Toen ik den volgenden morgen beneden kwam, vond ik tante met de hand onder het hoofd zoo diep in gepeins verzonken aan de ontbijttafel zitten, dat de inhoud van den waterketel het geheele servet overstroomd zou hebben, als ik haar niet in hare overpeinzingen was komen storen. Ik wist bijna zeker, dat ik het onderwerp daarvan geweest was en was nieuwsgieriger dan ooit naar de plannen, die zij met mij had. Ik mocht mijne nieuwsgierigheid echter niet doen blijken, wilde ik hare stemming niet bederven. Mijne oogen, die ik niet zoo in bedwang had als mijne tong, dwaalden echter gedurende het ontbijt meermalen naar haar toe.
Ik kon haar geen twee seconden achtereen aankijken, of ik zag dat zij ook naar mij keek; zij deed dit met eene zonderlinge, peinzende uitdrukking in hare oogen, alsof ik heel ver af was in plaats van aan het kleine tafeltje tegenover haar. Toen zij met haar ontbijt gereed was, ging tante heel gemakkelijk in haar grooten stoel zitten, trok de wenkbrauwen samen, sloeg de armen over elkander en bekeek mij op haar gemak en zoo aandachtig, dat ik er verlegen onder werd. Ik trachtte mijne verlegenheid te verbergen door voort te gaan met mijn ontbijt, maar mijn mes wipte over mijn vork en mijn vork sprong weer over het mes heen; de stukjes spek, die ik afsneed, maakten luchtsprongen in plaats van in mijn mond terecht te komen; ik verslikte mij in mijn thee, die met geweld het verkeerde keelgat in wilde, en gaf het eindelijk op, waarna ik, blozend onder den uitvorschenden blik van mijne tante, stil bleef zitten.
„Heila!” riep zij, na mij langen, langen tijd zoo te hebben aangestaard.
Ik keek op, maar bleef eerbiedig zwijgen.
„Ik heb hem geschreven,” sprak zij.
„Aan wien!”
„Aan uw stiefvader”, antwoordde tante. „Ik heb hem een brief geschreven, dien hij mij beantwoorden zal, of hij krijgt met mij te doen, daar kan hij op rekenen.”
„Weet hij dan nu waar ik ben, tante?” vroeg ik angstig.
„Ik heb het hem geschreven,” antwoordde zij met een hoofdknik.
„Moet .... ik .... dan weer ... naar hem .... terug?” vroeg ik stotterend.
„Dat weet ik niet. Wij zullen zien?”
„O, ik weet niet wat ik doen zal,” riep ik uit, „als ik weer naar mijnheer Murdstone terug moet.”
„Ik weet er nog niets van,” sprak tante, het hoofd schuddend. „Ik kan er nog niets van zeggen. Wij zullen zien.”
Deze woorden deden mij het hart in de schoenen zinken. Zonder aan mijne neerslachtigheid veel aandacht te schenken, stond tante op, deed een keukenschort voor, die zij uit de kast nam, waschte eigenhandig het theegoed af en toen alles weder schoon op het blad gezet was, vouwde zij het servet op, legde het er over heen en belde Janet om het weg te zetten. Daarna veegde zij alle kruimeltjes op met een bezempje,—na eerst handschoenen aangetrokken te hebben—totdat er zelfs met een microscoop geen enkel meer op het karpet te ontdekken was; vervolgens werd overal het stof afgenomen en alles in de kamer opnieuw geschikt, niettegenstaande er geen stofje te ontdekken was en alles keurig op zijne plaats stond. Toen deze taak naar haar genoegen was afgeloopen, deed zij het schortje af, trok de handschoenen uit, legde ze in hetzelfde hoekje, waar zij ze vandaan had gehaald, zette haar naaidoos op haar eigen tafeltje en begon, door den groenen waaier tegen het scherpe zonlicht beschermd, te naaien.
„Gij moest eens naar boven gaan,” sprak zij, een draad instekend, „en uit mijn naam aan mijnheer Dick zeggen, dat ik verlangend ben te weten, hoe ver hij met zijne Memorie gevorderd is.”
Ik stond blijmoedig op ten einde mij van deze opdracht te kwijten.
„Gij zult den naam van mijnheer Dick wel erg kort vinden, nietwaar?” vroeg tante, terwijl zij mij even oplettend aankeek, als zij den naald gedaan had.
„Gisteren vond ik het een bijzonder korten naam,” bekende ik.
„Gij moet niet denken, dat hij geen langeren naam heeft; als hij dien maar wilde gebruiken,” zei tante met zekeren hoogmoed. „Babley.... Mijnheer Richard Babley is zijn waren naam.”
Ik wilde met de bescheidenheid, die aan mijn jeugdigen leeftijd paste, en onder den indruk dat ik mij, zooals thans bleek, reeds aan al te groote familiariteit had schuldig gemaakt, in overweging geven of het niet beter was hem met zijn waren naam aan te spreken, toen tante zei: „Noem hem toch nooit bij dien langen naam. Hij kan dien niet uitstaan. Dat is een van zijne eigenaardigheden. Vreemd kan ik het echter niet vinden, want hij is slecht genoeg behandeld door menschen, die dezen naam dragen, om er een afschuwelijken hekel aan te hebben—dat weet de Hemel. Hier is zijn naam: mijnheer Dick; en overal elders... als hij ooit nog eens elders heengaat, dat ik niet geloof. Zorg dus, mijn kind, dat gij hem nooit anders noemt dan mijnheer Dick.”
Ik beloofde het en ging naar boven om mijne boodschap over te brengen, denkende, dat als mijnheer Dick altijd zoo hard zat te werken, als ik hem nu door de deur, die openstond, bezig zag, de Memorie wel spoedig gereed moest zijn of bijzonder lijvig worden. Ik vond hem dan druk bezig met een ontzettend lange pen en het hoofd bijna op het papier. Hij scheen er zoo mede vervuld, dat ik volop gelegenheid had om op te merken, dat er een groote vlieger in een van de hoeken van de kamer stond, dat overal bundels geschreven schrift opgestapeld lagen en dat hij zich juist scheen te hebben voorzien van ontelbare grossen pennen en halve fleschjes inkt—hij scheen die bij dozijnen op te doen—eer hij mijne tegenwoordigheid opmerkte.
„Zoo, Phoebus!” sprak mijnheer Dick, terwijl hij de pen neerlegde. „Hoe gaat het in de wereld? Ik zal u eens wat vertellen,” voegde hij er op zachteren toon bij, „ik zou niet gaarne willen, dat men er over sprak, maar het is een”—hij maakte een knipoogje en bracht zijn mond vlak bij mijn oor—„het is een gekke wereld. Zoo gek als Bedlam, jongen.” Hij nam na deze woorden een snuifje uit een ronde doos, die op de tafel stond, en lachte uit volle borst.
Zonder zoo vermetel te zijn om mijn gevoelen op dit punt te uiten, deed ik mijne boodschap.
„Wel,” antwoordde mijnheer Dick „doe mijne complimenten en zeg haar dat ik.... dat ik een goed eind gevorderd ben. Ik geloof, dat ik een goed eind gevorderd ben,” herhaalde mijnheer Dick, terwijl hij met de hand door zijne grijze haren woelde en een ver van rustigen blik wierp naar zijn manuscript.
„Zijt gij op school geweest?”
„Jawel, mijnheer,” antwoordde ik, „maar niet lang.”
„Herinnert gij u den datum,” ging hij voort, terwijl hij mij ernstig aankeek en de pen opnam om mijn antwoord op te teekenen, „den datum waarop Koning Karel I onthoofd is?”
Ik antwoordde, dat het, naar ik meende, in 1649 moest geweest zijn.
„Ja,” zei mijnheer Dick, terwijl hij zich met de pen achter het oor krabde en mij aankeek met een blik, die twijfel verried. „Ja, zoo staat het in de boeken, maar ik kan mij niet begrijpen dat het waar is. Als het zoo lang geleden was, hoe zouden dan de menschen, die er bij zijn geweest, zoo in de war hebben kunnen zijn om een gedeelte van de onrust, die hem kwelde, uit zijn hoofd in het mijne te stoppen?”
Ik was ten hoogste verbaasd over deze vraag, maar kon hem dienaangaande geen inlichtingen geven.
„Het is heel vreemd,” ging mijnheer Dick voort, met een angstigen blik op zijne papieren en voortdurend met de hand in zijn haar, „dat ik daarover nooit volkomen zekerheid kan krijgen. Maar, geen nood! Geen nood!” vervolgde hij op vroolijken toon en blijkbaar moed scheppende, „er is tijd genoeg. Doe mijne complimenten aan juffrouw Trotwood en zeg haar dat ik heel goed vorder.”
Toen ik wilde heengaan, vestigde hij mijne aandacht op den vlieger. „Hoe vindt gij dien vlieger?” vroeg hij.
Ik antwoordde, dat ik het een mooien vlieger vond. Naar mijne schatting was het er een van meer dan zeven voet hoogte.
„Dien heb ik gemaakt. Willen wij hem samen eens oplaten?” vroeg mijnheer Dick. „En hebt gij dit wel gezien?”
Hij liet mij zien, dat de vlieger beplakt was met zeer dicht in elkander, keurig net beschreven papier; het schrift was echter zoo duidelijk, dat ik, er langs kijkende, herhaalde malen toespelingen op het hoofd van Karel I lezen kon.
„Er is touw genoeg bij,” zei mijnheer Dick, „en wanneer hij hoog genoeg staat, kan iedereen lezen wat er op staat. Dat is nu mijne manier om mijn denkbeelden te verspreiden. Ik weet volstrekt niet, waar ze zullen neerkomen; dat hangt af van de omstandigheden, van den wind en zoo voort; maar dat laat ik aan het toeval over.”
Hij keek zoo vriendelijk en vergenoegd rond en op zijn frisch, blozend gezicht lag tevens zooveel goedhartigheid verspreid, dat ik niet zeker wist of hij eigenlijk niet met mij schertste. Ik lachte en hij lachte en zoo scheidden wij als de beste vrienden.
„Wel, mijn kind,” vroeg tante, toen ik beneden kwam. „Hoe vaart mijnheer Dick van morgen.”
Ik bracht haar zijne groeten over en deelde haar mede, dat hij goed vorderde.
„En wat denkt gij wel van hem?” vroeg zij verder.
Wel kwam de lust in mij op om te trachten een ontwijkend antwoord te geven en te zeggen, dat ik mijnheer Dick een aardige man vond; maar tante liet zich niet zoo afschepen, want zij legde haar werk neer, vouwde de handen er overheen en zeide: „Kom! Uwe zuster Betsey Trotwood zou mij onmiddellijk verteld hebben, wat zij van iemand dacht. Doe dus zooals zij en spreek uw gevoelen uit.”
„Is hij.... is mijnheer Dick.... ik vraag het, omdat ik het niet weet, tante.... is hij wel geheel bij zijn verstand?” vroeg ik stotterend; ik voelde, dat ik mij op gevaarlijk terrein bewoog.
„Wel degelijk is hij dat,” antwoordde tante.
„O, zoo!” fluisterde ik.
„Als er iemand op de wereld bij zijn verstand is,” zei tante zeer beslist en met den eigenaardigen nadruk, dien zij op hare woorden kon leggen, „is het mijnheer Dick.”
Ik kon hierop niets antwoorden dan nogmaals met een zucht uit te spreken: „O, zoo!”
„Zij hebben hem gek genoemd,” vervolgde tante. „Het is voor mij een zelfzuchtig genoegen te kunnen zeggen, dat zij hem gek genoemd hebben; want anders zou ik gedurende de laatste tien jaren het voorrecht van zijn gezelschap en zijn raad gemist hebben—van den dag af, waarop uwe zuster Betsey mij zoo te leur stelde.”
„Zoo lang reeds?” vroeg ik.
„Het was fijn volkje, dat hem gek wilde verklaren,” ging tante voort. „Mijnheer Dick is nog een verre bloedverwant van.... nu, dat doet er ook niet toe; het is niet noodig, dat ik dit nog eens ophaal. Als ik niet was tusschen beiden gekomen, zou zijn broeder hem zijn leven lang hebben laten opsluiten. Dat is alles.”
Ik vrees, dat het wel een weinig huichelachtig van mij was, maar toen ik zag, dat mijne tante zich die zaak zoo aantrok, beproefde ik te kijken, alsof ik dat ook deed.
„Een trotsche gek!” sprak zij. „Omdat zijn broeder een weinig zonderling was—hoewel hij niet half zoo zonderling is als menig ander—wilde hij hem niet bij zich in huis hebben en zond hem naar een particulier gesticht, niettegenstaande zijn vader hem op diens sterfbed had laten beloven voor zijn broeder te zorgen. Hij is waarschijnlijk zelf niet goed bij zijn verstand; anders had hij zoo niet kunnen handelen.”
Tante keek alsof zij innig overtuigd was van de waarheid harer woorden en ik trachtte daarom ook te kijken of ik er van overtuigd was.
„Maar ik kwam tusschen beiden,” hernam tante na een kleine pauze, „en deed hem een voorstel. Uw broeder, zei ik, is heel goed bij zijn verstand, veel beter dan gij zijt en ooit zult zijn; betaal hem daarom zijn jaarlijksch inkomen uit en laat hem bij mij komen wonen. Ik ben niet bang voor hem, ik ben niet trotsch, ik ben bereid voor hem te zorgen en zal hem niet slecht behandelen, zooals sommige menschen—o. a. in het gesticht—gedaan hebben. Na veel heen- en weerpraten kreeg ik mijn zin en hij is bij mij gebleven tot op den huidigen dag. Hij is de vriendelijkste en inschikkelijkste man, die er leeft.... en wat het geven van goeden raad betreft!... Maar niemand kent hem ook zoo goed als ik.”
Tante streek hare japon glad en schudde het hoofd, alsof zij ten spijt van de geheele wereld alles van den een wilde afstrijken en op den ander overschudden.
„Hij had eene zuster, van wie hij veel hield,” vervolgde zij, „een goed schepsel, die heel lief voor hem was. Maar zij deed wat alle meisjes doen—zij ging trouwen. En haar echtgenoot deed wat alle mannen doen—hij maakte haar ongelukkig. Dit maakte zulk een indruk op mijnheer Dick—dat was toch geen bewijs van krankzinnigheid, hoop ik—dat hij er ziek van werd; de onvriendelijkheid van en de vrees voor zijn broeder misten bovendien hunne uitwerking niet. Dit alles had plaats, voor hij bij mij kwam, maar de herinnering er aan drukt hem zelfs nu nog ter neer. Heeft hij u iets verteld aangaande Koning Karel I?”
„Ja, tante.”
„A zoo!” sprak zij haar neus wrijvend, alsof dit haar onaangenaam was. „Dat is eene zinnebeeldige manier om zich uit te drukken. Hij schrijft zijne ziekte toe aan groote overspanning en angst, natuurlijk, en dat is het beeld of de gelijkenis, die hij verkiest te gebruiken. En waarom zou hij niet, als hij dat goedvindt?”
„Zeker, tante.”
„Het is nu wel een zeer bijzondere manier om zijne gedachten uit te drukken, eene manier, zooals in de wereld weinig voorkomt. Ik kan er mijne goedkeuring ook niet aan hechten en daarom sta ik er op, dat er geen woord van mag voorkomen in zijne Memorie.”
„Is die Memorie eene levensbeschrijving van hem zelven, tante?”
„Ja, mijn kind,” antwoordde tante, opnieuw haar neus wrijvend. „Hij schrijft eene Memorie voor den Lord Kanselier of den Lord.... a, ik weet niet hoe al die lords heeten; maar het is voor iemand, die betaald wordt om zulke memories te krijgen—en geeft daarin een verhaal van al hetgeen hij ondervonden heeft. Ik vermoed dat hij zijne Memorie eerstdaags zal inzenden. Het is hem niet gelukt die af te maken, zonder zich nu en dan tot die bijzondere manier van schrijven te laten verleiden. Maar het beteekent niets; het houdt hem bezig.”
Inderdaad kwam ik later tot de ontdekking, dat mijnheer Dick reeds tien jaren achtereen beproefd had Koning Karel I uit zijne Memorie te houden; telkens was diens naam er weder in gekomen en hij stond er ditmaal weer in.
„Ik zeg nog eens,” begon mijne tante weder, „dat niemand dien man zoo goed kent als ik en dat hij de vriendelijkste en inschikkelijkste man is, die er leeft. Wat doet het er toe of hij nu en dan lust heeft om een vlieger op te laten? Franklin liet ook vliegers op. Hij was een kwaker of iets dergelijks, als ik mij niet bedrieg. En wat is nu belachelijker dan een kwaker, die een vlieger oplaat?”
Had ik kunnen vermoeden, dat tante mij deze bijzonderheden vertelde, om mij een bewijs van vertrouwen te geven, dan zou ik dit eene groote onderscheiding geacht en deze vertrouwelijkheid als een gunstig voorteeken beschouwd hebben. Maar ik kon niet nalaten op te merken, dat zij er toe was overgegaan, omdat hare ziel er geheel mede was vervuld en ook, dat zij mij tot toehoorder had gekozen, omdat zij niemand anders had om er naar te luisteren. Ik moet hier echter bijvoegen, dat de edelmoedige wijze, waarop zij de partij had opgenomen voor den armen, onnoozelen mijnheer Dick, mijn jonge hart met blijde hoop voor mij zelven vervulde niet alleen, maar het ook, zonder eenige zelfzucht, warm voor haar deed kloppen. Ik begon te begrijpen, dat er in mijne tante, in weerwil van hare zonderlinge en dwaze gewoonten, iets was, dat eerbied en vertrouwen afdwong. Hoewel zij dien dag even kortaf was als den vorigen, zich even vaak boos maakte over de ezels en eenmaal gloeiend verontwaardigd opsprong, omdat een jonge man in het voorbijgaan een knipoogje maakte tegen Janet—in tante's oogen het grootste vergrijp tegen hare waardigheid—scheen zij mij toch langzamerhand meer eerbied, ten minste minder vrees, in te boezemen.
De angst, dien ik uitstond in den tijd, die noodzakelijk verloopen moest eer het antwoord kon komen op den brief aan mijnheer Murdstone, is niet te beschrijven; maar ik deed mijn best om dien te onderdrukken en mij bij mijne tante en mijnheer Dick zoo aangenaam mogelijk voor te doen. Laatstgenoemde zou reeds den vlieger met mij hebben opgelaten, maar ik had nog geen andere kleederen dan het alles behalve sierlijk gewaad, waarin men mij op den dag van mijne aankomst gestoken had en dat mij noodzaakte thuis te blijven, behalve des avonds in het donker, als tante het voor mijne gezondheid noodzakelijk achtte eenigen tijd met mij op het strand heen en weer te loopen, eer ik naar bed ging.
Eindelijk kwam er antwoord van mijnheer Murdstone, en tante deelde mij tot mijn niet geringen schrik mede, dat hij den volgenden dag persoonlijk met haar over mij zou komen spreken. Dien volgenden dag zat ik, nog steeds in hetzelfde wonderlijke toilet, de minuten te tellen, die zoo vreeselijk langzaam voorbij gingen; hoop en vrees voerden voortdurend een woedenden strijd in mijn binnenste en ik beefde bij het vooruitzicht ieder oogenblik dat barsche gelaat voor mij te kunnen zien.
Mijne tante was nog wat ongenaakbaarder en stroever dan gewoonlijk, doch andere kenteekenen, dat zij zich gereed maakte om den gevreesden bezoeker te ontvangen, werd ik niet gewaar. Zij zat bij het venster te werken en ik zat bij haar, terwijl mijne gedachten zich bezighielden met allerlei mogelijke en onmogelijke gevolgen van mijnheer Murdstone's bezoek en—dat duurde tot vrij laat in den namiddag. Ons middagmaal was onbepaald uitgesteld, maar het was zoo laat geworden, dat tante eindelijk last had gegeven om te dekken, toen zij eensklaps den alarmkreet liet hooren, dat er ezels waren, en ik tot mijne groote verbazing en schrik juffrouw Murdstone zag aankomen, dwars over het grasperk rijdende. Vlak voor het huis bleef haar ezel staan.
„Maak dat gij wegkomt!” riep tante hoofdschuddend, terwijl zij haar vuist dreigend ophief.—Zij was gelukkig nog binnenskamers.—„Gij hebt hier niets te maken! Hoe durft gij over mijn eigendom rijden! Maak dat gij wegkomt, brutale tang.”
Tante was zoo woedend over de koelbloedigheid, waarmede juffrouw Murdstone haar aankeek, dat zij als met verlamming scheen geslagen en geen voet verzette, om tot den gewonen aanval op te rukken. Ik nam deze gelegenheid waar om haar te vertellen, wie het was en dat de heer, die achteraan kwam—de helling was vrij steil—mijnheer Murdstone was.
„Het kan mij niet schelen wie het is!” riep tante hoofdschuddend en gebarenmakend achter het venster, die alles behalve „welkom” beduidden, „ik wil geen overlast aangedaan worden! Ik verkies het niet! Ga heen! Janet, laat hem keert maken. Breng hem weg!” Achter tante staande woonde ik nu een formeel gevecht bij; de ezel weerstond alle pogingen en bleef met de vier pooten wijd van elkander in het grasveld staan, terwijl Janet trachtte hem bij den teugel om te trekken, mijnheer Murdstone hem vooruitdreef, juffrouw Murdstone met de parasol op Janet lossloeg en een aantal jongens, die op het geraas waren aangekomen, stonden te juichen van de pret. Tante ontdekte echter plotseling onder al die deugnieten den drijver van den ezel, een van de ergste overtreders, al was hij nauwelijks tien jaar oud; in het volgend oogenblik was zij op het slagveld en had zij hem bij den kraag van zijn buis, dat zij hem over het hoofd trok, in de worsteling al roepende, dat Janet de politie en de justitie moest halen, ten einde hem op staanden voet te straffen. Zij had den jongen medegetrokken tot in den tuin, maar hij was tante te slim af en wist zich los te werken, waarna hij, eenige diepe sporen van zijne hakken in de bloembedden achterlatende, juichend wegliep en zijn ezel in triomf medevoerde.
Juffrouw Murdstone was intusschen afgestegen en wachtte nu met haar broeder onder aan de stoep, tot tante in de gelegenheid zou zijn hen te ontvangen; maar deze liep, hoewel door de worsteling een weinig uit de plooi geraakt, met groote deftigheid langs hen heen het huis binnen en sloeg geen acht op hen, alvorens zij door Janet waren aangediend.
„Zal ik heengaan, tante?” vroeg ik bevend.
„Neen, jongeheer,” antwoordde zij. „Zeer zeker niet!”
Te gelijker tijd duwde zij mij in den hoek achter hare plaats en zette een stoel voor mij neer, zoodat ik, als het ware in eene gevangenis zat. Gedurende het geheele onderhoud bleef ik daar staan en dáár zag ik ook mijnheer en juffrouw Murdstone de kamer binnentreden.
„O,” zei mijne tante, „ik wist niet, wie ik eigenlijk het genoegen had van mijn erf te jagen. Ik sta niemand toe over dat grasperk te rijden; dat is nu eenmaal niet anders en ik maak geen uitzonderingen. Ik sta dat aan niemand toe.”
„Voor vreemdelingen is die verordening bijzonder lastig,” deed juffrouw Murdstone opmerken.
„Zoo?” vroeg tante.
Mijnheer Murdstone scheen eene herhaling van de vijandelijkheden te duchten en zei daarom:
„Juffrouw Trotwood....”
„Neem mij niet kwalijk!” viel tante hem op scherpen toon in de rede „zijt gij mijnheer Murdstone, die de weduwe van wijlen mijn neef David Copperfield van Kraaiennest in Blunderstone trouwdet? Waarom het Kraaiennest was, heb ik nooit begrepen....”
„Dat ben ik,” antwoordde mijnheer Murdstone.
„Gij zult het mij zeker wel niet ten kwade duiden,” ging tante voort, „als ik zeg, dat het beter en, voor haar vooral, veel gelukkiger zou zijn geweest, als gij dat arme kind nooit gezien hadt.”
„In zoover moet ik juffrouw Trotwood gelijk geven,” viel juffrouw Murdstone daarop in, terwijl zij het hoofd trotsch in den nek wierp, „dat onze diep betreurde Clara wel getoond heeft in alle opzichten nog een kind te zijn.”
„Het is voor u en mij een troost, juffrouw,” antwoordde tante, „dat men, nu wij wat op jaren komen en met onze schoonheid geen ongelukken meer zullen maken, van ons niet hetzelfde zeggen zal.”
„Zonder twijfel,” zei juffrouw Murdstone, ofschoon, naar mij voorkwam, deze toestemming niet van ganscher harte gegeven werd. „En het zou ook oneindig beter zijn geweest, ook voor het geluk van mijn broeder, als hij dat huwelijk nooit had aangegaan. Zoo heb ik er trouwens altijd over gedacht.”
„Daaraan twijfel ik geen oogenblik,” gaf tante ten antwoord en belde Janet, aan wie zij beval mijnheer Dick te verzoeken beneden te komen.
Tot mijnheer Dick binnenkwam, bleef tante stokstijf op haar stoel zitten, terwijl zij zwijgend en met gefronst voorhoofd naar den muur keek. Toen hij kwam, presenteerde zij hem:
„Mijnheer Dick, een oud en beproefd vriend, aan wiens raad ik zeer veel waarde hecht,” zei tante, ten einde mijnheer Dick, die op zijn nagels stond te bijten en een vrij dwaas gezicht trok, wat moed in te spreken.
Mijnheer Dick nam op dezen wenk den vinger uit den mond en bleef met een ernstig gezicht en de grootste aandacht naar mijnheer Murdstone luisteren, die nu voortging: „Juffrouw Trotwood, toen ik uw brief ontving, meende ik mij zelven het best te kunnen rechtvaardigen en u de meeste achting te bewijzen....”
„Wel verplicht,” zei tante, terwijl zij hem voortdurend scherp aankeek; „gij kunt er mij wel buiten houden.”
„Door u mondeling te antwoorden, hoe lastig de reis ook is,” vervolgde mijnheer Murdstone. „Deze ondeugende jongen, die is weggeloopen van zijne vrienden en uit zijn werk....”
„En die er zoo schandelijk en verwaarloosd uitziet,” viel zijn zuster hem in de rede en vestigde daardoor aller aandacht op mijn zonderling kostuum.
„Jane Murdstone,” zei haar broeder, „wees zoo goed mij niet in de rede te vallen. Deze ondeugende jongen, juffrouw Trotwood, is de oorzaak geweest van veel onaangenaamheden en huiselijken twist, zoowel gedurende het leven van mijne lieve vrouw als daarna. Hij heeft een wreveligen, weerbarstigen aard, een driftig karakter, is in één woord onhandelbaar. Mijne zuster en ik hebben getracht hem te verbeteren en van zijne vele ondeugden te genezen, doch te vergeefs. En ik heb begrepen—wij hebben beiden begrepen, want mijne zuster deelt geheel in mijn vertrouwen—dat gij deze ernstige en onpartijdige uitspraak uit onzen eigen mond moest aanhooren.”
„Het zal nauwelijks noodig zijn de woorden van mijn broeder nog te bevestigen,” zei juffrouw Murdstone, „maar ik verzoek u wel in aanmerking te willen nemen, dat er geen slechter jongen in de wereld is dan deze.”
„Het is sterk!” zeide tante.
„Doch niet te sterk voor de feiten,” antwoordde juffrouw Murdstone.
„Zoo! Welnu, mijnheer....”
„Ik heb mijn eigen denkbeelden,” hernam mijnheer Murdstone, wiens gezicht hoe langer hoe donkerder werd, naarmate hij en tante elkander langer aankeken, hetgeen zij met de grootste aandacht deden, „over de wijze van opvoeding van zulk een jongen; denkbeelden, gegrond op de kennis van zijn karakter en op mijn eigen middelen en inkomsten. Ik ben daarvoor aan mij zelven verantwoording schuldig en ik zal handelen zonder meer daarover te zeggen dan mij goed dunkt. Het is genoeg dat ik dezen jongen in een fatsoenlijke betrekking plaats, onder het toezicht van een mijner beste vrienden; dat hem dit niet bevalt, dat hij wegloopt, als een vagebond langs den weg zwerft en hier bij u aankomt in lompen gehuld, heeft hij geheel aan zichzelven te wijten en is slechts een bewijs te meer voor zijn weerspannige inborst, juffrouw Trotwood. Ik wensch u, voor zoover mij dat mogelijk is, openhartig de gevolgen voor te houden, indien gij wellicht genegen waart, de partij op te nemen voor dezen knaap.”
„Voor gij verder gaat, zou ik gaarne iets wenschen te weten van den aard der fatsoenlijke betrekking, waarover gij spreekt,” zei tante. „Zoudt gij hem, indien hij uw eigen zoon was, in dezelfde betrekking hebben geplaatst?”
„Indien hij een eigen kind van mijn broeder geweest was,” kwam juffrouw Murdstone te hulp, „zou zijn karakter heel anders geweest zijn.”
„En zou hij ook in dezelfde fatsoenlijke betrekking zijn gegaan, als dat kind, zijne moeder, nog geleefd had?” vroeg tante weder.
„Ik geloof niet, dat mijne lieve Clara zich verzet zoude hebben tegen maatregelen, die mijne zuster en ik als de beste beschouwden,” antwoordde mijnheer Murdstone met een hoofdknik.
En juffrouw Murdstone bevestigde het met een hoorbaar gemompel.
„Hm!” zei tante. „'t Ongelukkige schepseltje!”
Mijnheer Dick, die gedurende al dien tijd met zijn geld had staan rammelen, deed dit thans zoo hevig, dat tante het noodig vond hem met een wenk tot kalmte aan te manen; daarna ging zij voort:
„Het jaargeld van het arme kind is zeker met haar gestorven?”
„Hield met haar dood op,” bevestigde mijnheer Murdstone.
„En er bestaat geen enkele bepaling, waardoor het huis en het erf—Kraaiennest zonder kraaien—op dezen knaap zijn overgegaan?”
„Kraaiennest was haar door haar eersten echtgenoot nagelaten zonder eenige voorwaarde,” hernam mijnheer Murdstone, maar tante viel hem driftig en ongeduldig in de rede. „Mijn Hemel, man, dat behoeft gij mij niet te vertellen! Nagelaten zonder voorwaarden! Hoe zou David Copperfield vooruit hebben kunnen zien; hij zag niets, al stond het vlak voor zijn neus! Natuurlijk was die nalatenschap onvoorwaardelijk! Maar toen zij voor de tweede maal in het huwelijk trad.... toen zij den betreurenswaardigen stap deed door.... kortom—door met u te trouwen—dat is zoo duidelijk mogelijk—heeft toen niemand een woord in het midden gebracht ten gunste van dezen knaap?”
„Mijne vrouw had haar tweeden echtgenoot lief, juffrouw Trotwood, en vertrouwde hem onvoorwaardelijk,” antwoordde mijnheer Murdstone.
„Uwe vrouw, mijnheer, was een ongelukkig, onhandig kind, dat niet zóóveel verstand van zaken had,” zei tante en knipte daarbij met vinger en duim in de richting van mijnheer Murdstone, terwijl zij onheilspellend met het hoofd begon te schudden. „Dat was zij. En wat hebt gij nu nog verder te vertellen?”
„Eenvoudig dit, juffrouw Trotwood. Ik ben hier om David mede te nemen—David mede te nemen zonder mij eenige voorwaarde te laten stellen, ik zal met hem doen wat ik goed acht en daarmee uit. Ik ben hier niet gekomen om eenige belofte af te leggen of aan iemand eenige verantwoording te doen. Ik zal met hem handelen zooals mij rechtmatig voorkomt. Gij zoudt wellicht plan hebben om hem in zijn verzet te stijven en zijn wegloopen te vergoelijken, juffrouw Trotwood—de toon, dien gij tegen mij aanneemt, doet mij zoo iets dergelijks vermoeden—maar ik moet u waarschuwen; want neemt gij hem eenmaal onder uwe hoede, dan houdt gij hem ook voor goed; wilt gij u plaatsen tusschen dien jongen en mij, dan behoudt gij die plaats voor goed. Ik ben hier voor de eerste en laatste maal, om den jongen op te halen, juffrouw Trotwood. Is hij gereed om met mij mede te gaan? Indien hij niet gereed is en gij zegt: neen—om welke reden dan ook, dat is mij onverschillig—dan is mijn deur voortaan voor hem gesloten en de uwe, bijgevolg, voor hem geopend.”
Mijne tante had gedurende deze geheele toespraak recht als eene kaars en met een gezicht, om bang voor te worden, zitten luisteren. Toen hij uitgesproken had, wendde zij hare oogen zooveel naar den kant waar juffrouw Murdstone stond, dat zij deze zien kon; overigens veranderde zij niets in hare houding.
„Wel, juffrouw, hebt gij er ook nog iets bij te voegen?” vroeg zij.
„Waarlijk, juffrouw Trotwood,” antwoordde juffrouw Murdstone, „al wat ik zou kunnen zeggen is zoo goed door mijn broeder gezegd, en alle omstandigheden zijn zoo goed door hem uiteengezet, dat ik niet weet wat ik er nog zou kunnen bijvoegen dan mijn dank voor uwe voorkomendheid, voor uwe overgroote voorkomendheid.” Zij sprak dit uit met eene ironie, die tante even weinig van haar stuk bracht als het kanon, waaronder ik te Chatham geslapen had, er door van zijne plaats zou zijn gebracht.
„En wat zegt de jongen zelf er van?” zei tante. „Zijt gij gereed om met mijnheer Murdstone mede te gaan, David?”
Ik antwoordde, dat ik niet gereed was en smeekte haar mij bij zich te houden. Ik zei, dat noch mijnheer, noch juffrouw Murdstone ooit van mij gehouden hadden, dat geen van beiden ooit vriendelijk voor mij geweest was. Ik zei, dat zij mijne mama, die mij altijd lief had gehad, tegen mij hadden opgestookt; dat ik dit zeer goed wist en dat Peggotty het ook wist. Ik zei, dat ik ongelukkiger geweest was dan iemand vermoeden kon, die wist hoe jong ik nog was en ik smeekte en bad tante Betsey—ik weet niet meer in welke bewoordingen, maar herinner mij zeer goed, dat ik hevig ontroerd was—mij te beschermen en te helpen ter wille van mijn vader.
„Mijnheer Dick,” zei tante, „wat moet ik met den jongen doen?”
Mijnheer Dick dacht na, aarzelde... maar eensklaps helderde zijn gezicht op en zei hij: „Hem onmiddellijk de maat laten nemen voor een pak kleeren.”
„Mijnheer Dick,” zei tante Betsey met een zegevierenden blik, „geef mij eene hand, want uw raad pleit voor uw gezond verstand.” Nadat zij hem hartelijk de hand had geschud, duwde zij mij naar hem toe en zei tot mijnheer Murdstone: „Gij kunt wel heengaan als gij wilt; ik zal het wagen met den jongen. Indien hij al de slechte eigenschappen bezit, die gij hem toedicht, kan ik altijd nog met hem doen wat gij gedaan hebt. Maar ik geloof er geen woord van.”
„Juffrouw Trotwood,” antwoordde mijnheer Murdstone, schouderophalend en van zijn stoel opstaande: „indien gij een man waart....”
„Och wat, zotteklap, anders niets!” zei tante. „Spaar u de moeite om verder tegen mij te spreken.”
„Hoe uiterst beleefd!” riep juffrouw Murdstone opstaande uit. „Waarlijk, gij overstelpt ons met beleefdheden!”
„Meent gij soms, dat ik niet weet,” ging mijne tante voort, alsof zij niets verstond van hetgeen juffrouw Murdstone zeide en heviger dan ooit met het hoofd schuddend tegen haar broeder, „meent gij soms, dat ik niet weet, hoe gij dat arme, ongelukkige, bedrogen kind hebt behandeld? Meent gij, dat ik niet weet, welk een heillooze dag het voor dat zachte schepseltje geweest is, toen gij voor het eerst haar weg kruistet—met een gelegenheidslachje en een paar oogen—daarop wil ik een eed doen—alsof gij nog geen boe! tegen eene gans zoudt durven zeggen!”
„Ik heb nooit zoo iets fijns gehoord!” riep juffrouw Murdstone uit.
„Meent gij, dat ik niet begrijp, hoe gij er toen moet hebben uitgezien, al ben ik er niet bij geweest? Nu ik kennis met u heb gemaakt—hetgeen, oprecht gezegd, alles behalve een genoegen voor mij is—weet ik dat maar al te goed. Och ja, goede Hemel! Wat zult gij bloemzoet geweest zijn in het begin! Het arme, onwetende kind had nooit zulk een man ontmoet! Al zachtheid in al zijn doen! Hij aanbad haar, hij droeg haar op de handen! En haar jongen? Wel, hij was verzot op den knaap! Hij zou een tweede vader voor hem zijn en zij zouden allen te zamen leven als in een paradijs! Nietwaar?.... Ba! Ga uit mijn oogen!” riep zij uit.
„Als ik nu toch ooit in mijn leven zulk een mensch meer ontmoet heb!” verklaarde juffrouw Murdstone.
„En toen gij u meester gemaakt hadt van het kleine gekkinnetje—de Hemel vergeve mij, dat ik haar zoo noem, nu zij daar is, waar gij niet zoo spoedig komen zult—en gij haar en de haren nog geen onrecht genoeg hadt aangedaan, moest gij haar gaan opvoeden, nietwaar? Gij moest haar africhten als een vogel in een kooitje en haar een ellendig leven laten leiden, opdat zij uwe deuntjes zou leeren fluiten?”
„Dat mensch is òf dronken òf krankzinnig,” zei juffrouw Murdstone, woedend omdat zij niet bij machte was den stroom van tante's welsprekendheid naar haar zelve te leiden, „ik vermoed, dat het krankzinnigheid is.”
Zonder de minste notitie te nemen van dezen uitroep, ging tante Betsey voort zich tot mijnheer Murdstone te wenden, alsof er geen juffrouw Murdstone en geen krankzinnigheid op de wereld waren.
„Gij waart een dwingeland voor het arme schaap,” ging zij voort, met den vinger dreigend, „gij hebt haar hart gebroken. Ik weet, dat zij veel kon liefhebben—ik wist dit al jaren vóór gij haar zelfs gezien hadt—en gij hebt van hare zwakheid gebruik gemaakt om haar de wonden toe te brengen, waaraan zij gestorven is. Dat is de zuivere waarheid, of gij die hooren wilt of niet. Gij en uwe handlangers kunt er van denken wat gij wilt!”
„Sta mij toe te vragen, juffrouw Trotwood,” zoo viel juffrouw Murdstone haar in de rede, „wie gij wel zoo goed zijt in een woordenvloed, dien ik niet volgen kan, de handlangers van mijn broeder te noemen?”
Tante Betsey bleef nog steeds stokdoof voor die stem; zij scheen er zich niet het minst van aan te trekken, maar ging voort: „Het was duidelijk genoeg, jaren reeds voor gij haar voor de eerste maal zaagt—waarom de Voorzienigheid in Zijne ondoorgrondelijke wijsheid u op haar weg bracht, is voor een gewoon menschenverstand niet te begrijpen—welnu, het was duidelijk, dat het arme, kleine ding nog eens zou trouwen, maar dat het zoo slecht zou afloopen, had ik niet kunnen verwachten. Dat was in den tijd, mijnheer Murdstone, toen zij het levenslicht schonk aan dezen jongen, aan dit kind hier, waarmede gij haar later gemarteld hebt; dat is eene onaangename herinnering voor u, en daarom is deze knaap u een doorn in het oog. Ja, ja, gij behoeft er niet zoo van te schrikken! Ik weet toch wel dat het waar is.”
Hij had al dien tijd bij de deur gestaan en haar met een glimlach om den mond aangestaard, ofschoon zijne dikke, zwarte wenkbrauwen dicht waren saamgetrokken. Ik merkte nu ook op, dat, al bleef de glimlach om zijn mond, alle kleur uit zijn gelaat verdwenen was, en hij naar adem scheen te snakken, alsof hij hard geloopen had.
„Goeden dag, mijnheer,” zei tante, „vaarwel! En u ook, goeden dag, juffrouw,” voegde zij er bij, terwijl zij zich plotseling naar zijne zuster omwendde. „Laat ik u nog eens op een ezel over mijn grasperk zien rijden, dan zal ik, zoo zeker als gij een hoofd op uw schouders hebt, u den hoed afslaan en er op trappen!”
Ik wenschte, dat er een schilder bij de hand geweest ware—en geen gewone schilder—om tante's gezicht op het doek te brengen, toen zij dit geheel onverwachte slot aan haar toespraak maakte, en dat van juffrouw Murdstone, toen zij het aanhoorde. De toon, waarop tante sprak, en ook hetgeen zij zeide, was zoo dreigend, dat juffrouw Murdstone, zonder een woord te antwoorden, den arm door dien van haar broeder stak en met hoog opgeheven hoofd de deur uitstapte. Tante keek hen uit het venster na, gereed—daarvan ben ik overtuigd—om bij de wederverschijning van de ezels hare bedreiging onmiddellijk ten uitvoer te brengen.
Er werd echter zelfs geen poging gedaan om haar te tarten, zoodat de strakheid langzamerhand van haar gelaat verdween, en er zelfs een tevreden trek op kwam, waardoor ik werd aangemoedigd om beide armen om haar hals te slaan en haar met een hartelijken kus te bedanken. Daarna schudde ik mijnheer Dick de hand en mijnheer Dick schudde mij telkens weer de hand, en zoo besloten wij den gelukkigen afloop van de onderhandeling met eens hartelijk samen te lachen.
„Ik verzoek u mede op te treden als voogd van dit kind, mijnheer Dick,” zei tante.
„Niets zal mij aangenamer zijn,” antwoordde hij, „dan voogd te wezen over een kind van David.”
„Heel goed,” zei tante, „dat is dus uitgemaakt. Ik heb er over gedacht, mijnheer Dick, hem voortaan Trotwood te noemen.”
„Zeker, zeker,” antwoordde mijnheer Dick, „zeker. David's zoon, Trotwood.”
„Trotwood Copperfield, bedoelt gij zeker,” hernam tante.
„Ja, ja, zeker. Ja. Trotwood Copperfield,” herhaalde mijnheer Dick, een weinig uit het veld geslagen.
Dit denkbeeld beviel mijne tante zoo zeer, dat eenige kleedingstukken, welke dien avond werden thuisgebracht, onmiddellijk werden gemerkt: T. C. Zij deed dit eigenhandig met onuitwischbaren merkinkt, voor ik ze mocht aantrekken; voorts werd bepaald, dat alle kleederen, die voor mij gemaakt werden—een kompleet uitzet werd dien namiddag besteld—op dezelfde wijze gemerkt zouden worden. Zoo begon ik dus een nieuw leven met een nieuwen naam en alles nieuw om mij heen. Nu de twijfel was opgeheven, leefde ik eenige dagen als in een droom. Ik dacht geen oogenblik, dat ik in mijne tante en mijnheer Dick een paar zonderlinge voogden had; ik dacht aan hetgeen mij zelven betrof eigenlijk nooit helder. Hetgeen mij het duidelijkst voor den geest stond, was, dat het leven te Blunderstone veel langer geleden was en dat de tijd, dien ik bij Murdstone en Grinby had doorgebracht, voor altijd vergeten moest worden. Niemand heeft dien tijd ooit weder opgerakeld. Ik zelf heb dien tijd in dit verhaal slechts even aangeroerd, tegen mijn zin, om er terstond weder een gordijn voor te laten vallen. De herinnering daaraan is met zooveel zielelijden, zooveel ellende, zooveel hopeloosheid verbonden, dat mij zelfs de moed ontbreekt na te gaan, hoe lang ik tot dat leven ben veroordeeld geweest. Ik weet niet meer of het een jaar geduurd heeft, of langer of korter. Ik weet alleen, dat die tijd er geweest is en dat er een einde aan gekomen is, dat ik dien moest beschrijven, maar het daarbij ook laat.