Voor zoover ik weet had ik, toen ik de vervolging van den jongen met de ezelkar opgaf en den weg naar Greenwich insloeg, geen ander plan dan in één adem door naar Dover te loopen. Ik kwam echter spoedig tot een ander inzicht, want bij den weg naar Kent bleef ik staan bij een plantsoen met een vijvertje, waarin een groot, leelijk beeld stond, een zeenimf voorstellend. Ik ging hier eenige oogenblikken op een stoep zitten, uitgeput van vermoeienis na de inspanning van het laatste uur en nauwelijks in staat om te schreien over het verlies van mijn koffer en de halve guinje.
Het was intusschen donker geworden; ik hoorde de klok tien slaan, toen ik daar zat. Gelukkig was het midden in den zomer en heerlijk weder. Toen ik wat tot kalmte gekomen en het gevoel, alsof ik zou stikken, verdwenen was, stond ik op en zette mijn weg voort. Hoe wanhopend ik ook was, het kwam niet in mij op terug te keeren. Ik twijfel of dit zelfs wel het geval zou zijn geweest als er een Zwitsersche sneeuwjacht op den weg naar Kent gewoed had. Dat ik daar stond met drie stuivers in den zak—ik begrijp nog niet, hoe die op Zaterdagavond er inkwamen!—joeg mij geen oogenblik angst aan, terwijl ik voortliep; maar ik stelde mij toch voor hoe er wellicht over eenige dagen in de courant zou staan, dat men mij dood aan den kant van den weg of onder een heg had gevonden, en dit denkbeeld sloeg mij wel eenigszins ter neer. Evenwel, ik was uit mijn slavenbetrekking verlost en liep voort tot ik aan een winkeltje kwam, waar men vrouwen- en mannenkleederen opkocht en den hoogsten prijs betaalde voor lompen, botten en ander afval. De eigenaar zat in zijne hemdsmouwen voor de deur te rooken en aangezien er een menigte jassen en broeken aan de lage zoldering hingen te bengelen en er slechts twee kaarsen brandden om dien geheelen voorraad te verlichten, verbeeldde ik mij, dat die man een wraakgierig monster was, dat al zijne vijanden daar had opgehangen en zich nu in het aanschouwen van zijne slachtoffers zat te verlustigen.
De ondervinding bij mijnheer en mevrouw Micawber opgedaan, wekte het vermoeden in mij op, dat ik hier wellicht het middel vinden kon om mij nog eenigen tijd in het leven te houden. Ik ging de eerste zijstraat in, trok mijn vest uit, rolde het netjes op en kwam met dat rolletje onder den arm aan den winkel terug. „Als 't u blieft, mijnheer,” zei ik, „wilt gij dit voor een billijken prijs van mij koopen?”
Mijnheer Dolloby—deze naam stond ten minste boven de winkeldeur—nam het vest aan, zette zijn pijp op den kop tegen den deurpost en ging voor mij uit den winkel binnen; daarna snoot hij de beide kaarsen met zijne vingers, spreidde het vest op de toonbank uit, bekeek het, hield het tegen het licht, bekeek het nog eens en zei eindelijk:
„En wat noemt gij een billijken prijs voor dit prul?”
„O, dat weet gij zelf het best, mijnheer,” antwoordde ik bedeesd.
„Ik kan geen kooper en verkooper te gelijk zijn,” hernam mijnheer Dolloby. „Geef een prijs op, manneke.”
„Zou achttien stuivers...?” vroeg ik na eenige aarzeling.
Mijnheer Dolloby rolde het vest op en gaf het mij terug. „Ik zou mijn huisgezin bestelen,” zei hij, „indien ik er de helft voor bood.”
Dit was eene onaangename manier van zaken doen, want ik, een vreemdeling, werd daardoor in de noodzakelijkheid gebracht hem te verzoeken zijn huisgezin ter wille van mij te bestelen. Aangezien ik echter dringend verlegen was om eenig reisgeld, zei ik, dat ik met negen stuivers tevreden zou zijn. Niet zonder tegenspraak betaalde mijnheer Dolloby mij negen stuivers uit. Ik wenschte hem goeden avond en verliet zijn winkel, negen stuivers rijker, doch een vest armer. Als ik mijn buis dichtknoopte, had dit echter niet veel te beduiden.
Het was te voorzien dat het niet lang zou duren, of mijn buis zou denzelfden weg volgen, zoodat ik het laatste gedeelte van den weg naar Dover in mijn hemd en broek zou moeten afleggen en mij nog gelukkig zou mogen prijzen als ik er in dat toilet aankwam. Ik dacht echter nog niet zoo ver vooruit. Behalve een vaag denkbeeld van den grooten afstand, dien ik moest afleggen, en eene onaangename herinnering aan den jongen met de ezelkar, geloof ik niet, dat de benarde toestand, waarin ik eigenlijk verkeerde, mij helder voor den geest stond, toen ik de negen stuivers in mijn zak liet glijden en mijne wandeling voortzette.
Voor een nachtverblijf was een plan in mij opgekomen, dat ik nu ten uitvoer ging brengen. Ik wilde mij namelijk achter den muur van mijne oude school te slapen leggen op eene plaats, waar vroeger een hooischelf stond en verbeeldde mij, dat het denkbeeld, al de jongens en de slaapzaal, waarin ik zoo menigen nacht had doorgebracht, in mijne onmiddellijke nabijheid te weten, veel zou vergoeden, al wisten de jongens niet dat ik daar lag te slapen en al zou mijne ligplaats wel harder zijn dan mijn oude bedje. Ik had een vermoeienden dag gehad en was doodop, toen ik eindelijk, al klimmende, de hoogte van Blackheath bereikte. Het kostte mij eenige moeite Salem House te vinden, maar eindelijk vond ik het toch en vond ik ook de hooischelf in den hoek, en na eerst den muur omgewandeld en mij overtuigd te hebben, dat allen in huis sliepen en daar binnen alles stil en donker was, legde ik mij te slapen. Nimmer zal ik het gevoel van verlatenheid vergeten, dat mij bekroop, toen ik daar lag zonder dak boven mijn hoofd! Gelukkig sliep ik weldra in, evenals zoo vele andere verworpelingen, voor wie de huisdeuren gesloten en de waakhonden losgelaten waren dien avond—en ik droomde dat ik op mijn oude bedje lag en de jongens naar mijne verhalen zaten te luisteren en werd wakker, rechtop zittende, met den naam Steerforth op de lippen, in mijn half wakenden toestand, verbaasd, dat ik de sterren zoo helder zag flikkeren. Toen ik mij herinnerde waar ik was, bekroop mij een gevoel van angst, dat mij deed opstaan en eenigen tijd rondwandelen, hoewel ik niet wist waarover ik mij eigenlijk angstig maakte.
Toen het licht der sterren begon te verflauwen en aan den hemel zich de kenteekenen van den naderenden dag begonnen te vertoonen, week ook mijn angst; mijne oogleden werden zwaarder, ik ging weder liggen en sliep in met het flauwe bewustzijn, dat het koud was—en ik bleef slapen tot de warme zonnestralen en de ontbijtbel op Salem House mij wekten. Had ik geweten, dat Steerforth daar nog was, ik zou mij verborgen hebben totdat hij bij toeval eens alleen buiten kwam; maar ik wist dat hij reeds langen tijd te voren de school had vaarwel gezegd. Traddles was er nog, wellicht, toch betwijfelde ik ook dit; bovendien had ik te weinig vertrouwen op zijne stilzwijgendheid en zijn goed gesternte, al was ik overtuigd van zijn goed hart, om hem mijn geheim toe te vertrouwen. Daarom kroop ik uit mijn schuilhoek, terwijl de jongens van mijnheer Creakle aan het ontbijt zaten, en sloeg den langen, stoffigen weg in naar Dover, dien ik, toen ik nog op Salem House was, zoo menigmaal had gadegeslagen, niet vermoedende, dat ooit iemand mij daarop zou zien onder omstandigheden als deze.
Hoe verschilde deze Zondag-ochtend van die heerlijke Zondag-ochtenden te Yarmouth. Wel hoorde ik op den gewonen tijd de klokken luiden, terwijl ik voortliep; wel ontmoette ik allerlei menschen, die naar de kerk gingen, en kwam ik langs twee of drie kerken, waar de gemeente verzameld was en de kerkeknecht in het portaal of onder een ouden iepeboom zat uit te blazen, terwijl hij mij met een boos gezicht nakeek; overal was op dien Zondag-ochtend vrede en kalmte, behalve in mij.—Dat was het verschil! Ik voelde dat men mij voor een halven heiden moest aanzien, zoo bestoven en verwaarloosd zag ik er uit met mijn verwarde haren. Telkens stond mij echter weder het tooneeltje voor den geest van mijn jonge, mooie moedertje, schreiend bij het haardvuur, terwijl tante Betsey door het zien van hare jeugd en schoonheid verteederd werd—zonder dit zou ik waarschijnlijk niet den moed hebben gehad om verder te gaan. Maar het bleef voor mij uitgaan en ik volgde het.
Ik legde dien Zondag drieëntwintig mijlen af op den rechten weg; het viel mij niet gemakkelijk, want deze inspanning was mij nieuw. Ik zie mij tegen den avond nog over de brug te Rochester gaan, met doorgeloopen voeten, doodvermoeid en niets voor mijn avondeten dan een stuk droog brood, dat ik onder weg had gekocht. Wel had ik een begeerigen blik geworpen op een of twee kleine huisjes met het uithangbord: „Logies voor den reizenden man,” maar ik durfde de weinige stuivers, die ik nog over had, niet uitgeven en was ook bang voor de brutale gezichten van allerlei landloopers, die ik dien dag had ontmoet of ingehaald. Ik zocht daarom geen ander dak dan den blooten hemel en toen ik Chatham was binnengestrompeld—bij avond maakte het den indruk op mij van een verward droomgezicht, waarin krijt, ophaalbruggen, mastelooze schepen met daken, zooals op de arke Noach's, en eene modderige rivier door elkander wriemelden—vond ik een schuilplaats in het gras van eene batterij, waar een schildwacht voortdurend heen- en weerliep. Ik legde mij neer bij een kanon, gerustgesteld door de voetstappen van den schildwacht, al wist deze evenmin, dat ik boven hem lag, als de jongens op Salem House geweten hadden, dat ik achter den muur eene schuilplaats had gezocht—maar ik sliep vast tot den volgenden morgen.
Stijf en pijnlijk werd ik wakker en keek vreemd op, toen ik tromgeroffel en marcheerende soldaten hoorde, die mij aan alle kanten schenen in te sluiten, toen ik naar beneden kroop en de nauwe straat trachtte te bereiken. Ik voelde dat ik dien dag niet ver zou kunnen gaan, wilde ik mijne krachten sparen voor het laatste gedeelte van mijne reis; ik besloot daarom eene poging te wagen om mijn buis te verkoopen, hetgeen dus mijne voornaamste bezigheid zou zijn. Ten einde mij vast aan het gemis te wennen, trok ik het buis uit, en het ineengerold onder den arm dragend, ging ik de verschillende uitdragerswinkels eens bezichtigen.
Het scheen een uitstekend plaatsje te zijn om een buis te verkoopen, want de handelaars in oude kleeren waren ontelbaar, en bijna allen stonden in de deuren naar klanten rond te kijken. De meesten hadden echter ook officiersuniformen met de epauletten er op aan hunne zoldering hangen, zoodat ik terugdeinsde bij het zien van zooveel kostbaarheden, en langen tijd bleef rondzwerven, zonder mijn eenvoudig buis te koop aan te durven bieden.
In mijne bescheidenheid vestigde ik meer de aandacht op winkels, zooals die van mijnheer Dolloby, dan op zulke deftige uitdragerijen. Eindelijk vond ik er een, die, naar ik meende, voor mijn doel geschikt was, op den hoek van een morsig steegje, dat op den met brandnetels begroeiden wal doodliep. Aan eenige palen hingen matrozenpakken te bengelen, waarvoor in den winkel geen plaats meer was, te midden van hangmatten, roestige geweren, oliehoeden en eenige tonnen vol verroeste sleutels, zoo verschillend van vorm, dat men daarmede wel alle sloten van de wereld zou hebben kunnen openen.
Dezen winkel, die klein en laag was, vol hing met allerlei kleedingstukken en verlicht—men zou eerder hebben kunnen zeggen donker gemaakt—werd door een klein raampje vol spinnewebben, ging ik langs twee trapjes met een kloppend hart binnen: mijn angst verminderde niet, toen er uit een morsig hokje achter den winkel een afschuwelijk leelijke, oude man verscheen, met een grijzen stoppelbaard, en mij bij de haren pakte. Die man was vreeselijk om aan te zien in zijn vuilen flanellen borstrok, en bracht een alles overheerschende brandewijnlucht mede. Zijn ledikant, waarover een vuile, gescheurde lappendeken was uitgespreid, stond in het hokje, waaruit hij gekomen was, en waar men door een klein raampje het uitzicht had op een geheel bosch van brandnetels, waaraan een kreupele ezel zich scheen te goed te doen.
„Wat moet gij hier?” schreeuwde de oude man met een kwaadaardige stem en op huilenden toon. „O mijn oogen, mijn leden, wat moet gij hier? O mijn long en lever, wat moet gij hier? O goroe, goroe!”
Ik was zoo ontsteld door deze uitroepen, en voornamelijk door de laatste woorden, die ik niet kende, en die klonken als een soort gerochel, achter in zijn keel, dat ik geen antwoord kon geven; de oude man hield mij intusschen nog steeds bij de haren vast en herhaalde:
„O, wat moet gij hier? O, mijn oogen, mijn leden, wat moet gij hier? O, mijn long en lever, wat moet gij hier? O, goroe, goroe!” en hij schreeuwde, vooral deze laatste woorden, zoo hard, dat zijne met bloed beloopen oogen uit hunne kassen puilden.
„Ik wilde vragen,” antwoordde ik bevend, „of gij een buis wilt koopen?”
„Laat mij dat buis zien!” riep hij. „O, mijn brandend hart, laat mij dat buis dan zien! O, mijn oogen, mijn leden, haal het buis dan voor den dag!”
Nu trok hij zijn handen, die op de klauwen van een roofvogel geleken, uit mijn verwarde haren en zette een grooten bril op, die zijn rooden oogen in geenen deele tot sieraad strekte.
„O, hoeveel voor dat buis?” riep hij, na het bekeken te hebben. „O, goroe, hoeveel voor dit buis?”
„Een halve kroon,” antwoordde ik, eenigszins bekomen van den eersten schrik.
„O, mijn long en lever,” riep hij, „neen! O, mijn oogen, neen! O, mijn leden, neen! Achttien stuivers! Goroe!”
Telkens wanneer hij dezen uitroep liet hooren, schenen zijne oogen gevaar te loopen om uit hunne kassen te springen, en alles wat hij zeide klonk als een deuntje, altijd hetzelfde, het best te vergelijken met een windvlaag, die zacht begint en langzamerhand in kracht toeneemt.
„Welnu,” antwoordde ik, blijde den koop gesloten te hebben, „voor achttien stuivers laat ik u het buisje.”
„O, mijn lever!” riep de oude vrek, terwijl hij het buis op een plank wierp. „Den winkel uit! O, mijn long, den winkel uit! O, mijn oogen en ledematen... goroe!... vraag mij geen geld! Neem wat in ruil!”
Ik ben nooit in mijn leven zoo bang geweest, vóór noch na dat oogenblik; ik vertelde hem toch zoo nederig mogelijk, dat ik het geld noodig had, dat ik niets van al hetgeen hij mij in ruil zou willen geven, kon gebruiken, maar dat ik buiten zou wachten als hij dat goed vond, en ik hem volstrekt niet zou haasten. Ik ging terstond naar buiten en in een schaduwrijk hoekje zitten; ik zat daar zoo lang dat de zonnestralen de schaduw vervingen, en de schaduw de zonnestralen, maar ik wachtte nog steeds te vergeefs op mijn geld.
Ik hoop dat nooit zulk een dronken dolleman als hij het uitdragersvak heeft uitgeoefend. Dat hij goed bekend was in de buurt en onder verdenking stond zijn ziel aan den duivel verkocht te hebben, begon ik spoedig te begrijpen uit de bezoeken van de jongens, die voortdurend zijn winkel inliepen en dan dit sprookje luide verkondigden, hem toeroepende zijn geld voor den dag te halen. „Gij zijt niet zoo arm, Charley, als gij u voordoet! Laat uw geld eens zien! Laat het geld eens zien, waarvoor gij u aan den duivel verkocht hebt! Kom! Het zit in de matras, Charley! Snijd de matras open, en laat het ons eens zien!” Deze uitroepen en de tallooze aanbiedingen om hem tot dat doel een mes te leenen, deden hem telkens woedend opstuiven, waarop hij naar buiten kwam en de jongens op de vlucht gingen. In zijn toorn hield hij mij nu en dan voor een van hen en wilde dan op mij toeloopen, alsof hij van plan was mij in stukken te scheuren; maar als hij zich dan nog juist bijtijds herinnerde, wie ik was, sloop hij den winkel weer binnen en ging op zijn bed liggen, naar ik uit de geluiden, die hij maakte, vermoedde; waarna ik hem een oogenblik later „Nelson's dood” hoorde uitgalmen, met een „O!” voor elken regel en doorspekt met tallooze „goroe's”.
Alsof ik nog niet ongelukkig genoeg was, meenden de jongens, dat ik op de eene of andere wijze aan de uitdragerij verbonden was, omdat ik daar met zooveel geduld en volharding, half gekleed, bleef zitten; zij plaagden mij den geheelen dag en wierpen mij met steenen en slijk.
De oude kleerkooper deed vele pogingen om mij tot een ruilhandel te bewegen, nu eens met een vischhengel of een viool, dan weder met een driekanten steek of een fluit naar buiten komende. Ik wees echter al deze aanbiedingen van de hand en bleef half wanhopend zitten, terwijl ik hem telkens met tranen in de oogen smeekte, mij het geld voor mijn buisje te geven. Eindelijk begon hij mij met halve stuivers te gelijk te betalen en had twee uur noodig om het tot een shilling te brengen.
„O, mijn oogen, mijn leden!” riep hij toen, zijn afzichtelijk hoofd buiten de deur stekend, „wilt gij heengaan voor twee stuivers?”
„Ik kan het niet doen,” zei ik. „Ik zal van honger omkomen.”
„O, mijn long en lever! Wilt gij dan voor drie stuivers heengaan?”
„Ik zou wel zonder meer geld willen heengaan, als ik kon,” zei ik, „maar ik heb het geld zoo noodig.”
„O, goroe.... go—roe!”—het is niet mogelijk te beschrijven, hoe hij dit tusschenwerpsel uit het diepst van zijn keel te voorschijn wrong, terwijl hij mij om den deurpost bespiedde en niets vertoonde dan zijn oud, walgelijk hoofd—„wilt gij voor vier stuivers heengaan?”
Ik was zoo moe en afgemat, dat ik met dit aanbod genoegen nam en, na het geld uit zijn vuile hand genomen te hebben, heenging, hongeriger en dorstiger dan ik ooit geweest ben.
Het was even voor zonsondergang. Ik besteedde drie stuivers voor mijn avondbrood en voelde mij toen zoo verkwikt, dat ik dien avond nog zeven mijlen aflegde. Mijn bed was weder een hooischelf, waarin ik heerlijk sliep, na mijne voeten, die vol blaren waren, in een beek gewasschen en met koele bladeren belegd te hebben. Toen ik den volgenden morgen mijn tocht voortzette, zag ik, dat mijn weg tusschen uitgestrekte hopvelden en boomgaarden doorliep. De herfst naderde reeds, zoodat de appels in de boomgaarden rijp waren en mij schenen toe te lachen; op sommige plaatsen waren de hopplukkers reeds aan het werk. Ik vond dit alles zoo mooi, dat ik opgewekt voortwandelde en besloot den nacht tusschen de hop door te brengen; want ik verbeeldde mij, dat die onafzienbare rijen staken met de sierlijk daarom heengeslingerde ranken prettig gezelschap voor mij moesten zijn.
Het aantal landloopers was bijzonder groot dien dag en zij vervulden mij met een gevoel van angst, dat mij levendig is bijgebleven. Sommigen hadden gemeene, brutale gezichten en namen mij van het hoofd tot de voeten op, toen ik hen voorbij ging; eenigen bleven staan en riepen mij terug, en als ik het dan op een loopen zette, wierpen zij mij met steenen. Een van hen, een jonge man—een ketellapper, te oordeelen naar zijn knapzak en een komfoor dat hij droeg—had eene vrouw bij zich; zij keken mij beiden aan en toen ik reeds een eind weg was, riep hij mij met zulk eene vervaarlijke stem terug dat ik bleef staan en angstig rondkeek.
„Kom hier als ik je roep,” zeide hij, „of ik snij je den hals af.”
Ik meende het best te doen terug te keeren en toen ik bij hen was, keek ik hen met een ootmoedigen blik aan, waarbij ik opmerkte, dat de vrouw een blauw oog had.
„Waar gaat gij heen?” vroeg de ketellapper, terwijl hij mij met zijne zwarte hand bij de borst greep.
„Naar Dover,” antwoordde ik.
„Waar komt gij vandaan?” vroeg hij weder, terwijl hij mijn hemd om zijne hand draalde, om mij steviger vast te hebben.
„Van Londen,” antwoordde ik.
„Wat doet gij voor den kost.... zakkenrollen?”
„Ne....en.”
„Wat dan, voor den duivel? Als gij hier wilt pochen op je eerlijkheid, sla ik je de hersens in,” hernam hij.
Hij maakte met de hand, die hij vrij had, eene dreigende beweging en bekeek mij van het hoofd tot de voeten.
„Hebt gij geld bij je voor een pint bier?” vroeg hij. „Als gij 't hebt, dan geef het op, of ik neem het zelf.”
Zonder twijfel zou ik het gegeven hebben, maar op dit oogenblik ving ik een blik op van de vrouw, die bijna onmerkbaar het hoofd schudde en met de lippen eene beweging maakte, alsof zij „neen” zeide.
„Ik ben heel arm,” zei ik met eene poging om te glimlachen, „ik heb geen geld bij mij.”
„Wat... wat zegt gij daar?” riep de ketellapper en keek mij zoo doordringend aan, dat ik vreesde, dat hij het geld in mijn zak zou zien.
„Mijnheer!” stamelde ik.
„Waarom draagt gij een halsdoek, die aan mijn broeder behoort?” vroeg hij. „Geef hier!” In een oogenblik had hij mij den doek van den hals getrokken, waarna hij dien aan zijne vrouw toewierp.
De vrouw barstte in een schaterlach uit, alsof zij meende dat het maar eene grap was, en wierp de das naar mij terug; terwijl zij nog eens knikte, even onmerkbaar als zoo even, en hare lippen het woord „wegloopen” schenen uit te spreken. Eer ik echter hare waarschuwing kon opvolgen, had de ketellapper mij de das met zooveel ruwe kracht uit de hand getrokken, dat ik bijna omgetuimeld was en terwijl hij de das om zijn eigen hals sloeg, keerde hij zich naar zijne vrouw en gaf haar een vuistslag, die haar achterover deed vallen. Ik zal het nooit vergeten zooals zij daar op den harden weg lag met loshangende haren—de muts was haar van het hoofd gegleden;—toen ik, na te zijn weggeloopen zoo hard ik kon, omkeek, zat zij op het verhoogde voetpad en veegde met een punt van haar boezelaar het bloed van haar gelaat, terwijl de ketellapper zijn weg vervolgde.
Ik was door deze ontmoeting zoo bang geworden, dat ik, als ik later dergelijk volk zag aankomen, terugging tot ik ergens eene schuilplaats vond, waar ik bleef zitten tot zij voorbij waren; en dit gebeurde zoo vaak, dat ik daardoor aanmerkelijke vertraging ondervond. Bij al deze hinderpalen, zoowel als op mijne gansche reis scheen ik echter voortgeleid te worden door het beeld van mijne moeder, zooals zij er in hare jeugd moest hebben uitgezien, voor ik ter wereld kwam. Het stond mij altijd voor den geest. Ik zag het voor mij uitgaan, ik zag het tusschen de hopranken, wanneer ik mij neerlegde om te slapen en wanneer ik wakker werd. In mijne herinnering is het onafscheidelijk van de zonnige straten van Canterbury, van de oude grijze huizen en poorten, van de statige kathedraal en van de kraaien, die om de torens zwierden. Toen ik eindelijk op de kale uitgestrekte duinvlakte bij Dover kwam, verlevendigde het dit eentonig tooneel met blijde hoop, en het verliet mij niet, eer ik het eerste doel van mijne reis bereikt had en den voet in de stad zette. Maar toen ik daar met mijne verscheurde schoenen, mijn stoffig, door de zon verbrand gelaat en bijna zonder kleederen in de zoo vurig gewenschte plaats stond, scheen het, vreemd genoeg, plotseling te verbleeken en mij hulpeloos en moedeloos aan mijn lot over te laten.
Ik vroeg bij verscheidene schippers naar mijne tante en ontving verschillende antwoorden. De een zeide, dat zij bij den lichttoren van South Foreland woonde en dientengevolge haar baard geschroeid had; een ander vertelde, dat zij lag vastgemeerd aan de groote boei buiten de haven en alleen bij eb kon bezocht worden; een derde, dat zij te Maidstone in de gevangenis zat wegens kinderdiefstal; een vierde, dat men haar gedurende den laatsten storm op een bezemstok regelrecht naar Calais had zien vliegen. De koetsiers, bij wie ik daarna inlichtingen vroeg, waren even geestig en even oneerbiedig en de winkeliers, die mij liever niet in hun winkel zagen, antwoordden, zonder op mijne vraag te letten, dat zij niets gaven. Ik voelde mij ellendiger en wanhopender dan ik mij ooit op mijn langen tocht gevoeld had. Mijn geld was op: ik had niets meer om te verkoopen, had honger en dorst, was doodmoe en scheen nog verder van het doel verwijderd dan toen ik te Londen was.
Intusschen was de geheele voormiddag voorbijgegaan met deze nasporingen en ik zat op de stoep van een ledigen winkel dichtbij de markt te overwegen of het niet wenschelijk was naar een van de andere plaatsen te gaan, die genoemd waren, toen er een rijtuig aankwam, waarvan de koetsier een paardedeken liet vallen. Toen ik die opraapte en aan hem teruggaf, trof mij de goedhartige uitdrukking in zijn gelaat, waardoor ik werd aangemoedigd hem te vragen of hij ook wist, waar juffrouw Trotwood woonde; ik had die vraag al zoo dikwijls gedaan, dat ze mij bijna op de lippen bestierf.
„Trotwood,” herhaalde hij. „Laat eens zien. Ik ken dien naam. Een oude dame?”
„Ja,” zei ik, „tamelijk.”
„Een weinig stijf in den rug?” vroeg hij zich oprichtende.
„Ja,” zei ik, „dat geloof ik wel.”
„Draagt zij een tasch bij zich?” vroeg hij weder—„eene vrij groote tasch?..... zij is niet gemakkelijk en brommig.....”
Het hart bonsde mij in de keel, want de juistheid van zijne beschrijving kon mij niet langer doen twijfelen.
„Welnu dan,” zei hij, „luister goed: Ga dien kant uit”—hij wees met zijn zweep naar de hoogten in de richting van het Zuiden—„en loop rechtuit tot gij aan eenige huizen komt, dichtbij het strand; daar zult gij wel van haar hooren. Ik vermoed echter, dat zij u niets geven zal—hier hebt gij een stuiver.”
Ik nam deze gift dankbaar aan en kocht er een broodje voor, dat ik, al voortwandelend in de richting, die de goede man mij had aangewezen, opat. Ik legde een vrij grooten afstand af, eer ik de door hem bedoelde huizen bereikte, maar eindelijk vond ik ze, ging een klein winkeltje binnen—wij zouden het in Londen een komenijswinkel genoemd hebben—en vroeg of iemand de goedheid wilde hebben mij te zeggen, waar juffrouw Trotwood woonde. Ik deed deze vraag aan een man, die achter de toonbank stond en bezig was rijst af te wegen voor een dienstmeisje; laatstgenoemde scheen deze vraag als tot haar zelve gericht te beschouwen, keerde zich haastig om en zei: „Mijn juffrouw; wat moet gij van mijn juffrouw hebben, jongetje?”
„Ik moet haar spreken,” antwoordde ik. „Wilt gij mij wijzen, waar zij woont?”
„Om te bedelen, natuurlijk,” hernam zij.
„Neen,” antwoordde ik, „waarlijk niet.” Plotseling echter bedacht ik mij, dat ik eigenlijk met geen ander doel hierheen was gegaan en ik zweeg met een blos van verlegenheid op de wangen.
De dienstmaagd van mijne tante—uit hetgeen zij gezegd had maakte ik op dat zij dat was—nam haar mandje van de toonbank en verliet den winkel, zeggende dat ik haar maar volgen moest, als ik wilde weten waar juffrouw Trotwood woonde. Ik had geen tweede aanmoediging noodig, hoewel ik op dat oogenblik zoo zenuwachtig en angstig was, dat mijne knieën knikten. Ik volgde het meisje en wij kwamen al heel spoedig aan een klein, net huisje met een balconnetje en naar buiten openslaande vensters, die op een vierkant pleintje uitkwamen, dat zorgvuldig onderhouden was, terwijl de bloemengeur mij reeds van verre tegemoet kwam.
„Hier woont juffrouw Trotwood,” zei het meisje. „Nu weet gij het; verder bemoei ik er mij niet mede.” Met deze woorden haastte zij zich om in huis te komen, alsof zij alle verantwoordelijkheid voor mijn bezoek van zich wilde afschuiven, en liet mij aan het tuinhek staan, van waar ik juist het venster van de huiskamer kon zien. Er hingen neteldoeksche gordijntjes voor, die in het midden een weinig waren weggeschoven; op de vensterbank stond een groote, ronde, groene waaier; verder ontdekte ik eene groote, ronde tafel en een leunstoel, waarin ik mij mijne tante op dat oogenblik voorstelde, ontzagwekkender en stijver dan ooit.
Mijne schoenen verkeerden in een betreurenswaardigen toestand. De zolen waren er bij stukken en brokken afgevallen en het bovenleder was gescheurd en gebarsten; de geheele vorm van de schoenen was verloren gegaan. Mijn hoed, die mij tevens tot slaapmuts had gediend, was zoo gedeukt en ingedrukt, dat zelfs een ineengetrapt sauspannetje zonder handvat zich niet had behoeven te schamen om er op de mestvaalt naast te liggen. Mijn broek en mijn hemd waren zoo gescheurd en zoo vol vlekken ten gevolge van het zweeten en van het slapen op den Kentschen kleigrond, dat ze alleen nog konden dienen om er een vogelverschrikker mede aan te kleeden. Mijne haren hadden kam noch borstel gevoeld sinds ik uit Londen wegliep. Mijn gezicht en mijn hals waren evenals mijne handen verbrand, weinig gewend als ze waren, om gedurende zoo langen tijd aan de lucht en de zonnewarmte te zijn blootgesteld. Ik was van het hoofd tot de voeten bestoven, alsof ik zoo even uit een kalkoven gekomen was. In zulk een toilet en bewust van den verwaarloosden toestand, waarin ik verkeerde, wachtte ik het oogenblik af, waarop ik mij aan mijne alom gevreesde tante zou voorstellen.
De onafgebroken stilte achter het venster van de zijkamer deed het vermoeden in mij opkomen, dat mijne tante daar niet zat; ik vestigde daarom mijne oogen op het bovenraam, waarachter ik een welgedaan heertje opmerkte met een vergenoegd gezicht en grijs haar. Hij scheen mij reeds eenigen tijd te hebben gadegeslagen en kneep nu en dan op snaaksche wijze één oog dicht, knikte mij goeden dag, schudde het hoofd, lachte en verdween. Ik had lang genoeg met angst aan de ontvangst gedacht, maar door deze zonderlinge handelwijze was ik geheel uit het veld geslagen en op het punt om weg te sluipen en te overdenken, wat mij nu te doen stond, toen ik plotseling een statige dame uit de deur zag komen, met den zakdoek over de muts geknoopt en een paar tuinhandschoenen aan, een tuinschort voor en een groot mes in de hand.
Dat moest tante Betsey zijn, want zij stapte juist zoo het huis uit als zij volgens de beschrijving van mijne arme moeder den tuin te Blunderstone was komen binnenstappen.
„Ga heen!” sprak zij, hoofdschuddend en een gat in de lucht slaande met haar mes. „Ga heen! Ik wil geen jongens in mijn tuin hebben!”
Het hart klopte mij in de keel, terwijl ik haar nakeek; zij begaf zich naar een hoekje van den tuin om een wortel of iets dergelijks uit te graven; zonder een greintje moed, louter uit wanhoop naderde ik haar en raakte haar even met den vinger aan.
„Als 't u blieft, mevrouw,” begon ik. Zij ontstelde en keek op.
„Als 't u blieft, tante.”
„Hè?!” riep zij op een toon van verbazing, zooals ik nooit door iemand anders heb hooren uiten.
„Als 't u blieft, tante, ik ben uw neef.”
„Groote goedheid!” riep zij en in het volgend oogenblik zat zij plat op den grond.
„Ik ben David Copperfield uit Blunderstone in Suffolk...... gij zijt daar geweest op den avond, toen ik geboren ben, en hebt toen mijne lieve moeder gezien. Ik ben heel erg ongelukkig geweest, nadat zij gestorven is. Ik ben verwaarloosd en heb niets geleerd; ik moest mijn eigen brood verdienen en werk doen, dat mij niet paste. Daarom ben ik weggeloopen. Eer ik aan het diligencekantoor was, ben ik bestolen en nu heb ik den geheelen weg te voet afgelegd en geen enkelen nacht in een bed geslapen, zoolang de tocht heeft geduurd.”
Nu was het echter gedaan met mijne standvastigheid en volharding; ik maakte nog eene beweging met mijne handen, om haar te wijzen op mijn verwaarloosden toestand en dezen te hulp te roepen om te getuigen, hoeveel ik had moeten doorstaan, en barstte toen in tranen uit. Ik had ze immers eene week lang moeten inhouden!
Mijne tante, op wier gelaat geen andere uitdrukking dan verbazing te lezen was, bleef mij, op den grond zittende, aanstaren tot ik begon te schreien; toen stond zij haastig op, nam mij bij den kraag van mijn hemd en trok mij met zich voort naar de zijkamer. Haar eerste werk was eene kast te openen, er eenige flesschen uit te voorschijn te halen en mij uit elke flesch iets in den mond te gieten. Ik vermoed, dat zij er maar blindelings eenige had weggepakt, want ik weet zeker, dat ik anisette, ansjovissaus en sla-nat proefde.
Toen zij mij deze hartversterking had toegediend en ik nog altijd zenuwachtig bleef snikken, liet zij mij op de sofa plaats nemen met een omslagdoek onder mijn hoofd en haar eigen zakdoek onder mijne voeten, uit vrees, dat ik het overtrek vuil zou maken; daarna ging zij zelve achter den grooten, groenen waaier zitten, waarvan ik straks reeds gesproken heb, zoodat ik haar gezicht niet kon zien, maar haar met gelijkmatige tusschenpoozen hoorde zeggen: „Genadige Hemel!” op de wijze van noodschoten, die om de minuut gelost worden.
Toen zij zoo eenigen tijd had gezeten, trok zij aan de schel. „Janet,” sprak zij, toen het dienstmeisje binnenkwam, „ga eens naar boven en zeg aan mijnheer Dick, dat ik hem gaarne eens zou willen spreken.”
Janet keek niet weinig verbaasd, toen zij mij daar op de sofa zag liggen—ik durfde mij niet bewegen uit vrees van mijne tante te zullen storen in hare overpeinzingen—maar ging toch terstond hare boodschap doen. Intusschen wandelde mijne tante met de handen op den rug de kamer op en neer, tot de heer, dien ik in het raam van de bovenkamer had gezien, lachend de kamer binnenkwam.
„Mijnheer Dick,” zei mijne tante, „doe nu niet, alsof gij niet goed bij uw verstand waart, want niemand kan zoo verstandig zijn als gij. Dat weten wij allen. Als gij maar wilt. Wees dus eens heel verstandig vandaag.”
De kleine, welgedane man begon terstond heel ernstig te kijken en wierp mij een blik toe, alsof hij mij wilde vragen niets te vertellen van de gezichten, die hij achter het venster getrokken had.
„Mijnheer Dick,” vervolgde mijne tante, „gij hebt mij wel eens hooren spreken over David Copperfield? Doe nu maar niet, alsof uw geheugen op den loop is, want dat weet ik wel beter.”
„David Copperfield?” herhaalde mijnheer Dick, die op mij den indruk maakte, dat hij er zich niets van herinnerde. „David Copperfield? O, ja, zeker, David, jawel.”
„Welnu,” vervolgde tante, „ziedaar zijn.... zoon. Hij zou op zijn vader gelijken, zooals nooit iemand op zijn vader geleken heeft, als hij ook niet op zijne moeder leek.”
„Zijn zoon?” vroeg mijnheer Dick. „David's zoon? Waarlijk?”
„Ja,” vervolgde tante, „en hij heeft een fraai stukje uitgehaald. Hij is weggeloopen. Och, och! Zijne zuster, Betsey Trotwood, zou nooit zijn weggeloopen.” Mijne tante schudde het hoofd, vol vertrouwen op het karakter en de braafheid van het meisje, dat nooit geboren was.
„Zoo, denkt gij, dat zij nooit zou zijn weggeloopen?” vroeg mijnheer Dick.
„De Hemel beware dien man!” riep tante op bitsen toon. „Wat praat hij toch! Weet ik dan niet, dat zij het nooit gedaan zou hebben? Zij zou bij hare pleegmoeder gewoond hebben en wij zouden voor elkaar geleefd hebben. Van wie zou zijn zusje Betsey Trotwood zijn weggeloopen en waarheen zou zij zijn gegaan!”
„Van niemand! Nergens heen!” antwoordde mijnheer Dick.
„Welnu dan,” hernam tante, wat zachter gestemd door dit antwoord, „hoe kunt gij nu beweren, dat er een bij u op den loop is, terwijl gij zoo scherp kunt zijn als een lancet? Welnu, hier ziet gij voor u den jongen David Copperfield en nu vraag ik u, wat ik met hem moet aanvangen?”
„Wat gij met hem zult aanvangen?” herhaalde mijnheer Dick bijna onhoorbaar en zijn hoofd krabbende. „Juist, met hem aanvangen?”
„Ja,” zei mijne tante, hoogst ernstig en met den wijsvinger in de hoogte. „Kom, geef mij nu eens een heel verstandigen raad.”
„Wel, als ik u was,” zei mijnheer Dick, nadenkend en mij wezenloos aanstarende, „zou ik”.... het scheen, dat hij door mij aan te kijken een inval kreeg, want plotseling voegde hij er op haastigen toon bij: „ik zou hem wasschen!”
„Janet,” zei mijne tante, met een zegevierenden blik rondkijkende, waarvan ik op dit oogenblik de beteekenis nog niet begreep. „Janet, mijnheer Dick heeft het weer bij het rechte eind. Steek de badkachel aan.”
Terwijl dit voor mij zoo uiterst belangrijke gesprek plaats had, kon ik niet nalaten mijne tante, mijnheer Dick en Janet eens goed aan te kijken en mijne oogen eens door de kamer te laten rondgaan. Mijne tante was lang en slank; had forsche gelaatstrekken, doch kon volstrekt niet leelijk genoemd worden. Er was iets onverzettelijks in de uitdrukking van haar gelaat, in hare stem, iets onbuigzaams in hare houding en haar gang, iets dat voldoende den indruk verklaarde, dien zij op zulk een teeder schepseltje, als mijne moeder, gemaakt had; hare gelaatstrekken waren echter eerder mooi dan leelijk, al sprak haar gelaat ook van gestrengheid en onverstoorbare kalmte. Ik merkte ook op dat zij groote, levendige oogen had, waarin eene verstandige uitdrukking lag. Hare grijze haren waren in het midden gescheiden en gingen schuil onder eene muts, die men een nachtmuts zou hebben kunnen noemen; eene muts, zooals men in dien tijd veel meer zag dragen dan tegenwoordig, voorzien van zijstukken, die onder de kin werden vastgeknoopt. Hare japon had de kleur van lavendel en zat onberispelijk, al was die zoo krap mogelijk geknipt; blijkbaar verlangde zij zoo weinig mogelijk stof op hare rekening te zien. Ik herinner mij zeer goed, dat de japon den indruk op mij maakte van een rijkleed, waarvan de sleep, als geheel overtollig, was afgeknipt. Zij droeg een gouden heerenhorloge, zooals ik uit den vorm en de grootte meende te moeten opmaken, benevens een zwaren gouden ketting en cachetten; haar hals was omsloten door een kraagje, dat op den kraag van een manshemd geleek en de polsen door dingen, die mij aan datzelfde kleedingstuk deden denken.
Mijnheer Dick had, zooals ik reeds zeide, grijs haar en een blozend uiterlijk; ik zou hiermede alles van hem gezegd hebben, ware zijn hoofd niet op zonderlinge wijze gebogen geweest. Het was volstrekt niet uit ouderdom zoo gebogen, doch herinnerde mij aan het hoofd van een der jongens op de kostschool, wanneer mijnheer Creakle zijn stok ophief om hem te slaan. Hadden zijne groote, grijze oogen niet zoo uit zijn hoofd gepuild en mij ten gevolge van de waterachtige uitdrukking, in verband met zijne onderdanige houding tegenover mijne tante en met zijne blijdschap, wanneer deze hem prees, niet al doen vermoeden, dat hij niet goed bij zijn verstand was, het verbaasde mij toch zeer, dat hij werkelijk niet goed wijs zijnde, bij mijne tante in huis was. Hij was gekleed, zooals ieder fatsoenlijk man gekleed was, in een loshangende grijze ochtendjas, een vest van dezelfde kleur en witte broek, had een horloge in zijn vestzak en geld in zijne broekzakken. Op dit geld scheen hij bijzonder trotsch te zijn, want hij liet het telkens rammelen.
Janet was een knap, frisch, jong meisje, negentien of twintig jaar oud en een voorbeeld van netheid. Ik was niet in de gelegenheid om mijne opmerkingen omtrent haar voort te zetten; alleen wil ik hier nog iets vermelden, dat ik pas later ontdekte, namelijk, dat zij een van de vele beschermelingen was, die mijne tante in haar dienst had genomen om ze op te voeden in algeheele verzaking van het mannelijk geslacht en—die gewoonlijk hare moeite beloonden door met den bakker of den slager te trouwen.
De kamer was even keurig netjes als Janet en mijne tante. Wanneer ik later mijne pen eens neerlegde om mij de huiskamer mijner tante in het geheugen te roepen, kwam mij dezelfde frissche zeelucht, vermengd met de geuren van honderde bloemen weder te gemoet; dan zag ik weder de ouderwetsche, spiegelglad geboende meubels, den „bijna heiligen” stoel van mijne tante en haar tafeltje bij den groenen, ronden waaier op de vensterbank, het effen grijze tapijt, de kat, de theestoof, de twee kanaries, het oude porselein, de punch-bowl, gevuld met gedroogde rozenbladeren, de groote kast met flesschen en potten van allerlei soort en wonderlijk afstekend bij dit alles, mij zelven, zoo vuil en bestoven als ik was, op de sofa liggende, alles en allen met de grootste aandacht bekijkende.
Janet was heengegaan om het bad gereed te maken, toen mijne tante, tot mijn grooten schrik plotseling bleek van verontwaardiging opstond en nauwelijks in staat was om te roepen: „Janet, Janet! Ezels!” Hierop stormde Janet de trap af met een haast, alsof het huis in lichterlaaie stond, en snelde naar buiten, naar een klein grasveld vóór het huis, ten einde twee ezels van daar te verdrijven, die, door een paar jonge meisjes bereden, het waagden hunne hoeven daarop te zetten; terwijl mijne tante eveneens het huis uitstormde, een derden ezel, die een kind op zijn rug droeg, bij den teugel nam, omdraaide en van de geheiligde plek verwijderde, tegelijkertijd den ongelukkigen dreumis, die het gewaagd had met zijn ezels dit verboden terrein te betreden, eenige oorvijgen toedienende.
Tot op dit uur weet ik nog niet welk recht mijne tante kon laten gelden op dit grasveldje maar zij had zich nu eenmaal in het hoofd gezet, dat zij er recht op had en dat was voor haar genoeg. De grootste beleediging, die men haar kon aandoen en die altijd wraak eischte, was, dat een ezel dit gewijde plekje betrad. Waarmede zij ook bezig was, hoeveel belang haar een gesprek, waarin zij deelde, ook inboezemde, de verschijning van een ezel gaf terstond eene andere, wending aan hare gedachten en onmiddellijk stormde zij er op los. Kannen en gieters vol water werden op verborgen plaatsen gereed gehouden om op de schuldige jongens te worden uitgestort; achter de deur lagen stokken gereed om hen af te rossen; op alle uren van den dag keerden dergelijke uitvallen terug, zoodat men eigenlijk voortdurend in oorlogstoestand verkeerde. Waarschijnlijk was dit een pretje voor de ezeljongens, tenzij de schrandersten onder de ezels, begrijpende, hoe de zaken stonden, met de hun aangeboren halsstarrigheid dezen weg bij voorkeur insloegen. Ik weet alleen, dat er drie malen alarm werd geroepen, eer het bad gereed was en ik bij den laatsten en wanhopigsten uitval, mijne tante handgemeen zag met een vlasharigen jongen van ongeveer vijftien jaar en zij zijn vlaskop eenige malen met haar eigen tuinhek moest laten kennismaken, eer hij goed begreep wat zij eigenlijk van hem wilde. Deze tusschenbedrijven kwamen mij te vermakelijker voor, omdat mijne tante bezig was mij bouillon te voeren met een paplepel—zij was vast overtuigd, dat ik op het punt was om van honger om te komen en achtte het daarom noodig mij slechts kleine hoeveelheden te gelijk te geven—en zij eenmaal, op het oogenblik, dat ik den mond geopend had om te happen, den lepel in de kom wierp en roepende: „Janet! Janet! Ezels!” tot den aanval overging.
Het bad was heerlijk. Ik begon hevige pijn in al mijne leden te voelen tengevolge van het slapen in de open lucht en op den harden grond en was nu zoo afgemat en zoo zwak, dat ik mijne oogen geen vijf minuten achtereen kon openhouden. Toen ik met het bad gereed was, voorzagen zij—ik bedoel tante en Janet—mij van een hemd en een broek van mijnheer Dick, en wikkelden mij daarna in twee of drie groote omslagdoeken; waarop ik, zoo ingepakt, geleken heb, kan ik niet zeggen, maar ik werd zoo warm, alsof ik gestoofd werd en aangezien mijne loomheid daardoor nog vermeerderde, lag ik spoedig weder op de sofa en viel in een rustigen slaap.
Mogelijk is het een droom geweest, voortspruitende uit hetgeen mij al deze dagen had bezig gehouden, maar ik ontwaakte in de verbeelding, dat mijne tante zich over mij gebogen, mij het haar uit het gelaat gestreken en mijn hoofd wat gemakkelijker gelegd had en nu voor mij stond.
De woorden, „aardige jongen” of „arme jongen”, klonken mij nog in de ooren; overigens was er niets, waaruit ik kon opmaken, dat ze door mijne tante waren uitgesproken, die achter haar groenen waaier naar de zee zat te kijken, toen ik wakker werd. Ik bemerkte nu, dat deze waaier op een soort krukje stond en naar goedvinden kon gedraaid worden.
Spoedig, nadat ik wakker was geworden, gebruikten wij het middagmaal, dat uit een gebraden hoentje en een podding bestond; ik zat aan tafel, zelf veel gelijkende op een opgemaakten vogel, en kon mijne armen bijna niet bewegen. Aangezien tante zelve mij zoo had ingebakerd, durfde ik er mij niet over beklagen. Ik was vreeselijk nieuwsgierig te weten, wat zij met mij voor had maar zij at zwijgend voort, behalve wanneer zij mij nu en dan van ter zijde aankeek en zei: „Groote goedheid! Hoe is 't toch mogelijk!” waardoor ik echter niet veel wijzer werd.
Toen de tafel was afgenomen en er eene flesch sherry gereed was gezet—ik kreeg ook een glas—liet mijne tante mijnheer Dick verzoeken beneden te komen en mede aan te zitten. Hij keek zoo verstandig als hem mogelijk was, toen tante hem uitnoodigde, naar mijne geschiedenis te luisteren, die zij mij door een reeks van vragen van a tot z liet vertellen.
Gedurende mijn verhaal hield zij de oogen voortdurend gevestigd op mijnheer Dick, die, naar het mij voorkwam anders in slaap zou zijn gevallen en telkens, wanneer er een glimlach om zijn mond dreigde te komen, door een bestraffenden blik van mijne tante hiervan werd teruggehouden.
„Wat mag dat ongelukkige kind toch bewogen hebben, om voor de tweede maal te trouwen!” zei tante, toen ik aan het einde was, „ik kan het mij niet begrijpen.”
„Misschien was zij verliefd op haar tweeden man,” sprak mijnheer Dick als zijn vermoeden uit.
„Verliefd!” herhaalde tante. „Wat bedoelt gij daarmede? Waarom zou zij verliefd zijn geweest?”
„Misschien,” antwoordde mijnheer Dick met een gemaakt lachje, na even te hebben nagedacht, „misschien vond zij het prettig verliefd te zijn.”
„Prettig! Nu nog mooier!” hernam tante. „Het is nog al een pretje voor zoo'n kind, om haar vertrouwen te schenken aan zulk een ruwen kerel, die haar zeker mishandeld heeft. Ik zou toch wel eens willen weten wat zij zich heeft voorgesteld? Zij had immers een man gehad. Zij had David Copperfield, die altijd op zulke wassen popjes verliefd was, naar de andere wereld zien gaan; zij had een kind—o, daar waren dien Vrijdagavond, toen deze jongen geboren werd, twee kinderen bij elkaar!—wat wilde zij dan toch?”
Mijnheer Dick schudde heimelijk het hoofd tegen mij, alsof hij meende, dat niemand daarop een antwoord geven kon.
„Zij kon niet eens een kind krijgen zooals ieder ander,” zei mijne tante. „Waar is de zuster van dezen jongen? Waar is Betsey Trotwood? Achterwege gebleven! Vertel mij toch niets!”
Mijnheer Dick scheen het benauwd te krijgen.
„En dat doktertje met het hoofd op zij,” vervolgde tante, „dat kereltje, Chellips of hoe hij heeten mocht, wat kon die? Alles wat hij kon was mij te zeggen, op een toon of een roodborstje het floot: het is.... het is een jongen! Een jongen! Ba, hij was even dom als die heele troep!”
Zij was zoo driftig, terwijl zij dit uitriep, dat mijnheer Dick er van schrikte en, om de waarheid te zeggen, ik ook.
„En toen, alsof het nog niet genoeg was, dat zij de zuster van dezen jongen, Betsey Trotwood, onrecht had aangedaan,” vervolgde mijne tante, „trouwt zij voor de tweede maal.... trouwt met een moordenaar—de naam had tenminste iets daarvan—en doet dit kind weer onrecht aan. En het natuurlijk gevolg, dat iedereen, die geen kind meer was, had kunnen voorzien, was, dat het de wijde wereld werd ingejaagd en als een vagebond moet rondzwerven. Hij lijkt sprekend op Kaïn, zooals deze er in zijne jeugd moet hebben uitgezien.”
Mijnheer Dick keek mij onderzoekend aan, alsof hij het Kaïnteeken zocht.
„En dan was daar nog die vrouw met dien heidenschen naam, die Peggotty, en dat mensch gaat me waarlijk ook al trouwen! Zij had zeker nog niet gezien, hoevelen haar ongeluk te gemoet gaan. Daar gaat zij me ook al trouwen, zooals de jongen vertelt! Ik hoop maar,” ging zij hoofdschuddend voort, „dat zij een man heeft gekregen, die haar flink afrost; de kranten zijn vol van dergelijke huwelijken.”
Ik kon het niet goed aanhooren, dat men zoo over mijne oude kindermeid sprak en dat iemand haar zoo iets toewenschte. „Die Peggotty was de beste, de trouwste, de eerlijkste, de ontbaatzuchtigste dienstbode en vriendin van de wereld,” vertelde ik aan mijne tante. „Zij heeft mij altijd even hartelijk liefgehad, zij heeft ook mijne moeder altijd hartelijk liefgehad; in hare armen is mijne moeder gestorven en op hare wangen heeft mijne moeder den laatsten dankbaren kus gedrukt.” De herinnering aan beiden ontroerde mij zoo hevig, dat de woorden mij in de keel bleven steken, toen ik trachten wilde te zeggen, dat Peggotty's huis altijd voor mij open stond, dat ik bij haar een onderkomen zou gezocht hebben, als zij niet tot een anderen stand had behoord, waardoor ik vreesde haar overlast te zullen aandoen—ik kon niet voortgaan, zooals ik zeg, toen ik dit wilde vertellen en bedekte mijn gezicht met beide handen.
„Nu, ja,” zei tante, „het kind heeft gelijk, dat het geen kwaad toewenscht... Janet, Janet! Ezels!”
Ik ben er bijna van overtuigd, dat wij het zonder die ongelukkige ezels wel eens zouden zijn geworden, want tante had de hand op mijn schouder gelegd en, daardoor aangemoedigd, was ik op het punt om de armen om haar hals te slaan en hare bescherming in te roepen. Maar de stoornis en de zenuwachtigheid, tengevolge van het gevecht met de ezeljongens, joegen alle zachtere gewaarwordingen op de vlucht; toen zij in de kamer terugkeerde, gaf zij aan hare verontwaardiging lucht en zei, dat zij de bescherming zou inroepen van de wetten des lands en alle ezelhouders te Dover in rechten zou betrekken—en daarover sprak zij voort tot de thee werd binnengebracht.
Gedurende de thee zaten wij bij het raam—te oordeelen naar tante's strak gezicht zat zij voortdurend op den uitkijk naar de langooren—tot het donker werd en Janet kaarsen en een trictracbord gereed zette en de gordijnen neerliet.
„Nu, mijnheer Dick,” begon mijne tante met dezelfde ernstige uitdrukking op het gelaat en haar wijsvinger in de hoogte evenals 's middags, „ik wil u eene andere vraag doen. Kijk dezen jongen eens aan.”
„David's zoon?” vroeg mijnheer Dick met een aandachtig, doch benauwd gezicht.
„Juist,” antwoordde tante. „Wat zoudt gij nu met hem doen?”
„Met David's zoon?”
„Ja, ja, met David's zoon.”
„O, ja, wat ik doen zou? Ik zou hem naar bed sturen.”
„Janet!” riep tante met denzelfden vergenoegden, zegevierenden blik als ik reeds eerder had opgemerkt. „Mijnheer Dick heeft 't weer bij het rechte eind. Als het bed gereed is, zullen wij hem er in leggen.”
Janet antwoordde dat boven alles gereed was, en dus werd ik naar boven gebracht; met de meeste welwillendheid, maar toch eenigszins als een gevangene: mijne tante ging vooruit en Janet kwam achter mij aan. De eenige omstandigheid, die mijne hoop een weinig verlevendigde, was dat tante plotseling op de trap bleef staan om te vragen, van waar de brandlucht kwam, die zij rook; waarop Janet antwoordde, dat zij tonder gemaakt had van mijn oude hemd. In mijne kamer vond ik echter geen andere kleederen, dan de wonderlijke verzameling, die ik aan mijn lijf had, en toen ik alleen op mijn kamer stond met een klein kaarsje, dat volgens de waarschuwing van mijne tante ongeveer vijf minuten branden zou, hoorde ik, dat mijne deur aan de buitenzijde werd afgesloten. Toen ik hierover nadacht, begon ik plotseling in te zien, dat tante, die mij volstrekt niet kende, wellicht vermoedde dat wegloopen een gewoonte van mij was en daarom de noodige voorzorgen nam.
Het was een vroolijk kamertje boven in het huis met het uitzicht op de zee, die door de maan schitterend werd verlicht. Nadat ik mijn gebedje had opgezegd en de kaars was uitgebrand, bleef ik naar het maanlicht op het water zitten kijken—ik herinner mij dat zeer goed—als hoopte ik mijne toekomst daarin te kunnen lezen of mijne moeder met haar kindje uit den hemel te zullen zien neerdalen langs dat blinkende pad, om mij aan te zien, zooals zij gedaan had, toen ik den laatsten keer van haar wegreed. Ik herinner mij met welk een plechtig gevoel ik eindelijk de oogen afwendde en hoe dankbaar ik gestemd was, toen ik daar dat bed zag staan met de helderwitte gordijnen en hoe sterk dat gevoel werd, toen ik mij heerlijk innestelde tusschen de zachte kussens! Ik herinner mij nog, hoe ik dacht aan al de eenzame plekjes onder den nachtelijken hemel, waar ik geslapen had en hoe ik God bad, dat ik toch nimmer meer zonder dak mocht wezen en nooit de armen zou vergeten, wien hetzelfde lot te beurt viel, dat mij getroffen had. Ik herinner mij ook nog, hoe ik toen langs dat zacht glanzende pad over de zee het land der droomen scheen binnen te zweven.