1 De bepaling van den aard en van de mineralogische bestanddeelen der op Urk gevonden steenen is geschied onder de even ijverige als welwillende medewerking van mijnen vriend Dr. J. R. E. van Laer.
2 Eene vergelijking met Portlandkalk van Kandern in Baden, van Baune bij Poventruy in Zwitserland, en de lithographische steen van Solenhofen, leerde, dat in allen zeer vele der zamenstellende deeltjes meer of minder den bovengenoemden vorm hebben, het duidelijkst in de eerstgenoemde. Deze zamenstelling is merkwaardig, vooral indien men haar vergelijkt met die van het krijt, hetwelk enkel uit amorphe moleculen bestaat, waartusschen de Foraminiferen-schalen besloten liggen. Uit een vroeger onderzoek (zie Tijdschrift voor Natuurlijke geschiedenis en Physiologie 1842, Dl. X. bl. 208) is mij namelijk gebleken, dat, terwijl een bij lage temperatuur ontstaan praecipitaat van koolstofzuren kalk geheel amorph is, en, in weinig geconcentreerde oplossingen gevormd, uit even zulke moleculen bestaande, als die welke het krijt zamenstellen, er daarentegen zich bij hoogere temperatuur bovendien rhomboëdrische kalkspaathkristalletjes afzetten, en dat, bij eene temperatuur die 34° C. te boven gaat, het praecipitaat alleen uit zulke kristalletjes bestaat. Dit doet vermoeden, dat ook de verschillende vorm der deeltjes, welke de genoemde kalkgesteenten zamenstellen, moet worden toegeschreven aan de verschillende temperatuur van de zee, waaruit zij zich hebben afgezet.
3 Abbildung und Beschreibung der Petrefacten Deutschlands. Taf. 53. fig. 2.
4 Mineral Conchology of Great Britain V. T. 459. fig. 3.
5 Synopsis of the classification of the British palaeozoic rocks, by A. Sedgwick, with a detailed systematic description of the British palaeozoic fossils, bij F. McCoy, 1851. II. p. 136. T. I. E. fig. 3.
6 Min. Conch. VI. T. 535. fig. 1.
7 L. c. V. T. 403. fig. 1.
8 Natuurlijke Historie van Holland, Dl. II, bl. 413.
9 In het jaar 1660 werd het eiland door zijnen toenmaligen heer Johan van de Werve verkocht aan de Stad Amsterdam. Zie Wagenaar, Tegenw. Staat der Nederl. Dl. VIII. bl. 630.
10 Zie Houttuyn's Natuurlijke Historie volgens het samenstel van Linnaeus. Dl. XXXVI. bl. 206.
11 De kaart van het eiland zelve is vervaardigd naar eene kopij der in 1823 gemaakte kadastrale kaart, welke kopij bij den Burgemeester van het eiland berust. Ik heb daarin, naar eigene opmetingen op de plaats zelve, alleen die kleine wijzigingen aangebragt, welke door de sedert genoemd jaar ontstane veranderingen noodig waren geworden, en er tevens de door waterpassing gevonden hoogten van eenige punten op aangeteekend.
12 Bij de eilanders bestaat het vaste geloof, dat deze steenen weder aangroeijen. Een hunner bragt mij, om mij daarvan te overtuigen, bij een groot granietblok , aan welks ééne zijde eene uitpuilende verhevenheid gezien werd, die, volgens hem, een uitwas zoude zijn. Het zal ter naauwernood behoeven gezegd te worden, dat dit uitwas uit niets anders bestond dan uit een stuk kwarts, hetwelk aan de verweêring en afslijting meer weêrstand had geboden dan de naburige bestanddeelen.
13 Zie de Prijsverhandeling van Hausmann, in de Natuurkundige verhandelingen van de Holl. Maatschappij, Dl. XIX. bl. 292.
14 Wagenaar, Tegenw. Staat, Dl. VIII. bl. 630. De tegenwoordige vuurtoren, van een draaijend licht met eene Argandsche lamp en drie Fresnelsche lenzen voorzien, is, gelijk het opschrift meldt, opgerigt in 1844, onder het bestuur van Jonkheer A. C. Twent, Inspecteur van het loodswezen.
15 Wagenaar ibid.
16 Scheltema, Mengelwerk, Dl. VI. St. 2. bl. 77. Het is ook op grond dezer feiten, dat Scheltema vermoed heeft, dat Urk, met het Enkhuizer zand vereenigd, het eiland Flevo zoude hebben gevormd. Acker Stratingh (L. c. p. 238) houdt deze meening voor onwaarschijnlijk, omdat het Val van Urk beide vaneen scheidt. Zonder in het minste partij te trekken voor het gevoelen van Scheltema, doe ik hier echter opmerken, dat het Val van Urk niet zóó diep is, dat dit eene vroegere aaneensluiting onmogelijk zoude maken. De grootste diepte bedraagt 5,6 el, terwijl de veenbedding onder Amsterdam op sommige punten eene nog iets grootere diepte bereikt.
17 Eene langwerpige smalle zandplaat, zijnde eene voortzetting van het Enkhuizer zand, in eene zuidwestelijke rigting.
18 Tijdschrift voor Natuurlijke Geschiedenis en Physiologie, 1842. Dl. IX. bl. 17 en 268.
19 L. c. bl. 285.
20 L. c. bl. 342.
21 Het is bekend (zie onder anderen Vogt's Lehrbuch der Geologie, II. s. 38 en verv.), dat elke deltavorming steeds vergezeld gaat van het ontstaan van dergelijke lagunen. De door den Nijl en de Po gevormde delta's leveren er vooral de duidelijkste voorbeelden van. Wat dat gedeelte des bodems van ons vaderland in het bijzonder betreft, hetwelk eene deltavorming van den Rijn, de Maas en de Schelde is, zoo kan men, steunende op hetgeen de waarneming elders geleerd heeft, en op onze kennis aangaande den aard der gronden, welke dien bodem zamenstellen, zich van deszelfs ontstaan de volgende algemeene voorstelling vormen.
Toen de bodem der zee door het gestadig afgevoerde rotsgruis was opgehoogd tot op eene geringe diepte onder het watervlak, namen de verdere ophooging en drooglegging haren aanvang aan de randen der delta, derhalve aan de zeezijde. Waar zand den zeebodem bedekte, vormden zich duinen uit het zand, dat, tijdens de eb droog geworden, door den heerschenden Westen- en Noordwestenwind tot hoopen werd opgestuwd. Waar de zeebodem met klei bedekt was, werd deze in fijn verdeelden toestand, met het water, gedurende den vloed, aangevoerd, en tijdens de eb als slib achtergelaten, hetgeen bevorderd werd door de reeds in het ondiepe water groeijende strandplanten, en zoo ontstond een schoor wal op dergelijke wijze als zulks, vooral langs de kusten onzer noordelijke provinciën, nog heden ten dage plaats grijpt. De aldus langs de randen der delta opgehoogde bodem vormde aanvankelijk eene reeks of keten van eilanden, die de lagune begrensden, welke toen nog met brak water gevuld was. Allengs echter vereenigden zich deze eilanden, totdat er eindelijk nog slechts hier en daar opene ruimten overbleven, waardoor de zee het water uit de lagune ontving, waarin het zoete water der rivieren zich uitstortte. Door dezen meer beperkten toegang der zee, hield het water in de lagune eindelijk ook op brak te zijn, en toen ontstond op de ondiepste plaatsen der lagune eene vegetatie van zoetwaterplanten, welke jaarlijks afstervend, maar ook telken jare door eene nieuwe vegetatie opgevolgd, onder den vorm van veen, tot de ophooging des bodems krachtig bijdroegen. Deze veenvorming, langs den westelijken en noordwestelijken zoom aangevangen, strekte zich van lieverlede meer binnenwaarts uit, totdat eindelijk van de vroegere lagune slechts een meer overbleef, waarin een der Rijnarmen zijn water ontlastte, dat daaruit noordelijk zijnen verderen weg naar de zee vond.
22 Deze meeningen zijn:
1o. Het eiland Flevo bestond uit Urk en Schokland vereenigd (Ortellius, Alting, Wagenaar, Acker Stratingh).
2o. Het was het tegenwoordige Vlieland (Junius).
3o. Het lag op de plaats van het tegenwoordige Breezand, dus tusschen Texel en de Friesche kust (Cluverius, Engelberts, Arend, van Lennep).
4o. Het nam de plaats in, waar thans het Enkhuizer zand is gelegen, en waarmede het eiland Urk vereenigd was (Scheltema).
5o. Het omvatte, behalve het Enkhuizer zand, ook nog een vrij groot gedeelte van Noord-Holland (Ottema, Eekhoff).
Het spreekt van zelf, dat bij de vier laatstgenoemde meningen tevens wordt aangenomen, dat Urk en Schokland tot den vasten wal behoorden.
De lezer, die over dit onderwerp zich nader wenscht te onderrigten, verwijs ik naar Dr. Acker Stratingh's Aloude Staat en Geschiedenis des Vaderlands, Dl. I. bl. 240 en vervolg, waar hij tevens de bronnen vindt aangegeven.
23 L. c. p. 629.
24 Overijsselsche Almanak voor oudheid en letteren 1847, bl. 271. Het gewigt der zaak noopt mij daaruit het volgende over te schrijven.
„Tusschen Schokland en Urk op ⅔ van 't eerste en ⅓ van Urk, is eene plaats in zee, algemeen onder den naam van het Kerkhof bekend. Nog heden zijn er muren van drie voet boven den bodem der zee, en door een 80jarig, onlangs overleden man, volgens zijn zeggen, bij laag water gezien; en dat men hier tevens aan eene kerk moet denken, wordt hoogst waarschijnlijk. Op Schokland leeft thans Bruin Visser, wiens vader, in 1842, in 91jarigen ouderdom, is overleden. Deze grijsaard was voor 70 jaren (dat is omtrent 1772) met zijn visschuit over het Kerkhof gevaren, en had toen in zijne netten een kerkkandelaar, van welk metaal wordt niet gemeld, gevonden, en dezelfde man getuigde, dat de heden nog in de Roomsche kerk op Emmeland aanwezige doopvont, vandaar gehaald was.”
Wat de schrijver er verder op laat volgen, aangaande eene uit kei- of balsteenen bestaande streep in zee, welke van Schokland, in de rigting van dit Kerkhof, ver in zee loopt, en door de visschers een straatweg wordt genoemd, schijnt minder bewijzend, daar dergelijke in de Zuiderzee menigvuldig voorkomende stroken van meerdere of mindere uitgestrektheid (zie ook de Konst- en Letterbode 1847. I. bl. 82) hoogstwaarschijnlijk niet anders zijn, dan ontbloote zand- en steenruggen, van dergelijken aard als het rif, dat Urk omgeeft, gelijk reeds door Acker Stratingh (L. c. p. 245) te regt is opgemerkt.
25 In het zeewater uit de haven van Urk vond ik in 1000 deelen 5,808 d. chlor. Uitgaande van de door Mulder (Scheikund. onderzoekingen, Dl. VI) bewezen stelling, dat de zouten van het zeewater steeds in dezelfde betrekkelijke hoeveelheid voorhanden zijn, en van de door hem (bl. 34) aangegeven zamenstelling, dan vindt men, door berekening, dat in 1000 deelen van het zeewater bij Urk bevat zijn:
| Zwavelzure kalk | 0,471 | ||
|
0,680 | ||
| Chlormagnesium | 0,999 | ||
|
8,326 | ||
|
0,109 | ||
| Brommagnesium | 0,018 | ||
| Koolstofzure kalk | 0,004 | ||
| Kiezelzuur | 0.001 | ||
| Som | 10,608 |