XIX. Ik kijk rond en doe eene ontdekking.

I

Ik weet niet of ik blijde was, toen ik de school van doctor Strong verliet, dan wel of het mij speet. Ik was daar heel gelukkig geweest, hield zeer veel van den doctor en in die kleine wereld was ik een persoon van gewicht. Om deze redenen speet het mij, maar om andere, die ik toch niet zou kunnen noemen, was ik blijde, dat dit tijdperk afgesloten was. Een geheimzinnig gevoel dat ik nu een jongmensch was, die op zijn eigen beenen moest staan, dat zulk een jongmensch in staat was de wonderlijkste dingen te zien en te doen, en zonder twijfel een grooten invloed zou oefenen op de maatschappij, had zich van mij meester gemaakt. Zoo machtig was de indruk, welke deze hersenschimmige denkbeelden op mijn jongensgemoed maakten, dat ik, naar het mij thans voorkomt, de school zonder eenig gevoel van leedwezen schijn te hebben verlaten. De scheiding maakte niet zulk een indruk op mij, als bij latere gelegenheden een afscheid wel gedaan heeft. Ik doe vergeefsche moeite om mij te herinneren wat ik voelde en onder welke omstandigheden ik heenging; ik kan mij dat op het oogenblik niet te binnen brengen. Ik onderstel, dat het vooruitzicht op mijn nieuw leven mij te veel heeft bezig gehouden. Ik weet wel, dat al de ervaring, die ik in mijne jeugd had opgedaan, waardeloos was geworden, en het leven mij één lang sprookje toescheen, dat ik nu zou beginnen te lezen.

Tante en ik voerden menig ernstig gesprek over het beroep, dat ik kiezen zou. Een jaar geleden had ik reeds moeite gedaan om een bevredigend antwoord te vinden op deze vraag, waarop tante herhaaldelijk terugkwam. „Wat ik het liefst zou worden?” Ik had echter geen bepaalde voorkeur voor iets. Indien ik echter door eene ingeving plotseling bedreven ware geweest in de zeevaartkunst en met het bevel ware belast geworden over eenige snelvarende schepen, om er een zegevierenden tocht om de wereld mede te maken, nieuwe landen te ontdekken, enz., dan geloof ik wel, dat ik mij daartoe geroepen zou hebben gevoeld. Maar nu zulk eene wonderlijke bestiering achterwege bleef, wilde ik mij toeleggen op een beroep, dat niet al te zeer drukte op hare beurs, en was het mijn voornemen mijn plicht te doen, wat en hoe dat beroep dan ook zou wezen.

Mijnheer Dick was altijd tegenwoordig bij onze overleggingen en trok dan een zeer ernstig en verstandig gezicht. Hij maakte slechts eenmaal eene opmerking en stelde bij die gelegenheid voor—hoe het in hem opkwam is mij nog een raadsel—dat ik koperslager zou worden. Tante nam zijn voorstel zoo euvel op, dat hij het niet waagde een ander maal zich ongevraagd in ons gesprek te mengen, hij bepaalde zich tot geduldig wachten op hetgeen tante zelve zou voorstellen, en rammelde intusschen met zijn geld.

„Ik zal u eens wat zeggen, beste Trot,” zei tante op zekeren morgen, omstreeks Kerstmis, nadat ik de school reeds verlaten had, „nu dit ingewikkelde vraagstuk nog niet is opgelost, en wij, indien wij ons overhaasten, wellicht kunnen mistasten, geloof ik dat het beter is nog wat bedenktijd te nemen. Intusschen moet gij trachten de zaak uit een ander oogpunt te bekijken dan uit dat van een schooljongen.”

„Dat beloof ik u, tante.”

„Het komt mij voor,” vervolgde tante, „dat een weinig afwisseling en een kijkje in de wereld u behulpzaam zou kunnen zijn in het nemen van een besluit. Als gij eens een reisje gingt maken. Als gij eens een bezoek bracht aan die plaats, waar gij al meer geweest zijt en aan dat rare mensch met dien onmogelijken naam.” Zij kon Peggotty nooit volkomen vergeven, dat zij Peggotty heette.

„Er is niets, dat ik liever zou doen, tante.”

„Welnu, dat is gelukkig want ik vind het heel goed. Maar het is natuurlijk en ook verstandig, dat gij het ook gaarne wilt. Ik ben trouwens vrij wel overtuigd, Trot, dat alles wat gij doet natuurlijk en verstandig zijn zal.”

„Dat hoop ik van harte, tante.”

„Uwe zuster, Betsey Trotwood,” hernam tante, „zou ook een natuurlijk en verstandig meisje geweest zijn als zij ooit het levenslicht had aanschouwd. Gij zult harer waardig zijn, nietwaar Trot.”

„Ik hoop dat ik uwer waardig zijn zal, tante. Dat zal steeds mijn streven zijn.”

„Het is eigenlijk maar gelukkig dat uwe moeder, dat ongelukkige, lieve kind niet meer in leven is”, zei tante, mij onderzoekend aankijkende, „want zij zou zoo trotsch zijn geweest op haar zoon, dat haar arme hoofdje geheel op hol zou zijn geraakt, als er tenminste nog iets in was, dat op hol zou kunnen gaan. Goede Hemel, Trot, wat doet gij mij aan haar denken!”

„Ik hoop dat u deze gelijkenis genoegen doet, tante!” antwoorde ik.

„Hij gelijkt sprekend op haar, Dick,” vervolgde zij opgewonden, „hij lijkt op haar zooals zij er uitzag voor zij ongelukkig werd—als gij mij zoo met beide oogen aankijkt, lijkt gij sprekend op haar.”

„Zoo, waarlijk?” zei mijn heer Dick.

„En hij lijkt ook op David!” zei mijne tante op beslisten toon.

„Hij lijkt zeer veel op David!” bevestigde mijnheer Dick.

„Wat ik vooral hoop, dat gij worden zult, Trot,” hernam tante, „—ik bedoel geestelijk, niet lichamelijk; lichamelijk zijt gij goed genoeg ontwikkeld—dat is: een ferme man. Een ferme man met een eigen wil. Een vastberaden man” voegde zij er nog bij, terwijl zij het hoofd schudde en de vuist dichtkneep. „Vastberaden, een man van karakter, Trot! Een man, die zich niet laat influenceeren dan ten goede, door niemand, door niets. Dat is het wat ik hoop, dat gij worden zult. Dat hadden ook uw vader en uwe moeder kunnen zijn en dat zou hun geluk verhoogd hebben—dat weet de Hemel!”

Ik zei te hopen aan hare beschrijving te zullen beantwoorden.

„Ten einde u te gewennen op uzelven te leeren vertrouwen en in kleinigheden voor uzelven te zorgen, zal ik u dat reisje alleen laten doen. Ik had er eerst over gedacht mijnheer Dick met u mede te laten gaan, maar bij nader inzien is het beter, dat mijnheer Dick hier blijft om voor mij te zorgen.”

Een oogenblik keek mijnheer Dick een weinig teleurgesteld, maar de eer en de waardigheid om voor de bewonderenswaardigste vrouw van de wereld te zorgen, brachten weder een zonnestraal op zijn goedig gezicht.

„Bovendien”, voegde tante er bij, „de memorie is nog niet af.”

„Ja juist”, zei mijnheer Dick haastig, „het is mijn plan, Trotwood, de memorie nu onmiddellijk af te maken.... onmiddellijk! En dan zend ik haar in, begrijpt ge.... en dan...... voegde hij er na eene kleine pauze bij, „dan kan het goede leven beginnen.”

Ingevolge het lieve plan van tante, vertrok ik eenige dagen later, met eene welgevulde beurs, een nieuw reiskoffertje en vele goede raadgevingen. Bij mijn vertrek gaf tante mij menigen goeden raad en een aantal hartelijke kussen mede en zeide, dat aangezien hare bedoeling was dat ik eens in de wereld zou rondkijken en eens over verdere plannen nadenken, zij mij aanbeval op de heen- of op de terugreis eenige dagen in Londen door te brengen. In één woord, ik was vrij om te doen en te laten wat ik wilde gedurende drie of vier weken, zonder eenige bindende voorwaarde dan rond te kijken en na te denken en minstens driemalen 's weeks een trouw verslag van mijn wedervaren in te zenden.

Ik ging eerst naar Canterbury, ten einde afscheid te nemen van Agnes en van mijnheer Wickfield—en van mijn oude kamertje, dat ik eigenlijk nog niet voorgoed verlaten had—en van den goeden, ouden doctor Strong. Agnes was blijde mij te zien en vertelde mij, dat het huis scheen uitgestorven nadat ik weg was.

„Ik verzeker u, dat ik niet weet hoe ik het heb, nu ik hier weg ben,” zei ik. „Ik heb een gevoel, alsof ik mijn rechterhand mis, als ik u niet bij mij heb. Dit zegt wel weinig, want er is noch een hoofd, noch een hart in mijn rechterhand. Iedereen, die u kent, Agnes, wint uw raad in en wordt gaarne door u geleid.”

„Iedereen, die mij kent, bederft mij,” antwoordde Agnes, „geloof dat maar.”

„Neen, dat komt omdat er geen tweede meisje bestaat zooals gij. Gij zijt zoo goed en heb zulk een zacht humeur. Gij zijt zoo lief en zoo zacht en hebt altijd gelijk.”

„Gij spreekt”, zei Agnes, in een schaterlach uitbarstend, „als ware ik de oudste juffrouw Larkins.”

„Foei, het is niet mooi van u misbruik te maken van hetgeen ik u in vertrouwen heb meegedeeld,” antwoordde ik, blozende bij de herinnering aan mijn blauwe zielsvriendin. „Maar ik blijf u toch vertrouwen, Agnes. Ik zal dat nooit kunnen laten. Wanneer ik ziek of verliefd ben, zal ik het u altijd meedeelen, als ik het u ook mag laten weten wanneer ik eens in ernst verliefd wordt.”

„Zijt gij dan niet altijd in ernst verliefd geweest?” vroeg Agnes lachend.

„O, toen was ik nog een kind, een schooljongen!” antwoordde ik, op mijne beurt lachend, maar toch ook een weinig beschaamd. „De tijden zijn nu veranderd en ik onderstel op zekeren dag heel ernstig verliefd te zullen zijn. Wat mij echter verwondert, is waarom gij nog niet ernstig verliefd zijt, Agnes.”

Agnes schudde lachend het hoofd.

„O, ik weet zeker, dat gij niet verliefd zijt, anders zoudt gij het mij wel hebben verteld,” hernam ik. „Of, tenminste,” ging ik voort, omdat ik zag, dat zij een kleur kreeg, „gij zoudt het mij wel hebben laten raden. Maar er is, voor zoover ik weet, niemand, die verdienen zou u lief te hebben Agnes. Iemand, wien ik mijne toestemming zou geven, moet een veel edeler karakter hebben en uwer veel waardiger zijn dan een van de jongere heeren, die ik hier heb ontmoet. Ik zal voortaan een waakzaam oog houden op alle aanbidders en voor dengene, wien het geluk te beurt valt in uw smaak te vallen, zeer veeleischend zijn, dat verzeker ik u.”

Zoo gingen wij eenigen tijd voort op dien vertrouwelijken toon, waarin scherts en ernst elkaar afwisselden en die het natuurlijk gevolg was van den gemeenzamen omgang, van onze kinderjaren af.

Plotseling keek Agnes mij met hare lieve oogen zeer ernstig aan en zei op een geheel anderen toon:

Trotwood, ik moet u nog iets vragen en zal daartoe waarschijnlijk in langen tijd niet in de gelegenheid zijn—iets, dat ik zeker aan niemand dan u zou willen vragen. Hebt gij niet opgemerkt dat papa in den laatsten tijd veranderd is?”

Ik had reeds lang verandering bij haar vader opgemerkt en mij verbaasd, dat zij het ook niet deed. Ook moet ik dat getoond hebben, want zij sloeg hare oogen neer en ik zag, dat zij hare tranen niet kon inhouden.

„Zeg mij dan eens wat gij daarvan denkt?” vroeg zij zacht.

„Zal ik heel openhartig zijn, Agnes? Gij weet, dat ik veel van uw vader houd.”

„Ja,” antwoorde zij.

„Ik geloof, dat hij verkeerd doet door toe te geven aan de slechte gewoonte, die, sinds ik hier ben, hoe langer hoe sterker is geworden. Hij is dikwijls erg zenuwachtig—of verbeeld ik mij dat?”

„Dat verbeeldt gij u niet,” zei Agnes hoofdschuddend.

„Zijne handen beven, zijne spraak is eenigszins belemmerd en zijne oogen dwalen rond. Ik meen ook opgemerkt te hebben, dat hij altijd geroepen wordt, juist wanneer hij het minst geschikt is om zaken te doen.”

„Door Uriah,” zei Agnes.

„Ja en het gevoel van ongeschikt te zijn om zaken te behandelen, van ze niet begrepen te hebben, of van zich in dien toestand te hebben vertoond, schijnt hem dan zoo te vervolgen, dat het den volgenden dag nog erger is en den daarop volgenden weer erger, zoodat hij hoe langer hoe meer verslapt en vermagert. Schrik niet van hetgeen ik u vertel, Agnes, maar ik zag hem laatst 's avonds in dien toestand achter zijn lessenaar zitten, met het hoofd op zijne handen en schreiend als een kind!”

Zacht legde zij hare hand op mijn mond, toen ik nog meer wilde zeggen, en in het volgende oogenblik liep zij haar vader te gemoet, die de kamer inkwam. Beiden keken mij aan en de uitdrukking, die op dit oogenblik in haar gelaat lag, trof mij diep. Er lag zulk eene teederheid in voor hem, zulk een dankbaarheid voor al zijne liefde en zorg, zulk eene dringende bede aan mij, om hem zelfs in mijne geheimste gedachten met verschooning te behandelen en niet hard voor hem te zijn; zij was op eens zoo trotsch op hem en zoo in aanbidding van zijn goede hart en toonde daarbij zooveel medelijden en verdriet en zooveel vertrouwen op mijn medegevoel, dat zij met woorden geen dieperen indruk op mij had kunnen maken of mij meer had kunnen ontroeren.

Wij gingen theedrinken bij den doctor op het gewone uur en vonden doctor Strong met zijne jonge vrouw en haar moeder om den haard zittende. De doctor, die over mijn heengaan sprak, alsof ik naar China ging, ontving mij als een hooggeachten gast en liet nog een blok hout op het vuur werpen, ten einde het gelaat van zijn oudsten leerling nog eens te zien gloeien.

„Ik zal in Trotwood's plaats niet veel nieuwe gezichten meer zien, Wickfield,” zei de doctor, terwijl hij zijne handen warmde: „ik word lui en verlang naar rust. Over een half jaar zeg ik al mijn jongelui vaarwel en ga stil leven.”

„Dat hebt gij tien jaar geleden ook al gezegd doctor,” antwoordde mijnheer Wickfield.

„Maar nu meen ik het en zal het gebeuren. Mijn oudste onderwijzer zal mij opvolgen—het is mij nu ernst—zoodat gij spoedig ons contract zult dienen op te maken, ten einde ons te binden, alsof wij de grootste schelmen zijn.”

„En zorg te dragen,” voegde mijnheer Wickfield er bij, „dat gij niet bedrogen uitkomt, nietwaar? En dat zoudt gij zeker bij elk contract, dat gij zelf zoudt opmaken. Welnu, ik ben tot uw dienst. Er worden mij wel onaangenamer bezigheden opgedragen.”

„Ik behoef dus aan niets te denken,” zei de doctor, „dan aan mijn dictionnaire en.... aan dit lastpostje—hij wees op Annie.

Toen mijnheer Wickfield glimlachend naar haar keek—zij zat bij Agnes aan de theetafel—kwam het mij voor, dat zij zijn blik met zulk eene ongewone schroomvalligheid vermeed, dat het zijn aandacht trok, alsof hij zich iets moest te binnen brengen.

„Zooals ik zie, is er een post aangekomen uit Indië,” zei hij na een oogenblik van algemeene stilte.

„Ja, ja,” antwoordde de doctor, en ook een brief van Jack Maldon.

„Wel zoo!”

„Arme Jack!” zei mevrouw Markleham hoofdschuddend. „Dat ellendige klimaat! Men heeft mij verteld, dat het daar is als woonde men onder een brandglas op een zandhoop! Hij zag er wel sterk uit, doch was het niet. Het was niet zijn gestel, dat hem zoo vermetel deed schijnen, beste doctor, maar zijn sterke geest. Gij zult u nog wel herinneren, Annie, dat uw neef nooit sterk was, niet wat men forsch zou kunnen noemen,” voegde zij er met nadruk bij, terwijl zij ons een voor een aankeek.... „gij herinnert u dat zeker nog wel uit den tijd, toen gij beiden nog kinderen waart en den ganschen dag samen speeldet.”

Annie gaf geen antwoord.

„Moet ik uit hetgeen gij daar zegt tot het besluit komen, dat mijnheer Maldon ziek is, mevrouw?” vroeg mijnheer Wickfield.

„Ziek?” riep de oude Overste. „Mijn waarde heer, hij is van alles!”

„Behalve gezond?”

„Behalve gezond, ja waarlijk zoo is het,” antwoordde mevrouw Markleham. „Hij heeft zeker reeds meer dan eenmaal een hevigen zonnesteek gehad en dan plagen hem de moeraskoortsen en allerlei andere kwalen, die gij maar bedenken kunt. En wat zijn lever aangaat, och, daarvan deed hij reeds afstand nog eer hij wegging!”

„En schrijft hij u dat alles?” vroeg mijnheer Wickfield.

„Schrijven? Maar, mijn waarde heer,” riep de oude Overste, met haar hoofd en haar waaier schuddende, „gij kent mijn armen Jack Maldon niet als gij zulk eene vraag kunt doen! Schrijven? Eerder zou hij zich door vier wilde paarden in stukken laten scheuren!”

„Mama!” riep mevrouw Strong.

Annie, lieve”, hernam hare moeder, „eens voor altijd verzoek ik u mij niet in de rede te vallen dan om hetgeen ik zeg te bevestigen. Gij weet zeer goed dat uw neef Maldon zich liever door vier wilde paarden—maar waartoe zou ik mij bepalen tot vier? Ik wil mij niet bepalen tot vier—door acht, zestien, twee-en-dertig wilde paarden in stukken zou laten scheuren, dan zich te beklagen over hetgeen de doctor over hem besloten heeft.”

„Het geschiedde op voorstel van Wickfield”, zei de doctor, terwijl hij zijn raadgever berouwvol aankeek. „Dat wil zeggen, wij hebben eigenlijk samen het plan opgemaakt. Ik heb gezegd: hier of buitenslands.

„En ik heb gezegd,” voegde mijnheer Wickfield er op plechtigen toon bij, „buitenslands. Ik achtte het beter, dat hij buitenslands ging. Ik draag dus alle verantwoordelijkheid.”

„O! verantwoordelijkheid!” zei de oudste Overste. „Alles is gedaan tot zijn bestwil, mijn waarde heer Wickfield; alles is gedaan met de beste en vriendelijkste bedoelingen, dat weten wij wel. Maar indien de arme jongen daar niet leven kan, dan kan hij daar ook niet leven. En indien hij er niet leven kan, zal hij er sterven, liever dan de plannen van den doctor in de war te sturen. Ik ken hem,” zei de oudste Overste, al waaiende en met een aandoenlijken profetischen blik herhaalde zij nogmaals: „liever zal hij sterven dan de plannen van den doctor in de war sturen.”

„Wel, mevrouw,” zei de doctor op blijmoedigen toon, „ik ben niet zulk een vereerder van mijn eigen plannen, dat ik ze niet zelf in de war zou kunnen sturen! Ik kan er immers andere voor in de plaats stellen. Indien mijnheer Jack Maldon terugkeert, omdat hij ziek is, mag hij niet meer daarheen gaan; wij zullen dan trachten hier eene betrekking voor hem te vinden, die beter voor hem geschikt is.”

Mevrouw Markleham was zoo ontroerd door deze edelmoedige woorden—die zij, ik behoef dat niet te zeggen, noch voorzien noch uitgelokt had—dat zij alleen de verklaring kon afleggen, dat de doctor weder alleen zijn goede hart liet spreken, waarbij zij eenige malen een kus op haar waaier en dezen op de hand van den doctor drukte. Daarna wendde zij zich tot hare dochter en beknorde haar op vriendelijken toon, omdat zij niet meer vreugde aan den dag legde, nu men, ter wille van haar, haar ouden speelmakker zooveel welwillendheid bewees; eindelijk onthaalde zij ons nog op eenige bijzonderheden aangaande sommige verdienstelijke familieleden, die nog op hunne verdienstelijke beenen geholpen moesten worden.

Gedurende al dien tijd sprak hare dochter Annie geen woord en sloeg zelfs hare oogen niet op. Gedurende al dien tijd bleven mijnheer Wickfield's oogen onafgewend op haar gevestigd. Het scheen mij toe dat hij meende door niemand te worden gadegeslagen, want hij was zoo in gedachten over haar verdiept, dat hij nergens anders acht op sloeg. Eindelijk vroeg hij wat Jack Maldon over zich zelven geschreven had en aan wien de brief was gericht?

„Wel, hier is hij!” zei mevrouw Markleham, over het hoofd van den doctor heen een brief van den schoorsteen nemende, „de beste jongen schrijft aan den doctor zelven.... waar staat het? O, hier.... ‚Het spijt mij u te moeten mededeelen, dat mijne gezondheid volstrekt niet goed is en ik vrees genoodzaakt te zullen zijn voor eenigen tijd naar het vaderland terug te keeren zijnde dit voor mij de eenige hoop op herstel!’ Dit is nog al duidelijk! De arme jongen! Zijn eenige hoop op herstel! De brief van Annie is nog duidelijker! Geef mij dien eens Annie!”

„Nu niet, mama”, sprak Annie, bijna op smeekenden toon.

„Lieve kind, in sommige dingen zijt gij het zonderlingste schepsel dat ik ken”, zei de oude Overste, „en handelt gij onnatuurlijk tegenover de leden uwer familie. Ik geloof, dat wij nooit een woord van dezen brief vernomen zouden hebben, als ik er niet naar gevraagd had. Noemt gij dat vertrouwen stellen in doctor Strong? Het verbaast mij zeer. Gij behoordet beter te weten.”

De brief werd met tegenzin te voorschijn gehaald en toen ik dien aannam om hem aan mevrouw Markleham over te reiken, zag ik hoe haar handje beefde.

„Laat ons nu eens zien,” zei de oude Overste, terwijl zij haar lorgnet opzette, „waar staat het ook? ‚De herinnering aan vroegere dagen.... neen.... dat is het niet. En hoe maakt onze beminnelijke oude proctor het?’... Goede Hemel, Annie, wat schrijft hij onleesbaar en wat ben ik dom! ‚Doctor’, natuurlijk! Ja, wel beminnelijk!” Zij hield even op, kuste den waaier nogmaals en wuifde er mede in de richting van doctor Strong, die stil en vergenoegd naar ons zat te kijken.... „Nu heb ik het: ‚Het zal u niet verbazen te vernemen, Annie!’.... neen, zeker niet, want zij wist altijd dat hij niet sterk was; waar ben ik ook gebleven?.... ‚dat ik genoeg heb uitgestaan in het afgelegen land om te besluiten het hoe eerder hoe beter te verlaten, kan het, met een verlof wegens ziekte, is dit onmogelijk, dan moet ik mijn ontslag wel nemen. Hetgeen ik hier heb uitgestaan en nog uitsta, is met geen pen is beschrijven!’ En zonder de welwillendheid van den besten aller menschen,” voegde mevrouw Markleham er bij, terwijl zij weder op dezelfde wijze naar doctor Strong telegrapheerde en den brief dichtvouwde, „zou mij de gedachte aan zijn lijden geen oogenblik rust laten.”

Mijnheer Wickfield sprak geen woord, ofschoon de oude dame hem aankeek, alsof zij zich gereed hield alle opmerkingen die hij op den inhoud van den brief maken wilde, te wederleggen; zwijgend en met eene gestrenge uitdrukking op zijn gelaat keek hij naar den grond. Lang nadat dit onderwerp en nog vele andere, die er niets mede te maken hadden, waren afgehandeld, bleef hij zoo zitten; nu en dan sloeg hij de oogen eens op en keek dan met peinzend gefronste wenkbrauwen den doctor of diens vrouw of beiden eenige oogenblikken aan.

De doctor hield veel van muziek en Agnes zoowel als mevrouw Strong hadden lieve, zachte stemmen. Zij zongen en speelden eenige duetten, zoodat wij een klein concert hadden. Ik merkte echter twee dingen op: ten eerste, dat, hoewel Annie weder volkomen kalm was, er tusschen haar en mijnheer Wickfield eene klove scheen te zijn, die hen geheel van elkander scheidde; ten tweede, dat de vriendschap tusschen zijne dochter en mevrouw Strong mijnheer Wickfield scheen te mishagen en hij die met eene zekere ongerustheid scheen gade te slaan. En thans moet ik bekennen, dat hetgeen ik had waargenomen op den avond van het vertrek van Jack Maldon in mijne herinnering eene beteekenis kreeg, die ik er nooit aan gehecht had. Annie's mooi, onschuldige gezichtje was niet zoo mooi en onschuldig meer in mijne oogen als vroeger; ik begon de aangeboren aanvalligheid in hare manieren te wantrouwen en wanneer ik aan Agnes dacht, die naast haar zat, en bedacht hoe goed en trouw Agnes was, kwam het vermoeden in mij op, dat de vriendschap van Agnes voor het jonge vrouwtje misplaatst was.

Annie scheen echter zoo gelukkig en Agnes ook dat zij den avond deden voorbijvliegen. Er gebeurde nog iets, dat ik mij herinner. Toen wij afscheid namen en Agnes hare vriendin wilde omhelzen en kussen, drong mijnheer Wickfield als bij toeval tusschen haar in en nam Agnes haastig mede. En toen zag ik dezelfde uitdrukking op het gelaat van mevrouw Strong als dien avond van Jack Maldon's vertrek, toen ik het echtpaar verraste en zij haar gelaat tot den doctor had opgeheven. Ik kan niet zeggen welken indruk dit op mij maakte of hoe onmogelijk het mij later was, wanneer ik aan haar dacht, haar in mijne herinnering terug te roepen zonder dien blik, mij haar gezichtje in al de frissche bekoorlijkheid van hare jeugd voor den geest te brengen. Naar huis gaande vervolgde het mij langs den geheelen weg. Het scheen mij toe alsof het huis van den doctor in eene donkere, sombere wolk was gehuld. De eerbied, dien ik had voor zijne grijze haren, ging thans gepaard met medelijden met het vertrouwen, dat hij stelde in hen, die hem verrieden, en met weerzin aan hen, die hem onrecht aandeden. Als een dreigende onweerswolk zag ik een groote ramp naderen, zag ik, zonder dat ik er een bepaalden vorm aan kon geven, schande komen over het stille plekje, waar ik gewerkt en gespeeld had als jongen. Ik kon niet langer met genoegen denken aan de reusachtige, breedgekroonde aloë's, die alle een tijdperk van een honderd jaren vertegenwoordigden, noch aan het gladde, keurig onderhouden grasperk en aan de steenen vazen en aan het doctorspad en aan het eentonig geluid van de klok in de domkerk, dat over alles heenzweefde. Het was alsof het heiligdom uit mijn knapentijd was bestormd en uitgeplunderd in mijne tegenwoordigheid, en de vrede, die daar steeds had gewoond, de goede naam, dien het altijd had gehad, naar alle winden verstrooid waren.

De morgen brak aan en daarmede mijn afscheid van het oude huis, dat Agnes onvergetelijk voor mij had gemaakt, hiermede was mijne ziel geheel vervuld. Zonder twijfel zou ik, spoedig zelfs, daar nog eens terugkomen, wellicht nog meermalen op mijn oude kamertje slapen; maar de dagen, waarin ik het bewoonde, waren voorbij; die goede oude tijd behoorde tot het verleden. Toen ik mijne boeken en kleederen, die nog naar Dover gezonden moesten worden, inpakte, greep mij dit meer aan dan ik aan Uriah Heep wilde laten blijken, hij was zoo vriendelijk mij te helpen, maar ik kon toch de booze gedachte niet onderdrukken, dat hij blijde was mij te zien vertrekken.

Ik slaagde er echter in bij het afscheid van Agnes en van haar vader een zekere onverschilligheid ten toon te spreiden en nam plaats op den bok van de diligence op Londen. Toen ik door de straten van het oude stadje reed, was ik zoo zachtmoedig en vergevensgezind gestemd, dat ik op het punt was om tegen mijn ouden vijand, den slager te knikken en hem vijf shillings toe te werpen om op mijne gezondheid te drinken. Hij keek echter zoo stuursch, terwijl hij in zijn winkel het groote hakblok stond af te schrappen, en had nog altijd zulk een onaangenaam uiterlijk—nadat ik hem een voortand had uitgeslagen was dit niet verbeterd—dat ik het maar beter vond hem niet in zijn werk te storen.

Toen wij eenmaal op weg waren, dit herinner ik mij zeer goed, was het mijn voornaamste zorg mij tegenover den koetsier zoo oud mogelijk voor te doen en mijne stem grover te doen schijnen dan zij was. Dit laatste vooral viel mij uiterst moeilijk, maar ik hield het vol, omdat ik begreep dat hij mij dan voor volwassen zou houden.

„Rijdt gij door, mijnheer?” vroeg de koetsier.

„Ja, William,” antwoordde ik op vertrouwelijken toon—ik kende hem zeer goed—„ik ga naar Londen. Later reis ik door naar Suffolk.”

„Op de jacht, mijnheer?” vroeg hij.

Ik wist evengoed als hij dat men in dien tijd van het jaar met denzelfden ernst kon beweren in Suffolk op de walvischvangst te gaan; maar dat deed er niet toe, ik voelde er mij toch door gestreeld.

Ik deed het voorkomen alsof ik nog niet vast besloten was en zei: „ik weet niet of ik nog zal gaan jagen.”

„De patrijzen moeten bijzonder schuw zijn dit jaar,” zei William.

„Ja, dat heeft men mij ook verteld,” antwoordde ik.

„Zijt gij in Suffolk geboren, mijnheer?”

„Ja, Suffolk is mijn graafschap,” gaf ik met eene zekere deftigheid ten antwoord.

„De appelkoeken moeten daar zoo lekker zijn, heb ik wel eens hooren zeggen,” hernam William. Ik was er mij niet van bewust, doch vond het noodzakelijk de eigenaardigheden van mijn graafschap in eere te houden en mijne bekendheid daarmede te veinzen; ik schudde daarom het hoofd alsof ik wilde zeggen: „Nu dat zou ik denken!”

„En paarden!” vervolgde William. „Een goed Suffolksch paard is zijn gewicht in goud waard. Hebt hij ooit paarden gefokt in Suffolk?”

„N....een,” antwoordde ik! „zelf niet.”

„Hier, achter ons zit een heer, die ze bij honderdtallen gefokt heeft.”

De heer, dien hij bedoelde, was ontzettend scheel, had een ver vooruitstekende kin, droeg een lagen witten hoed met een smallen, platten rand en de pijpen van zijne nauwe, grijsachtige broek waren van de schoenen tot de heupen, bij wijze van slobkousen, met knoopjes vastgemaakt. Hij keek over den schouder van den koetsier en was met zijn gezicht zoo dicht bij mij, dat ik zijn adem tegen mijn achterhoofd voelde en toen ik mij omwendde om naar hem te kijken, knipoogde hij heel vertrouwelijk met het oog, dat niet scheel was.

„Hebt gij niet?” vroeg William.

„Of ik wat heb?” zei de vreemdeling achter mij.

„Honderde paarden gefokt in Suffolk?”

„Nu, dat zou ik meenen,” antwoordde de schele heer. „Er is geen soort van paarden, dat ik niet gefokt heb, en geen soort van honden ook. Paarden en honden worden door sommige menschen uit liefhebberij gehouden; maar voor mij zijn ze eten en drinken..... woning, vrouw en kinderen.... lezen, schrijven en rekenen.... snuif, tabak en slaap.”

„Dat is eigenlijk geen man om achter den bok te zitten, is hij wel?” fluisterde William mij in, terwijl hij de teugels een weinig aantrok.

„Ja, als gij gaarne hier zoudt willen zitten,” zei ik, „dat is wellicht beter.” Ik begreep dat deze opmerking den wensch in zich sloot, dat ik mijn plaats zou afstaan, hetgeen ik met deze woorden blozend deed.

Ik heb dit altijd beschouwd als de eerste misstap in mijn leven. Toen ik aan het diligencekantoor plaats genomen had, had ik den boekhouder een halve kroon in de hand gestopt om een plaats op den bok machtig te worden. Ik had deze plaats ingenomen, gedost in eene bijzonder lange jas, ten einde mij deze onderscheiding waardig te toonen, ik had er mij op laten voorstaan en gevoeld dat ik aan de diligence een zekere deftigheid gaf. En ziet, nog vóór het eerste station, werd ik verdrongen door een slecht gekleeden, scheelzienden man, wiens eenige verdienste was, dat hij naar den stal rook en die, terwijl de paarden in galop waren, meer gelijk een vlieg dan als een menschelijk wezen langs mij heen stapte!

Een gevoel van wantrouwen in mij zelven, dat mij in mijn leven bij kleinigheden meermalen heeft vervolgd, vooral dan wanneer het beter achterwege zou zijn gebleven, werd door dit kleine voorval op de diligence van Canterbury naar Londen zeker niet in zijne ontwikkeling gestuit. Het was te vergeefs of ik al mijn toevlucht zocht in eene grove stem. Mijne stem kwam gedurende het overige gedeelte van de reis uit het diepst van mijn maag, maar ik voelde mij toch achterafgezet en vreeselijk jong. Hoe het zij, het was ook een eigenaardig gevoel daar welopgevoed, goed gekleed, en met volop geld op zak achter die vier paarden te zitten en te kijken naar de plaatsen, waar ik op mijn vermoeienden tocht geslapen had. Ik had gelegenheid genoeg om mij alles voor den geest te brengen, bij elk kenteeken op den weg. Terwijl ik van mijne verheven plaats neerkeek op de landloopers die wij voorbijreden, en dezelfde verloopen tronies herkende, voelde ik de zwarte hand van den ketellapper weder tegen mijne borst. Toen wij door de nauwe straten van Chatham reden, kon ik een vluchtigen blik werpen in de steeg, waar dat oude monster woonde, die mijn buis had gekocht, en strekte ik den hals uit om naar de plek te kijken, waar ik in de zon en in de schaduw op mijn geld had zitten wachten. En toen wij eindelijk dicht bij Londen, voorbij Salem House reden, waar mijnheer Creakle mij zoo menigmaal zijne zware hand had doen voelen, zou ik al wat ik bezat gegeven hebben voor het verlof, om daar af te stappen, naar binnen te gaan, hem flink af te ranselen en aan al de jongens de vrijheid te geven, als aan eene kooi vol musschen. Wij reden naar het Gouden Kruis bij Charing Cross, in die dagen een herberg van den tweeden rang in een dichtbevolkte buurt. Een bediende wees mij de koffiekamer en een kamermeisje bracht mij naar mijn kleine slaapkamertje, waarin een lucht heerschte als in een muffe huurkoets en het uitzicht zoo vroolijk was als in een grafkelder. Ik werd—dit ter loops—telkens herinnerd dat ik nog heel jong was, want niemand scheen eenig ontzag voor mij te hebben: het kamermeisje toonde zich zelfs onverschillig voor alles wat ik waagde op te merken en de knecht was familiaar en wilde mij met goeden raad te hulp komen.

„Wel?” vroeg hij op vertrouwelijken toon, „wat verlangt gij te eten? Jongeheeren houden gewoonlijk veel van kippen; er zijn hoentjes!”

Ik vertelde hem op eenigszins hoogen toon dat ik geen trek had in hoentjes.

„Zoo?” vroeg de knecht. „Jongeheeren hebben gewoonlijk genoeg van ossen- en schapenvleesch; ik heb een kalfskarbonade voor u!”

Ik nam met dit voorstel genoegen omdat ik niets anders wist te bedenken.

„Zijt gij gesteld op aardappelen?” vroeg hij weder met een familiaren glimlach en het hoofd eenigszins op zijde. „Jongeheeren laten de aardappelen gewoonlijk staan.”

Ik beval hem met een zoo grof mogelijke stem een kalfskarbonade met aardappelen en wat daar verder bij behoorde voor mij te bestellen en tevens aan het buffet te vragen of er ook brieven waren voor Mijnheer Trotwood Copperfield, hoewel ik zeer goed wist dat er geen konden zijn. Ik deed echter of ik een heel pak verwachtte.

Hij kwam spoedig terug met het bericht dat er geen waren—ik legde de grootste verbazing aan den dag—en begon een tafeltje voor mij te dekken bij den haard. Terwijl hij daarmede bezig was, vroeg hij mij wat ik drinken zou en op mijn antwoord: „een glas sherry”, achtte hij het, naar ik vrees, eene gunstige gelegenheid om uit de verschraalde klieken in eenige karaffen een glasvol voor mij bij elkander te zoeken. Ik kwam tot dit vermoeden, omdat ik hem, terwijl ik de courant las, achter een laag, houten beschot bezig zag met den inhoud van verscheiden karaffen in ééne te gieten, evenals de apothekers en de drogisten doen, wanneer zij een recept gereed maken. Toen hij mij den wijn gebracht had, vond ik dien flauw en ongetwijfeld was er meer Engelsch water in dan in een buitenlandschen wijn verwacht kon worden; ik was echter te bedeesd om er iets van te zeggen en dronk er twee glazen van ledig.

Eenmaal in eene genoegelijke stemming gekomen, waaruit ik opmaak, dat een vergiftigings-proces in sommige stadiën niet onaangenaam is, besloot ik naar de komedie te gaan. Ik koos Covent Garden Theatre uit en daar woonde ik, achter in een middenloge, de voorstelling bij van Julius Caesar, gevolgd door de nieuwe Pantomime. Al die edele Romeinen daar voor mij te zien leven en voor mijn genoegen daar te zien komen en gaan, in plaats van, zooals op de school, hunne namen en heldendaden van buiten te moeten leeren, was een nieuw en ongekend genot voor mij. Maar deze mengeling van werkelijkheid en geheimzinnigheid, de invloed van de schoone verzen, van de muziek, van de menschen om mij heen, van de verbazingwekkende snelheid, waarmede de schitterende decoraties elkander afwisselden, dat alles was zoo overstelpend en opende mij zulk een onafzienbaren hemel van genot, dat ik, te ongeveer middernacht op straat in den regen staande, een gevoel had, alsof ik, na eenige eeuwen achtereen een romantisch leven in de wolken geleid te hebben, regelrecht was neergedaald in een joelende, plassende, modderige, ellendige wereld, vol natte parapluies, klotsende klompen en tegen elkander botsende huurkoetsen.

Ik was door een andere deur buiten gekomen en bleef eenigen tijd op straat staan, alsof ik werkelijk een vreemdeling op de aarde was; maar de menigte stooten en duwen, die mij onophoudelijk werden toegediend, riepen mij spoedig tot de werkelijkheid terug en deden mij den weg inslaan naar mijn logement, waar ik, na met oesters en porter gesoupeerd te hebben, tot over éénen in de koffiekamer bij den haard bleef zitten en al het genotene in stilte overdacht.

Ik was zoo vervuld van het spel en van mijn verleden—want het geheele tooneel leek mij een chassinet toe, waarin ik al de episodes uit mijn vroegere leven zag voorbijtrekken—dat ik niet weet, wanneer een zeker net gekleed, slank gebouwd jongmensch, dien ik zeer goed kende, de kamer was binnengetreden. Ik herinner mij echter, dat ik nog steeds bleef zitten peinzen, nadat ik zijne tegenwoordigheid reeds had opgemerkt.

Eindelijk stond ik op om naar bed te gaan, tot groote verlichting van den slaperigen bediende, die kramp in zijne beenen scheen te hebben, want hij wreef en sloeg en wrong ze in allerlei bochten in zijn nauw hokje. Naar de deur gaande, kwam ik voorbij den persoon, die juist was binnengekomen. Ik keek hem aan, keerde terug, keek hem nogmaals aan; maar hij herkende mij niet, terwijl ik terstond zag, wie hij was.

In andere omstandigheden zou ik den moed en het zelfvertrouwen gemist hebben, om hem aan te spreken en dit uitgesteld hebben tot den volgenden dag; maar in de stemming, waarin de tooneelvoorstelling mij had gebracht, meende ik hem zooveel verschuldigd te zijn voor de mij vroeger verleende bescherming en kwam het oude gevoel van vriendschap met zooveel frissche kracht naar boven, dat ik met een bonzend hart op hem toeliep en zeide:

Steerforth! Wilt gij mij niet meer kennen?”

Hij keek mij aan, zooals hij vroeger ook zoo dikwijls kijken kon, maar ik zag niet, dat hij mij herkende.

„Ik vrees dat gij u mij niet herinneren zult”, hernam ik.

„Groote goden!” riep hij eensklaps uit. „Het is de kleine Copperfield!”

Ik nam zijne beide handen in de mijne en kon ze in het eerste oogenblik niet los laten. Had ik mij niet geschaamd en bovendien gevreesd dat het hem zou mishagen, dan ware ik hem om den hals gevallen en in tranen uitgebarsten.

„Ik ben nooit, nooit, nooit zoo blij geweest. O, beste Steerforth, het doet mij zoo'n genoegen u te zien!”

„En mij doet het ook genoegen u te zien!” riep hij met een hartelijken handdruk. „Kom, kom, Copperfield, oude jongen, maak je niet zoo van streek!” En toch was hij, naar ik meende, blij te zien dat de vreugde over deze ontmoeting mij zoo aandeed.

Ik veegde de tranen af, die mij, in weerwil van mijn innerlijk verzet, in de oogen waren gesprongen, deed mijn best om te lachen en daar zaten wij.... vlak naast elkander.

„En hoe komt gij zoo hier?” vroeg Steerforth, terwijl hij mij vertrouwelijk op den schouder klopte.

„Ik ben hier vandaag aangekomen met de diligence van Canterbury. Ik ben door een tante, die daar in de buurt woont, als kind aangenomen en heb mijne opvoeding daar voltooid. En wat komt gij hier doen, Steerforth?”

„Wel, ik ben een Oxforder, zooals men de studenten daar noemt”, antwoordde hij, „dat wil zeggen, ik ga mij daar geregeld een gedeelte van het jaar vervelen en ben nu op weg naar huis. Gij zijt een duiv....aardige jongen geworden, Copperfield. Gij zijt niets veranderd, nu ik u goed aankijk.”

„Ik herkende u dadelijk”, zei ik, „maar gij zijt ook gemakkelijker te herkennen.”

Hij lachte, terwijl hij met de hand door zijne krullende haren streek, en zei op schertsenden toon:

„Ik ga een plicht vervullen. Mijne moeder woont op eenigen afstand van de stad en aangezien de wegen zoo vreeselijk modderig zijn en het thuis nog al eentonig is, blijf ik van nacht hier. Ik ben nog geen zes uur in de stad en heb bijna al dien tijd in de komedie zitten dutten.”

„Ik ben ook in de komedie geweest”, viel ik in. „In Covent Garden. Wat is dat prachtig, Steerforth!”

„Beste David!” zei Steerforth, hartelijk lachend en mij nogmaals op den schouder kloppend, „beste David, wat zijt gij toch nog groen! Het gras kan, zelfs bij zonsopgang niet groener zijn dan gij! Ik ben ook in Covent Garden geweest, maar ellendiger spel heb ik nooit gezien! ...... Heila, Jan!”

De bediende, die met de grootste belangstelling onze ontmoeting op een afstand had gadegeslagen, kwam nu eerbiedig nader.

„Waar hebt gij mijn vriend mijnheer Copperfield, gestopt?” vroeg Steerforth.

„Wat blieft u, mijnheer?”

„Welke kamer heeft mijnheer? Welk nummer? Gij weet wel wat ik bedoel?” zei Steerforth.

„Jawel, mijnheer,” antwoordde de bediende, op verontschuldigenden toon: „Mijnheer Copperfield heeft op het oogenblik vier-en-veertig, mijnheer.”

„Hoe, duivel, komt het in je op, mijnheer Copperfield boven een stal op een zolderkamertje te logeeren!” hernam Steerforth.

„Wij wisten niet,” antwoordde de bediende, zich nog steeds verontschuldigend, „dat mijnheer Copperfield een vriend van u was. Wij kunnen mijnheer Copperfield twee-en-zeventig geven, mijnheer, indien mijnheer dat verkiest. Naast u, mijnheer.”

„Natuurlijk verkiest mijnheer Copperfield dat,” hernam Steerforth. „Breng de kamer onmiddellijk in orde!”

De bediende verdween terstond om de verwisseling te bewerkstelligen. Steerforth lachte hartelijk om mijn eenvoud, omdat ik mij met no. 44 had laten tevreden stellen, klopte mij nogmaals op den schouder en noodigde mij uit om den volgenden morgen te tien uur met hem te ontbijten—eene uitnoodiging, waarop ik maar al te trotsch was en die ik stralend van blijdschap aannam. Het was intusschen laat geworden, zoodat wij onze kandelaars opnamen en naar boven gingen. Voor de deur van Steerforth's kamer namen wij hartelijk afscheid en toen ik no. 72 binnentrad, zag ik terstond dat deze veel beter was dan die, waarmede men mij had afgescheept; het rook er volstrekt niet duf en er stond een ledikant, ongeveer zoo groot als een klein landgoed. Tusschen een aantal kussens, waaraan zes personen genoeg zouden hebben gehad, sliep ik spoedig in en droomde van het oude Rome, van Steerforth en van vriendschap, tot het geratel van de diligences onder de poort mij in het rijk van den dondergod verplaatste.