XX. Steerforth's ouderlijke woning.

T

Toen het kamermeisje te acht uur op mijne kamerdeur klopte en mij meldde, dat het scheerwater gereed stond, kreeg ik in mijn bed een kleur bij de pijnlijke gewaarwording, dat ik daaraan nog geen behoefte had. Het vermoeden, dat zij gelachen had, toen zij het mij toeriep, hield mij voortdurend bezig, terwijl ik mij aankleedde, en toen ik naar beneden ging om te ontbijten en haar op de trap tegenkwam, sloop ik haar als het ware met een schuldig gevoel voorbij. Ik was inderdaad zoo onder den indruk van het verlangen om ouder te zijn dan ik was, dat ik eerst niet goed kon besluiten om haar voorbij te gaan; ik schaamde mij en bleef, terwijl ik haar de trap hoorde afstoffen, uit het venster kijken naar Koning Karel I te paard, die er tusschen een ontelbare menigte huurkoetsjes, in den bruingrijzen mist alles behalve koninklijk uitzag. Eindelijk werd ik door den bediende gewaarschuwd, dat mijnheer Steerforth mij wachtte.

Ik vond hem niet in de koffiekamer, doch in een afzonderlijk vertrekje met roode gordijnen en een Turksch tapijt; er brandde een helder vuurtje en op de keurig gedekte tafel stond een fijn, warm ontbijt gereed, terwijl de geheele kamer, de tafel, het ontbijt, Steerforth en alles in het rond in het kleine, ronde spiegeltje boven het buffet werd weerkaatst. Ik voelde mij verlegen onder Steerforth's meerderheid, hij zat daar zoo op zijn gemak, zoo gewoon, zoo in alle opzichten—ook in leeftijd—mijn meerdere, zijn beschermheerschap ging hem echter zoo gemakkelijk af, dat ook ik mij spoedig op mijn gemak gevoelde. Ik kon de verandering, die het Gouden Kruis in mijne oogen door zijne komst had ondergaan, niet genoeg prijzen en moest telkens het gevoel van verlatenheid, waaraan ik den vorigen dag ten prooi was geweest, vergelijken met de comfort en de gezelligheid van dezen morgen. De familiaire toon en houding van den bediende waren als door een tooverslag verdwenen. Hij bediende ons alsof wij twee prinsen van den bloede waren.

„Wel, Copperfield,” zei Steerforth toen wij eindelijk met ons beiden waren, „ik ben benieuwd te vernemen, wat uwe plannen zijn, waar gij heengaat, in één woord, alles wat u betreft. Ik beschouw u altijd alsof gij een stukje van mij zelf waart.”

Blijde dat hij nog zooveel belang in mij bleek te stellen, vertelde ik hem dat mijne tante mij had voorgesteld eens op reis te gaan en deelde hem mijne verdere plannen mede.

„Gij hebt dus volstrekt geen haast,” zei Steerforth, „ga dan met mij mede naar Highgate, naar mijne moeder en breng daar eenige dagen door. Mijne moeder zal verrukt van u zijn—zij is een weinig ijdel op haar zoon, maar dat zult gij haar wel vergeven—en gij zult verrukt zijn van haar.”

„Ik zou van het eerste wel even zeker willen zijn, als gij vriendelijk genoeg zijt te beweren,” antwoordde ik met een glimlach.

„O,” zei Steerforth, „iedereen, die van mij houdt, kan aanspraken doen gelden, die zeer zeker worden erkend.”

„Dan zal ik ongetwijfeld in hare gunst komen.”

„Goed dan!” hernam Steerforth. „Ga mede om u er van te overtuigen. Wij hebben nu nog een paar uur tijd en zullen de leeuwen in den Zoölogischen tuin gaan bezichtigen; het is een genot zulk een groentje als gij zijt, Copperfield, het een en ander van Londen te laten zien. Wij nemen dan later de diligence naar Highgate.”

Ik kon nauwelijks gelooven dat ik niet droomde en niet in no. 44 wakker zou worden, om beneden de ongezellige koffiekamer en den familiairen bediende te vinden. Na mijne tante een brief geschreven te hebben, waarin ik haar mijne gelukkige ontmoeting met mijn veelbewonderden ouden schoolmakker meedeelde en haar tevens vertelde, dat ik zijne uitnoodiging, om eenige dagen bij zijne moeder op Highgate door te brengen, had aangenomen, lieten wij een huurkoetsje voorkomen en bezochten het Panorama en eenige andere merkwaardigheden van Londen, o. a. het Museum, waar ik niet kon nalaten op te merken, hoe goed Steerforth van verschillende dingen op de hoogte was en hoe weinig hij zijn eigen kundigheden telde.

„Gij zult zeker wel een hoogen graad behalen op de Academie, Steerforth,” zei ik, „als gij het niet reeds gedaan hebt. Uwe moeder zal zeker wel reden hebben om trotsch op u te zijn.”

„Ik een graad behalen!” riep Steerforth. „Nimmer, mijn best Groentje! Wilt gij mij toestaan u ‚Groentje’ te noemen?”

„Wel zeker,” antwoordde ik.

„Gij zijt een brave jongen, Groentje,” hernam Steerforth lachend. „Ik verlang volstrekt niet op die wijze uit te munten. Ik heb voor mijn doen mij al genoeg uitgesloofd en al heel wat mee te dragen.”

„Maar voor de eer van uw naam...” begon ik weder.

„O, gij romanesk Groentje!” zei Steerforth nog hartelijker lachend; „waarom zou ik mij zoo inspannen? Omdat een troep botterikken mij met verbazing zouden aangapen? Laten zij dat anderen doen; ik gun die eer aan iedereen.”

Ik was een weinig beschaamd omdat ik dit punt had aangeroerd, en bracht het gesprek op een ander onderwerp. Gelukkig was dit niet moeielijk, want Steerforth kon met de grootste onverschilligheid en behendigheid van het eene onderwerp op het andere overstappen.

Wij gebruikten onderweg ons tweede ontbijt, en de dagen waren reeds zoo kort, dat de duisternis was ingevallen toen ons koetsje bij een ouderwetsch huis op den top van den heuvel, waarop Highgate gebouwd is, stilhield. Eene oudachtige dame, hoewel niet oud in jaren, slank gebouwd en met een fijn besneden gelaat, wachtte ons in de gang op en ontving Steerforth met den uitroep: „Lieve James!” Hij stelde mij aan haar voor met de woorden: „Mijne moeder” en zij heette mij hartelijk welkom en bood mij de hand.

Het was een lief ouderwetsch huis, waarin de grootste stilte en orde heerschte. Uit de ramen van mijne kamer zag ik op een afstand Londen liggen, in een dichten nevel gehuld, waarin hier en daar een mat licht flikkerde. Terwijl ik mij kleedde had ik even tijd genoeg om de stevige meubels en de teekenlappen te bekijken, welke laatste, naar ik onderstel, door Steerforth's moeder vervaardigd waren, toen zij nog een jong meisje was. Ik was juist bezig eenige met krijt geteekende portretten van dames in keurslijven en met gepoeierd haar te bezichtigen, toen ik aan tafel geroepen werd. In de eetkamer vond ik nog eene tweede dame; klein van gestalte, donker, die, hoewel niet van schoonheid ontbloot, toch geen innemend uiterlijk bezat. Zij trok mijne aandacht: wellicht omdat ik haar niet had verwacht; wellicht omdat ik tegenover haar zat; wellicht omdat zij toch iets aantrekkelijks voor mij had. Zij had zwart haar en stekelige zwarte oogen, was mager en had een litteeken op de lip. Het was een oud litteeken—een naad moest ik het liever noemen, want het was kleurloos en reeds jaren geleden geheeld—van eene wond, die over den mond tot op de kin had geloopen, doch thans, over de tafel heen, bijna niet meer zichtbaar was dan op de bovenlip, waarvan de vorm eenigszins veranderd was. Ik kwam in mij zelven tot het besluit, dat zij ongeveer dertig jaar moest zijn en gaarne getrouwd zou wezen. Zij zag er wat vervallen uit, ongeveer zooals een oud huis, dat lang te huur heeft gestaan; maar was, zooals ik reeds opmerkte, volstrekt niet leelijk te noemen. Hare magerheid scheen mij toe het gevolg te zijn van een vuur, dat haar inwendig verteerde en door hare eenigszins holle oogen een uitweg vond. Zij werd mij voorgesteld als juffrouw Dartle en zoowel Steerforth als zijne moeder noemden haar Rosa. Ik vernam, dat zij daar woonde en sinds jaren tot gezelschap diende van mevrouw Steerforth. Het kwam mij voor dat zij, hetgeen zij te zeggen had, nooit ronduit zeide, maar langs omwegen, zoodat zij voor alles veel meer woorden gebruikte dan noodig was. Zoo mevrouw Steerforth bijvoorbeeld meer in scherts dan in ernst te kennen gaf dat haar zoon, naar zij vreesde, wel wat al te vroolijk leefde, waarop juffrouw Dartle aldus begon:

„O, zoo? Waarlijk? Gij weet, hoe onnoozel ik ben en dat ik alleen vraag om ingelicht te worden, maar is dat dan niet altijd zoo? Ik meende, dat men op de academie altijd zoo leefde... is 't niet?”

„Gij bedoelt zeker, dat het leven aan de academie eene voorbereiding is tot een hoogst ernstig beroep, nietwaar, Rosa,” antwoordde mevrouw Steerforth op koelen toon.

„O! Ja! Dat is waar,” hernam juffrouw Dartle. „Maar is het ook eigenlijk niet....? Ik vraag alleen inlichtingen en wil gaarne te recht gewezen worden, indien ik 't mis heb..... Is 't het niet eigenlijk?”

„Wat bedoelt gij met ‚eigenlijk’?” vroeg mevrouw Steerforth.

„O! Meent gij dat het niet is!” antwoordde juffrouw Dartle. „Wel, ik ben blijde het te vernemen! Nu weet ik, wat ik doen moet. Dat is het voordeel van vragen. Ik zal voortaan niemand meer toestaan in mijne tegenwoordigheid over de losbandigheid en de verkwisting aan de academie te spreken... wien ook.”

„En daaraan zult gij goed doen,” zei mevrouw Steerforth. „De voogd van mijn zoon is een zeer nauwgezet man; stelde ik niet volkomen vertrouwen in mijn zoon, dan zou ik het toch in hem stellen.”

„Zoudt gij?” vroeg juffrouw Dartle. „Goede Hemel! Is hij nauwgezet? Werkelijk nauwgezet?”

„Ja, daarvan ben ik overtuigd,” antwoordde mevrouw Steerforth.

„Hoe heerlijk!” riep juffrouw Dartle. „Hoe geruststellend! Werkelijk nauwgezet? Dus is hij niet.... neen, natuurlijk kan hij dat niet zijn, als hij zoo nauwgezet is. Wel, ik zal hem nu altijd in een ander licht beschouwen. Gij kunt u niet voorstellen, hoe hij in mijne schatting is gerezen, nu ik zoo zeker weet, dat hij werkelijk nauwgezet is!”

Op dezelfde langdradige wijze behandelde juffrouw Dartle alle dingen, of zij het er mede eens was of er bedenkingen tegen had, somstijds met grooten nadruk en zelfs was zij het meermalen oneens met Steerforth—tot mijne groote verbazing natuurlijk. Voor het middagmaal was afgeloopen had nog het volgende voorval plaats. Mevrouw Steerforth sprak met mij over mijn plan om naar Suffolk te gaan, waarop ik zoo terloops opmerkte hoe blijde ik zijn zou, indien James mij wilde vergezellen. Ik vertelde hem dat ik mijne oude kindermeid ging opzoeken en bij de Peggotty's zou logeeren, die hij zich zeker nog wel herinneren zou van hun bezoek op de school.

„O, die ruwe gast!” zei Steerforth. „Jawel, hij had zijn zoon bij zich!”

„Neen, dat was zijn neef,” antwoordde ik, „hij heeft hem als zijn zoon aangenomen. Ook is er nog een alleraardigst nichtje, dat hij als eene dochter lief heeft. Kortom, zijn huis—of liever zijn boot, want hij woont in een schip op het strand—is vol menschen, die van zijne edelmoedigheid en zijne vriendelijkheid leven. Het zou u zeker genoegen doen dit huishouden eens te zien.”

„Waarlijk?” zei Steerforth. „Ja, ik denk wel dat ik het aardig zou vinden. Ik zal eens zien. Het zou mij wel de reis waard zijn—afgescheiden nog van het genoegen om met u te reizen, Groentje—om zulk soort van menschen eens van nabij te leeren kennen.”

Mijn hart zwol bij het vooruitzicht van dit onverwacht genoegen. Naar aanleiding van den toon, waarop hij gesproken had van ‚dat soort van menschen’, nam juffrouw Dartle, die met schitterende oogen naar ons gesprek had zitten luisteren, nu het woord.

„O waarlijk! vertel er mij eens wat van? Zijn zij werkelijk?” vroeg zij.

„Zijn zij wat? En wie zijn wat?” hernam Steerforth.

„Die soort van menschen? Zijn zij werkelijk als het redelooze vee, zijn zij werkelijk wezens van een ander maaksel? Ik zou dat, o, zoo gaarne weten.”

„Nu, er is groot onderscheid tusschen hen en ons,” antwoordde Steerforth op onverschilligen toon. „Men kan niet verwachten dat zij zoo fijngevoelig zijn als wij. Men beleedigt of kwetst hun gevoel niet zoo spoedig. Zij zijn ontzettend deugdzaam, dat moet gezegd worden—sommige menschen beweren het ten minste en ik ben overtuigd dat ik hen niet zou moeten tegenspreken—maar heel gevoelig zijn zij niet, evenmin als hunne ruwe huid en daar mogen zij blijde om zijn.”

„Waarlijk!” riep juffrouw Dartle. „Wel ik weet niet dat mij ooit iets meer genoegen heeft gedaan dan dit te hooren. Het is mij bepaald een troost te weten, dat al moeten zij lijden, zij het niet zoo voelen. Ik heb mij menigmaal ongerust gemaakt over zulk soort van menschen, maar voortaan zal ik met een kalmer gevoel aan hen kunnen denken. Men kan toch zijn geheele leven door leeren. Ik moet bekennen dat ik twijfelde, maar thans is mijn twijfel opgeheven. Ik weet nu wat ik niet wist, waaruit men weder zien kan hoe goed het is te vragen .... is 't niet zoo?”

Ik verkeerde in de meening, dat Steerforth in scherts gesproken had of om juffrouw Dartle aan het praten te brengen, en verwachtte dat hij mij dit zou zeggen, toen de dames waren heengegaan en wij te zamen bij den haard zaten. Hij vroeg mij echter alleen maar hoe ik juffrouw Dartle vond.

„Zij is heel schrander, is zij niet?” vroeg ik.

„Schrander! Zij gebruikt bij alles een slijpsteen,” zei Steerforth, „en slijpt alles even scherp als haar gelaat en haar figuur in de laatste jaren geworden is. Door het vele slijpen is zij zelve versleten. Zij is nu aan alle kanten zoo scherp als een vlijm.”

„Wat heeft zij een zonderling litteeken op hare lip!” zei ik.

Steerforth's gezicht betrok en hij bleef een oogenblik zwijgen.

„Dat heb ik gedaan”, antwoordde hij eindelijk.

„Bij ongeluk?”

„Neen, ik was nog een jongen en toen heb ik haar met een hamer gegooid, omdat zij mij boos maakte. Ik moet een veelbelovend jong engeltje geweest zijn!”

Het speet mij zulk een pijnlijk onderwerp te hebben aangeroerd, maar er was niets meer aan te doen.

„Zooals gij ziet,” ging Steerforth voort, „heeft zij sinds dien tijd dat merkteeken gedragen en zij zal het blijven dragen tot in het graf,—indien zij ooit in een graf rusten zal; ik betwijfel het of zij wel ooit ergens rust zal vinden. Zij was eene weeze, een kind van een neef van mijn vader en toen haar vader stierf, nam mijne moeder, die toen ook weduwe was, haar bij zich om haar wat gezelligheid aan te brengen. Zij bezit een paar duizend pond sterling en voegt elk jaar weder de rente bij het kapitaal. Dat is de geschiedenis van juffrouw Rosa Dartle.”

„En ik twijfel er niet aan of zij heeft u lief als een broeder?” vroeg ik.

„Hm!” zei Steerforth, in het vuur kijkende. „Er zijn broeders, die men niet zoo heel lief heeft en andere.... maar schenk u nog eens in, Copperfield. Laat ons op het groene gras drinken als een complimentje aan u en op de leliën des velds, die niet arbeiden en niet spinnen, als een compliment aan mij—waarover ik mij behoor te schamen.” Toen hij dit gezegd had helderde zijn gelaat weer op en werd hij weder even vroolijk en opgeruimd als altijd.

Ik kon niet nalaten eens naar het litteeken te kijken toen wij om de theetafel zaten. Het duurde niet lang of ik merkte op dat het litteeken het gevoeligste plekje van haar gelaat was, want als zij verbleekte, veranderde dit het eerst van kleur en werd een doffe, leikleurige streep gelijk; het werd dan geheel zichtbaar evenals een merkteeken, dat, met onzichtbaren inkt geschreven, voor het vuur moet gehouden worden om leesbaar te zijn. Steerforth en zij hadden eene kleine woordenwisseling bij het triktrak, en één oogenblik meende ik dat zij woedend zou worden, want het heele litteeken werd zichtbaar, evenals het oude geschrift op den muur.

Het was voor mij niet vreemd dat mevrouw Steerforth haar zoon verafgoodde. Zij scheen over niets en niemand anders te denken; liet mij zijn portret zien als heel klein kindje, in een medaillon met zijne eerste haren; en één uit den tijd, toen ik hem voor het eerst had leeren kennen; terwijl zij om haar hals een keten droeg met een medaillon, waarin zich een portret bevond uit den allerlaatsten tijd. Zij had al zijne brieven in een afzonderlijk laadje van hare schrijftafel bewaard, en zou ze mij alle, een voor een, hebben voorgelezen, indien Steerforth het niet belet had.

„Mijn zoon vertelde mij, dat gij elkaar bij mijnheer Creakle hebt leeren kennen,” zei mevrouw Steerforth toen wij met ons beiden aan de theetafel zaten, terwijl Steerforth en juffrouw Dartle triktrak speelden. „Ik herinner mij zeer goed, dat hij in dien tijd veel sprak over een jongen, die jonger was dan hij, doch van wien hij heel veel hield; uw naam was mij echter uit het geheugen gegaan zooals gij wel begrijpen kunt.”

„Ik kan u de verzekering geven, mevrouw,” antwoordde ik, „dat hij in die dagen getoond heeft zeer edelmoedig te zijn; ik had zulk een vriend noodig; zonder hem zou men mij doodgeslagen hebben.”

„Hij heeft altijd een edelmoedig karakter gehad,” zei mevrouw Steerforth met een trotschen blik op haar zoon.

Ik stemde volkomen in met deze moederlijke ontboezeming; dat weet de Hemel. En zij wist dit ook, want zij was alleen deftig tegen mij wanneer zij den lof van haar zoon verkondigde; zij nam dan tegenover iedereen een trotsche houding aan.

„Het was over 't algemeen geen bijzonder geschikte school voor mijn zoon,” sprak zij; „verre van daar; er waren echter bijzondere omstandigheden, die bij de keuze van eene school in aanmerking moesten genomen worden. De buitengewone geestesgaven van mijn zoon maakten het noodig hem te plaatsen bij iemand, die zijne meerderheid voelde, en zich daaronder wilde schikken; in mijnheer Creakle meenden wij zoo iemand gevonden te hebben.”

Ja, dat wist ik maar al te goed. Toch verachtte ik hem daarom niet meer; ik was van meening, dat deze eigenschap eenigszins tot verontschuldiging kon dienen van zijne vele ondeugden—hoe zou hij iemand, zoo onweerstaanbaar als Steerforth, hebben kunnen weerstaan!

„De buitengewone bekwaamheden van mijn zoon moesten daar wel aan het licht komen,” ging de verblinde moeder voort; „hoe men hem ook tegengewerkt zou hebben, hij zou toch geworden zijn wat hij geweest is, de koning van de school. Hij zou onder alle omstandigheden zijner waardig zijn gebleven. Dat ligt nu eenmaal zoo in zijn karakter.”

Ik erkende van ganscher harte dat het in zijn karakter lag.

„Mijn zoon vatte dientengevolge geheel uit vrijen wil een ijver op, waardoor hij, als hij verkiest, elken mededinger ver achter zich kan laten,” ging zij voort. „James vertelde mij, mijnheer Copperfield, dat gij zoo bijzonder aan hem gehecht waart en dat u gisteren, toen gij hem herkendet, de tranen in de oogen stonden. Ik zou veinzen, indien ik mij verbaasd toonde over de aandoening, die mijn zoon bij u opwekte; maar ik kan evenmin onverschillig zijn tegenover iemand, die zijne verdiensten op prijs weet te stellen; ik ben daarom zeer blijde u hier te zien en kan u verzekeren, dat hij u ook zeer genegen is en gij op zijne bescherming kunt blijven rekenen.”

Juffrouw Dartle speelde triktrak met evenveel vuur als zij alles deed. Had ik haar voor het eerst aan het triktrakbord ontmoet, dan zou wellicht de onderstelling in mij zijn opgekomen, dat zij door het spelen zoo mager was geworden en zulke groote oogen gekregen had. Ik zou mij echter zeer moeten vergissen, indien haar een woord van ons gesprek ontsnapte of haar een blik ontging, terwijl ik met mevrouw Steerforth zat te praten en met haar vertrouwen werd vereerd; zoodat ik mij veel ouder gevoelde dan ik nog één oogenblik na mijn vertrek uit Canterbury gedaan had.

Toen de avond bijna teneinde was en er een blad met glazen en karaffen werd binnengebracht, beloofde Steerforth mij er ernstig over te zullen denken om met mij naar Suffolk te gaan. „Er is geen haast bij,” zei hij; over een week kon het ook wel; en zijne moeder was gastvrij genoeg om hetzelfde te zeggen. Terwijl wij zoo te zamen zaten te praten, noemde hij mij meer dan eens Groentje, hetgeen juffrouw Dartle's nieuwsgierigheid prikkelde.

„Maar, zeg mij toch eens mijnheer Copperfield,” vroeg zij, „is dat uw bijnaam? En wie gaf u dien? Is het... misschien... omdat men meent dat gij nog zoo jong en onschuldig zijt? Ik ben zoo dom in dergelijke dingen.”

Ik kreeg een kleur toen ik antwoordde, dat ik wel geloofde dat het daarom was.

„O!” riep zij, „wat ben ik blijde dat ik het weet! ik vraag altijd naar inlichtingen en ben zoo blijde als ik ze krijg. Nu weet ik het toch maar weer. Hij meent daarmede, dat gij nog jong en onschuldig zijt en daarom zijt gij zijn vriend. Dat is alleraardigst!”

Spoedig daarna ging zij naar bed, weldra gevolgd door mevrouw Steerforth. Nadat Steerforth en ik nog ongeveer een half uur bij den haard hadden zitten praten over Traddles en over zoo velen van onze oude school op Salem-House gingen wij samen naar boven. Steerforth's kamer was naast de mijne en ik ging er binnen om er een kijkje te nemen. Al wat weelde en gemak hadden kunnen bijeenbrengen, was daar door de moederhand bijeengebracht, die zelve de stoelen en kussens had bewerkt. Haar lief, innemend gelaat staarde uit een vergulde lijst op haar lieveling neer, alsof zij het haar plicht rekende hem ook in zijn slaap nog te bewaken.

Ik vond het vuur in den haard op mijne kamer nog brandende en de gordijnen voor de vensters en voor mijn bed neergelaten, zoodat het geheel een gezelligen indruk op mij maakte. In een grooten leunstoel bleef ik nog eenigen tijd over mijn geluk zitten peinzen, toen ik plotseling boven den schoorsteenmantel een portret van juffrouw Dartle ontdekte, die mij scherp in het oog hield. De gelijkenis was treffend en dientengevolge joeg het mij een weinig angst aan. De schilder had het litteeken weggelaten, maar ik zag het er toch op, nu eens op de bovenlip, zooals ik het aan tafel gezien had, dan weder in zijne geheele lengte zooals het zich vertoonde, wanneer zij in vuur was.

Ik vroeg mij zelven op korzeligen toon af, waarom men dat portret nu juist hier, bij mij, had opgehangen. Ten einde mij aan haar scherpen blik te onttrekken, ontkleedde ik mij schielijk, blies het licht uit en ging naar bed. Maar toen ik in slaap viel, kon ik niet vergeten, dat zij daar nog hing en meende ik haar telkens te hooren vragen: „Is het werkelijk waar? Ik zou het zoo gaarne weten”, en toen ik midden in den nacht wakker werd, betrapte ik mij, dat ik in mijne droomen aan allerlei menschen gevraagd had of het werkelijk waar was—zonder zelf te weten wat ik bedoelde.