”
„Waar is Vader? Waar is Vader?” schreeuwde Dirk maar steeds voort.
„Hier, jongen, hier!” riep Stuurman Dirksz. en snelde zijn’ zoon te gemoet. „Wie ben je?”
„Vader! Vader! Goede Vader! Ik ben Dirk! Hier, hier ben ik, ik, ik ....” snikte Dirk en sloeg zijne armen om den hals van den mageren, bruinen Stuurman.
„Wat is — wat is dat toch — dat toch?” vroeg Garrit, geweldig bevend en opgewonden.
„Dat is uw Vader, Garrit,” zeide Londenaar.
„Hier is Garrit! Hier, hier, hier is Garrit, hier, hier!” schreeuwde nu de knaap en viel op zijne beurt ook zijn’ Vader om den hals.
Het was een treffend gezicht, die drie mannen daar in ééne omarming te zien staan en toen Meester Pruymius dat ook zag, schoot zijn gemoed vol en met bevende stem begon hij te zingen:
„Dancket Godt nu opentlick,
Hy is doch seer vriendelick;
Want Syn groote goedigheyt,
Geduert inder eeuwigheyt.”
En weer zou hij, die geloofd had, dat Janmaat alleen maar een ruwe, onbehouwen kerel is, uitgeroepen hebben, als hij dat heerlijk tooneel had mogen aanschouwen en dat gezang hooren: „Daar zit veel mensch onder dat ruwe kleed.”
Een uur later zat de Kapitein met zijne gasten aan den disch en toen het maal afgeloopen was, vertelde de nieuwe Stuurman zijne lotgevallen, die in het kort hierop neerkwamen:
Hij was indertijd schoenlapper te Haarlem en leefde met vrouw en kinderen zeer gelukkig. Maar veertien jaren geleden was hij op een’ avond naar eene herberg medegetroond, waar wervers van de Compagnie hem dronken hadden gemaakt en in zijne dronkenschap dienst hadden laten nemen, als soldaat naar de Oost. Nog dien eigen avond had men hem te Amsterdam scheep gebracht en een paar dagen later was hij reeds vertrokken. Uit Amsterdam had hij nog gelegenheid gehad zijne vrouw eene boodschap te sturen, dat men hem dronken had gemaakt en dat hij nu naar de Oost moest. Dat woord dronken had Dirk verstaan en er verdronken van gemaakt. In de Oost gekomen leerde men hem weldra, als een goed matroos kennen, zoodat hij gebruikt werd om op de landsschepen dienst te doen, en hij het eindelijk zoover bracht, dat men hem tot Stuurman aanstelde op het jacht „De goede Harder”. Op dit jacht deed hij verscheidene tochten en daardoor leerde hij de Indische wateren uitmuntend kennen, zoodat men hem bijna altijd in dienst had. Hierdoor kwam het, dat hij maar zelden met matrozen of ander scheepsvolk kon spreken, die weer naar het Vaderland terugkeerden. Tweemaal had hij echter een’ brief aan zijne vrouw medegegeven; maar deze waren beide keeren niet terecht gekomen. Hij troostte zich met de gedachte, dat hij maar een half jaar meer te dienen had en dan weer naar huis kon gaan, toen „De goede Harder” op de kust van Makassar schipbreuk leed. Inplaats van de arme schipbreukelingen te helpen, had men hen uitgeplunderd en mishandeld. Zeven mannen, waaronder de Kapitein, waren aan de gevolgen der mishandeling gestorven, en de overige acht had men in het binnenland op de velden van een Hoofd laten werken. Toen dat Hoofd stierf, had men hen als bedelaars laten ronddwalen, en eens waren zij zóó verhongerd, dat zij eene doode slang den buik openden om zich te verzadigen met het dier, dat deze slang ingeslokt had, en dat zóó groot was geweest, dat het vraatzuchtige beest er in gestikt was. Kort daarop waren ze opnieuw gevangen genomen en hadden ze aan de wreedste mishandelingen blootgestaan.
Toen Stuurman Dirksz. uitgesproken had, zeide Kapitein Londenaar: „Dergelijke schandalen zullen nu niet meer plaats grijpen, goede vriend! De les, die de Makassaren nu ontvangen hebben, zullen ze wel zóó goed onthouden, dat ze het niet meer wagen zullen om op eenige manier, hetzij door list of met geweld, der Oost-Indische Compagnie den voet dwars te zetten!”
„Dat ware te wenschen, Kapitein, maar het zal niet zoo zijn,” zeide Stuurman Dirksz. „Ik heb, eilaci, ruimschoots de gelegenheid gehad, om dit volk van haver tot gort te leeren kennen. De Makassaren zijn mannen, die durven. Zonder onderscheid haten ze allen de Europeanen, en als men hen in hun dagelijksch doen en laten gadeslaat, dan verzeker ik u, dat de gedachte bij ieder opkomt: Hier in Makassar heeft de Compagnie haar’ gevaarlijksten vijand. Ik voorspel, dat deze tuchtiging heel gauw vergeten zal zijn!”
„Maar, Stuurman,” riep Kapitein Londenaar, „kunnen de luiden dan nog zwaarder getuchtigd worden?”
„Heel Makassar moet het onderstboven gekeerd worden; de landhuizen moeten verbrand en de woningen der minderen onder den voet gehaald worden. Hunne velden en bosschen moet men vernielen en de Makassaren te vuur en te zwaard in hun’ laatsten schuilhoek jagen, waar ze zich op genade of ongenade moeten overgeven, Kapitein!”
„Maar dat is onmenschelijk, Stuurman,” riep Henri Quatre en allen stemden met dien uitroep in. Dolf voegde er zelfs bij: „De ellende, die gij en de uwen geleden hebt, maakt u wreed, vriend! Bedenk, dat de Makassaren toch ook menschen zijn, en hun land en hunne vrijheid niet gaarne prijsgeven!”
„Juist, daar zit de knoop, mijne vrienden! Eerst beproeft men het door geweld aan de Compagnie te ontkomen, en als dat niet gelukt, neemt men list en verraad te baat. Er zit dus voor de Compagnie niets anders op, wanneer ze landen aan haar gebied wil toevoegen, dan de inwoners zóó zwak en klein te maken, dat ze door list en verraad zelfs niets meer kunnen uitrichten.”
„Ik vertrouw altijd nog, dat gij een slecht profeet zijt, Stuurman,” zeide Kapitein Londenaar en bracht het gesprek op andere onderwerpen.
Tegen het vallen van den avond waren Henri Quatre en Dolf naar hun nieuw schip vertrokken en nog denzelfden nacht zette „de Hollandsche Remedie”, met Joffer Cos aanboord, koers naar Batavia.
Eenige dagen later kwam ook de zaak met den Koning van Makassar zoover in orde, dat er besloten werd een deftig Gezantschap naar Batavia te zenden om daar over den vrede te onderhandelen. In het fort Panakoké liet men vijfhonderd man als bezetting achter, en vier schepen bleven daar om toezicht, en den vijand in bedwang te houden.
Het hoofd van het Gezantschap was een zekere Kraëng Papowa, die in eene prachtig versierde prauw plaats nam en nog van drie prauwen vol Edelen vergezeld was.
Intusschen zouden, behalve de vier schepen, die voor Makassar bleven, slechts enkele onder bevel van Heer Johan van Dam het gezantschap naar Batavia vergezellen. Admiraal Truytman kreeg in last met het grootste deel der vloot naar Bima te gaan, om daar rijst te laden, en als hij de lading in had, moest hij naar Solor om daar eene sterkte te bouwen en verder naar Timor om de Portugeezen te bevechten. Tot de schepen, die naar Batavia gingen, behoorde ook de „Koning van Polen.”
Zonder veel ongeval kwam de kleine vloot te Batavia aan, waar de Makassaarsche Edelen met Vorstelijke eerbewijzen ontvangen werden. Buiten de stad werden ze in een prachtig landhuis geherbergd en kort daarop begonnen de onderhandelingen, welke zóó goed vlott’en, dat ze weldra gevolgd werden door het sluiten van een’ eeuwig-durenden vrede, zeer ten voordeele der Oost-Indische Compagnie, naar men meende.
Dien eigen avond ook vertrok de „Koning van Polen” met eene rijke lading en in gezelschap van nog twaalf andere schepen naar het Vaderland.
„Wel, Stuurman,” zeide Kapitein Londenaar, toen ze onderzeil waren, „weet ge het al, dat de vrede tusschen de Compagnie en Makassar gesloten is?”
„Ik heb er van gehoord, Kapitein! Ik heb er van gehoord,” antwoordde Dirksz.
„En ziet ge nu wel, dat ge al een zeer slecht profeet geweest zijt. Men heeft zwart op wit, en wat wil men nog meer?”
„Daarover hoop ik, bij leven en welzijn, nog wel eens later met u te spreken, Kapitein,” klonk het uit den mond van den Stuurman, die de schouders ophaalde, „doch laat ik u zeggen dat al dat mooie „zwart op wit” geen’ duit waard is.”
„Onverbeterlijk!” bromde Kapitein Londenaar.
„Wie onverbeterlijk, Kapitein?”
„Gij zijt onverbeterlijk, goede vriend!”
„U meent de Makassaar, Kapitein! Maar, zooals gezegd is, wij zullen het er later nog wel eens over hebben,” sprak Stuurman Dirksz. en aan zijn werk gaande, liet hij Kapitein Londenaar wel wat ontevreden staan.
„Een ongeluks-profeet,” bromde de Kapitein en ging in de kajuit. „Maar — de man heeft het er Spaansch gehad, en dat zegt alles.”
De retour-vloot kwam ongehinderd in het Vaderland aan, en toen men de lading uit de „Koning van Polen” genomen had, zag men dat dit schip te oud geworden was om nogmaals eene Indische reis te doen. Het volk werd dus voorloopig ontslagen en kwam later op verschillende schepen terecht.[36]
Bij het afscheidnemen had Kapitein Londenaar van zijn’ Stuurman en diens beide zoons, benevens Meester Pruymius de belofte ontvangen, dat zij op zijn nieuw schip weer de nieuwe reis wilden aanvaarden.
„Zeg, Dirk, kijk eens! Wat ziet dat schip er uit!”
Zoo sprak op zekeren middag in het begin van Juli in het jaar 1669 Garrit tot zijn’ broeder Dirk, die nu Kapitein op het fluitschip „De Haey” was. Garrit was zijn Eerste Stuurman. Met de „Beverwijck” — Kapitein Cornelis Dirksz. en de „Alblas” — Kapitein Londenaar, waren ze een paar dagen geleden uit Nederland weer te Batavia aangekomen.
„Die schijnt in den slag geweest te zijn,” antwoordde Dirk. „En kijk, die daar achter komt heeft bijna geen lapje zeil heel. Nu maar, ze schijnen hier ook zoo’n soort van Chattam gespeeld te hebben!”
„Daar ginder komen er nog meer,” zeide Meester Pruymius, die zijne beide jonge vrienden niet had willen verlaten. „En een er van heeft de Admiraals-vlag in top. We moeten straks toch eens zien te vernemen waar ergens zij, zoo gehavend zijn geworden. Ja, ja, de Compagnie is hier niet altijd met den neus in het vet gevallen, en krijgt wel eens eene harde noot te kraken.”
Terwijl deze drie mannen, want Garrit en Dirk waren nu geene knapen meer, zoo met elkander in gesprek waren werden de aankomende schepen van het fort met kanonschoten begroet. Dit voorbeeld werd ook gevolgd door de koopvaarders en enkele oorlogsschepen, die op de reede lagen.
„Nu, als het aan ons ligt, wij zullen niet onderdoen om eerbewijzen te leveren,” zeide Dirk en gaf bevel ook van „De Haey” het geschut los te branden.
Van de naderende vloot werd deze groet natuurlijk beantwoord, zoodat hooren en zien een mensch verging.
Ondertusschen was men aanboord van „De Haey” nog niets wijzer geworden. Men had het eere-saluut gegeven, ja, maar wien het gold, wist men niet.
Zoo ging de middag voorbij en reeds wilde Dirk zich tot zijn’ Vader begeven om dezen opheldering te vragen, toen de Stuurman van de „Alblas” met de boodschap kwam, dat Kapitein Londenaar, Dirk, Garrit en Meester Pruymius uitnoodigde bij hem aanboord te komen; want hij had bezoek gekregen. Kapitein Dirksz. van de „Beverwijck” had hij ook moeten uitnoodigen.
„Bezoek bij IJzeren Neptunus? Wie zou daar gekomen zijn?” vroeg Dirk. „Wij kennen hier immers zoogoed als niemand?”
„Joffer Cos, broertje,” spotte Garrit.
„Ho, ho, geene Joffer Cos meer, maar wel Mevrouw Maetsuycker! Eere wie eere toekomt! Joffer Poes heeft het ver gebracht,” zeide Meester Pruymius lachend. „Maar van dat bezoek gesproken, zou het Admiraal Truytman niet zijn, of Henri Quatre of zijn vriend Dolf de Boef? Ze leven, meen ik, nog alle drie!”
„Ja, en die Henri Quatre moet bij den Gouverneur-Generaal een wit voetje hebben, zegt men. Nu, hij verdient het ook; want hij is een kerel van stavast,” zeide Garrit.
„Laten we maar niet langer raden en nu naar de „Alblas” gaan. Als we daar zijn, zullen we het weten,” sprak Dirk en stapte, gevolgd door zijn’ broeder en den scheepsbarbier, in de boot.
Ze werden door IJzeren Neptunus hartelijk ontvangen. Nog altijd was deze even stevig en sterk, en als zijne haren niet wat grijs geworden waren, dan zou men zoo gedacht hebben, dat die man niet veranderde. Naast Kapitein Londenaar stond een man, wiens bruin gelaat verscheidene litteekenen droeg. Hoofdhaar, baard en knevel waren ook niet zwart meer, doch, zooals men dat wel eens noemt „peper en zout.” Zijne donkere, zwarte oogen alleen toonden, dat hij niet zoo oud was, als hij wel geleek. Verder droeg hij den linkerarm in een’ draagband, en als hij iets vooruit trad, zag men dat hij hinkte. Achter dien man stond een ander man, ook al niet jong meer en zijn gelaat was nog meer dan dat van den anderen, doorploegd met litteekenen. Maar ook zijne oogen toonden, dat er jongelingsvuur in dat lichaam woonde.
Juist toen Dirk, Garrit en Meester Pruymius door Kapitein Londenaar begroet waren, trad Kapitein Dirksz. ook op het dek, en na de begroeting vroeg deze: „En hebt ge zoo gasten gekregen?”
„Ja, deze twee,” zeide Kapitein Londenaar met een lachje.
„Niet de eer de Heeren te kennen,” sprak Dirksz.
De twee gasten lachten en....
„Ik laat me in een vol vat borreborrie kuipen, als dat Henri Quatre niet is,” riep Meester Pruymius, en den ander aanziend, zeî hij: „En dat is Dolf! Geraden, nietwaar? Wel, wel, hoe veranderd! Bruin als roet en gekorven als een droge schol! Hoe maak je het? Goed, ja?”
„Goed, goed, Meester!” riepen Henri Quatre en Dolf tegelijk; want zij waren het. „Goed, goed! Alleen wat stram, mank en — nu ja, de ouderdom komt met gebreken! Kent ge ons nu, profeet?”
Deze laatste vraag werd gedaan aan Kapitein Dirksz., en deze, van zijne vroegere profetie op het oogenblik zich niets meer herinnerend, vroeg vroolijk lachend: „Profeet!? Profeet!? Ik een profeet? Ik begrijp er niets van! Waarom ben ik zulk een voornaam man?”
„Ja, ja,” hernam Dolf. „Weet ge niet meer, dat ge op ons afscheids- en welkomstmaal geprofeteerd hebt in de Makassaarsche zaken? Is je geheugen zoo kort?”
„Ja, ja, en?”
„Letterlijk uitgekomen, Dirksz.! Letterlijk! Wij komen met de vloot zoo terug; maar ditmaal hadden we een’ Speelman aanboord, die den Makassaren een deuntje voorgespeeld heeft, waarbij ze zich doodgedanst hebben! Nu zijn hunne sprongen voor goed uit! Wij hebben uw’ raad gevolgd en vreeselijk huis gehouden. Er is bijna geen steen op den anderen gebleven. De rijstvelden zijn verwoest, de bosschen verbrand, de schepen in den grond gehakt, de paleizen vernield, de woningen omvergehaald, de inwoners doodgeschoten of door het zwaard en den honger terdood gebracht. Wij hebben vreeselijk huis gehouden, en thans zullen ze wel voor goed hunne streken afgeleerd hebben!”
„Hoor eens, goede vriend,” dus sprak nu Kapitein Londenaar, „wij hebben indertijd op onze manier daar ook zoo goed huis gehouden, en wij allen zijn er zoo goed bekend, dat ik u voorstel in mijne kajuit een glas wijn te drinken en eene pijp tabak te rooken. In dien tijd kunnen we nog een en ander van de geschiedenis te weten komen.”
„Tabak, echte tabak en eene Hollandsche pijp, Kapitein, ik ben je man! De tabak hier smaakt mij niet. Maar als ik vragen mag, wie zijn deze twee?” vroeg Henri Quatre.
Dit zeggende wees hij op Dirk en Garrit.
Dirk trad vooruit en zei: „Henri Quatre, deze zijn de „Twee Vromen”. Ik ben Dirk, Kapitein op „De Haey” en dit is mijn broêr Garrit, die mijn Eerste Stuurman is. Er zit een hard vel voor ons voorhoofd en we hebben moeielijk geleerd, maar we hebben volgehouden en — de aanhouder wint. Het geluk is ons, nadat we Vader teruggevonden hebben, als het ware op den voet gevolgd.”
Henri Quatre en Dolf drukten de twee jonge mannen hartelijk de hand en spoedig zat nu het gezelschap in de kajuit van Kapitein Londenaar onder het genot van een goed glas wijn en eene pijp echte Westindische tabak.
Nadat men op elkanders gezondheid gedronken had, zeide Kapitein Londenaar: „Maar zeg mij nu eens, hoe zijn daar in Makassar de poppen weer aan het dansen gegaan?”
„Dat is gauw gezegd, goede vriend,” sprak nu Dolf. „Nauwelijks waren in ’60 de Afgezanten van den Makassaarschen Koning uit Batavia vertrokken, of wij kregen bericht, dat de zeerooverijen der Makassaren alvast niet geëindigd waren. De Koning evenwel verontschuldigde zich steeds met te zeggen, dat het buiten zijn weten geschied was, en hij beloofde altijd die roovers te zullen straffen. Van dat straffen werd evenwel nooit veel vernomen, doch zoolang er geene grootere vijandelijkheden gepleegd werden, besloot men wat door de vingers te zien. In ’65 evenwel zond de Koning van Makassar tienduizend man naar het eiland Boeton, ten Zuidoosten van Celebes gelegen, om daar de Hollanders te verdrijven. Inmiddels leden op zijne kusten de Compagnie-schepen de „Walvisch” en de „Leeuwin” schipbreuk. Inplaats van de bemanning te helpen, plunderden de Makassaren beide schepen en mishandelden zij het Nederlandsche volk. Zoodra men dat te Batavia vernam, besloot de Gouverneur-Generaal aan dit alles voor goed een einde te maken, en zond Cornelis Speelman, Gouverneur van de kust van Koromandel, eene boodschap, onverwijld naar Batavia te komen. Maar eer deze er nog was, kwam het Hollandsche Opperhoofd van het kantoor van Makassar aan, en vertelde dat een der Rijksgrooten van den Koning hem een’ slag in het aangezicht gegeven had, omdat hij den Koning eenige verwijten had durven doen omtrent het plunderen der schepen. Dat Hollandsche Opperhoofd bracht evenwel goede hulp mede, en deze bestond uit een’ Makassaarschen Prins met een klein gevolg. Het was Radja Palakka, die in vijandschap leefde met den Koning van Makassar, omdat deze Palakka’s Grootvader en Vader had laten terdood brengen. Deze wraakzuchtige, jonge Vorst werd terstond door den Gouverneur-Generaal in den armen genomen en toen Speelman eindelijk ook te Batavia verscheen en zich liet overhalen om Bevelhebber te worden van de vloot, die Makassar tuchtigen zou, was deze met Radja Palakka’s hulp zeer ingenomen, en hij beloofde er zich zeer veel goeds van.”
„En zeker wel weer verkeerd uitgekomen?” vroeg Kapitein Dirksz. „Geen enkele Makassaar is te vertrouwen.”
„Tot heden nog niet,” antwoordde Henri Quatre. „Hij heeft ons trouw geholpen, dat moet gezegd worden. En het was noodig ook; want die Makassaren mogen trouweloos zijn, buitengewoon dapper zijn ze ook, en de kunst van op onze wijze oorlog te voeren, hebben ze goed afgekeken.”
„En gij beiden hebt zeker den heelen tocht medegemaakt?” vroeg Meester Pruymius. „Ten minste, dat zou ik zoo aan de vele litteekenen en aan uwe vergrijsde haren zeggen!”
„Van het begin tot het einde, Meester! En vier zulke levensjaren tellen er wel voor twaalf, dat kan ik u verzekeren,” zeide Dolf. „Tot driemalen toe zijn we in handen van den vijand gevallen, doch telkens den dans ontsnapt, hoewel niet zonder kleerscheuren, dat ziet ge wel aan onze aangezichten. Bij de laatste bestorming van het Koninklijke paleis, dat we voor een deel in de lucht hadden laten springen, kreeg mijn vriend een’ stam van een’ klapperboom op den linkerarm, die ....”
„Zeker nog niet genezen is, omdat gij geen troost der armen hadt,” riep Meester Pruymius.
„Een gebroken arm zet men, maar geneest men toch niet met zalf, Meester,” zeide Henri Quatre lachend. „Intusschen die laatste bestorming heeft de deur toe gedaan en nu zijn we hier met zulk een aanzienlijk Gezantschap, als wellicht nog nimmer binnen Batavia geweest is.”
„En zult ge nog niet welhaast naar Nederland terugkeeren?” vroeg Garrit, die trouw geluisterd had.
„Dolf en ik hebben plan om den dienst der Compagnie te verlaten en ons te Amsterdam te vestigen. Wij hebben genoeg buit behaald en loon bespaard om nog eenige jaren in rust te kunnen leven,” sprak Henri Quatre.
„Nu, die rust hebt gijlieden wel verdiend,” meende Kapitein Londenaar. „Wie had ooit iets van deze ontmoeting kunnen droomen?”
Henri Quatre stond thans van zijne plaats op en sprak: „Wij, Kapitein, wij? Als ge met wij bedoelt iedereen, van Admiraal Speelman af tot den minsten kajuitsjongen, dan heeft u gelijk. Wij allen hebben ons meer dan wakker geweerd. En waar men in Holland de kooplieden ziet leven, als Koningen en Prinsen, daar zal men wél doen ook eens te denken aan hen, die het goud uit het Oosten in de schatkisten der Westerlingen doen rollen tot ze overloopen, maar dat doen ten koste van hunne beste lichaamskrachten, ten koste van hunne gezondheid, ja, vaak ten koste van hun leven. En vraagt ge wie dezen zijn, dan noem ik maar één naam, en met dien naam bedoel ik allen, die hier de Compagnie dienen. Het is Janmaat! Vrienden, dit volle glas geledigd op den roem van Nederland, op den trouwhartigen, eerlijken, ruwen en dapperen Janmaat!”
„Leve Janmaat op alle zeeën!” riep Meester Pruymius.
„Leve Janmaat in de Oost!” riep Dirk.
„Maar zijn er dan weer Afgezanten met de vloot mede gekomen?” vroeg IJzeren Neptunus toen men weer na al dat gejuich tot kalmte gekomen was.
„Of er Afgezanten mede gekomen zijn!?” riep Henri Quatre. „Wel, man, heel Batavia is vol Makassaren. Alleen de Koningen van Tello en van Linques met hunne vrouwen en hun gevolg tellen meer dan vierdehalf honderd personen. Die Heeren Bondgenooten van den Koning van Makassar betalen hunne hulp met eene dure vernedering.”
„Voor bijna vierhonderd menschen is in Batavia toch wel plaats, meen ik,” zeide Meester Pruymius.
„Zeker, maar bij die vierhonderd blijft het niet,” nam Dolf nu het woord. „Behalve die twee Koningen heeft men nog den zoon van den Koning en nog zes andere Rijksgrooten te zamen met een gevolg van meer dan vijfhonderd man.”
„Heel Makassar is leeggeloopen, geloof ik,” zeide Dirk.
„En dan zijn we er nog niet,” sprak Henri Quatre. „Nog vele andere Rijksgrooten zijn er ook bij, onder anderen Radja Palakka, die ons zoo goed geholpen heeft, met heel zijn aanhang. Hij is eigenlijk de held van den dag, en zijne hulp zal vorstelijk beloond worden.”
„Ik zal me nu maar aan geene tweede voorspelling wagen,” zeide Kapitein Dirksz. „anders lacht men mij weer uit.”
„Ge moogt het anders gerust doen,” sprak Henri Quatre. „Kom voor den dag met uwe profetie!”
„Welnu dan,” hernam Dirksz. „Ik voorzie, dat men dien man te veel eer bewijst. Hij moge ons goed geholpen hebben, dat bracht zijn belang mede, maar voor het overige is en blijft hij een Makassaar en is niet verder te vertrouwen dan zijn neus lang is! Wat zegt gij ervan, Kapitein Londenaar?”
„Och, ik weet het niet; maar mij komt het zoo voor dat de Compagnie wel wat te veel hooi op hare vork neemt. Hoe zullen we, als de zaken eens gaan tegenslaan, al die volken en landen in bedwang houden?”
„Ja, man, daarover heb ik ook wel eens gedacht,” zeide Henri Quatre. „Maar ik houd het ervoor, dat de Compagnie nu en dan wel tegen haar’ zin zich zoo uitbreidt, en dat zij gedwongen wordt haar’ gebied telkens te vergrooten, wil ze behouden, wat ze heeft. Maar ik heb geene vrees, dat wij hare dagen van tegenspoed zullen beleven. De Compagnie is nog in al hare kracht, en de oorlogen, die men telkens in Europa te voeren heeft tegen de Engelschen, maken dat ze daar ginder in het Vaderland wakker blijven, en wie wakker is, kijkt naar alle kanten uit. De kwaadste tijd zal eerst aankomen, als de Geüniëerde Provinciën vrede in Europa hebben.”
„Me dunkt, dat we nu nog wel eens over wat anders praten konden, dan over hetgeen eenmaal zal kunnen gebeuren,” zeide Dolf. „Vertelt ons liever eens een en ander van hetgeen in Europa gebeurd is, bijvoorbeeld van Meester Jan, Bestevaêr Michiel en Chattam. Wij weten wel wat, maar lang niet alles.”
Aan dat verlangen werd door de anderen graag voldaan en toen eindelijk ieder voor het vallen van het avondschot weer naar zijn schip terugkeerde, deed hij dat, na Kapitein Londenaar betuigd te hebben, dat hij een’ vroolijken avond doorgebracht had.
En na nog, als terloops, gezegd te hebben, dat er van de voorspellingen van Kapitein Dirksz, IJzeren Neptunus en Henri Quatre, ongelukkig genoeg, veel bewaarheid werd, sluiten wij ook ons verhaal, dat, zoo ik vertrouw, mijne lezers wel eens zal hebben doen denken aan Atjeh. Mochten ze ook nu maar evenzeer overtuigd zijn, dat de mannen, die daar strijden ter zee en te land, nog even kranige en flinke kerels zijn, als zij, die van 1660 tot ’69 den trouweloozen, maar dapperen Makassaar zoodanig de les lazen. — Maar mocht het vooral niet waar zijn, wat eens een onzer dichters, A. J. De Bull, zong van een afgeleefd matroos aan den IJkant te Amsterdam:
„Ieder muisjen heeft zijn gaatjen —
Maar wat heeft een oud matroos?”