Mijnheer Dick en ik werden weldra de beste vrienden en meermalen gingen wij des avonds, wanneer zijne dagtaak was afgeloopen, uit om den grooten vlieger op te laten. Elken dag zat hij aan zijne memorie te werken, die nooit afkwam, want hoe hij ook zijn best deed, Koning Karel I kwam er telkens weer in voor en dan werd het geschrevene op zij gelegd en opnieuw begonnen. Het geduld en de lijdzaamheid, waarmede hij deze telkens terugkeerende teleurstellingen droeg; het bewustzijn, dat er iets met koning Karel I niet in orde was; de zwakke pogingen, die hij in het werk stelde om hem uit de memorie te houden en de zekerheid, waarmede hij er telkens weder in kwam en de geheele memorie in duigen deed vallen, dat alles maakte een diepen indruk op mij. Wat mijnheer Dick zich voorstelde, dat het gevolg zou zijn van de memorie, als zij af was; wat hij er mede zou doen, of wat iemand ter wereld er aan zou hebben, wist hij evenmin als iemand anders. Maar het was ook volstrekt onnoodig, dat hij zich met deze vragen het leven lastig maakte, want als er iets zeker was onder de zon, dan was het wel dit, dat de memorie nimmer ten einde zou worden gebracht.
Ik herinner mij nog goed, welk een aandoenlijk schouwspel het was hem met den vlieger te zien, wanneer deze hoog in de lucht stond. Hetgeen hij mij op zijne kamer verteld had omtrent de verspreiding van zijne denkbeelden door middel van den vlieger, die werkelijk geheel beplakt was met afgekeurde memories, moge een uitvloeisel zijn geweest van zijne ziekelijke verbeelding; wanneer de vlieger hoog in de lucht stond en hij het touw in zijne hand voelde rukken en trekken, geloofde hij het onvoorwaardelijk. Hij keek nooit zoo ernstig als in die oogenblikken. En wanneer ik dan des avonds bij hem zat in het gras en hem zoo kalm naar den vlieger zag turen, kwam meermalen de gedachte bij mij op, of deze wellicht de verwarring, die in zijn geest heerschte, had medegenomen in de wolken. Wond hij het touw weder op en daalde de vlieger al lager en lager, totdat hij den grond raakte en daar als dood ter nederlag, dan scheen de arme man uit een droom te ontwaken; ik herinner mij nog, hoe hij den vlieger dan opnam en wezenloos rondkeek, alsof met dezen ook weder de verwarring in zijne ziel was teruggekeerd en o, dan had ik zoo'n innig medelijden met hem.
De toenemende vriendschap en vertrouwelijkheid tusschen mijnheer Dick en mij deed mij niet achteruit gaan in de gunst van zijne onafscheidelijke vriendin, van mijne tante. Zij was zoo zeer met mij ingenomen, dat zij na eenige weken reeds mijn aangenomen naam Trotwood tot Trot afkortte en mij zelfs te kennen gaf dat ik, indien ik voortging zooals ik begonnen was, eene even ruime plaats in haar hart zou innemen als mijne zuster Betsey Trotwood.
„Trot,” sprak zij op zekeren avond, toen het trictracbord als naar gewoonte tusschen haar en mijnheer Dick was geplaatst, „Trot, wij mogen uwe opvoeding niet vergeten.”
Dit was het eenige waarover ik mij nu en dan bezorgd maakte, zoodat ik zeer verheugd was toen zij er over begon.
„Zoudt gij wel naar Canterbury op school willen gaan?” vroeg tante.
Ik antwoordde, dat ik het heel prettig zou vinden, vooral omdat ik dan toch dicht bij haar zou blijven. „Goed”, hernam zij. „Zoudt gij morgen willen gaan?” Tante's voortvarendheid was mij niet vreemd meer, zoodat de spoed, waarmede zij ook ditmaal weder haar plan ten uitvoer wilde brengen, mij volstrekt niet verbaasde. Ik zei dus: „Jawel, tante.”
„Goed,” herhaalde zij. „Janet, bestel het wagentje met den grijzen hit tegen morgen ochtend, tien uur, en pak van avond nog de kleeren in van jongeheer Trotwood.”
Ik was opgetogen van blijdschap toen ik deze maatregelen hoorde nemen, maar een oogenblik later verweet ik mij in stilte mijn zelfzucht, toen ik de uitwerking zag, welke tante's woorden op mijnheer Dick hadden; hij was zoo terneergeslagen in het vooruitzicht van onze scheiding en speelde dientengevolge zoo slecht, dat tante, na hem met haar beker verscheidene tikjes op de hand gegeven te hebben, het trictracbord dichtsloeg en verklaarde niet meer met hem te willen spelen. Toen hij echter van tante vernam, dat ik nu en dan des Zaterdags zou overkomen en hij mij, zoo vaak als hij verkoos, des Woensdags mocht bezoeken, herleefde hij en beloofde voor die gelegenheden een vlieger te zullen maken van veel grootere afmetingen dan de reeds bestaande. Den volgenden morgen was hij weder zeer terneergeslagen en zou troost hebben gezocht door mij al het geld, dat hij bezat, goud en zilver, te geven, als mijne tante het niet voorkomen en zijn gift beperkt had tot vijf shillings, die echter op zijn dringend verzoek tot tien werden aangevuld. Wij namen aan het tuinhek op aandoenlijke wijze afscheid en mijnheer Dick ging niet het huis binnen, voordat mijne tante en ik om een hoek van den weg verdwenen waren.
Tante Betsey, die zich van de publieke opinie niets aantrok, mende zelve en bracht den grijzen hit op meesterlijke wijze door de straten van Dover. Zij zat stijf en rechtop als een echte koetsier, had haar paardje goed in de hand en stond het geen enkele maal toe zijn eigen zin te doen. Toen wij den grooten weg hadden bereikt, liet zij het echter een weinig meer vrij en zich tot mij wendende—ik zat veel lager dan zij—vroeg zij mij of ik mij gelukkig gevoelde.
„Heel gelukkig, tante, werkelijk, tante,” zei ik, „ik ben u heel dankbaar.”
Tante scheen bijzonder tevreden met dit antwoord en aangezien zij geen harer handen vrij had, tikte zij mij met de zweep even op het hoofd.
„Is het een groote school, tante?” vroeg ik.
„Dat weet ik niet,” antwoordde zij. „Wij gaan eerst naar mijnheer Wickfield.”
„Is mijnheer Wickfield het hoofd van de school?”
„Neen, Trot; mijnheer Wickfield heeft een kantoor.”
Ik deed geen vragen meer aangaande mijnheer Wickfield, omdat tante uit zich zelve geen verdere inlichtingen gaf, zoodat wij over allerlei andere onderwerpen spraken, tot wij Canterbury binnenreden. Het was marktdag en tante moest al hare aandacht wijden aan den hit, dien zij tusschen karren, manden, allerlei soorten van groenten en andere koopwaren liet voortdraven. Nu en dan scheelde het een haar of zij was tegen het een of ander aangereden en de opmerkingen, die ons naar het hoofd werden geslingerd, waren niet altijd van vriendschappelijken aard; maar tante stoorde er zich volstrekt niet aan en reed door; zij zou, geloof ik, met hetzelfde stalen gezicht door een vijandelijk land gereden zijn.
Eindelijk hielden wij stil voor een heel oud huis, waarvan de bovenverdieping een weinig vooruitstak, een huis met lage vensters, die ook weder vooruitstaken en zware balken met gebeeldhouwde koppen aan de uiteinden, die nog weder verder vooruitstaken, zoodat het mij voorkwam of het geheele huis voorover hing, ten einde te zien wie de nauwe straat doorkwam. Het huis maakte een bijzonder zindelijken indruk. De ouderwetsche metalen klopper op de lage boogvormige deur schitterde als eene ster tusschen de gebeeldhouwde guirlandes van vruchten en bloemen; de twee steenen trapjes, die tot deze deur toegang gaven, waren zoo wit alsof ze met fijn damast waren belegd, en al de hoekjes en uitstekjes en al de onderdeelen van het beeldhouwwerk en de aardige kleine ruitjes en de nog aardiger kleine venstertjes, hoewel zoo oud als de omringende heuvelen, waren zoo helder en blank als de blankste sneeuw, die ooit op deze heuvelen gevallen was.
Toen de hittenwagen voor de deur stil hield en ik het huis van onderen tot boven bekeek, zag ik een lijkkleurig gezicht achter een der vensters van de benedenverdieping—in een klein rond torentje, dat de eene zijde van het huis vormde—even verschijnen, om onmiddellijk daarop weder te verdwijnen. Daarna werd de lage huisdeur geopend en datzelfde gezicht kwam buiten. Het was toen even lijkkleurig als toen ik het door het venster had opgemerkt, hoewel de huidkleur hier en daar de sporen van die zekere roode kleur vertoonde, welke aan menschen met rood haar eigen is. Dat gezicht behoorde aan een roodharigen jongen van vijftien jaar—ik weet dit nu, maar hij zag er veel ouder uit—wiens haar zoo kort was afgeknipt, dat zijn hoofd een stoppelveld geleek en die bijna geen wenkbrauwen en volstrekt geen ooghaartjes had; dit gemis maakte op mij den indruk of hij zijne bruine oogen volstrekt niet sluiten kon, zoodat ik mij met verbazing afvroeg hoe hij kon slapen. Hij had hooge schouders en een grof beenderengestel, was stemmig in het zwart gekleed met eene witte stropdas; zijne rok was tot aan den hals dichtgeknoopt en hij had lange, smalle, skeletachtige handen, die bijzonder mijne aandacht trokken, toen hij er aanhoudend zijne kin mede wreef, terwijl hij bij den kop van den hit naar ons stond te kijken.
„Is mijnheer Wickfield thuis, Uriah Heep?” vroeg tante.
„Mijnheer Wickfield is thuis, juffrouw Trotwood,” antwoordde hij, „wees zoo goed binnen te gaan”—hij wees met zijne lange hand naar de kamer waar mijnheer Wickfield was.
Wij stegen uit en terwijl Uriah Heep buiten bleef om den hit vast te houden, gingen wij eene lage kamer binnen, die op de straat uitzag; zoodra wij daar binnen waren, zag ik door het venster, dat Uriah Heep den hit in de neusgaten blies en deze terstond met de hand bedekte, alsof hij het dier wilde betooveren. Tegenover den hoogen ouderwetschen schoorsteenmantel hingen twee portretten: het eene was van een heer met grijs haar—hoewel volstrekt geen oud man—en zwarte wenkbrauwen, die eenige papieren bekeek, welke met een rood bandje waren saamgebonden; het andere van eene jonge dame met een vriendelijk, lief gezicht waarmede zij mij scheen aan te kijken.
Ik meen, dat ik mij omkeerde om Uriah's portret te zoeken, toen aan het einde van het vertrek eene deur geopend werd en een heer binnentrad, waarop ik mij terstond omwendde naar het eerst vermelde portret, ten einde mij te overtuigen, dat het niet uit de lijst gekomen was. Het hing er echter nog onaangeroerd en toen de heer wat meer in het licht kwam, zag ik dat het portret reeds eenige jaren geleden vervaardigd moest zijn.
„Kom binnen, juffrouw Betsey Trotwood,” zei mijnheer Wickfield—want deze was het. „Ik was druk bezig; gij zult mij dat wel niet kwalijk nemen, want gij kent mijn eenige levensdoel.”
Tante Betsey beantwoordde deze toespraak met eenige beleefde woorden, waarna wij zijne kamer binnengingen, die geheel als een kantoor was gemeubeld met boeken, papieren, blikken trommels en dergelijke zaken. Deze kamer zag in den tuin uit en er was een groote ijzeren brandkast in den muur gemetseld, zoo vlak boven den schoorsteenmantel, dat ik mij zelven met verbazing afvroeg hoe de schoorsteenvegers er om heen konden komen.
„Wel, juffrouw Trotwood,” vroeg mijnheer Wickfield, die notaris en tevens rentmeester van een rijk landedelman was, „wat voert u hierheen? Toch geen onaangename redenen?”
„Neen,” antwoordde tante, „ik kom niet om rechtszaken te behandelen.”
„Zooveel te beter, juffrouw,” zei mijnheer Wickfield. Zijn haar was nu spierwit, hoewel zijne wenkbrauwen nog altijd zwart waren. Hij had een innemend gelaat, dat, naar mij voorkwam, knap mocht genoemd worden. Zijne gelaatskleur deed mij aan portwijn denken—Peggotty had mij deze wijsheid geleerd—en ik verbeeldde mij, dat ook zijne stem mij daaraan herinnerde en hij er zijne zwaarlijvigheid aan verschuldigd moest zijn. Hij was zeer net gekleed in eene blauwe rok, gestreept vest en nankingschen broek en zijn fijn geplooid overhemd en batisten das waren zoo zacht en wit, dat ze mij in mijne kinderlijke verbeelding aan het dons van een zwaan deden denken.
„Deze jongen is een neef van mij,” zei tante.
„Ik wist niet, dat gij er een rijk waart, juffrouw Trotwood,” antwoordde mijnheer Wickfield.
„Hij is eigenlijk een achterneef,” deed tante opmerken.
„Ik geef u mijn woord, dat ik niets van dien achterneef wist,” zei mijnheer Wickfield.
„Ik heb hem aangenomen,” vervolgde tante, met hare hand wuivende als wilde zij zeggen, dat het haar volmaakt onverschillig was of hij het al of niet wist, „en ik heb hem hier gebracht om hem op eene school te doen, waar hij degelijk onderwijs ontvangt en goed behandeld wordt. Vertel mij nu eens of hier zulk eene school bestaat, waar die is en hoe die is—vertel mij er, in één woord, alles van wat gij weet.”
„Voor ik u degelijken raad kan geven,” zei mijnheer Wickfield,—„moet ik u de vraag doen, die gij van oudsher kent. Welke zijn uwe beweegredenen?”
„Groote goedheid, wat wil die man toch!” riep tante uit. „Altijd hengelen naar beweegredenen, terwijl ze voor de hand liggen. Natuurlijk om van dit kind een gelukkig en tevens een nuttig lid van de maatschappij te maken.”
„Ik vermoed dat uwe beweegredenen toch tweeledig zijn... gemengd,” hernam mijnheer Wickfield hoofdschuddend en met een ongeloovig lachje.
„Loop toch rond met uwe beweegredenen! Waarom zouden ze tweeledig zijn? Ge zegt altijd slechts één beweegreden te hebben bij uw werk; meent gij wellicht, dat gij de eenige zijt op de wereld, die zonder nevenbedoelingen handelt?”
„Ja, zeker, ik heb maar één beweegreden voor mijn werk, maar één levensdoel, juffrouw Trotwood,” hernam hij glimlachend. „Andere menschen hebben er een dozijn, twintig, honderd! Ik heb er maar één. Dat is het verschil. Evenwel, dat is nu de vraag niet. De beste school? Wat uwe beweegredenen ook zijn, gij wilt de beste hebben.”
Mijne tante knikte toestemmend.
„Op de beste, die wij hier hebben,” vervolgde mijnheer Wickfield, nadenkend, „zal uw neef op dit oogenblik niet in den kost kunnen komen.”
„Maar hij zou ergens anders in den kost kunnen zijn, zou ik denken,” meende tante.
Mijnheer Wickfield meende dat ook. Na eenig heen- en weerpraten stelde hij voor mijne tante naar de bedoelde school te vergezellen, opdat zij persoonlijk kon zien en oordeelen; bovendien zou hij haar bij een drietal families brengen, waar ik, volgens zijne meening, wel in den kost zou kunnen komen. Mijne tante nam dit voorstel aan en wij waren reeds met ons drieën buiten, toen hij bleef staan en zei:
„Onze jonge vriend zou wellicht beweegredenen kunnen hebben om bezwaren te maken tegen onze beschikkingen. Zou het dus niet beter zijn hem thuis te laten?”
Mijne tante scheen zich tegen dat voorstel te willen verklaren, maar om de zaak te bespoedigen zei ik, dat ik gaarne wilde achterblijven, indien zij dat goed vonden; ik keerde dus naar mijnheer Wickfield's kantoor terug en nam daar op denzelfden stoel plaats, waarop ik zoo even gezeten had, ten einde hunne terugkomst af te wachten.
Toevallig stond deze stoel tegenover een nauw gangetje, dat uitkwam in de kleine torenkamer, waar ik het eerst Uriah Heep's gezicht achter het venster gezien had. Toen Uriah den hit naar een naburigen stal gebracht had, was hij weder aan zijn werk gegaan in die kamer, achter eene groote lessenaar, waarop een koperen hekje stond. Aan dit hekje hingen een aantal papieren, en ook dat, waarvan hij op dit oogenblik eene copie zat te maken. Hoewel hij met het gezicht naar mij toezat, meende ik, dat hij mij niet kon zien, omdat dit papier tusschen ons hing; maar toen ik eens opmerkzamer toekeek, ontdekte ik, dat nu en dan zijne haarlooze oogen als twee roode zonnen onder het papier doorkeken en mij telkens wel een minuut lang aanstaarden, terwijl toch de pen over het papier werd bewogen als zat hij ijverig te schrijven. Deze ontdekking deed eene onaangename gewaarwording in mij opkomen. Ik stelde allerlei pogingen in het werk om mij aan die blikken te onttrekken—ik ging boven op mijn stoel staan, ten einde een kaart te bekijken, die aan de andere zijde van de kamer hing; ik boog mij over een Kentsch nieuwsblad heen—maar telkens trokken die beide roode zonnen mij weder tot zich, en wanneer ik ook keek, ik was zeker ze te vinden, hetzij dat ze juist opkwamen of juist ondergingen.
Eindelijk werd ik uit dezen pijnlijken toestand verlost en kwamen mijne tante en mijnheer Wickfield na eene vrij langdurige afwezigheid terug. Zij waren niet zoo goed geslaagd als wij gewenscht hadden, want hoe aanbevelenswaardig de school ook was, kosthuizen waren niet te vinden.
„Het is wel jammer,” zei tante. „Ik weet werkelijk niet wat ik doen moet, Trot.”
„Het treft zeker ongelukkig,” zei mijnheer Wickfield, „maar ik zal u zeggen wat gij doen kunt, juffrouw Trotwood.”
„Wat dan?” vroeg tante nieuwsgierig.
„Laat uw neef voorloopig hier blijven. Hij lijkt mij een flinke jongen, en zal 't mij niet lastig maken. Hij heeft hier uitstekende gelegenheid om te studeeren; het is hier zoo stil als in een klooster en bijna even ruim. Laat hem maar hier.”
Mijne tante was blijkbaar zeer ingenomen met dit aanbod evenals ik, doch hare bescheidenheid verbood haar, het zoo maar aan te nemen.
„Kom, juffrouw Trotwood,” hernam mijnheer Wickfield, „dit is de eenige wijze om alle moeielijkheden te boven te komen. Bovendien is het slechts eene tijdelijke maatregel, begrijpt gij. Gaat het niet goed, of bevalt het een van beide partijen niet, dan kunnen wij altijd naar andere maatregelen omzien. Er zal intusschen wel hier of daar eene gelegenheid openkomen. Gij kunt niet beter doen dan hem voorloopig hier laten.”
„Ik ben u zeer verplicht voor uw aanbod en... Trot ook, naar ik opmerk; maar...”
„Kom, kom, ik weet wat gij bedoelt,” riep mijnheer Wickfield. „Gij behoeft volstrekt geen verplichtingen te maken, juffrouw Trotwood. Gij kunt voor hem betalen als gij wilt. Wij zullen het over de condities wel eens worden...”
„Op die voorwaarde,” antwoordde tante, „wil ik hem gaarne hier laten; al neemt dit niets weg van de verplichting, die ik aan u heb.”
„Ga dan maar eens mede om kennis te maken met mijn kleine huishoudstertje,” zei mijnheer Wickfield.
Wij gingen dientengevolge een verbazend oude trap op, met eene leuning zoo breed, dat wij even gemakkelijk daar langs hadden kunnen gaan, en een schemerachtig verlichte ontvangkamer binnen, waarin drie of vier van die aardige vensters waren, welke ik van de straat af had gezien. De eikenhouten vensterbanken schenen van dezelfde houtsoort te zijn gemaakt als er thans nog boomen om het huis stonden en waaruit ook de zwarte, uitstekende balken gezaagd waren. De kamer was gezellig gemeubeld met eene piano, met levendig rood en groen overtrokken meubelen en hier en daar bloemen. Overal zag men gezellige hoekjes en in elk hoekje een vreemdsoortig gevormd tafeltje of kastje of stoel of iets anders, zoodat ik telkens het hoekje, waarop mijne aandacht viel, het gezelligste vond uit de geheele kamer; keek ik dan weder naar een volgend, dan vond ik dit weder het gezelligst en zoo voort. Op elk voorwerp lag dezelfde stempel van netheid en gezelligheid, die ook het huis van buiten kenmerkte.
Mijnheer Wickfield klopte op eene deur in den met hout beschoten wand, waarop een meisje binnenkwam, ongeveer van mijn leeftijd, en de armen om zijn hals sloeg. Ik herkende terstond het kalme, zachte gelaat van het portret, dat ik beneden gezien had. Het scheen mij toe alsof het portret ouder geworden en het origineel kinderlijk gebleven was. Hoewel haar gezichtje opgewekt en vroolijk stond, lag er toch eene zekere kalmte over verspreid, die trouwens haar geheele wezen kenmerkte; ik heb dien eersten indruk nooit vergeten en—zal dien ook nimmer vergeten!
Dit was zijn kleine huishoudstertje, zijne dochter Agnes, zooals mijnheer Wickfield vertelde. Toen ik hoorde hoe hij dat zei en ik zag hoe hij hare hand in de zijne hield, begreep ik wat het eenige doel van zijn leven was.
Zij had een klein sleutelmandje aan den arm en keek zoo stemmig en zoo bescheiden als een huishoudstertje in zulk een groot, oud huis maar doen kon. Met een blij gezichtje luisterde zij naar haar vader, toen deze haar een stukje van de geschiedenis van mijn jonge leven vertelde en toen hij uitgesproken had, stelde zij tante voor met haar naar boven te gaan en mijne kamer eens te bekijken. Wij gingen er samen heen—zij vooruit. En o, het was zulk eene aardige, ouderwetsche kamer, met dezelfde eikenhouten balken en dezelfde raampjes als beneden en dezelfde breede leuning liep tot mijn kamertje door.
Ik kan mij niet herinneren, waar ik in mijne kindsheid geschilderde vensters in eene kerk gezien heb. Ook herinner ik mij niet wat de schildering voorstelde. Maar ik weet wel, dat toen ik haar in het getemperde licht op de trap zich zag omkeeren en boven op ons wachten, ik aan dat venster dacht, en ik later altijd den zachten gloed op dat venster in verband bracht met Agnes Wickfield.
Mijne tante was even verheugd over de gemaakte schikking als ik en wij gingen zeer tevreden en vergenoegd naar de ontvangkamer terug. Tante wilde er niet van hooren te blijven om het middagmaal te gebruiken, omdat zij voor het invallen van de duisternis met haar hit thuis moest zijn en aangezien mijnheer Wickfield haar genoegzaam scheen te kennen om te weten, dat zij op een eenmaal genomen besluit niet terugkwam, werd er het een en ander voor haar gereed gezet en gingen Agnes en mijnheer Wickfield aan hunne bezigheden. Zij deden dit uit bescheidenheid, ten einde ons in de gelegenheid te stellen afscheid te nemen en nog het een en ander te bespreken. Zij vertelde mij, dat mijnheer Wickfield in alles voor mij zorgen zou, dat het mij aan niets zou ontbreken en gaf mij den besten raad. „Trot,” sprak zij tot besluit, „wees u zelven, mij en mijnheer Dick tot eer, dan zal God met u zijn.”
Ik was hevig aangedaan en kon haar slechts telkens en telkens opnieuw mijn dank betuigen en mijne groeten medegeven aan mijnheer Dick.
„Wees nooit laag,” zei tante, „wees oprecht in alles wat gij zegt en doet, wees niet valsch en niet wreed. Ontwijk deze drie ondeugden, Trot, dan blijf ik de beste verwachtingen van u koesteren.”
Ik beloofde haar, zoo goed als ik kon, dat ik nimmer misbruik zou maken van hare vriendelijkheid en hare wijze lessen nimmer zou vergeten.
„De wagen is voor,” sprak zij eindelijk, „ik moet weg. Blijf gij hier.”
Met deze woorden omhelsde zij mij haastig, en ging de kamer uit, terwijl zij de deur achter zich sloot. Het eerste oogenblik was ik een weinig geschrikt van dit overhaast vertrek en kwam de vrees in mij op, of ik ook iets gedaan of gezegd had, dat haar onaangenaam was geweest; maar toen ik naar buiten keek en zag hoe bedrukt zij in haar wagentje klom en hoe zij wegreed zonder nog eens om te kijken, begreep ik haar beter en deed haar geen onrecht meer aan.
Tegen vijf uur, het gewone etensklokje van mijnheer Wickfield, had ik mijne gewone opgewektheid terug en was gereed om alle eer te bewijzen aan het middagmaal. Er was slechts voor twee personen gedekt, maar Agnes had boven op haar vader zitten wachten en nam tegenover hem plaats. Ik geloof ook, dat hij zonder haar niet zou hebben kunnen eten.
Na afloop van het middagmaal bleven wij niet zitten, maar gingen weder naar de ontvangkamer, waar Agnes in een der vele gezellige hoekjes eenige glazen en een karaf portwijn voor haar vader gereed zette. Als andere handen dat gedaan hadden, zou de wijn zeker den gewonen geur hebben gemist.
In dat hoekje bleef hij ongeveer twee uur zitten en gebruikte eene flinke hoeveelheid van den wijn; terwijl Agnes piano speelde en nu en dan een praatje met ons maakte. Gedurende het grootste gedeelte van den tijd was hij vroolijk en opgewekt en schertste en praatte hij met ons; maar nu en dan bleven zijne oogen op Agnes gevestigd en keek hij peinzend voor zich uit. Zij merkte dat meestal spoedig op en dan bracht zij hem door eene vraag of eene liefkoozing tot de werkelijkheid terug, waarna hij voortging met wijn drinken.
Agnes schonk thee en daarna ging de tijd voorbij, evenals na den maaltijd, tot zij naar bed ging; haar vader nam haar in zijne armen, kuste haar en beval licht aan te steken in zijn kantoor. Dit was voor mij een wenk om ook mijn bed op te zoeken.
In den loop van den avond was ik nog even de deur uitgegaan en had de straat eens doorgewandeld, ten einde het oude huis en de domkerk te bekijken; vreemd! ik was op mijn tocht naar Dover deze straat ook doorgegaan en herinnerde mij niets meer daarvan. Toen ik terugkwam, vond ik Uriah Heep bezig het kantoor te sluiten en aangezien ik jegens iedereen vriendelijk wilde zijn, ging ik ook naar hem, bleef eenige oogenblikken met hem praten en gaf hem bij het heengaan een hand. Maar brr! Wat was die hand klam! Ik had een gevoel alsof ik een slang had aangeraakt, en wreef heengaande mijne hand om er weder warmte in op te wekken, en om dat akelige gevoel kwijt te raken.
Het was zulk eene akelige hand, dat ik, toen ik boven op mijne kamer kwam, nog steeds die koude, natte aanraking voelde, en toen ik even uit het venster keek, en mijn oog op een van de koppen aan de uiteinden van de balken viel, meende ik dat het Uriah Heep was, die daar op de eene of andere wijze was opgeklommen, en sloot haastig het venster.