[1] Prof. Ziegler staaft deze opmerking door te verwijzen naar Duitsche toestanden en gebeurtenissen, die aan zijne lezers genoegzaam bekend zijn om te bevestigen wat hij betoogt. Voor onze lezers zijn zij dat natuurlijk niet. De vertaler heeft dus terecht zich veroorloofd in de eerstvolgende bladzijden af te wijken van den tekst en een nieuw stuk in te voegen, dat voor Hollandsche lezers meer geschikt was om het bewijs te leveren, dat de godsdienst inderdaad een veel grooter beteekenis heeft gehad en weder heeft gekregen voor heel ons geestelijk, maatschappelijk en staatkundig leven dan de kortzichtige vrijdenkerij, in de perioden toen Materialisme en Atheïsme overheerschende geestesstroomingen waren, begrepen en voorzien heeft. Enkele sprekende feiten, zooals de strijd in Duitschland over de Apostolische Geloofsbelijdenis, over Harnack’s Wesen des Christentums, over de zaak Schrempf enz., zijn in ons vaderland niet aan te wijzen, deels omdat sinds de dagen van de opkomst der „Moderne Theologie”, toen ongeveer iedereen theologiseerde, de theologie, zoolang er geen partijbelangen mede zijn gemoeid, slechts matige publieke belangstelling geniet, met de natuurlijke gevolgen van veel onkunde, vooroordeel en misverstand ten aanzien van deze groep wetenschappen bij vele „algemeen” ontwikkelden;—anderdeels omdat bij ons niet, gelijk in Duitschland, de staat zeggenschap heeft op het gebied van het kerkelijke leven en dus godsdienstige en theologische kwesties niet ver buiten den kring der waarlijk belangstellenden in al wat den godsdienst raakt de aandacht plegen te trekken. Daarom verwijst de vertaler slechts naar feiten van algemeenen aard, die trouwens sprekend genoeg zijn. Wie nog een concreet feit genoemd wenscht te zien, merke op, hoe alle groote, kerkelijk-neutrale bladen, in het laatste tiental jaren belangrijke rubrieken bevatten, niet alleen met gebeurtenissen maar ook met uitvoerige beschouwingen over godsdienstig en kerkelijk leven in ons vaderland. De groote pers is in dit opzicht niet alleen de voorlichtster, maar zeker niet minder de spiegel van den tijdgeest, die de ontzaglijke beteekenis van godsdienstige overtuigingen, beginselen en stroomingen voor heel het geestesleven eindelijk weer begint in te zien.
G.
[2] De godsdienstwijsbegeerte heeft in de periode die vlak[106] achter ons ligt, zich te veel overgegeven aan de illusie, dat de geschiedenis van den godsdienst met haar nieuw en rijk onderzoekingsgebied de bronnen zou ontsluiten voor de wijsgeerige kennis omtrent wezen en oorsprong der religie. Vandaar dat in Duitschland een denker als Pfleiderer zijn Religionsphilosophie in den 3en druk historisch omwerkte, en ten onzent Tiele in zijn Inleiding tot de godsdienstwetenschap meende op vasten bodem te staan en veel verder te komen dan bijv. Rauwenhoff in zijn Wijsbegeerte van den godsdienst. Men ging een „phaenomenologie” van den godsdienst opstellen, veralgemeende eenige, vaak willekeurig gegrepen verschijnselen en meende daarmede voor de psychologie te kunnen volstaan. Mij is het altijd voorgekomen, dat de historische berg op deze wijze een wijsgeerige muis baarde, vlg. mijn De Theologie en hare Wijsbegeerte blz. 72-78, De Theologie der Universiteit en hare wijsgeerige vakken, blz. 23-24. Men kan dit erkennen zonder te kort te doen aan de waarde der godsdienstgeschiedenis op zichzelve en voor alle andere theologische wetenschappen, ook de wijsgeerige. Psychologen als Ziegler zien thans veel juister in hoe wij tot het inzicht in het wezen en den oorsprong der religie als zielkundig verschijnsel moeten komen. James’ Varieties of religious experience, ook in het Hollandsch vertaald, sloeg reeds een beteren weg in, maar kwam slechts halverwege. Een der beste nieuwere studies is R. Otto, Das Heilige, waarvan ik schreef in mijn Het heilige in het Nieuw Theologisch Tijdschrift 1917.
G.
[3] Dit al te „theologisch” karakter van sommige Religionsphilosophieën komt bijv. sterk uit bij H. Siebeck, Religionsphilosophie, die zijn overigens zeer leerzaam boek besluit met een breed onderzoek over „de normaliteit van den godsdienst”. Wie daarvan meer wil weten verwijs ik naar mijn studie De nieuwere wijsbegeerte van den godsdienst (Theol. Tijdschrift, 1896, blz. 150 vlg.)
De eenzijdige Kantiaansche opvatting van het religieuze als „norm” komt het meest uit bij W. Windelband, Das Heilige (in Präludien 2e Ausg.). Ik heb deze theorie beoordeeld in mijn opstel over Het Heilige (Nieuw Theol. Tijdschrift 1917).
G.
[4] De methodologische problemen vindt men breeder behandeld bij Max Reischle: Die Frage nach dem wesen der Religion. Grundlegung zu einer Methodologie der Religionsphilosophie. Freiburg 1889. Hij eischt in plaats van een langs inductieven weg verkregen algemeen begrip een „Normbegrip” en maakt verschil tusschen de waarachtige en eigene religieuze ervaring en een „nur hypothetisches Nacherleben”.
Z.
[5] Om misverstand te voorkomen is het niet overbodig hierbij[107] op te merken, dat de samenhangende groep wetenschappen die onder den historischen naam Theologie ten onzent aan de Universiteiten worden beoefend en onderwezen, geenszins van een dergelijke dogmatische vóor-onderstelling als hier wordt verworpen, uitgaan noch daaraan hun onderlingen band, hun innerlijke waarde of invloed naar buiten ontleenen. Dogmatische theologie zooals de kerken laten onderwijzen, heeft het recht zich aanstonds te stellen op het standpunt van het geloof in de volstrekte waarde en in het gehalte aan geopenbaarde waarheid in het Christendom, zooals iedere op een leerstelligen grondslag gebouwde kerk dat opvat en predikt. Voor den geloovige zal het dan ook van bijkomstig belang blijken of men aan deze „geloovige wetenschap” al of niet, geheel of gedeeltelijk wetenschappelijke waarde toe wil kennen. Zuiver wetenschappelijke theologie, die letterkundig, geschiedkundig en wijsgeerig het verschijnsel „godsdienst”, zijn litteratuur, zijn historische ontwikkeling, zijn zielkundigen inhoud en vormen onderzoekt, heeft geen ander uitgangspunt, geen andere wijzen van onderzoek, geen ander doel dan iedere andere wetenschap die soortgelijke litteraire, historische en philosophische kennis tracht te bevorderen. Uit een wetenschappelijk oogpunt komt dan ook de vraag naar den invloed dezer studiën op de ontwikkeling van den godsdienst eerst in de tweede plaats, en de vraag naar de betrekkelijke of volstrekte waarde van eenigen vorm van Christendom eerst aan het einde, voor zoover althans deze vraag geen zuiver religieuze is en dus buiten het gebied der wetenschappelijke beoordeeling valt.
G.
[6] Een menigte definities van den godsdienst geeft Max Müller aan het begin van zijn voorlezingen over „Natural Religion”.
Z.
[7] Behalve Ed. v. Hartmann, die zijn Religionsphilosophie Das religiöse Bewusstsein der Menschheit begint met de zonderlinge vraag of ook de dieren religie hebben. Tot zulke vragen komt men wanneer men de evolutie- of descendentie hypothese als een dogma op de spits drijft. Het antwoord laat zich raden. Natuurlijk onderstellen wij ook bij de hooger begaafde dieren gevoelens van ontzag, vrees, aanhankelijkheid. Maar deze hebben op zichzelf bij den mensch nog niets religieus. Zonder meer is daaruit dan ook de godsdienst nooit af te leiden. Want eerst bij den godsdienstigen mensch zullen ze godsdienstig worden. Maar zulke gevoelstoestanden hebben in het dierenleven tot niets geleid dat ook maar uit de verte met religie vergelijkbaar was. Terecht noemt Ziegler dan ook, in een paar zinsneden, die ik wegliet om ze liever op mijne wijze en iets breeder in deze[108] aanteekeningen te behandelen, Hartmanns vraag gezocht en curieus.
G.
[8] Over het gevoel als orgaan van den godsdienst heb ik mij nader uitgesproken in mijn boek over „Das Gefühl”, eine psychologische Untersuchung. 5 Aufl. 1912.
Z.
[9] De eenzijdige rationeele en de eenzijdige ethische opvatting van den godsdienst, die terecht door Ziegler wordt bestreden, zijn bij alle richtingen te vinden. Maar uitteraard is het gevaar voor verrationaliseering der religie grooter waar de vroomheid zich aan een leerstelsel bindt, en zal men het meest de verethiseerde godsdienst vinden waar de strijd tegen leerstellige godsdienstigheid wel tot religieuze moraal in denken en leven, maar nog niet tot warmer, vaster en klaarder „geloof des harten” heeft geleid.
Hierbij mag ook opgemerkt worden, dat beide eenzijdigheden, waardoor het diepst en wezenlijk religieuze niet tot zijn recht komt, niet alleen bij populaire of leeken-beschouwingen over den godsdienst, maar evenzeer bij theologen te vinden zijn. Bij de orthodoxen komt het eerstgenoemd gebrek het meest voor en leidt dan tot dogmatisme. Bij de vrijzinnigen tot rationalisme en het tweede tot ethisch-modernisme. Beide theologische eenzijdigheden bevorderen weer de religieuze, waaruit zij zijn voortgekomen. Een noodlottige cirkel, waaraan slechts te ontkomen is door dieper en voller religieus leven, dat op zijn beurt door klaarder inzicht in het wezen der religie bevorderd kan worden en dan tot boven-partijdige geestesgemeenschap kan voeren.
Voor theologen is in dit opzicht zeer leerzaam het boven reeds genoemde boek van R. Otto, Das Heilige, wat ik in mijn gelijknamig opstel heden aanwees. (Nieuw Theol. Tijdschr. 1917).
G.
[10] Het hier aangevoerde indirecte bewijs voor het gevoelskarakter van den godsdienst is het eerst geleverd door Schleiermacher in zijn „Reden über die Religion” en zijn „Glaubenslehre.”
Z.
[11] Voor de meeste lezers zal deze korte verklaring van Ziegler’s instemming met Schleiermacher’s leer van het volstrekte afhankelijkheidsgevoel als grondslag voor de religie voldoende zijn. Voor wie dieper in de hoofdvraag der godsdienstpsychologie door wil dringen, voeg ik hier een paar opmerkingen aan toe.
Men kan Schleiermacher’s beschouwing vinden in zijn Chr. Glaube § 4. 4. Bij nauwkeurige vergelijking ontdekt men spoedig dat Ziegler veel meer dan Schl. bij dat afhankelijkheidsgevoel aan gevoel van eindigheid tegenover het oneindige denkt. Mij[109] komt het voor dat dit laatste wel een bestanddeel is van ontwikkeld religieus gemoedsleven, maar geenszins het eerste en oorspronkelijk religieuze in den mensch. Daarbij bedenke men dat noch afhankelijkheids- noch eindigheidsgevoel op zichzelf reeds religieus zijn. Zij worden dat eerst bij den religieuzen mensch. Nu wordt een niet-godsdienstig gevoel niet godsdienstig alleen door toename in sterkte en diepte, dus ook niet wanneer het van betrekkelijk volstrekt (slechthinnig) wordt. Gevoel van absolute nietigheid, eindigheid en afhankelijkheid kan ook nog irreligieus zijn. Juist op datgene wat alle analoge, nog niet-godsdienstige gemoedsaandoeningen omstemt, opheft tot andersoortige, schoon verwante aandoeningen, dus op het specifieke religieuze komt het aan. De jongste godsdienstpsychologie komt dan ook tot het inzicht, dat al het religieuze voortkomt uit en behoort tot een eigen gebied van ons gevoelsleven, als men wil, een bijzonderen religieuzen zielsaanleg van den mensch. De fijnere ontleding daarvan, het dieper onderzoek van zijn invloed op heel ons geestesleven, is een taak waaraan wij pas zijn begonnen.
G.
[12] Karl von Hase: Annalen meines Lebens 1891 S. 13.
In extenso luidt de plaats aldus: „Sinds korten tijd heb ik bij mijzelf nagegaan hoe het toch met mijn vroomheid gesteld was. Dat ik mijn leven niet zou kunnen wijden aan eenige zaak die mij niet zeer lief was, dat spreekt voor mij van zelf. Wanneer ik nu de christelijke vroomheid in haar eigenaardig historisch karakter opvat als het uitsluitend zoeken van het Eeuwige en Oneindige, een bovenaardsch verlangen waarvoor het aardsche leven slechts een pelgrimstocht is naar den hemel, dan begrijp ik zulk een stemming zeer wel en weet haar ook te eerbiedigen, gelijk alles waarbij eén ding zoo krachtig mogelijk wordt begeerd en boven alles bemind; maar in mijzelf is toch ook een stuk heidendom, dat de wereld liefheeft, opgaat in haar schoonheid en haar smart, en dat niet gelijk de vromen gewoonlijk doen, half met een kwaad geweten, maar zonder berouw, ten volle bewust en bezonnen, omdat ik het tegenovergestelde voor een eenzijdigheid houd, hoe verheven zij dan ook vaak geweest moge zijn. Was ik eertijds in Athene geboren, stellig had ik mij aangesloten bij een Themistocles en een Alcibiades; in den tijd der apostelen zou ik, hoop ik, ook niet gevreesd hebben om het martelaarschap op mij te nemen; maar in onzen tijd meen ik kan slechts een vereeniging van den oud-Griekschen met den Christelijken zin tot levensschoonheid en harmonie voeren.”
Z.
[13] Ludwig Feuerbach: Sämmtliche Werke 7er Band: Das Wesen des Christentums. 8er Band: Vorlesungen über das Wesen der Religion. 9er Band: Theologie.
Z.
[14] Bijzonder leerzaam voor de kennis der diepste godsdienstige aandoeningen en behoeften is het reeds genoemde boek van den Amerikaanschen psycholoog W. James, The varieties of religious experience, die veel van wat hier door Ziegler gezegd is met voorbeelden en uitspraken van groote godsdienstige geesten illustreert. Voor de fijnere analyse verwijs ik nog eens naar Otto’s werk.
G.
[15] Met name de Ritschliaan Wilhelm Bender: Das Wesen der Religion und die Grundgesetze der Kirchenbildung. Bonn 1886 heeft deze prioriteit der religieuze praxis en cultus voorgestaan. Dat ik het brok waarheid daarin niet heb voorbijgezien moge blijken uit het op blz. 73 gezegde.
Z.
[16] Inderdaad. Het is alweer Schleiermacher, wiens theorie de moeder is van de hier bestreden beschouwingen. Voor hem was in het volstrekte afhankelijkheidsgevoel het bewustzijn van onze betrekking tot God besloten. Want in dat bewustzijn achtte hij het antwoord op vraag: van wien afhankelijk? verborgen. En voor hem is God datgene wat ons afhankelijkheidsgevoel veroorzaakt en bepaalt, waartoe wij het als het ware herleiden. Maar dat zou toch slechts door een redeneering, een causale verklaring van een in ons zelf gevonden gemoedsgesteldheid mogelijk zijn. En godsdienstig geloof is in aard en oorsprong toch iets geheel anders dan een beredeneerd gevoel. Bovendien kan zulk een afleiding van ons afhankelijkheidsgevoel het denken ook tot een geheel ongodsdienstig geloof, tot de Materialistische leer van een geesteloos-blind spel van stof en kracht in het heelal brengen. En zelfs zoo het denken ons tot de erkenning van een geestelijken wereldgrond en wereldwezen brengt, is dit nog maar philosophie en theoretische wereldverklaring, en nog geenszins godsdienst. Eerst wanneer de mensch daarbij van godsdienstige aandoeningen en aandriften wordt vervuld, is er religieus leven.
G.
[17] De eerste godsdienstwijsgeer, naar ik meen, die de groote beteekenis der dichtende verbeelding voor de totstandkoming van godsdienstige geloofsvoorstellingen heeft aangetoond was Rauwenhoff in zijn Wijsbegeerte van den godsdienst (blz. 611-675). Juist op dat punt is hij zeer bestreden en misverstaan. De verklaarbare vrees, dat daarbij het waarheidsgehalte onzer godsdienstige overtuigingen en hun recht voor het denken in twijfel getrokken, zoo niet ontkend werd, beheerschte een goed deel der critiek. Wanneer men echter tweeërlei in ’t oog houdt, is dit misverstand te vermijden. Vooreerst is de fantasie waarvan hier sprake is, nooit gelijk te stellen met willekeurige inbeelding. Zij is een bepaalde vorm van denken, die niet naast of buiten ons weten staat, maar waarin al onze kennis is opgenomen.[111] In plaats van den vijand der wetenschap, is zij meestal haar voorgangster en wegwijsster. Geen wetenschap die niet aan haar invloed den prikkel ontleent om verder te komen en door haar zich telkens de richting van onderzoek en denken ziet aangewezen. Van ’t Hoff heeft dat dan ook in zijn beroemde rede over de fantasie zelfs voor de natuurwetenschappen erkend. Ten andere bedenke men, dat deze fantasie de bron kan zijn van waarheid niet alleen, maar juist van de hoogste waarheden, die èn voor het louter redelijk denken èn voor het overtuigingsleven des gemoeds bereikbaar zijn. Het hoogste wat wij dragen in geest en gemoed, waaraan te twijfelen zelfvertwijfeling zou wezen, hebben wij aan deze heerlijke gave te danken.
G.
[18] Een der beste vertegenwoordigers van dit standpunt is de Deensche wijsgeer H. Höffding. In zijn Religionsphilosophie beschrijft hij den godsdienst als een bepaalde vorm van wereldwaardeering en haar doel acht hij het behoud van „waarde”. Hoe weinig daardoor wezenlijk de waarheidsvraag en de denkwaarde onzer godsdienstige geloofsovertuigingen geëlimineerd kunnen worden trachtte ik aan te toonen in mijn rede over Het metaphysisch deel der wijsbegeerte van den godsdienst en nader in het laatste hoofdstuk van mijn De theologie en hare wijsbegeerte, waar, naar ik meen, ook de weg gewezen is om het door Ziegler aangewezen gevaar van overheersching des geloofs door de wijsbegeerte te vermijden.
G.
[19] De Aufklärung was een nuchter verstandelijke richting in het godsdienstig denken der 18de eeuw, die van den rijkdom der Christelijke geloofsgedachten slechts de drie bovengenoemde grondideeën behield, daartoe allen godsdienst herleidde en dan zoogenaamd wijsgeerige bewijzen bijbracht om hare waarheid voor het denken te staven. Kant mag zelf onder haren invloed hebben gestaan inzoover ook voor hem godsdienstig geloof in de aanvaarding dier grondideeën opging, hij heeft zich toch verre daarboven verheven. In zijn Kritik der reinen Vernunft en der praktischen Vernunft, en in zijn Religion innerhalb der Grenzen der blossen Vernunft wees hij de grenzen van ons kennen, de beperktheid van ons denken aan en trachtte de hoofdgedachten van alle religieus geloof een vasteren grondslag dan wijsgeerige bespiegelingen te geven door ze als noodzakelijke, door het denken zelf, op grond van ons zedelijk bewustzijn geëischte overtuigingen, althans tot een persoonlijk gewaarborgd geestelijk bezit te verheffen.
In ons vaderland is Kant’s beteekenis voor den godsdienst het best verstaan en het meest bevorderd door P. van Hemert. Vgl. mijn Paulus van Hemert als godgeleerde en als wijsgeer.
G.
[20] Vgl. hierbij Rauwenhoff, Wijsbegeerte van den godsdienst blz. 74.
G.
[21] De grootste der Christelijke denkers, die dat in de eerste eeuwen van het Christendom heeft gedaan, was de kerkvader en wijsgeer Origenes in zijn Tegen Celsus en Over de grondbeginselen.
G.
[22] D. Fr. Strausz: Die christliche Glaubenslehre in ihrer geschichtlichen Entwickelung und im Kampfe mit der modernen Wissenschaft dargestellt. 1840 Bd. 1 S. 356. Vergelijk ook zijn „Der Alte und der neue Glaube” in het bijzonder II: Haben wir noch Religion?
Z.
[23] Van de gedachte aan een vervangen van den godsdienst kunnen zich zelfs mannen als Wundt, Paulsen, Volkelt (over Volkelt’s nieuwere wijsgeerig-godsdienstige standpunt zie men zijn te Leipzich bij J. C. Hinrichs verschenen oratie: Was ist Religion? en onze studie daarover in het Theol. tijdschrift 1914 Afl. III, onder den titel: Gedachten van een wijsgeer over godsdienst. G.) niet geheel los maken; met name echter hebben eenige Duitsche vertegenwoordigers van het Darwinisme daarin zulk een vervanging, althans in hun monisme een „Band zwischen Religion und Wissenschaft” (Häckel t.a.p.) willen vinden, en daarmee toch slechts aan het zuiver wetenschappelijk karakter van Darwin’s theorie te kort gedaan: natuurwetenschap is geen godsdienst en godsdienst is geen wetenschap!
Z.
[24] In zijn beroemd boek Geschichte des Materialismus, waarin hij na zijn prachtige kritiek op de materialistische wereldbeschouwingen de onmacht en betrekkelijke onwaarde der wijsgeerige wereldleer in het licht tracht te stellen met de eenzijdigheid van vele Neo-Kantianen, maar aan den anderen kant een religieus gestemd ethisch-idealisme leert, dat, hoe waardevol op zichzelf, noch het denken noch het godsdienstig gemoed geheel bevredigen kan.
G.
[25] Een ander surrogaat van godsdienst had Ziegler hier ook nog kunnen bespreken, de tegenwoordig ten onzent nog al gepropageerde Theosophie.
Hier ontmoeten wij een eigenaardig mengsel van wijsgeerige bespiegeling, voorstellingen van godsdienstigen aard, vooral aan de Indische religieuze philosophie ontleend, en godsdienstig gevoel. Het is zeer verklaarbaar dat in tijden van verwildering en onkunde op godsdienstig gebied, wanneer toch religieuze behoeften en verlangen naar hooger overtuigingsleven zich doen gelden, waaraan door gemis aan godsdienstige opvoeding en voorlichting[113] niet wordt voldaan, de fantastische en mystieke Indische bespiegelingen bekorend werken, terwijl verwarring en strijd tusschen christelijke kerken en theologen meer afstoot dan aantrekt. Toch is het niet moeilijk in te zien hoe zwak de theoretische of wijsgeerige grondslag is. Men vergelijke daarover eens Prof. S. Speyer, De Indische theosophie. En naast deze gebreken van den denkinhoud, is ook vrij duidelijk, dat de Theosophie slechts aan enkele religieuze gemoedsbehoeften voldoet en dat nog op onvoldoende wijze, vgl. P. B. Westerdijk, De Theosophie. Toch acht ik deze beweging als correctief op de verwaarloozing van den godsdienst een sprekend teeken des tijds.
G.
[26] Men vergelijke hiervoor werken als Wendt, System der Christlichen Lehre. A. Bruining, Het geloof in God, en Het onsterfelijkheidsgeloof. T. Cannegieter, Het openbaringsvraagstuk en de ontwikkelingsidee. N. Theol. Tijdschr. 1915.
H. Y. Groenewegen, De Evolutieleer en het godsdienstig geloof. Wobbermin, Der Chr. Gottesglaube in seinem Verh. zur heut. Philosophie.
Ik doe maar een greep. Er zou natuurlijk veel meer en veel voortreffelijks nog te noemen zijn. De stroom van litteratuur op dit gebied vloeit steeds voort. Zonder veel moeite kan de lezer tal van wetenschappelijke of populaire geschriften vinden, die aan de ontwikkeling van zijn geloofsleven in verband met die van wetenschap en wijsbegeerte ten goede kunnen komen.
Vgl. o.a. de serie Redelijke Godsdienst. Baarn, Holl. Drukkerij.
G.
[27] Een spoedige verzoening tusschen gelooven en weten meende Fr. Paulsen weer te mogen verwachten: Einleitung in die Philosophie 1892 S. 11 fg. (Hollandsche vertaling van P. H. en Meta A. Hugenholtz, Amsterdam C. L. G. Veldt, blz. 10 vg.). Deze verwachting, gebaseerd op de school van Ritschl, is door het geval Harnack (cf. „Nation” 1892 10. Jahrg. Nr. 4 S. 51 ff. en het artikel van Holtzmann in de Protest. Kirchenzeitung 1892 Nr. 45-48) wel zeer eigenaardig geïllustreerd en volkomen weerlegd.
Z.
[28] Om misverstand te voorkomen voeg ik hier aan toe, dat zij de groote metaphysische vragen niet ontwijken kan, en die dan ook bij geen der groote godsdienstwijsgeeren buiten beschouwing gelaten heeft. Het geloof in God bevat altijd ook een metaphysische overtuiging, een bepaald wereldbegrip. De verhouding daarvan tot de theoretische wereldverklaring der wijsbegeerte in onzen tijd na te gaan, de een door de andere te verrijken en te corrigeeren acht ik, blijkens mijn boven geciteerde geschriften, een even groote en belangrijke taak dezer wetenschap.
G.
[29] Juist daarom is het goed hier eens de aandacht te vestigen op het mooie boek van G. Th. Fechner, Die drei Motive und Gründe des Glaubens. Men zal hier veel in vinden dat Zieglers beschouwing aanvult. In andere werken, bijv. zijn Die Tagesansicht gegenüber der Nachtansicht, en Die Seelenfrage blijkt Fechner een dier zeldzame denkers, bij wien de nieuwere natuurwetenschap, psychologie en wijsbegeerte in volledige harmonie zijn gekomen met een diep religieus gemoedsleven en even hoog als rijk godsdienstig geloof.
G.
[30] Dat was ook de hoofdgedachte waarvoor reeds Spinoza opkwam in zijn Godgeleerd staatkundig vertoog.
G.
[31] Een interessante en fijne verklaring van veel vreemds en tegenstrijdigs in Luthers vroomheid, o. a. zijn wonderlijke gemeenzaamheid naast zijn diepen eerbied, zijn innig vertrouwen en grootmoedig afhankelijkheidsgevoel naast dit bijna brutale gevoel van rechten te hebben op God en eischen te mogen stellen, vindt men in Otto’s meergenoemde boek. De boven aangehaalde uiting wordt bij het vertalen in zijn ruwe oprechtheid licht te plomp en blijve daarom liever onvertaald. Men kan toch in de eerlijke hartstochtelijkheid van dit wanhopig verlangen en de felle kracht van het gevoel dat hij alles van God alleen hebben moest de geweldige uiting van sterk levende godsvrucht vinden.
G.
[32] Schleiermacher: Der christliche Glaube. 2e Aufl. Bd. 2 S. 476. Verg. ook zijn uitspraken over het gebed ibid. § 146 f. Bovendien „Ueber das Gebet. Ein religionsphilosophisches Fragment. Sendschreiben an Herrn E. Renan in Paris” door M. J. Monrad: Philosophische Monatshefte Bd. 28 S. 25-37.
Z.
[33] De gedachte van een dramatische beteekenis van den cultus is ontwikkeld door Otto Pfleiderer: Religionsphilosophie auf geschichtlicher Grundlage. 2 Aufl. Bd. 2 in het hoofdstuk over „Kultus und Kirche” S. 236 ff.
Z.
[34] Over het bedenkelijke van een liturgische muzikale godsdienstoefening van Protestantsch standpunt uit bezien heb ik mij reeds vroeger bijv. in een mijner beschouwingen over het geval Schrempf (Beilage zur Allg. Zeitung 1892 Nr. 182) uitgesproken; ik ben het hierin volkomen eens met Eduard von Hartmann t. a. p. Bd. 2. S. 42 ff. Verg. ook J. Gmelin, Evangelische Freiheit, Tübingen 1892 S. 60.
Z.
[35] Goede en leerzame opmerkingen over dit onderwerp ook in Prof. Is. van Dijk, Aesthetische en zedelijke godsdienst.
G.
[36] Over de verhouding van godsdienst en zedelijkheid heb ik mij ook uitgesproken in mijn boekje „Sittliches Sein und Sittliches werden” 2 Aufl. 1890. S. 125-128.
Z.
[37] Kant: Religion innerhalb der Grenzen der bloszen Vernunft. viertes Stück: Vom Dienst und afterdienst unter der Herrschaft des Guten Princips, oder von Religion und Pfaffentum.
Z.
[38] Verg. over de christelijke moraal mijne critische besprekingen in mijn „Geschichte der Christlichen Ethik”. 2 Ausgabe 1892.
Z.
[39] Wat betreft de zedelijke problemen verg. mijn: „Sittliches Sein und Sittliches werden” in de tweede en derde voordracht.
Z.
[40] Uitvoeriger, hier en daar gewijzigde en belangrijke beschouwingen over de oudste en meest primitieve vormen van godsdienst geeft C. P. Tiele, Inl. tot de godsdienstwetenschap, 54.
G.
[41] De definities van Totemisme, Fetischisme en Animisme zijn ontleend aan Max Müller’s „Natural Religion”. blz. 159-160. Verg. hierbij ook het Lehrbuch der Religionsgeschichte van P. D. Chantepie de la Saussaye 2 Bdl. 2e Aufl. 1897, en Herbert Spencer in zijn Principles of Sociology.
[42] De tegenstelling tusschen deze twee typen van vroomheid is zeer duidelijk in ’t licht gesteld en aangewezen in tal van historische karakters door W. James in zijn meergenoemd boek The varieties of religious experience. Hij onderscheidt ze met de namen van „sick souls” en „healthy minded”, kranke zielen en gezonde geesten. Maar men zie in deze namen geen bepaalde waardeering. De kracht, diepte, warmte en innigheid van godsdienstig leven kan in beide typen gelijk zijn. Dat hangt geheel van den persoonlijken religieuzen aanleg en ontwikkeling af. Ook bedenke men dat slechts zelden de vroomheid van een mensch uitsluitend een dier typen vertoont. Er is geen volstrekte tegenstelling, maar tallooze schakeeringen, waarvan in een menschenleven zich verschillende kunnen voordoen.
G.
[43] Aangaande de christelijke mystiek zie mijne Geschichte der Christlichen Ethik S. 380 ff., 516 ff. Daar vindt men ook, hoe de Scholastiek gepoogd heeft aan de mystiek een bepaalden weg voor te schrijven hoewel dat met haar wezen niet in overeenstemming is (S. 89).
Z.
[44] Rudolf von Ihering: Der Zweck im Recht Bd. 2, 2 Aufl. 1886. Verder het opstel van denzelfden schrijver over: „Die gastfreundschaft im Altertum” in de Deutsche Rundschau 1887. Daarentegen meent W. Wundt: Ethik 1886: „In den meisten Fällen scheinen religiöse Vorstellungen die letzten Quellen zu sein, aus denen die Sitte geflossen ist; sie erscheint dann als eine Kultushandlung.”
Z.
[45] De tegenstelling tusschen Romeinen 13 en Apocalypse 13 ontleende ik aan Holtzmann’s geestige Redevoering „Das Neue Testament und der Römische Staat” (Straszburg 1892). Verg. verder het artikel „Staat und Kirche” van J. Köstlin in den 14en band van Herzog’s Realencyclopädie für protest. Theologie und Kirche. 2 Aufl.; voor den eersten tijd, K. J. Neumann: Der römische Staat und die allgemeine Kirche bis auf Diokletian. Bd. 1. 1890.
Z.
[46] Dat het kerkrecht in tegenspraak is met het wezen van kerk en christendom, is betoogd van orthodox-Luthersch standpunt uit door R. Sohm: Kirchenrecht. 1 Bd.: Die Geschichtlichen Grundlagen 1892.
Z.
[47] Schleiermacher: Reden über die Religion. Vierte Rede: „Ueber das Gesellige in der Religion”. Daar zegt hij: „Hinweg also mit jeder solchen Verbindung zwischen Kirche und Staat! Das bleibt mein catonischer Ratsspruch bis auf Ende oder bis ich es erlebe, sie wirklich zertrümmert zu sehen”.
Z.
[48] Ziegler spreekt voor Duitschers en handelt over Duitsche toestanden. Het leek mij beter den tekst niet te veranderen en geheel naar Hollandsche toestanden te wijzigen. Het is ook voor ons leerzaam de moeilijkheden te zien waarmede men elders kampt. Dat ten onzent het vraagstuk van de verhouding van kerk en staat oud en onopgelost is, behoeft hier slechts vermeld te worden. Vergeleken bij andere Protestantsche landen is de toestand hier zeer bevredigend. De band tusschen kerk en staat is zoo los als eenerzijds de godsdienst zelf en de volledige geloofsvrijheid, anderzijds het staatkundig leven en het belang dat de staat heeft bij bevordering van religieus-moreele volksopvoeding dat vorderen. Historische toestanden en rechten doen zich daarbij natuurlijk nog gelden. De veelheid en verscheidenheid der kerkgenootschappen, die, wanneer ze door den Staat zijn erkend, gelijke voorrechten en vrijheden genieten, blijkt meer en meer bevorderlijk aan de door Ziegler terecht gewenschte vrije ontwikkeling van het godsdienstig gemeenschapsleven. Daarnaast is plaats en werkkring voor godsdienstige vereenigingen van gelijkgezinden, die zich uitbreiden over de[117] kerkgenootschappelijke grenzen heen. Maar in een land als het onze waar de godsdienstige tradities, innig samengeweven met de geschiedenis van land en volk, krachtig nawerken, is dan ook veel minder behoefte aan die losse, tijdelijke kringen waarin het godsdienstig leven van Amerika zich veelal heeft belichaamd. Kerken zijn bij ons slechts godsdienstige organisaties met historische beginselen, eigen karakter en vrijheid van zelfbestuur, door den staat niet boven andere bevoorrecht, hoogstens krachtens verkregen rechten finantieel gesteund, en onderworpen aan voor allen geldende wetten die gelijke rechten en vrijheden waarborgen. Moge misschien het beginsel der scheiding van kerk en staat in bijzonderheden nog beter zijn toe te passen, al heeft de beginselruiterij, hiermede vaak gedreven, zeker zijn bezwaren en gevaren, de toestanden zijn toch ten onzent zoo dat het persoonlijk en gemeenschappelijk godsdienstig leven zich naar eigen eisch volkomen vrij ontwikkelen kan.
G.
[49] Ed. Zeller: „Die Entwicklung des Monotheismus bei den Griechen”, in zijne „Vorträgen und Abhandlungen” Bd. 1 S. 1-29. Aldaar ook „Ueber ursprung und Wesen der Religion”. Bd. 2 S. 1-92. En daarnaast August Baur: „Ed. Zeller als Religionsphilosoph”, in de Philos. Monatshefte Bd. 26. S. 536-603.
Z.
[50] Belangrijk en leerzaam voor de kennis van den ontwikkelingsgang die volksgodsdiensten doorloopen om wereldgodsdienst te worden, en voor de wijze waarop, vooral in Israël, uit het polytheïsme en henotheïsme monotheïsme is ontstaan, is nog altijd A. Kuenen, Volksgodsdienst en wereldgodsdienst.
G.
[51] Schleiermacher Reden. Zweite Rede: „Ueber das wesen der Religion”.
Z.
[52] De diepst doordachte en tegelijk innigst religieus doorvoelde geloofsovertuiging van deze soort in den nieuweren tijd geeft ongetwijfeld Fechner. Men vergelijke daarvoor weder de laatste hoofdstukken van zijn Die Seelenfrage, in de uitgave van Paulsen, blz. 223 enz., en de eerste hoofdstukken van zijn Die Tagesansicht gegenüber der Nachtansicht tot blz. 70. Wie zijn geloofslied, dat aan Paul Gerhard herinnert,
in zijn geheel vergelijkt met het boven aangehaalde mystieke[118] liedje van Angelus Silesius, zal daarin een veel Christelijker gevoelstoon en gedachteninhoud ontdekken. Men vindt het o.a. in de Tagesansicht blz. 65 en stelle daarnaast zijn troostlied blz. 162.
Trouwens het door dogmatisch rationalisme beheerscht vooroordeel tegen het pantheïsme, ziet voorbij dat de pantheïstische opvatting van Gods verhouding tot wereld en mensch in de eerste plaats naar haar denkwaarde te beoordeelen is, en dat, onafhankelijk daarvan, de religieuze waarde ook door andersdenkenden onvoorwaardelijk te erkennen is. De grootste pantheïstische denkers zijn diep religieuze naturen geweest, vele der grootste mystiek religieuze naturen (bijv. een Eckehart) zijn tot geloofsuitingen gekomen die van pantheïsme niet meer te onderscheiden zijn. Voor de religie is niet de denkwijze of voorstellingsvorm, maar het zuiver en innig religieus doorleven van de geloofsgedachten hoofdzaak.
G.
[53] Max Müller, Natural Religion.
Z.
[54] Over het openbaringsbewustzijn handelt bijzonder mooi en fijn Otto Pfleiderer in zijn „Religionsphilosophie” Bd. 2 S. 422 ff.
Z.
[55] Het problematisch karakter van ons historisch Jezusbeeld is bijzonder scherp in het licht gesteld door D. Fr. Strausz: Der Alte und der neue Glaube. S. 78 f.
Z.
[56] Over Buddha worden wij wel het beste voorgelicht door Hermann Oldenberg: Buddha, sein Leben, seine Lehre, seine Gemeinde. 1890. Dat hij geen koningszoon was S. 108, dat hij geen sociale hervormer was, S. 165 ff. Toch kan ook wat in den tekst daarover gezegd werd, behouden blijven. Verg. ook Chantepie de la Saussaye a. a. O. Bd. 1 S. 390-437.
Z.
[57] Het komt hier niet zoozeer aan op de persoonlijke, historisch moeilijk te bepalen betrekking van Jezus tot de particularistische of universalistische opvatting van zijn beroep, als wel op de verschillend klinkende berichten van het Nieuwe Testament aangaande dit punt.
Z.
[58] l’Irréligion de l’avenir, étude de sociologie, heet een werk van M. Guyau, dat in de 4e uitgave. Parijs 1890 voor mij ligt. Dat de titel (en niet alleen deze!) berust op een verwisseling van Dogmatiek en godsdienst, blijkt uit Rauwenhoff, t. a. p. blz. 795; en zoo kan ook Guyau zelf weer zeggen: „l’irréligion de l’avenir pourra garder du sentiment religieux ce qu’il y avait en lui de plus pur”.
Z.