Ik ken de wereld nu genoeg om mij over niets meer te verbazen, maar toch ben ik nu en dan nog verbaasd over de wijze, waarop men mij op zulk een jeugdigen leeftijd heeft kunnen afstooten. Ik had een uitmuntenden aanleg, een goed gezond verstand en eene groote gave van opmerken; ik was vlug van bevatting en had een teer gestel—daarom verbaast het mij dat niemand zich voor mij in de bres stelde. Maar het was nu eenmaal zoo en ik werd op tienjarigen leeftijd leerjongen bij de firma Murdstone en Grinby.
Het wijnpakhuis van de firma Murdstone en Grinby stond aan den waterkant, beneden de Blackfriar's brug. Die plek is later door allerlei verbouwingen geheel veranderd; maar het was het laatste huis van eene nauwe straat, die steil afliep naar den waterkant en in eene trap eindigde, waar de schuiten aanlegden. Het was een oud, bouwvallig huis met een werf, die bij vloed aan het water en bij eb aan de modder grensde en letterlijk wemelde van de ratten. De met hout beschoten kamers, zwart van het vuil en de rook van meer dan honderd jaren; de halfvergane zolderingen en de krakende trappen; het snuffelen en piepen van de grijze ratten in de kelders; de duffe, vunzige lucht—dat alles staat mij zoo levendig voor den geest als had ik het gisteren ondervonden. Ik zie dat alles voor mij, evenals in het rampzalig uur, toen ik met mijne hand in die van mijnheer Quinion voor de eerste maal daar binnenstapte.
Murdstone en Grinby leverden aan allerlei soort van menschen, doch de voornaamste tak van handel was de uitvoer naar het buitenland. Ik heb vergeten waar de volgeladen schepen heengingen, maar ik denk dat ze zoowel voor Oost- als voor West-Indië bestemd waren. Ik weet dat het gevolg van dien uitgebreiden handel eene groote hoeveelheid ledige flesschen was en dat sommige mannen en vrouwen en jongens gebruikt werden om ze tegen het licht te houden, degenen, die vuil, waren, te spoelen, en die gebarsten waren achteraf te zetten. En wanneer er geen ledige flesschen te spoelen waren, stonden er volle in overvloed, om van etiquetten te voorzien, te kurken, te lakken en in manden te pakken. Dit alles was mijn werk en onder de jongens, die daarvoor gebruikt werden, behoorde ook ik.
Mijne werkplaats was met drie of vier andere jongens in een hoekje van het pakhuis, waar mijnheer Quinion mij kon zien, wanneer hij op de laagste sport van zijn kantoorstoel ging staan en door het raampje boven de schrijftafel keek. Hier werd op den morgen, toen ik met zulke prachtige vooruitzichten de wereld intrad, de oudste jongen opgeroepen om mij mijne werkzaamheden aan te wijzen. Hij heette Mick Walker en droeg een gescheurden voorschoot en een papieren muts. Hij vertelde mij dat zijn vader schuitevoerder was en bij den intocht van den Lord-Mayor met een zwart fluweelen hoofdtooisel in den stoet liep. Ook vertelde hij mij, dat er nog een jongen tot onze „club” behoorde, dien hij mij voorstelde onder den naam van „de melige aardappel”. Ik kwam evenwel spoedig tot de ontdekking dat hij niet onder dien naam was gedoopt, maar dat men hem dien naam in het pakhuis gegeven had, omdat hij zoo bleek was als een aardappel, die melig is. De vader van den „melige” was een waterdrager, wien de groote eer was te beurt gevallen tot brandspuitgast te worden aangesteld; in welke functie hij in een der groote schouwburgen dienst deed, waar een zusje of een nichtje van den „melige” in een pantomime optrad als kaboutermannetje.
Woorden kunnen onmogelijk den geheimen zielsangst weergeven, waaronder deze kameraadschap mij deed gebukt gaan; ik voelde mij vernederd wanneer ik dit gezelschap vergeleek met de speelgenootjes mijner jeugd—om nog niet van Steerforth en Traddles te spreken—ik voelde ook, dat ik de hoop, om eenmaal een beschaafd en geletterd man te worden, nu wel kon opgeven. Ik zal het gevoel van die eerste dagen nimmer vergeten; ik schaamde mij over de positie, waarin ik geplaatst was; ik voelde mij diep ellendig bij de gedachte, dat ik alle hoop op de toekomst kon laten varen, dat ik al hetgeen ik geleerd had zou vergeten en ook werkelijk meer en meer vergat, dat alles waarin ik ambitie had gehad, alles wat mijn leergierigheid, mijn eerzucht geprikkeld had, nu voor altijd voorbij was en nimmer zou terugkeeren. O, ik kan dat gevoel niet beschrijven! Zoo dikwijls Mick Walker dien eersten morgen heenging, vermengden zich mijne tranen met het water, waarin ik de flesschen spoelde, en snikte ik, alsof mij het hart zou breken.
De kantoorklok sloeg half een en iedereen scheen zich gereed te maken om het middagmaal te gaan gebruiken, toen mijnheer Quinion aan het raam van het kantoor klopte en mij wenkte binnen te komen. Ik gaf aan zijn verlangen gehoor en vond daar een zwaarlijvig heer van middelbaren leeftijd, gekleed in een bruine overjas, zwarte broek en rijgschoenen, met niet meer haar op het hoofd—hij had een groot glimmend hoofd—dan op de schaal van een ei, en met een vollemaansgezicht, dat hij in de volle breedte naar mij toekeerde. Zijne kleederen waren afgedragen en vuil, maar zijn halsboord was hagelwit.
Hij had een stok in de hand van bijzonderen vorm en voorzien van een paar verkleurde kwastjes; en uit zijn jas hing een lorgnet—zooals ik naderhand bemerkte, diende dit alleen tot sieraad, want hij keek er zelden door en dan zag hij niets.
Toen ik binnentrad, wees mijnheer Quinion op mij, zeggende: „Daar hebt gij hem.”
„Is dit,” vroeg de vreemde heer op galmenden toon, doch met een welwillenden klank in zijne stem, waardoor ik mij aangetrokken gevoelde, „is dit de jongeheer Copperfield? Ik hoop dat gij welvarend zijt, jongeheer?”
Ik antwoordde, dat ik zeer welvarend was en hoopte dat hij dit ook van zich zelven kon zeggen. De Hemel weet hoe ellendig ik mij voelde op dat oogenblik; maar in dat tijdperk van mijn leven was het mijne gewoonte, niet te klagen; daarom zei ik maar dat ik welvarend was.
„Den goden zij dank,” antwoordde de vreemde heer, „ben ik zeer welvarend. Ik heb een brief ontvangen van mijnheer Murdstone, waarin hij mij verzocht, een vertrek in mijn huis, dat, om kort te gaan... een vertrek, dat op het oogenblik onbewoond is, te verhuren als slaapkamer”—hij deed eenigszins alsof hij er verlegen mede was—„als slaapkamer aan een jongeheer, die pas de wereld is ingetreden... om kort te gaan, dus... ik heb nu het genoegen gehad kennis met u te maken...” hij wuifde mij toe en verborg zijn onderkin in de hooge boorden...
„Mijnheer Micawber,” zei mijnheer Quinion.
„Juist, zoo is mijn naam,” antwoordde de dikke heer.
„Mijnheer Micawber is een kennis van mijnheer Murdstone. Mijnheer Micawber neemt orders voor de firma op, wanneer hij ze krijgen kan; hij heeft een brief ontvangen van mijnheer Murdstone over uw logies en wil u gaarne huisvesten.”
„Mijn adres,” zei mijnheer Micawber, „is Windsor Terrace, City Road. Daar... kortom, woon ik,” voegde hij er bij op denzelfden welwillenden en vertrouwelijken toon.
Ik maakte eene buiging voor mijnheer Micawber. „Overwegende,” zei hij, „dat uwe bekendheid met deze wereldstad nog niet groot kan zijn, en gij dus moeielijkheden zoudt kunnen ondervinden bij het zoeken in den doolhof van dit moderne Babylon... kortom”—weder diezelfde vertrouwelijkheid in toon en stem—„dat gij zoudt kunnen verdwalen, zal het een waar genoegen voor mij zijn, u heden avond te komen afhalen en met den naasten weg bekend te maken.”
Ik bedankte hem uit den grond van mijn hart voor zijne vriendelijkheid, om zich zulk een last op den hals te halen.
„Hoe laat?” vroeg mijnheer Micawber, „zal ik...”
„Tegen acht uur,” antwoordde mijnheer Quinion.
„Tegen acht uur,” herhaalde mijnheer Micawber. „Ik zal u dan nu niet langer ophouden, mijnheer Quinion.” Hij zette zijn hoed op en ging heen met den stok onder den arm, rechtop, en toen hij buiten was, begon hij een deuntje te fluiten.
Nu werd ik door mijnheer Quinion formeel in dienst genomen bij de firma Murdstone en Grinby, tegen een weekloon van zes shilling—meen ik. Ik weet niet zeker meer of het zes of zeven shilling was, en vermoed daarom, dat het eerst zes, daarna zeven shilling was. Hij betaalde mij eene week vooruit—uit zijn zak, geloof ik—en ik gaf „den melige” daarvan een halven shilling, om mijn koffer dien avond naar Windsor Terrace te brengen: zoo klein als het was, ging het mijn zwakke krachten te boven. Voor mijn middagmaal, bestaande uit een vleeschpasteitje en een slok water uit een naburige pomp, betaalde ik ook een halven shilling, en den tijd, die daarvoor was toegestaan, bracht ik op straat door.
Op het vastgestelde uur verscheen des avonds mijnheer Micawber. Ik waschte mijn gezicht en mijne handen, ten einde zulk een door en door fatsoenlijk man geen schande aan te doen, en daarna wandelden wij te zamen naar onze woning—ik onderstelde ten minste, dat ik zijne woning voortaan zoo moest noemen. Mijnheer Micawber vestigde mijne aandacht op de namen van de straten, die wij doorwandelden, en op de gevels van enkele hoekhuizen, opdat ik alleen den weg zou kunnen terugvinden.
Toen wij aan het huis in Windsor Terrace aankwamen—ik teeken hier aan, dat het er even armoedig uitzag als mijnheer Micawber zelf, maar toch ook evenveel vertooning maakte als hij—stelde mijnheer Micawber mij voor aan mevrouw Micawber, eene magere, bleeke dame, niet zoo heel jong meer. Zij zat met een kindje aan de borst, in eene kamer op de tweede verdieping—de eerste verdieping was geheel ongemeubeld en de luiken waren gesloten, ten einde den buren geen argwaan te geven. Het kleintje was een van een tweeling en ik mag niet nalaten hier te vermelden, dat ik, zoolang ik met de familie heb omgegaan, mevrouw Micawber bijna nooit zonder een van het tweetal heb gezien; een van de twee was altijd aan de borst.
Er waren nog twee kinderen; de jongeheer Micawber, ongeveer vier jaar oud, en jongejuffrouw Micawber, drie jaren oud. Verder een jonge maagd met een donker uiterlijk, die de gewoonte had een snuivend geluid met haar neus te maken. Zij was de dienstbode van de familie Micawber en voltooide het huisgezin. Eer een half uur verloopen was, had zij mij ingelicht, dat zij een weeskind was en uit het St. Lukaswerkhuis kwam. Mijne kamer was boven in het huis, aan de achterzijde; een benauwd, schamel gemeubeld vertrekje, met een behangsel, waarvan het patroon mij deed denken aan in elkander verwarde, blauwe paaschbroodjes.
„Ik had niet gedacht,” sprak mevrouw Micawber, toen zij met de tweelingen op den arm naar boven kwam om mij mijne kamer te wijzen, en op een stoel neerviel om adem te scheppen, „ik had, toen ik nog bij papa en mama woonde, nooit gedacht, ooit in de noodzakelijkheid te zullen komen, om kamers te verhuren. Maar aangezien mijnheer Micawber in ongelegenheid is geraakt, moeten alle persoonlijke gevoelens naar den achtergrond worden gedrongen.”
„Zeker, mevrouw,” zei ik.
„Mijnheer Micawber is op dit oogenblik zelfs overstelpt met ongelegenheden,” vervolgde mevrouw Micawber; „ik weet niet, hoe het mogelijk zijn zal hem er weder bovenop te brengen. Toen ik nog bij papa en mama woonde, wist ik nauwelijks wat het beteekende in den zin, waarin ik het nu gebruik, maar zooals papa placht te zeggen: ‚experienta is alles’.”
Ik kan het niet met mij zelven eens worden of mevrouw Micawber mij verteld heeft, dat haar man zeeofficier was geweest of dat ik het gedroomd heb. Ik weet alleen, dat ik nog op dit oogenblik van meening ben, dat hij bij de marine gediend had, hoewel ik niet kan verklaren, waarom ik dat meen. Hij was nu zoo iets als commissionair voor verschillende firma's, maar ik vrees, dat hij er zich weinig of in het geheel niet voor inspande en dus ook zoo goed als niets verdiende.
„Als mijnheer Micawber's schuldeischers geen geduld willen hebben,” vervolgde mevrouw Micawber, „dan moeten zij de gevolgen maar ondervinden en hoe eerder zij er dan een einde aan maken, hoe beter. Men kan echter geen veeren plukken van een kikvorsch, maar evenmin kan ik nog iets op crediet krijgen en dan spreek ik nog niet eens van de gerechtskosten.”
Ik heb nooit goed kunnen begrijpen of mevrouw Micawber, omdat ik zoo vroeg op mij zelven moest staan, mij voor ouder hield dan ik was, dan wel of zij zoo vervuld was met dit onderwerp, dat zij er zelfs over zou gesproken hebben met haar tweeling, als zij niemand anders tot deelgenoot had kunnen maken; dit onderwerp besprak zij echter altijd en, zoolang ik haar gekend heb, op dezelfde zonderlinge wijze.
Arme mevrouw Micawber! Zij zeide, dat zij getracht had haar best te doen en ik geloof zeker, dat zij het ook gedaan had. Het middenpaneel van de huisdeur werd geheel ingenomen door een koperen plaat, waarop gegraveerd was: „Mevrouw Micawber, Instituut voor jongejuffrouwen,” ik heb er echter nooit een jong meisje zien komen noch gehoord dat er een komen zou, noch eenige voorbereiding gezien voor de ontvangst van eene jongejuffrouw. De eenige bezoekers, die ik er ooit gezien of gehoord heb, waren schuldeischers, die op alle uren kwamen en somtijds zeer brutaal waren. Eén van hen, een man met een gemeen gezicht, een schoenmaker, als ik mij niet bedrieg, drong gewoonlijk 's morgens om zeven uur reeds de gang binnen en riep dan naar boven: „Kom, mijnheer Micawber! Nu zijt gij toch nog niet uit, hé! Betaal mij nu! Verberg je maar niet, dat is gemeen! Ik zou niet zoo gemeen willen zijn als ik u was! Betaal mij nu; komaan, hoort gij mij niet?” Wanneer hij dan op deze aanmaningen geen antwoord ontving, ging hij in zijne woede over tot de namen: „afzetters” en „oplichters” en wanneer ook daarmede het gewenschte doel niet werd bereikt, nam hij aan de overzijde van de straat plaats en bleef hij naar de vensters van de tweede verdieping kijken, waar hij wist dat mijnheer en mevrouw Micawber zich ophielden. Bij zulke gelegenheden was mijnheer Micawber buiten zich zelven van spijt en hartzeer, zoo zelfs, dat hij eens—mevrouw Micawber maakte er mij door een hartverscheurenden gil opmerkzaam op—zeer verdachte bewegingen met een scheermes stond te maken; een half uur later zou hij echter met buitengewone zorg zijne schoenen poetsen en, een deuntje fluitende, uitgaan met een zwier, alsof hij een prins van den bloede was. Mevrouw Micawber was even luchthartig als haar gemaal. Ik heb het bijgewoond dat zij om drie uur bij de komst van den deurwaarder eene flauwte kreeg en om vier uur aan lamscoteletten met warm bier zat te smullen, waarvoor twee theelepeltjes naar de bank van leening waren gebracht. Op zekeren dag, toen er juist beslag op den boedel was gelegd, kwam ik toevallig reeds om zes uur thuis en vond haar—natuurlijk met een van de tweelingen—in eene flauwte voor den haard liggen met de haren los en over haar gezicht; ik zag haar echter nooit vroolijker dan denzelfden avond, toen zij onder het genot van een kalfscotelet voor het keukenvuur mij van haar papa en mama zat te vertellen en van den heerlijken tijd, dien zij als jong meisje gehad had.
In dit huis en met deze familie bracht ik mijn ledigen tijd door. Des morgens kocht ik zelf voor een stuiver brood en een stuiver melk en ontbeet alleen; een tweede broodje met een stukje kaas bewaarde ik op een plank in eene kast, die mijne bijzondere eigendommen bevatte. Dit was bestemd voor mijn souper als ik des avonds thuiskwam. Hiermede was reeds een groot gedeelte van mijne zes of zeven shillingen verbruikt, dat weet ik wel; toch moest ik ook het overige gedeelte van den dag van dat geld leven. Maar wat moest ik doen? Van Maandagochtend tot Zaterdagavond had ik niemand, die mij raad gaf, troostte, aanmoedigde, hielp of bijstond—zoo waar als ik in den Hemel hoop te komen!
Ik was nog zoo jong en kinderlijk, zoo weinig geschikt om op eigen beenen te staan—hoe kan het ook anders!—dat ik meermalen des morgens, wanneer ik naar het pakhuis ging, de verzoeking niet kon weerstaan om eenige sneden pastei van den vorigen dag te koopen, die de bakkers voor half geld aanboden en zoo doende het geld uitgaf, dat ik voor mijn middageten had moeten besteden. Ik bleef dan des middags maar zonder eten of kocht een broodje of een schijf podding. Ik herinner mij twee poddingwinkels, die ik, naar gelang van den stand mijner beurs, met de klandizie begunstigde. De eene was op een pleintje bij de Sint-Martinikerk, die nu reeds langen tijd afgebroken is. De podding uit dezen winkel was met krenten en bijzonder lekker, maar duur; voor twee stuivers kreeg men daar geen grooter schijf dan in den anderen winkel voor één stuiver. Die andere winkel was in het Strand—ongeveer in het gedeelte, dat thans herbouwd is. Dit was eene voedzame, kleffige podding met rozijnen, die erg ver van elkander zaten; op mijn etensuur was deze podding gewoonlijk warm en menigen dag heb ik er mijn middagmaal mede gedaan. Wanneer ik het op mijne manier er eens van wilde en ook kon nemen, kocht ik een worstje en een stuivers broodje, of een portie gekookt ossenvleesch voor vier stuivers bij een kok; of een broodje met kaas en een glas bier tegenover het pakhuis, in een onooglijke herberg, „de Leeuw” genoemd, of de Leeuw met nog iets—dat ben ik vergeten. Ik herinner mij één middag, toen ik mijn broodje mede had gebracht van huis en daarmede in een papier gewikkeld onder den arm een beroemd nieuwerwetsch restaurant in de buurt van Drury Lane binnenliep en een kleine portie biefstuk bestelde. Wat de kellner wel van zulk eene kleine verschijning dacht, die daar alleen binnenstapte, kan ik niet zeggen; maar ik zie hem nog naar mij kijken, terwijl ik zat te eten; ik hoor hem nog de andere kellners roepen om ook te komen kijken. Ik gaf hem een halven stuiver fooi en hoopte dat hij dien niet zou aannemen.
Als ik het mij goed herinner, hadden wij op het theeuur een half uur vrijaf. Had ik geld genoeg, dan nam ik niets dan een kop te voren gezette koffie en een snede brood met boter. Kon ik niets besteden, dan stond ik gewoonlijk voor een poelierswinkel in Fleet-street te kijken; of ik wandelde naar Covent Garden om de ananassen te bewonderen. Ik was verzot op de Adelphi, omdat mij die donkere bogen zoo geheimzinnig toeschenen. Ik zie mij nog op zekeren avond onder een van die bogen uitkomen en naar een kleine herberg gaan met een pleintje er voor, waar eenige kolendragers een dansje deden. Ik ging op een bank zitten, om naar hen te kijken en ben nieuwsgierig te weten, wat zij wel van mij dachten!
Ik was nog zoo geheel en al een kind, nog zoo klein, dat men menigmaal, wanneer ik eene herberg inliep en een glas ale of porter bestelde om mijn sober middagmaal door te spoelen, bang was het gevraagde te geven. Ik herinner mij dat ik eens, op een warmen avond, een herberg binnentrad en den waard vroeg: „Wat is uw lekkerste—uw allerlekkerste bier?” Het moet wel eene bijzondere gelegenheid geweest zijn—mijn verjaardag misschien—ik kan mij dat echter niet meer herinneren.
„Genuine Stunning ale,” antwoordde de waard, „het kost twee en een halven stuiver per glas.”
„Geef mij dan,” zei ik, het geld op de toonbank uittellende, „een glas Genuine Stunning, als 't u blieft, met een flinken kop schuim.”
De waard bekeek mij over de toonbank heen van het hoofd tot de voeten, met eene vreemde uitdrukking op het gezicht; in plaats van mij in te schenken, stak hij het hoofd om het beschot en zei iets tegen zijne vrouw, die daar zat. Zij kwam achter de toonbank en bekeek mij ook, met haar naaiwerk in de hand. Ik zie ons daar nog staan met ons drieën: de waard in zijne hemdsmouwen, tegen het venster leunende, de vrouw en ik elkander aankijkende. Ik voelde mij erg verlegen en zij deden mij allerlei vragen, als: hoe ik heette, hoe oud ik was, waar ik woonde, hoe ik daar gekomen was; vragen, die ik, ten einde niemand te kwetsen, niet allen naar waarheid beantwoordde. Ik vrees ten minste dat ik het niet deed. Zij schonken mij een glas ale in—het was geen Genuine Stunning—en de vrouw kwam achter de toonbank vandaan, gaf mij mijn geld terug en een kus, half uit bewondering, half uit medelijden, maar zeker welgemeend.
Ik weet dat ik noch met opzet, noch onwillekeurig de schraalheid van mijne verdiensten of de moeielijkheid van mijn leven overdrijf. Ik weet dat ik elken shilling, dien mijnheer Quinion mij gaf, aan mijn eten of mijn thee besteedde, ik weet dat ik van 's morgens vroeg tot laat in den avond werkte met mannen en jongens uit den laagsten stand. Ik weet dat ik onvoldoende gevoed langs de straten slenterde. Ik weet ook, dat, had de Hemelsche Vader Zijne beschermende hand niet over mij uitgestrekt, ik een dief of een vagebond zou zijn geworden—zoo weinig werd er op mij gelet.
Toch stond ik in het pakhuis in zeker aanzien. Behalve dat mijnheer Quinion deed wat zulk een onverschillig mensch, die het zoo druk had, doen kon om mij op eenigszins andere wijze te behandelen dan de overigen, gaf ik nooit, door woord of daad, aan iemand van hen te kennen hoe ik daar gekomen was, noch liet ik ooit blijken, dat het mij speet, daar te moeten zijn. Dat ik heimelijk leed, ontzettend leed, heeft niemand ooit geweten dan ik zelf. Zooals ik reeds zeide, wat ik leed, is met geen pen te beschrijven. Ik ging stil mijn gang en deed mijn werk. Ik begreep van het eerste oogenblik af, dat, als ik mijn werk niet even goed deed als de anderen, ik mij aller minachting op den hals zou halen. Hoewel ik dus kameraadschappelijk met hen omging, was en bleef er toch iets in mijne manieren, dat mij van hen onderscheidde. Gewoonlijk noemden zij mij „de kleine jongeheer”, of „de jonge Suffolker.” Een zekere man, Gregory genaamd, de meesterknecht in de zaak Murdstone en Grinby, en de voerman, een zekere Tipp, die een rood buis droeg, noemden mij gewoonlijk „David”, maar ik meen mij te herinneren dat zij het alleen deden, wanneer wij eens vertrouwelijk bij elkander zaten, en ik poogde hun het een en ander te vertellen uit de oude boeken, die ik langzamerhand begon te vergeten. De „melige” voelde zich op zekeren dag beleedigd, omdat men mij, zooals hij beweerde, met te veel onderscheiding behandelde: doch Mick Walker bracht hem terstond tot bedaren.
Verlossing uit dezen toestand scheen mij hopeloos toe, en ik gaf dit denkbeeld dan ook op. Ik ben heilig overtuigd, dat ik er mij geen uur mee heb kunnen verzoenen, of mij anders dan diep ongelukkig heb gevoeld; maar ik droeg mijn ongeluk zonder morren, en zelfs in mijne brieven aan Peggotty—en ik heb er heel wat geschreven gedurende dien tijd—verzweeg ik, gedeeltelijk uit liefde voor haar en uit schaamte, den waren toestand.
De benarde omstandigheden van mijnheer Micawber konden mijne naargeestigheid slechts vergrooten. Eenzaam en verlaten als ik was, begon ik mij hoe langer hoe meer aan de familie te hechten, en was ik op mijne wandelingen voortdurend bezig met mevrouw Micawber's geldzorgen, alsof ik zelf bezwaard was met mijnheer Micawber's schuldenlast. Zaterdag's avonds—voor mij een feestavond, zoowel omdat ik mij dan met de zes of zeven shillingen in den zak erg voornaam voelde, en voor tal van winkels bleef staan, om te overleggen wat ik voor die som wel zou kunnen koopen, en ook omdat ik dan vroeger naar huis ging—deed mevrouw Micawber mij gewoonlijk de hartverscheurendste verhalen, evenals des Zondag's morgens, wanneer ik de koffie van den vorigen avond opwarmde en langer zat te ontbijten dan gewoonlijk. Het was volstrekt niet ongewoon, dat mijnheer Micawber aan het begin van deze Zaterdagavond-gesprekken als een wanhopende zat te snikken en eindigde met een vroolijk deuntje te zingen. Ik heb het bijgewoond, dat hij tranen stortende thuis kwam met de verklaring, dat er nu niets meer voor hem overbleef dan de gevangenis, en dat hij naar bed ging, eene berekening makende van de onkosten van balcons voor de ramen—„als er zich eens iets opdeed”, hetgeen zijne meest geliefkoosde uitdrukking was. En mevrouw Micawber was precies hetzelfde.
Een zonderlinge vriendschapsband, vermoedelijk ontstaande uit onze eenigszins gelijksoortige omstandigheden, vormde zich tusschen deze menschen en mij, niettegenstaande het aanmerkelijk verschil in jaren. Ik liet mij echter nooit overhalen eene uitnoodiging aan te nemen om met hen te eten of te drinken, als ik niet zeker wist dat zij hetgeen zij mij aanboden, konden missen,—ik was te goed bekend met hun slechte verstandhouding met bakker en slager, zoodat zij menigmaal niet genoeg hadden voor zichzelve en de kinderen—totdat mevrouw Micawber mij eens in vertrouwen nam. Dit had plaats op zekeren avond op de volgende wijze:
„Jongeheer Copperfield”, sprak zij, „ik beschouw u niet als een vreemde en maak er u dus ook geen geheim van, dat mijnheer Micawber's ongelegenheden tot een crisis zijn geklommen.”
Het was zeer pijnlijk voor mij dit te moeten hooren en ik richtte met het innigste medelijden den blik op mevrouw Micawber's roode oogen.
„Met uitzondering van een hompje Hollandsche kaas—voor jonge kinderen minder geschikt voedsel—is er letterlijk geen stukje van wat ook in de provisiekamer over. Ik was zoo gewoon om over de provisiekamer te spreken, toen ik nog bij papa en mama thuis was, zoodat ik dit woord nu gebruik zonder daarbij te denken. Wat ik bedoel is, dat er niets meer te eten is in het geheele huis.”
„Goede Hemel!” riep ik hevig ontsteld uit.
Ik had nog twee of drie shillingen in mijn zak—waaruit ik opmaak dat dit gesprek op Woensdagavond plaats had—en haalde ze terstond voor den dag, om ze diep ontroerd mevrouw Micawber aan te bieden. Zij gaf mij een kus en verzocht mij, dat geld weer in den zak te steken, want zij kon er niet aan denken het aan te nemen.
„Neen, lieve jongeheer Copperfield”, sprak zij; „ik kan er zelfs niet aan denken! Gij zijt echter, wat uw verstand betreft uw leeftijd ver vooruit en kunt mij, indien gij wilt, een dienst bewijzen, een dienst, dien ik dankbaar van u zal aannemen.”
Ik verzocht mevrouw Micawber te zeggen wat zij bedoelde.
„Ik heb vroeger het zilver zelve weggebracht”, vertelde zij. „Zes theelepeltjes, twee zoutlepeltjes en een suikertang heb ik op verschillende tijdstippen beleend. Ik deed dit natuurlijk heimelijk. De tweelingen binden mij echter thans de handen en bovendien stuit het mij, die bij papa en mama zoo heel anders ben opgevoed, zeer tegen de borst. Ik heb nog eenige kleinigheden, die wij wel kunnen missen, maar mijnheer Micawber zou zich nimmer laten overhalen om ze weg te brengen—daartoe is hij veel te trotsch; en Clickett”—zoo heette het weesmeisje—„staat te laag voor dergelijke vertrouwelijke mededeelingen; zij zou er misbruik van maken en zich allerlei vrijheden gaan veroorloven. Indien gij daarom, jongeheer Copperfield....”
Nu begon ik mevrouw Micawber te begrijpen en verzocht ik haar over mij te beschikken wanneer zij maar wilde. Dienzelfden avond bracht ik reeds eenige kleinigheden naar de bank van leening en bijna elken morgen voor ik naar het pakhuis ging, volgde een of ander meubelstuk of sieraad denzelfden weg. Het eerst waren eenige boeken van mijnheer Micawber aan de beurt, die op een kleine chiffonière stonden, waaraan hij den weidschen titel gaf van bibliotheek. Ik bracht ze, het eene na het andere, naar een boekenstalletje in City Road—waarvan één gedeelte, dicht bij onze woning, hoofdzakelijk uit boekenstalletjes en vogelkraampjes bestond—en verkocht ze voor hetgeen men er voor wilde geven. De eigenaar van dit stalletje was elken avond dronken en werd elken morgen door zijne vrouw uitgescholden voor al wat leelijk was. Wanneer ik des morgens bijzonder vroeg kwam, werd ik meermalen aan zijn bed ontvangen en zag ik, dat hij bij zijne nachtelijke buitensporigheden een gat in het hoofd of een blauw oog had opgeloopen—ik vrees dat hij een zoogenaamden kwaden dronk had.—Met bevende hand zocht hij dan in al zijne zakken naar het benoodigde geld; zijne kleederen lagen gewoonlijk over den grond verspreid, terwijl zijne vrouw met een zuigeling op den arm en afgetrapte schoenen zonder ophouden met schelden voortging. Soms had hij zijn geld verloren en verzocht mij terug te komen; maar zijne vrouw had het altijd gevonden—ik vermoed dat zij het weggenomen had, terwijl hij dronken was—en sloot dan heimelijk den koop op de trap.
Ook aan de bank van leening begon men mij langzamerhand te kennen. Een der heeren—ik meen de boekhouder—was bijzonder vriendelijk en liet mij nu en dan, terwijl hij de zaken afdeed, een Latijnsch werkwoord vervoegen of een naamwoord verbuigen.
Na al dergelijke gelegenheden legde mijnheer Micawber een klein feestje aan, gewoonlijk een souper; er was een eigenaardige smaak aan de gerechten, die dan werden opgedischt, een smaak, dien ik nimmer vergeten zal.
Eindelijk bereikten mijnheer Micawber's ongelegenheden werkelijk een crisis en werd hij op zekeren morgen, heel in de vroegte gearresteerd en overgebracht naar King's Bench-gevangenis. Toen hij het huis uitging, zei hij dat zijn zon nu voor goed was ondergegaan en ik meende dat zijn hart gebroken was evenals het mijne. Later vernam ik dat hij dienzelfden avond lustig aan het kegelen was geweest.
Den eersten Zondag nadat hij gearresteerd was, bracht ik hem een bezoek en gebruikte het middagmaal bij hem. Ik moest eerst den weg vragen naar een zeker pleintje en dicht daarbij zou ik nog een pleintje zien, en bij dat pleintje nog een, dat ik moest oversteken en dan rechtuit loopen tot ik een cipier zag. Ik deed dit en toen ik eindelijk een cipier vond en mij herinnerde, dat er, toen Roderick Random in de grijzeling zat, een man was, die geen ander kleedingstuk droeg dan eene oude deken, kwam er plotseling een nevel op tusschen den cipier en mij en begon mijn hart hevig te kloppen. Ik was ook nog zoo'n klein bang kereltje!
Mijnheer Micawber wachtte mij op in de poort en wij gingen de trap op naar zijne kamer—bovenste verdieping op één na—en ik herinner mij dat ik schreide. Hij bezwoer mij plechtig een waarschuwend voorbeeld te nemen aan het lot, dat hem getroffen had, en te bedenken, dat als men een jaarlijksch inkomen heeft van twintig pond en men negentien pond en negentien en één halven shilling verteert, men gelukkig is; maar dat men, twintig pond en één shilling verterende, even ellendig en rampzalig wordt als hij. Nadat hij deze wijze les ten beste had gegeven, leende hij een shilling van mij voor een flesch porter, gaf mij eene schuldbekentenis mede op mevrouw Micawber, stak den zakdoek, waarmede hij langs de oogen gewreven had, in den zak, en werd zoo vroolijk als ooit.
Wij zaten voor een klein vuur, dat in een roestigen haard was aangelegd tusschen twee steenen, ten einde niet te veel kolen te verbranden, toen er een tweede gevangene binnenkwam, die ook wegens schulden achter de tralies was gezet en de kamer met mijnheer Micawber deelde. Hij had een schaperibbetje gereed gemaakt, waarmede wij te zamen onzen maaltijd zouden doen. Mijnheer Micawber zond mij eerst naar boven, naar een zekeren kapitein Hopkins, met het beleefd verzoek, of de kapitein aan mij, mijnheer Micawber's jongen vriend, een mes en een vork wilde leenen. Kapitein Hopkins leende mij het gevraagde en gaf mij de groeten mede aan mijnheer Micawber. In kapitein Hopkins' kamer zag ik eene dame, die er allerslordigst uitzag, benevens twee fletse jonge meisjes, zijne dochters, met leelijke, hooge kapsels. Ik kwam tot de overtuiging, dat het beter was kapitein Hopkins' mes en vork te leenen, dan zijn kam. Hij zelf zag er ontzettend verwaarloosd uit, had zware bakkebaarden en droeg een oude bruine overjas, zonder meer. Zijn bed lag opgerold in een hoek van het benauwde kamertje; al wat hij bezat aan borden, schotels en kommen, stond op een plank, en ik vermoedde—de Hemel weet hoe het in mijn brein opkwam—dat, al mochten de twee meisjes met de hooge kapsels ook al kapitein Hopkins' dochters zijn, de slordige dame, die er bij zat, niet kapitein Hopkins' vrouw was. Ik bleef niet langer dan een paar minuten bedeesd op den drempel staan, maar toch maakte ik al deze opmerkingen en was er, toen ik beneden kwam, even zeker van, als ik het mes en de vork in de hand had.
In weerwil van dit alles hadden wij toch een aangenaam middagmaal. Na afloop bracht ik kapitein Hopkins het mes en de vork terug en ging toen naar huis, om mevrouw Micawber te troosten met een verslag van mijn bezoek. Toen zij mij zag aankomen viel zij flauw, maar later maakte zij een keteltje warmen wijn gereed om onzen moed wat op te wekken, terwijl wij over mijn bezoek praatten.
Ik weet niet of het huisraad ten voordeele van de familie verkocht werd, noch wie het verkocht; alleen weet ik dat ik het niet deed, en dat het verkocht en met een kar weggevoerd werd, met uitzondering van de bedden, een paar stoelen en een keukentafel. Met deze bezittingen kampeerden wij, als het ware, in twee kamers van het ledige huis op Windsor Terrace—mevrouw Micawber, de kinderen, het weesmeisje en ik. Nacht en dag brachten wij er in door. Ik kan niet zeggen hoe lang dit duurde, maar in mijne herinnering komt het mij vrij langdurig voor. Eindelijk besloot mevrouw Micawber naar de gevangenis te verhuizen, waar mijnheer Micawber de vrije beschikking over een kamer had gekregen. Ik bracht den huissleutel aan den eigenaar, die blijde was toen hij dien weder in zijn bezit had; de bedden werden naar King's Bench gezonden, uitgezonderd het mijne. Voor mij werd een kamertje gehuurd buiten de muren, maar in de onmiddellijke nabijheid van de gevangenis; dit was zeer naar mijn zin, want ik had reeds te veel ellende met de Micawbers gedeeld om vrijwillig van hen te scheiden. Het weesmeisje werd in dezelfde buurt goedkoop onder dak gebracht. Mijn kamertje was eigenlijk een achterzoldertje met een schuin dak en een vroolijk uitzicht op eene timmerwerf, en toen ik het in bezit nam en bedacht, dat mijnheer Micawber's ongelegenheden nu eindelijk een crisis hadden bereikt, scheen het mij een klein paradijs toe.
Gedurende al dien tijd bleef ik werkzaam in het pakhuis van de firma Murdstone en Grinby aan dezelfde weinig opwekkende bezigheden, met dezelfde laag staande kameraden en met hetzelfde gevoel van onverdiende vernedering als de eerste dagen. Gelukkig voor mij, zooals ik later inzag, knoopte ik geen enkele kennismaking, geen enkel gesprek aan met de vele jongens, die ik dagelijks op mijne wandelingen door de straten ontmoette, als ik naar het pakhuis of naar mijne kamer ging. Ik leed onder dat eenzame, afgezonderde leven, maar ik leed zonder mij bij anderen te beklagen. De eenige veranderingen, die met mij plaats vonden, voor zoover ik weet, waren: dat ik er hoe langer hoe meer verwaarloosd begon uit te zien en ontheven was van mijne bekommering over de zorgen van mijnheer en mevrouw Micawber; want eenige bloedverwanten en vrienden hadden hulp verschaft voor het oogenblik, zoodat zij in de gevangenis een veel beter leven hadden dan zij in den laatsten tijd gekend hadden. Ik ontbeet nu met hen, waarvoor ik eenige vergoeding gaf...... hoeveel is mij ontschoten. Ook weet ik niet meer hoe laat de poort van de gevangenis geopend werd, wel echter dat ik dikwijls al om zes uur op was en ik dan het liefst bleef wachten op de oude London Bridge, waar ik op een van de steenen banken ging zitten kijken naar de voorbijgangers of naar de zon op het water en naar het groote monument, welks top zich scheen te baden in goud. Het weesmeisje kwam nu en dan bij mij zitten en vertelde mij dan allerlei verbazingwekkende dingen van de werven en den Tower, waarvan ik niets kan navertellen dan dat ik hoop, dat ik ze zelf geloofde. Des avonds ging ik gewoonlijk nogmaals naar de gevangenis en wandelde dan met mijnheer Micawber de binnenplaats op en neer of luisterde naar de verhalen van mevrouw Micawber over haar papa en mama. Of mijnheer Murdstone wist waar ik den tijd doorbracht, durf ik niet zeggen. Ik bewaarde er bij Murdstone en Grinby het stilzwijgen over.
Hoewel de crisis nu voorbij was, schenen mijnheer Micawber's zaken hoogst ingewikkeld te zijn door eene zekere „akte”, waarvan ik veel hoorde vertellen en die, zooals ik later begreep, eene vroeger gemaakte overeenkomst met zijne schuldeischers inhield; in die dagen begreep ik er niets van en ik vermoed nu, dat ik dat document verwarde met de duivelsche briefjes, die men drie eeuwen geleden zoo veelvuldig in Duitschland krijgen kon.
Eindelijk scheen dit papier echter op de eene of andere wijze uit den weg geruimd te zijn, tenminste het was niet meer zulk een struikelblok als vroeger en mevrouw Micawber vertelde mij, dat „hare familie” had aangeraden ontslag uit de gevangenis te verzoeken op grond van de wet op de Insolvente schuldenaren, zoodat zij binnen zes weken hunne vrijheid zouden terugkrijgen.
„En dan,” zei mijnheer Micawber, die daarbij tegenwoordig was, „dan twijfel ik er niet aan of, zoo de Heer wil, zal ik wel vooruit komen in de wereld en een geheel ander leven beginnen, indien zich.... kortom, indien zich maar iets voordoet.”
Als een staaltje van de wijze, waarop mijnheer Micawber trachtte vooruit te komen in de wereld, zij hier vermeld, dat hij in deze dagen eene petitie opstelde aan het Lager Huis, om eene wijziging te brengen in de wet op de gijzeling. Ik schrijf deze herinnering neer, als een voorbeeld voor mij zelven van de wijze, waarop ik alles wat ik beleefde en wat ik op straat zag, en al de menschen, die ik ontmoette, op voorvallen en helden terugbracht uit de boeken, die ik vroeger gelezen had; en hoe sommige hoofdtrekken van het karakter, dat ik, mijn leven beschrijvende, onmerkbaar zal bloot leggen, in dezen tijd langzamerhand gevormd werden.
Er bestond in de gevangenis een club, waarin mijnheer Micawber, de eenige, die nog aanspraak maakte op den naam van gentleman, de hoofdpersoon was. Hij had het denkbeeld om deze petitie op te stellen in de club geopperd en allen hadden het luide toegejuicht; waarop de goedhartige man, die zoo ijverig was in alle zaken—behalve in zijn eigene—als iemand maar zijn kon, die nooit gelukkiger was dan wanneer hij iets kon ondernemen, waarvan hij zelf niet het minste voordeel trok, aan het werk toog, de petitie opstelde, op een kolossaal vel papier overschreef, op eene tafel uitspreidde en een tijdstip aangaf, waarop alle leden van de club en allen binnen de muren der gevangenis, die zulks verkozen, hunne handteekening er onder konden plaatsen.
Toen ik vernam welke plechtigheid naderde, was ik zoo verlangend om hen allen te zien binnenkomen, een voor een, al kende ik hen voor het meerendeel en al kenden zij mij, dat ik mijnheer Quinion verzocht een uur vroeger te mogen heengaan, en in een hoekje van de kamer plaats nam. Zooveel van de voornaamste leden van de club als er in de kleine kamer konden staan, zonder die al te vol te maken, schaarden zich tegenover mijnheer Micawber voor het groote papier, terwijl kapitein Hopkins—mijn oude vriend had zich gewasschen ter eere van de plechtigheid—naar voren trad en de petitie voorlas aan allen, die den inhoud nog niet kenden. Daarna werd de deur geopend en kwam de geheele bevolking van de gevangenis één voor een binnen; terwijl de een zijne handteekening plaatste, wachtten de anderen buiten. Aan ieder afzonderlijk werd door kapitein Hopkins gevraagd: „Hebt gij het gelezen?”—„Neen.” „Wilt gij dat ik het u voorlees?”—Bij de geringste toestemmende beweging las kapitein Hopkins woord voor woord voor, met zijne zware, doch welluidende stem, en zonder twijfel zou hij het twintig duizend maal hebben voorgelezen, indien er maar twintig duizend onderteekenaars waren geweest. Ik herinner mij nog hoe hij sommige uitdrukkingen en volzinnen als het ware over zijn tong liet rollen: „De vertegenwoordigers van het volk in het Parlement vergaderd.”—„De ondergeteekenden naderen daarom eerbiedig uw edelachtbaar Huis”—„Hare Majesteit's ongelukkige onderdanen,” enz. Het scheen mij toe alsof hij deze woorden werkelijk in zijn mond voelde, of ze hem lekker smaakten. Mijnheer Micawber stond intusschen te luisteren met de ijdelheid van den ontwerper en schrijver en—volstrekt niet met een strengen blik—naar de scheurbroeken te kijken op den muur aan de overzijde.
Wanneer ik dagelijks den afstand aflegde tusschen Southwark en Blackfriars en in de schofttijden door de sombere zijstraten wandelde, waarvan het plaveisel misschien wel door mijne kindervoeten is uitgesleten, vroeg ik mij zelven af hoeveel menschen er nog ontbraken in den drom, die mij telkens weder voor oogen stond, terwijl kapitein Hopkins' stem mij in de ooren klonk. En wanneer mijne gedachten thans teruggaan naar dien ellendigsten tijd van mijne jeugd, vraag ik mij zelven af hoeveel van de romans, die ik van zulke menschen verdichtte, de werkelijkheid nabij kwamen! En wanneer ik dienzelfden grond weder betreed, stel ik mij een onschuldig, romantisch knaapje voor, dat zijne denkbeeldige wereld samenstelt uit allerlei vreemdsoortige ervaringen van de laagste soort, en ik beklaag dat knaapje met mijn gansche hart.