(Iokaste blijft links op het terras, waar de trappen stijgen naar de heilige offerplaats,—op een der treden staan, terwijl de drie maagden,—iets lager dan de Koningin, met de schalen hoog in de handen geheven, op eene rij zich opstellen).

Iokaste:
De ziel van uwen koning, van mijn man,
is ziek. Daarom wil 'k voor de goden treden,
dat zij hem doen genezen. Want wàt zijn wij,
als híj terneder ligt, de man aan 't roer,
en storm en ontij teisteren het schip,
spelend ermee hun spel!
De bode uit Korinthe (van ter zijde opkomende):
Gij, goede menschen,
weet één van u mij 't huis van Oedipus te wijzen?
en weet éen bijgeval, waar 'k zélf hem vind?...
De eerste grijsaard:
Dát is zijn huis. Gij vindt hem binnen.
Die vóór u staat, is onze koningin,
de moeder zijner kind'ren.
De bode:
Wees gezegend,
o, koningin, en moog' ge⁀ook met gezegenden
door 't leven gaan!
Iokaste:
Geheel datzelfde wensch 'k
ook u toe, vreemde vriend! Gij zijt 't waard
ter wille van zoo heusch'n groet. Spreek,
wát brengt gij ons? Of wat verwacht gij van ons?
De bode:
Geluk breng 'k aan uw huis en aan uw man.
Iokaste:
Wát voor geluk? En vánwaar komt het ons?
De bode:
Uit 't land Korinthe: wat 'k uw man kom zeggen,
zal hem ten deel verheugen, ten deele ook
bedroeven, vrees ik.
Iokaste:
Wat voor nieuws mag 't zijn,
dat deze dubb'le kracht bezit?
De bode:
De mannen
van 't gindsche Isthmosland, roepen uw man
tot koning.
Iokaste:
Wat? heerscht dan Polybos niet meer?
De bode:
Hij heerscht niet meer. Hij slaapt in de aarde.
Iokaste:
Wat zegt gij, oude? Is Polybos dood?
De bode:
Zoo wáar ik adem haal!
Iokaste:
Op, mijne meisjes! op!
Rhodopis, Pannychis, Kalirrhoë, snel
naar uw meester!—snel!

(De meisjes ijlen 't paleis in).

O, orakelspreuken,
waár zíjt gíj nú? Hoé kwelde hem de angst
voor moord en doodslag op zijn ouden vader;
nu heeft het sterflot dezen man bereikt,
en hier is Oedipus!

(Oedipus is op dit oogenblik uit zijn paleis getreden achter hem, een tot de tanden gewapend krijgsman).

Oedipus:
Wat is 't vrouw? waarvoor
liet gij mij halen van waar 'k zat en peinsde?
Spreek, waarvoor?
Iokaste:
Hoor dezen man, mijn vorst, hoor hem,
en zeg mij dan wat van die heil'ge, zeek're
godenwoorden nu nog geloof verdient!
Oedipus:
Wie is die vreemde? en wát is zijn boodschap?
Iokaste:
Hij is uit Korinthe, en zijn boodschap luidt:
dat Polybos, uw vader, niet meer leeft.
Oedipus:
Wat?
Zeg dat met uw eigen mond!
De bode:
Het is zoo, vorst,
hij ging den weg, dien ieder sterf'ling gaat.
Oedipus:
Hij stierf door moord? Neen? Niet door moord?
Door ziekte?
De bode:
'n Kleine stoot brengt oude liên in 't graf.
Oedipus:
Zoo was 't dus door ziekte, dat hij stierf?
De bode:
Door ouderdom;
Zijn hooge leeftijd was 't. Hij welkte weg.
Oedipus:
O, vrouw! wat heeft men dan voortaan
bij 't Pythische orakel nog te zoeken?
Wát zal men
verder nog op teekens achten,
die niet méér zijn,
dan 't schor gekras van voog'len in de lucht!
Zou ik niet mijn vader dooden?
Hem dekt nu d' aarde,—
hij is niet meer,—
en dat toch zeker niet door mij,
—geen zwaard heb 'k aangeraakt,—òf wel,
hij, moest dan aan mijn wensch gestorven zijn?
Ja, dán had 'k waarlijk schuld toch aan zijn dood.
Zoo is die vloek dan van mijn hoofd genomen,
Polybos nam hem met zich, waar hij ging.
Iokaste:
Heb ik u dit niet lang geleên voorspeld?
Oedipus:
Gij heb 't gezegd, maar ik was gek van angst.
Iokaste:
Maak u dan nú ook vrij, en lach met alle angst.
Oedipus:
Met alle? moet 'k niet altijd nóg mijn moeders huw'lijk duchten?
Iokaste:
Wát hoeft 'n mensch
te vreezen?
drijft niet
't onzek're lot, 't toeval
hem hier en ginder heen?
kent hij van éenig ding dan
't wezen?
wordt niet met ied'ren speelschen nuk
van 't lot
hij aan zichzelf ontrukt? Bekommer u
dan verder toch om geen orakeltaal!
Slechts leven!
Zorgloos leven!
Hebben dan menschen in hun droomen
niet dikwijls reeds in moeders schoot gelegen?
O, geloof me,
alléén, wie al die dingen luchtig neemt,
verdraagt de last des levens;
wie 't niet doet,
gaat te gronde...
Oedipus:
Dat alles klinkt voortreff'lijk, vrouw,
wat gij daar zegt,
zoo slechts mijn moeder niet in leven ware!
zij leeft; dus heb ik angst.
Iokaste:
Waait van uw vaders graf geen troost u over?
Oedipus:
Jawel, maar dat mijn moeder leeft, verdrijft haar.
De bode:
Wié is de vrouw, die u met vrees vervult?
Oedipus:
't Is Meropé, de vrouw van Polybos.
De bode:
En wát is 't, vorst, dat u in haar beangstigt?
Oedipus:
'n Gruwlijk woord, mijn vriend, uit godenmond.
De bode:
Kunt ge 't mij zeggen? Of mag geen vreemde 't hooren?
Oedipus:
Ik kan 't U zeggen. Mij heeft de God te Delphoï
aangezegd:
dat ik mijn moeders schoot ontheil'gen zou,
en met mijn eigen hand mijn vader dooden.
Dát dreef mij van Korinthe weg.—
Dacht gij dan, oude man, ik had
voor niets mij het genot ontzegd,
haar lief gezicht te zien?
De bode:
Dit dus, en ánders niet
dreef u weg uit Korinthe?
Oedipus:
Was 't niet genoeg?
dít, en mijns vaders moordenaar te moeten worden?
De bode:
Zoo haast ik mij, mijn vorst, U snel het woord
te zeggen, dat U van al Uw angst bevrijd,
want daarmee dien ik U 't best.
Oedipus:
O, kondt gij 't doen
hóe zou ik U beloonen! beloonen—
De bode:
Daar kwam ik voor,
dat gij mijn dienst beloondet—als een koning,—
waart ge in uw huis daarginds teruggekeerd.
Oedipus:
Nooit woon ik meer tezâam in 't huis met haar,
die mij het licht deed zien!
De bode:
Toch niet? Dan weet gij heusch niet,
kind, wat of gij doet.
Oedipus:
Dan leer 't mij, oude, spreek!
Wat weet ik níet?
De bode:
Als gij om harentwil
uw huis dáar mijdt.
Oedipus:
Begrijp mij toch: uìt angst, man,
uit doodelijke angst.
De bode:
Voor dàt, wat gij
aan haar zoudt kunnen doen?
Oedipus:
Ja, vader, ja!
De bode:
En dat al deze angst om niets is, vorst,
om niets, want Polybos had zelfs geen droppel
bloed met u gemeen.
Oedipus:
Wát? wát zegt gij daar?
Was Polybos mijn vader niet?
De bode:
Zoomin
als ìk, die vóor U sta.
Oedipus:
Wat moet dat, man?
Wáarom dan noemde hij mij zoon?
De bode:
Weet dan:
als een geschenk kreeg hij u eens van mij,
uit deze hand hier!
Oedipus:
Uit de hand eens knechts?
en nam mij op, verzorgde mij en had mij lief?
De bode:
Dat kwam, doordat hij zelf geen kind'ren had.
Oedipus:
'n Vondeling dus? Of hadt gij mij gekocht?
De bode:
Een vondeling uit het woudgebergt'
Kitháeron.
Oedipus:
Hoe kwaamt gij daar?
De bode:
Als herder;
Ik weidde kudden op den berg Kitháeron.
Oedipus:
'n Herder waart ge dus, die luiert met het vee?
De bode:
Uw redder was 'k, uw redder, lieve zoon.
Oedipus:
Gij vondt mij dáar als zuig'ling en in nood?
De bode:
Ja, waarlijk, dát getuigen uw voetgewrichten nog.
Oedipus:
Wee mij! wat rakelt gij daar op?
De bode:
Uw arme
voetjes doorboord, met bloed'ge riemen vast-
gesnoerd, zoó vond ik u. Ik sneed ze⁀u los.
Oedipus:
O, smaad'lijk teeken, ontvangen⁀in de winds'len!
De bode:
Vandaár hebt gij den naam ook, dien ge draagt.
Oedipus:
Nu spreek: was 't mijn vaders of mijn moeders hand,
die dàt mij aandeed, man?
De bode:
Dat weet ik niet.
Die mij u gaf, moet het 't beste weten.
Oedipus:
Die mij u gaf? Gij vondt mij dus niet zelf?
De bode:
Neen, heer. Een ánder deed 't. Diè gaf u mij.
Oedipus:
Wie was 't? Weet gij 't? Spreek!
De bode:
Hij zei, hij was 'n knecht
van Laïos.
Oedipus:
Van Laïos, die hier koning was
vóór mij?
De bode:
Denzelfden, ja.
Oedipus:
En leeft die knecht?
Kan men hem laten spreken?
De bode (zich tot de grijsaards wendende):
Dat moet gij,
kinderen van dit land, wel 't beste weten.
Oedipus (tot de grijsaards):
Kan iemand onder u mij van dien herder,
dien hij meent, iets zeggen? Spreekt!
Eerste grijsaard:
Ik denk, 't is
geen ander dan de man van 't land, dien gij
al eerder hier ontboden hebt. Ik meen
er is om hem gezonden, vorst. Maar zij
—uw vrouw—kan u dat zeker zeggen.
Oedipus (tot Iokaste):
Iokaste, 'k bid u, spreek, is hij, om wien
gij zondt, dezelfde, als die man hier meent?
Iokaste (door angst gepijnigd):
Wat weet ik, wien hij meent! 'k hoor niet naar hem.
Sla toch geen acht op wat hij zegt!
Oedipus:
Wát? Ik zou
dit hooren, en mijn geboort' in 't duister laten?
Neen, nu of nooit doorgrond ik, wie ik ben.
Iokaste:
Neen, neen! bij onze liefde, vraag niet verder!
mijn lijden is genoeg!
Oedipus:
Zijt gij zoo bang
voor wat gij hooren zult? O, wees getroost;
uw bloed onteer ik niet, al blijkt mijn vader,
ja, mijns vaders vaders vader, ook 'n knecht.
Iokaste:
En nochtans smeek ik: volg, o, volg mijn raad!
Oedipus:
Stil! Ik volg dien niet.—Nú wil ik weten!...
Iokaste:
O, hoor toch!—Om uw bestwil. Hoor naar mij!
Oedipus:
Dat bestwil is mij lang reeds tot 'n hel. Ik wil
den herder zien. Den herder wil ik! Brengt dan
geen mensch mij dezen herder hier?
Iokaste:
Wee u,
rampzalig man! Verneem uw afkomst nooit!

(Zij staat als verstard van schrik).

Oedipus:
Ik wíl haar weten! Troost u, úw bloed blijft rein,
hoé oók het mijne zij! Den herder wil ik!
Iokaste (met de handen voor zich uitgestrekt, in huis ijlend):
Wee, ongelukk'ge, wee!
De grijsaards (zachtjes onder elkander):
De vrouw!
Zaagt gij de vrouw?
Haar oogen!
O, haar oogen,
waarmee zij zag naar haar man!—
Hebt gij haar oogen niet gezien?
Oedipus!—
Oedipus:
Kome er van, wát komen wil!
Mijn oorsprong móet ik kennen.
Weten wil ik,
wáár 'k ben vandaan gekomen,
en waar' 't ook uit het stof.—
Die vrouw is trotsch;
'k geloof, zij schaamt zich over mij.
Maar ik,
ik ben de zoon van vrouw Fortuin,
en mijne magen zijn de maanden,
de wisselende;
die zijn mét mij gegaan, en hebben
mij groot en klein gemaakt.
Wie op zóo'n stamboom roemt,
doorgrondt zijn afkomst.
De grijsaards (onder elkander, zachtjes):
Misschien zijt gij wel 't kind van 'n god,
die door de wouden dwaalde,
en baarde u éen van zijn gespelen dáár.
Was niet uw vader Pan?
Of Zeus?—
Of wel Apollo?—
Of was 't Bakchos misschien?
Was 't niet Bakchos?—
En heeft niet eene van de nimfjes
op den Hélikon, aan Bakchos u gebaard?
Oedipus (voor zich uitstarend, zonder op hun woorden te achten):
Dát moet de oude zijn! Den herder meen ik,
dien wij verwachten. 'k Herken in die hem brengen,
de dienaars van mijn huis.
Ziet gij dien man?
Is hij 't?
De grijsaards:
Hij is 't! Hij is 't! 't Is deze man!

(De oude herder komt aarzelend door de orchestra naar voren. Oedipus vliegt de trappen van de terrassen naar beneden hem tegemoet, vat hem bij de polsen en ijlt met hem de trappen van de terrassen weer naar boven, tot waar de bode uit Korinthe is blijven staan. Dan vat hij in een zich niet kunnen bedwingen van ongeduld, den bode met de rechterhand vast, en houdt den herder met de linkerhand om den pols gevat; dan beider lijven naar elkander toebuigend):

Oedipus:
U vraag ik 't eerst, U, vreemd'ling uit Korinthe:
Is dát de man, van wien gij spraakt?
De bode:
Dezelfde, vorst.
Oedipus (tot den herder):
Hoor oude, zie mij aan, en antwoord mij!
Gij waart 'n knecht van Laïos?—
De herder:
Z'n knecht, heer.
Ja, z'n knecht—van mijn geboort' af aan—z'n knecht.
Oedipus:

(In stijgend ongeduld, zijn gezicht met plotselinge rukken van den éen naar den ander toekeerend, als 't ware nauwelijks bij machte, om de antwoorden, die hij van tevoren weet, dat komen zullen, af te wachten. Het is, als wilde hij in 'n razend wilde begeerte het noodlot, dat hij weet, dat hem beschoren is, als een zwaard zich in de ziel stooten).—

Wát was de dienst, dien ge in zijn huis verrichtte?
De herder:
Den meesten tijd weidde ik de kudden, heer.
Oedipus:
In wèlke streek?
De herder:
Meest op den berg Kithaeron,
of daaromtrent, heer, in de buurtschap daar.
Oedipus:
Dan kent gij dézen man?

(Hij grijpt èn den bode èn den ouden herder bij den nek en buigt hunne hoofden naar elkander toe).

De herder:
Hóe zou ik, heer?
Wát is dat dan voor een?
Oedipus:
Wát? Hebt gij nooit
met hem te doen gehad?
De herder:
Neen, niet, dat ik mij
dat zoo snel herinn'ren kon, m'n goede heer.
De bode:
Dat is geen wonder, vorst, maar ik frisch hem
't geheugen daad'lijk op. Dit móet hij zich—
dat wed' ik—nog herinn'ren, dat wij lang geleên,
elkander troffen, waar op den berg Kithaeron
de groote dalen zijn, de weide-plekken,
en dat wij dáar voor drie half jaren, telkens weer
van 't voorjaar tot den herfst, met onze kudden,
—hij had er twee, en ik slechts één—dat wij
dáar buurlui waren, en als goede vrienden
te zamen huisden, tot de winter kwam,
en ik míjn vee terugdreef naar de stallen,
hij weer met zijn vee ging naar Laïos' huis.
Is 't zoo, of is 't zoo niet?
De herder:
Ja, ja, maar het is lang—
heel lang geleden.
De bode:
En zeg, weet ge dan óok
nog wel, dat gij 'n kind mij destijds gaaft?
De herder:
'n Kind?!—
Wat vraagt ge me daar nu? 'n Kind?
De bode:
Ja, man, 'n kind,
en dat kind stáat nu hier.
De herder:
Vervloekt zij u de tong!
Haal u de pest!
Oedipus:
Stil, oude! vloek hem niet.
Niet wat hij zegt, maar wat gij doet, verdient dat.
De herder:
Wat deed ik dan, mijn goede Heer, wát deed ik?
Oedipus:
Verlooch'nen wilt gij 't kind, waarnaar hij vraagt.
De herder:
Hij vraagt en zwetst! 't Is zonde van den tijd.
Oedipus:
Zegt gij 't gewillig niet, dan dwing ik U.

(Hij vat hem ruw bij den baard en schudt hem heen en weer).

De herder:
Mijn goede heer, mishandelt gij uw ouden knecht?
Oedipus (tot den krijgsman):
Komt hier! Snoert hem de handen op den rug!
De herder:
Waartoe heer?—Ach, waartoe?—Wat wilt gij weten?
Oedipus:
Gaaft gij dat kind dien man?
De herder:
Ik deed 't, heer.
O, dat ik op dien dag gestorven ware!
Oedipus:
Sterven zult gij nog heden, zegt gij de waarheid niet.
De herder:
En zeg ik haar, dan sterf ik tóch!
Oedipus:
Uitvluchten
zoekt de schurk, en houdt ons op.
De herder:
Ik? Heb 'k 't niet
al lang gezegd? Ik gaf 't kind! Ik heb 't hem gegeven.
Oedipus:
Wáár kwam dat kind vandaan? Was 't
uw eigen kind? Of was 't een vreemd?
De herder:
Mijn eigen
was het niet. Ik kreeg 't van elders.
Oedipus:
Wáár vandaan?
Van wien, en uit welk huis?
De herder:
Niet vragen, heer,
O, vraag niet verder!
Oedipus:
Een dood man zijt ge,
als ik 't nog éenmaal vragen moet!
De herder:
Zoo zij 't!
't kwam uit het huis van Laïos, heer.
Oedipus:
'n Kind
van knechten?—Ja?—Of van den koning zèlf?
De herder:
O, schrikk'lijk, om te zeggen, is juist dàt!
Oedipus:
Nóg schrikkelijker te hooren, maar het moét.
De herder:
Ze zeiden: 't was 'n kind van hem; uw vrouw,heer,
zegt u dat het best.
Oedipus:
Zij?
De herder:
Zij was er bij, toen hij,
de koning, 't mij gaf.
Oedipus:
't u gaf? En met welk doel?
De herder:
Dat ik 't dooden zou.
Oedipus:
't Dooden? 't eigen kind?
De herder:
Zij vreesden voor wat Phoibos had voorspeld.
Oedipus:
Wát was 't?
De herder:
Dat 't z'n eigen vader dooden zou.
Oedipus:
En gij gaaft 't toen weg?—aan hèm?
De herder:
Uit meêlij, heer,
uit meêlij! Dat hij 't naar elders brengen zou.
Maar áls gij nu—als gíj dat kind zijt, dán
—dan bij de goôn—heb ik u toen gespaard,
om u aan 'n veel gruwelijker noodlot
prijs te geven, heer!
Oedipus:
Zóo komt dan alles uit!
Zóo gaat dan álles in vervulling, wat god
Phoibos heeft voorspeld! O, Licht! 't is voor het laatst,
dat ik u zie! Vervloekt als kind, nog eér
het was geboren! vervloekte moordenaar!
óveral vervloekt!

(Hij vliegt door de deuren in 't paleis).

De grijsaards (komen naar voren, blijven langen tijd zonder iets te zeggen, staan. Uit het paleis klinken stemmen).
Eerste grijsaard:
Weet gij nog, hoé hij kwam?—
Als aan een god,
brachten wij hem onzen groet.
Weet gij 't nog?—
Herakles! Perseus! Orpheus!
noemden wij hem
bij zijn verschijnen.—
Weet gij 't nog?—
Hoe straalde de dag,
toen wij hem brachten
onze koningin en de kroon.—
Hoe glansde de nacht,
toen hij zich vlijde ter ruste
met haar in 't pàleis.—
Weet gij, met wie
hij zich vlijde ter ruste?
Weet gij 't?—
Wee!—

(Uit het paleis klinkt weegeklag, als gaf 't antwoord op het weegeroep der grijsaards).

De grijsaards.
Eerste grijsaard:
Hoe kon 't rustbed hen dragen?
Lag niet de doode daarop?
Laios!
Alle grijsaards (gezamenlijk, dof herhalend):
Laios!
Hoe lang dachten wij niet meer aan hem!
Nu is hij er weer!
Wee! Wee!

(Uit het paleis klinkt het weegeroep sterker thans, het weegeklag van de grijsaards overstemmend. Plotseling worden de bronzen deuren wijd opengeslagen en de meisjes en vrouwen uit Iokaste's gevolg stormen in wilden ren—de een na de ander 't paleis uit naar buiten. Zij verspreiden zich op de trappen).

De vrouwen (verdeeld):
Dood!—Dood!—De koningin is dood!
Eerste:
Zich zèlf!
Tweede:
Met hare eigen handen!
Derde (zich aan de tweede vastklemmende):
O, zeg niet,
hóe zij 't gedaan heeft!
Eerste:
Ik was in 't vertrek,
daár, waar het rustleger staat—ik spreidde er
de dekken—daar vliegt de deur eensklaps open,
en zij komt binnen—mij ziet zij niet—zij ziet
slechts den doode—haar eersten man—den koning Laios;
zij spreekt met den doode,—maar tevens schijnt
nog een ànder daar bij haar te zijn—de zoon,
met wien zij óok lag op dat leger, kind'ren
hem barend—daár—waar zij eerst hèm zelven
gebaard had—hèm—plots'ling grijpt zij—grijpt, en
vattend haar gordel, rukt zij dien af—
en los hem sling'rend—zóo—uit de hand—vrij—draait
ze⁀er 'n strik van—O, haar gezicht—hoe 't straalde,
toen zij 't 'n strik zag worden—
Enkele vrouwen (verdeeld):
Spreek 't niet uit!
Zeg niet, wát tóen gebeurde!
Eerste (zich het gezicht verhullende):
Ik zeg 't niet.
Tweede:
Híj vond haar daar later zóo—híj!
Vierde:
Oedipus!—
Hij kwam in huis—nooit van m'n leven wil 'k
nóg eens 'n mensch zóo zien loopen met zóo'n gezicht,
als zijn gezicht was!
Tweede:
Nooit—bij de goden—wil 'k
zoo'n stem wéer hooren, als de stem was, waarmee
hij riep door 't huis: Wáár is mijn vrouw, neen, niet
mijn vrouw, mijn moeder! Wáár is mijn moeder?
Vierde:
Wij gaven geen antwoord, maar hij—
Tweede:
Hij vindt
den weg als van zelf—zoo schijnt 't,—en met 'n gìl,
als waren honderd wilde dieren losgebroken,
komt hij, en stoot de deur, wijd open,—dáár—
moesten dan onze arme, arme oogen
de vrouw zien hangen.
Vierde:
Uit den strik maakt hij
haar lichaam los en legt haar zachtjes op den grond.
Tweede:
En dan neemt hij haar zacht de gouden spangen
van haar kleed, de priemen, waarmee 't kleed werd
vastgehouden, en spreekt, en wij staan daar
en weten niet, tot wien, niet tot den doode,
en ook niet tot ons, maar allen hooren wij 't:
„nooit zaagt gij”—zegt hij,—„nooit zaagt gij, wat ik deed,
„noch, wat ik leed, noch wie er vóór mij stond,
„zoo zij 't voor u ook verder nacht” en heft—z'n oogen,
tot z'n oogen spreekt hij,—en heft de handen,
beide handen, met de spangen, en boort ze
diep in beide oogen, in zijne levende oogen boort hij ze,
dat hem 't bloed over de wangen gutst,
en heel 't gezicht bemorst.

(Onrust merkbaar in het paleis).

De eerste (is naar achter geloopen en komt nu weer naar voren):
Zij kunnen hem niet houden!
Hij schreeuwt: de deuren moeten open, ál 't volk
moet komen, om den man te zien, die eerst
zijn vader doodde, en dan zijn moeder—
Alle vrouwen:
Zeg 't niet!
De eerste (bedekt zich den mond):
Mijn mond zegt 't niet!

(Het geraas uit 't paleis komt nader en nader. De vrouwen loopen terug en vormen een doorgang aan weêrszij van de paleisdeuren. Van ontzetting rekken allen de armen hoog in de lucht en sluiten zij de oogen. Oedipus komt door de bronzen paleisdeuren naar buiten gestormd, met verwarde haren en met bloed beloopen oogen, die door een doek ter halverwege worden bedekt. Hij loopt met zoo haastige stappen de trappen af, dat twee dienaars, die hem trachten vast te houden, ternauwernood bij hem kunnen blijven. Achter hem aan andere dienaars en gewapenden.

De grijsaards wijken bij zijn komst verder terug).

De grijsaards:
Wij vragen niet meer—wij richten niet meer—
ons denken staat stil,—het ontzet ons!
Oedipus:
Ach! ach! ach!
Wáár gaan mijn klachten heen? Wie vangt ze op?
Verwaaien ze in den wind?
Noodlot, waar voert gij mij heen?—
De grijsaards (fluisterend):
Naar 'n leed zóo afgrijslijk, dat geen oog 't kan zien!
Oedipus:
Duisternis!
Eeuwig—oneindig—ondenkbaar—
onoverwindbaar! Geen naam, die u noemt!
Wee mij! Wee! O, in mijn oogen,
hoe branden die wonden!
maar feller nog vlijmen
de dolken van 't denken mij in 't gemoed!
De grijsaards:
Tweevoud is ons lijden—zóo zijn wij geschapen.
Oedipus (de grijsaards naderend):
Ach! Gij nog hier, gij toeft nog bij den blinden man?
Wee mij!
De grijsaards (op hun beurt Oedipus naderend):
Wie heeft uw hand den weg gewezen
naar uw oogen,
toen gij hen 't licht ontroofdet,
Oedipus?
Oedipus:
Apollo was 't.
Apollo heeft dit gruwlijk lot
mij opgelegd.
Maar aan mijn oogen deden mijn handen 't werk.
Daar was geen god bij noodig, om te helpen.
Wien moet ik dan nog zien?
Moet 'k omlaag mijn vader aanzien,
als hij mij tegentreedt?
of wel mijn kinderen?
Moet 'k aan hún blikken dan míjn blikken binden,
en met hen 'n ondenkbaar wreed
gesprek aanvangen
oog in oog? Neen,
voert mij weg van hier!
Jaagt deze pestbuil hier vandaan.
Stoot hem van hier,
verjaagt hem,
werpt hem uit,
den man, die druipt van alle hemelsvloeken!
De grijsaards (gezamenlijk):
Ik wilde, 'k had u nooit, neen nooit gekend!
Oedipus (zachter):
Wat ik misdaan heb aan mijn moeder, misdaan heb
aan mijn vader, boet mijn leven niet.

(voor zich heen, somber):

Ach, bruiloft! huw'lijk! nacht'lijk zaad, in 't licht
geschoten, de zoons des vaders broeders,
dochter, ach, zusters! Geen naam, die 't noemt. Verbergt!
mij toch in 't donkerst woudgebergte! Slaat mij
terneer!—Werpt van de rots mij af!—Jaagt mij
van hier! daarheen!—daarheen, vanwaar geen sterfling keert!
Vernedert u, mij aan te vatten! O, vreest niets!
Hierbinnen bruist 'n zee van leed; er vloeit niets over!

(Kreon komt uit 't paleis met gevolg. Hij draagt mantel en kroon).

De grijsaards:
Beslissen moet in wat ge⁀ons smeekt, vorst Kreon.
Hij voert 't bewind nu over 't land. Hij komt.
Oedipus (zacht):
Wát zeg ik nu tot Kreon?
Kreon:
Oedipus, niet
om te spotten met uw leed kom ik, nu gij
zoo diep rampzalig zijt, maar schaamt gij u
al niet voor 't oog der menschen, schaam u toch voor
den god, die over ons zijn heilig aanschijn licht,
voor Helios,
en toon hem niet dit wezen
zonder naam, dit gruw'bre, waaraan d'aard'
geen wijkplaats biedt, omdat zij niet beroerd
wil wezen van z'n lijf, noch 't licht hem wil
beloopen met z'n stralen, en ook de regen
hem niet zeeg'nen wil. Wij echter zijn uw bloed.
Ons is het daarom opgelegd, met u in huis
te zijn, uw lijden aan te zien, het te verlichten.
Oedipus:
O, Kreon, gij zijt goed! Hóe vriendelijk
spreekt uw mond tot mij, den boozen Oedipus—
maar, ach, ik smeek, verleen me een gunst! één gunst!
Kreon:
Om wélke gunst verzoekt mij Oedipus?
Oedipus:
O, stoot mij weg, snel weg, dáarheen, waar nooit
een menschenstem mij meer bereiken kan!
Kreon:
't Waar' reeds gebeurd, moest ik niet eerst opnieuw
den wil des gods vernemen.
Oedipus:
O, vraag hem niet!
Verniet'gen wil hij, wie zijns vaders bloed vergoot.
Verniet'gen! Anders niet.
Kreon:
Zoo sprák de god,
toen wij in 't duister tastten.
Nú is het licht.
Niemand doorgrondt den god!
Ik wacht en vraag.
Oedipus:
Alwéder vragen?
Kreon:
Gelooft gij nóg niet,
in de goden, Oedipus?
Oedipus:
In uwe hand
is alles nu gelegd;
ook 't and're Kreon.
De zorg voor 't lijk daarbinnen rust op u.
Laat het begraven worden, zooals gij 't wilt.
Maar 'k smeek u, Kreon, o, gedoog het niet,
dat mij de stad nog langer herberg geeft. Laat
mij op den Kithaeron huizen. Dat 's mijn oord.
Hebben mijn ouders mij, als kind, dien berg
tot een vroegtijdig graf niet aangewezen?—
En tóch, één zekerheid leeft in mijn ziel: mij doodt
geen ziekte, en geen worp van 't toevalspel:
Iets anders, iets verschrik'lijks, niet te noemen,
staat nog voor mij in 't donkere toekomst'ge.
Dat mist mij niet. Neem 't noodlot dan met mij
den loop, dien 't wil. Erbarm u, Kreon over
mijne kinderen. Bedenk het, Kreon,
zij aten nooit hun brood van mij gescheiden:
zij zijn gewend, dat dit arm mensch, hun vader,
zijn bete met hen deelt. Neem ze in bescherming
Kreon, en laat mij eenmaal nog hun wangen streelen.

(Op een wenk van Kreon worden twee van de kinderen van Oedipus, twee meisjes, uit den kring van de dienaars naar voren geleid, naar Oedipus).

Oedipus:
Ik hoor ze! 'k hoor hun schreien! O, hebt ge
zooveel meêlij, Kreon, is 't wáár? Hebt gij
ze naar mij toegestuurd?
Kreon:
Den vroeg'ren tijd
herdenkend, deed ik 't, Oedipus.
Oedipus:
O, wees
gezegend daarvoor! En hoed u voor den
daemon op uw weg, dien ik niet heb geacht.
Wáár zijt gij, kind'ren? Komt bij uw vader!
Zijn oogen zien u niet. Hun licht heb ik me
uitgeweend met deze handen hier.
Wee, meisjes! bitter, bitter is uw lot!
Wie neemt u zich tot vrouw? wie waagt, zoo'n smaad
zich op den hals te halen met uw bruidsgift?
Liggen niet alle vloeken dezer wereld
op uw hoofd? Uw vader sloeg zijn vader dood,
dán kwam hij hier zijn moeder vrijen,
en dezelfde schoot, die hem gedragen had,
droeg daarna u, daaraan had hij z'n vreugd,
z'n vadervreugd.—Wié zal bij u zich kind'ren
willen wekken? Geen mensch ter wereld! Niemand!
Onvruchtbaar kwijnt ge weg; vergeefs geleefd,
vergeefs geboren, leeg blijft uw bestaan.—
Kreon, zij hebben niemand op de wereld
buiten u; niet dood, neen; méér dan dood,
—vernietigd—is hun vader; hun moeder
leeft niet meer; laat, vorst, hen niet ronddolen
door 't land, laat hen niet beed'len, vorst! Beloof
mij dit! Zij zijn uw bloed! Laat mijne hand
aan d'uwe mogen raken, dat ge 't mij belooft.
Kreon, uw hand den armen Oedipus.—
Kreon:
Genoeg! Laat 't jammeren uit zijn!
Kom in huis!
Zorg voor 'n dak. De zon stijgt hooger.
Oedipus:
Stijgt hij?
Wee mij, Kreon, zend mij dan weg van hier!
zend mij van hier!
Kreon:
Waarheen? Uit 't land?
Oedipus:
Van hier!
Kreon:
De goden moeten U die gunst verleenen.
Oedipus:
Wee mij! Wee mij!—Mij haten alle goden!
Kreon:
Als zij u waarlijk haten, staan zij 't toe.
Oedipus:
Maar gij?
Kreon:
Ga dan en laat de kind'ren los.
Oedipus:
Neen, neen! Neem die mij niet!
Kreon:
Hoopt ge dan altijd nog op 's levens winst?
Bleef iets U trouw van ál, wat gij bezat?
Oedipus:
O, volk van Thebe, dit is Oedipus, die groot
was onder u, en veel benijders vond.
Laat dus 'n mensch zijn laatsten dag verbeiden
in stilte—héel in stilte.
De grijsaards en het volk:

(Vol ontzetting terugdeinzend van den door hunne rijen zich een weg tastenden Oedipus:)

Oedipus!

EINDE.

TOONEELSPELEN
VERSCHENEN IN DE
TOONEELBIBLIOTHEEK, WERELDBIBLIOTHEEK
EN NEDERLANDSCHE BIBLIOTHEEK

a. NEDERLANDSCHE.
N. B. INA BOUDIER-BAKKER, 't Hoogste Recht (4 bedrijven).
Ing. f 0.20; cart. f 0.30; linnen f 0.40
N. B. J. F. E. CELLIERS, Liefde en Plig (4 bedrijven).
Ing. f 0.20; geb. f 0.40
T. B. SUZE LA CHAPELLE-ROOBOL, Een Boete (3 bedrijven).
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
T. B. J. EVERTS, De Verleider (1 bedrijf).
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
T. B. id. De Derde (1 bedrijf).
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
T. B. id. Kracht naar Kruis (1 bedrijf).
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
T. B. ANNA VAN GOGH-KAULBACH, Eigen Haard (4 bedrijven).
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
T. B. id. Fortuna (4 bedrijven).
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
T. B. HERM. HEIJERMANS, De Meid (2 bedr).
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
T. B. id. Beschuit met Muisjes (3 bedrijven).
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
T. B. id. De Opgaande Zon (4 bedrijven).
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
T. B. id. Glück Auf!
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
T. B. id. Een Mei
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
T. B. id. Nummer Tachtig
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
T. B. id. Ahasverus
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
T. B. id. Feest
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
N. B. MULTATULI, Vorstenschool (5 bedrijven) 6e druk.
Ing. f 0.20; cart. f 0.30; linnen f 0.40
N. B. id. Aleid (2 bedrijven).
Ing. f 0.25; cart. f 0.30; linnen f 0.40
T. B. HERM. C. J. ROELVINK, Freuleken (4 bedrijven).
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
N. B. H. ROLAND HOLST-VAN DER SCHALK, De Opstandelingen (3 bedrijven) 2e druk.
Ing. f 0.30; cart. f 0.40; linnen f 0.50
T. B. WILLEM SCHÜRMANN, Veertig (4 bedr.)
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
T. B. id. Violiers (4 bedrijven).
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
T. B. id. Speculanten (1 bedrijf).
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
T. B. id. Het dubbele Leven (4 bedrijven).
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
N. B. J. A. SIMONS-MEES, Tooneelspelen I. (Twee levenskringen; Van Hoogten en Vlakten; Zijn Evenbeeld).
Ing. f 1.25; geb. f 1.90
N. B. id. Tooneelspelen II. (Een Moeder; St. Elisabeth; Kasbloem).
Ing. f 1.25; geb. f 1.90
N. B. id. De Veroveraar (5 bedrijven) 2e druk.
Ing. f 0.20; cart. f 0.30; linnen f 0.40
} Samen
in keurb.
f 1.—
N. B. id. Atie's Huwelijk (4 bedrijven) 2e druk.
Ing. f 0.20; cart. f 0.30; linnen f 0.40
T. B. id. Voor 't Diner (1889) (1 bedrijf).
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
N. B. id. Een Paladijn (4 bedr.)
Ing. f 0.20; cart. f 0.30; linnen f 0.40
T. B. id. Zijn Evenbeeld (3 bedrijven).
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
T. B. id. Een Moeder (4 bedrijven).
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
T. B. id. St. Elisabeth (3 bedrijven).
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
T. B. id. Van Hoogten en Vlakten (3 bedr.)
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
N. B. J. VAN DEN VONDEL, Adam in Ballingschap (4 bedrijven).
Ing. f 0.20; cart. f 0.30; linnen f 0.40
T. B. id. Lucifer (beide met Inl. en Aant. d. L. S.)
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
JOOST VAN DEN VONDEL, SPELEN:
Eerste deel:
1e stuk. 2e stuk. 3e stuk.
a. C. R. DE KLERK, Kultuurbesch. Inl. a. Palamedes. a. Peter en Paulus.
b. Het Pascha. b. Gysbrecht van Aemstel. b. Maria Stuart.
c. Hierusalem verwoest. c. Maagden. c. De Leeuwendalers.
Tweede deel:
1e stuk. 2e stuk. 3e stuk.
a. L. SIMONS, Vondels Dramatiek. a. Joseph in Egypte. a. Salmoneus.
b. Gebroeders. b. Salomon. b. Jeftha.
c. Joseph in Dothan. c. Lucifer. c. Samson.
Per stuk
Ing. f 0.50; cart. f 0.65; linnen f 0.80; keurb. f 1.10
Per spel (a, b of c)
Ing. f 0.20; cart. f 0.30; linnen f 0.40
T. B. ALBERT DE VRIES, De Zoon; Crediet (Zedespelen in 1 bedr.)
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
T. B. id. De Nieuwe Directeur (Zedespel in 1 bedrijf).
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
T. B. id. De Courant; De Journalist(e) (Zedespelen in 1 bedrijf).
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
T. B. HENDRIK VAN DER WAL, Nero en Agrippina (3 bedrijven)
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
T. B. id. Het Zegefeest (1 bedrijf).
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
b. GRIEKSCHE EN LATIJNSCHE.
W.B. ARISTOPHANES, De Ridders (Dr. H. C. Muller).
Ing. f 0.20; cart. f 0.30; linnen f 0.40
W.B. PLAUTUS, Tweelingbroeders (Prof. v. Herwerden).
Ing. f 0.20; cart. f 0.30; linnen f 0.40
W.B. SOPHOCLES, Antigone (Dr. H. C. Muller).
Linnen f 0.40
c. ENGELSCHE.
W.B. SHAKESPEARE, Coriolanus (Dr. Edw. B. Koster).
Ing. f 0.20; cart. f 0.30; linnen f 0.40
W.B. id. Macbeth (idem).
Ing. f 0.20; cart. f 0.30; linnen f 0.40
W.B. id. Othello (idem).
Ing. f 0.20; cart. f 0.30; linnen f 0.40
T. B. id. Julius Caesar (idem).
Ing. f 0.20; cart. f 0.30; linnen f 0.40
O. U. id. Antonius en Cleopatra (idem).
Ing. f 0.20; cart. f 0.30; linnen f 0.40
T. B. id. De Koopman van Venetië (idem). In herdruk.
W.B. SHAW. Mevrouw Warren's Bedrijf (4 bedrijven). Vertaling J. A. Simons-Mees.
Ing. f 0.20; cart. f 0.30; linnen f 0.40
W.B. id. Je kunt 't nooit weten (4 bedr.) Vertaling Ph. G. Gunning.
Ing. f 0.30; cart. f 0.40; linnen f 0.50
W.B. id. Candida (3 bedrijven). Vertaling M. 's Jacob.
Ing. f 0.20; cart. f 0.30; linnen f 0.40
T. B. id. Oorlogsmannen (3 bedrijven). Vertaling J. Kuylman.
Ing. f 0.25; linnen f 0.40
T. B. id. Blanco Posnets ware gedaante (1 bedrijf). Vertaling J. Kuylman.
Ing. f 0.25; linnen f 0.40
T. B. id. Trouwen (1 bedrijf). Vertaling J. Kuylman.
Ing. f 0.25; linnen f 0.40
T. B. id. Majoor Barbara (4 bedrijven). Vertaling Simon B. Stokvis.
Ing. f 0.25; linnen f 0.40
W.B. id. Mensch en Oppermensch. Vertaling Mevr. J. A. Simons-Mees.
Ing. 0.30; cart. f 0.40; geb. f 0.50
W.B. SHELLEY, Prometheus ontboeid (A. Gutteling).
Ingenaaid f 0.20; cart. f 0.30; linnen f 0.40
T. B. SHERIDAN, De Rivalen (C. van Bruggen).
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
T. B. Miss SOWERBY, Rutherford en Zoon (3 bedrijven). Vertaling J. Kuylman.
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
T. B. J. M. SYNGE, De Heiligenbron. Vertaling L. Simons.
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
W.B. OSCAR WILDE, Salome en Een Florentijnsch Treurspel. (Dr. P. C. Boutens).
Ing. f 0.20; cart. f 0.30; linnen f 0.40
d. NOORSCHE.
W.B. BJÖRNSON, Boven menschelijke Kracht (Meyboom).
Ing. f 0.40; cart. f 0.55; linnen f 0.70
W.B. IBSEN, Steunpilaren der Maatschappij (3e druk).
Ing. f 0.20; cart. f 0.30; linnen f 0.40
W.B. id. Een Poppenhuis (Meyboom).
Ing. f 0.20; cart. f 0.30; linnen f 0.40
W.B. id. Een Vijand van het Volk (Meyboom).
Cart. f 0.30; linnen f 0.40
W.B. id. Mededingers naar de Kroon (Meyboom).
Ing. f 0.30; cart. f 0.40; linnen f 0.50
e. DUITSCHE.
W.B. GOETHE, Iphigineia in Tauris (Dr. P. C. Boutens).
Ing. f 0.20; cart. f 0.30; linnen f 0.40
W.B. id. Faust I (Adama van Scheltema).
Ing. f 0.50; cart. f 0.65; linnen f 0.80
W.B. HAUPTMANN, De verdronken Klok (Is. Hen).
Linnen f 0.40
T. B. id. De Wevers. Vertaling Nico v. Suchtelen.
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
W.B. FR. HEBBEL, Maria Magdalena (L. Landry).
Linnen f 0.40
W.B. HEINRICH VON KLEIST, Kate von Hellbronn. Vertaling Nico v. Suchtelen.
Ing. f 0.30; cart. f 0.40; geb. f 0.50
T. B. ERICH SCHLAIKJER. Rika van den Dominee. Vertaling Nico v. Suchtelen.
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
T. B. ARTHUR SCHNITZLER, Minne-spel (3 bedrijven). Vertaling Frans Mijnsen.
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
f. FRANSCHE.
T. B. AUGIER en SANDEAU, De Schoonzoon van Mijnheer Poirier.
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
T. B. DUMAS en GAILLARDET, De Toren van Nesle (5 bedrijven). Vertaling Mr. v. Loghem.
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
W.B. MOLIÈRE, Geleerde Dames (W. J. Wendel).
Ing. f 0.20; cart. f 0.30; linnen f 0.40
W.B. id. Tartufe, id.
Ing. f 0.20; cart. f 0.30; linnen f 0.40
W.B. id. De Misantroop, id.
Ing. f 0.20: cart. f 0.30; linnen f 0.40
W.B. id. Schelmenstreken van Scapin (B. Wilson). In herdruk.
T. B. EMILE ZOLA, De Erfgenamen van Rabourdin (3 bedrijven).
Ing. f 0.25; geb. f 0.40
g. RUSSISCHE.
R. B. MAXIM GORKIEJ, Zonnekinderen.
Ing. f 0.50; geb. f 0.80
R. B. N. W. GOGOLJ, De Revisor.
Ing. f 0.50; geb. f 0.80
R. B. MEREZJKOWSKOE, Paul I (Annie de Graaff).
Ing. f 0.50; geb. f 0.80