XXIII. Ik kies een beroep.

T

Toen ik den volgenden morgen wakker werd, moest ik terstond aan de kleine Emily denken en aan hare ontroering, nadat Martha was heengegaan. Ik had een gevoel alsof ik toevallig getuige geweest was van een tooneeltje, dat alleen voor de naaste familieleden bestemd was geweest; alsof ik in een heilig vertrouwen genomen was, dat ik zelfs tegenover Steerforth niet mocht schenden. Er was toen niemand op de wereld aan wie ik met meer teederheid dacht dan aan het lieve, mooie schepseltje, aan het speelmakkertje uit de dagen mijner jeugd, dat ik, daarvan ben ik overtuigd en zal ik altijd overtuigd blijven, toenmaals innig liefhad. Voor iemand—zelfs voor Steerforth—te herhalen, hetgeen zij niet had kunnen binnenhouden, toen zij toevallig in mijne tegenwoordigheid haar hart uitstortte, zou onedel zijn geweest, mijner onwaardig; zou den lichtkrans, die sinds de dagen onzer jeugd steeds haar hoofd had omstraald, verduisterd hebben. Ik besloot daarom alles wat ik had bijgewoond in mijn hart op te sluiten en dáár schonk het haar beeld nieuwe bekoorlijkheid.

Terwijl wij aan het ontbijt zaten, ontving ik een brief van mijne tante. Ik meende dat Steerforth mij omtrent den inhoud goeden raad zou kunnen geven, beter zelfs dan iemand anders; en aangezien ik er mij op verheugde zijn raad in te winnen, scheen het mij het geschiktst toe den brief te bewaren tot ons vertrek en dien gedurende onze terugreis tot het onderwerp van ons gesprek te maken. Voor het oogenblik hadden wij genoeg te doen met afscheid te nemen van onze vrienden. Barkis betreurde ons vertrek zeker niet het minst en zou, daarvan ben ik overtuigd, gaarne nogmaals een guinje uit zijn kist te voorschijn gehaald hebben, indien hij ons daarmede nog twee dagen in Yarmouth had kunnen houden. Peggotty en de geheele familie, allen betreurden het dat wij heengingen. Bij Omer en Joram liep alles uit om ons vaarwel te zeggen en toen onze valiezen naar de diligence gebracht moesten worden, boden zich zooveel handen aan, dat, al hadden wij de bagage van een regiment gehad, er geen gebrek aan dragers zou geweest zijn. In één woord, wij vertrokken betreurd en bewonderd door allen, met wie wij in aanraking geweest waren en lieten een aantal menschen achter, die ons niet dan noode zagen vertrekken.

„Denkt gij nog lang hier te blijven, Littimer?” vroeg ik hem. Hij stond te kijken naar het inladen.

„Neen, mijnheer,” antwoordde hij, „waarschijnlijk niet heel lang, mijnheer.”

„Hij kan dat moeielijk juist bepalen,” zei Steerforth op onverschilligen toon. „Hij weet wat hij te doen heeft en dat zal hij doen.”

„O, daarvan ben ik overtuigd,” voegde ik er bij. Littimer raakte even aan zijn hoed als bewijs van erkentelijkheid voor de goede opinie, die ik van hem had, en ik had een gevoel alsof ik ongeveer acht jaar oud was. Hij raakte er nogmaals aan om ons goede reis te wenschen en wij lieten hem op het plaveisel staan, even deftig en geheimzinnig als de geheimzinnigste pyramide in Egypte.

Gedurende korten tijd bleven wij zwijgen; Steerforth was gewoonlijk niet zeer spraakzaam en ik had genoeg te doen met te denken aan mij zelven en aan de oude plekjes, die wij voorbij zouden rijden, en aan de veranderingen, die zij en ik zouden hebben ondergaan. Eindelijk werd Steerforth plotseling spraakzaam en opgeruimd—hij kon alles plotseling worden—en trok mij aan de mouw van mijne jas.

„Spreek op, David,” zei hij. „Wat hebt gij mij uit den brief te vertellen, dien gij aan het ontbijt ontvangen hebt?”

„O!” zei ik, den brief te voorschijn halende. „Hij is van mijne tante.”

„En waarover wenscht gij mij te raadplegen?”

„Wel, Steerforth,” zei ik, „zij herinnert er mij aan, dat ik op reis ging om eens wat in de wereld rond te kijken en eens na te denken over mijne toekomst.”

„En dat hebt gij natuurlijk gedaan?”

„Ik kan werkelijk niet zeggen dat ik het gedaan heb. Om u de waarheid te zeggen, ik geloof, dat ik het vergeten heb.”

„Welnu, kijk dan rond en doe boete voor uwe achteloosheid,” zei Steerforth. „Kijk rechts en gij ziet een vlak land, tamelijk moerassig; kijk links en gij ziet hetzelfde. Kijk recht vooruit en gij vindt geen verschil; kijk achter u en gij zult hetzelfde ontwaren.”

Ik lachte en zei dat ik in hetgeen ik in het rond aanschouwde geen passende betrekking zag; waarschijnlijk was de vlakheid van het omringende landschap daarvan wel de oorzaak.

„En wat zegt uwe tante dienaangaande?” vroeg Steerforth, op den brief wijzende, dien ik in de hand had. „Raadt zij u iets aan?”

„O ja,” antwoordde ik. „Zij vraagt mij hoe ik er over zou denken ‚proctor’ te worden? Wat is uw oordeel daaromtrent?”

„Ja, dat weet ik niet,” zei Steerforth langzaam. „Mij dunkt, gij kunt dat even goed worden als wat anders.”

Ik kon niet nalaten te lachen omdat hij weder bezig was alle ambten en betrekkingen over één kam te scheren en ik zei hem dat ook.

„Wat is eigenlijk een proctor?” vroeg ik.

„Een proctor is een soort procureur,” antwoordde Steerforth. „Zij bestaan nog bij enkele ouderwetsche rechtbanken in Doctors' Commons—in een oud, vergeten hoekje van het St. Paulskerkhof—en komen het meest overeen met de procureurs bij de gerechtshoven. Het zijn ambtenaren, die, volgens den gewonen loop der dingen, al voor twee eeuwen hadden moeten zijn uitgestorven. Ik kan u zijne functiën het best doen begrijpen, als ik u vertel, wat Doctors' Commons is. Dat is een afgelegen gebouw, waar men de kerkelijke wetten napluist en allerlei kunstgrepen verricht met verouderde parlementsakten, waarvan drie vierden van het menschdom niets meer weet en het andere vierde in de meening verkeert, dat ze in de dagen van de Edwards zijn opgegraven. Men heeft daar het monopolie van de processen over testamenten en huwelijken en van de geschillen tusschen schepen en booten.”

„Maar, Steerforth, welk een dwaasheid!” riep ik uit. „Gij bedoelt toch niet, dat er eenige verwantschap zou bestaan tusschen zeezaken en kerkelijke zaken?”

„Dat bedoel ik ook niet, beste jongen,” hernam hij; „ik zei alleen, dat ze behandeld en nagepluisd worden door datzelfde troepje menschen in diezelfde Doctors' Commons. Ga daar eens heen, dan zult gij hen bezig vinden te snuffelen in de zeetermen van Young's woordenboek naar aanleiding van eene aanvaring tusschen de ‚Nancy’ en de ‚Sarah Jane’; of hen hooren voorlezen, dat baas Peggotty en eenige visschers van Yarmouth in een storm zijn uitgevaren om hulp te bieden aan den in nood verkeerenden Oostindievaarder ‚Nelson’. Komt gij er op een anderen dag, dan zult gij hen de getuigen à charge en à décharge in zake een geestelijke, die uit den band is gesprongen, zien verhooren en bevinden, dat de rechter in het maritieme proces advocaat is in het kerkelijke of omgekeerd. Zij doen mij altijd aan acteurs denken: vandaag is de een rechter, morgen niet; nu eens zijn zij dit, dan dat, morgen weder wat anders; maar het zijn altijd kleine, voordeelige zaakjes, die op de wijze van een liefhebberij-comedie voor een uitgelezen publiek worden afgespeeld.”

„Maar advocaten en proctors zijn toch niet een en hetzelfde?” vroeg ik een weinig van mijn stuk gebracht. „Is 't wel?”

„Neen,” antwoordde Steerforth, „advocaten zijn rechtsgeleerden, mannen, die een doctorstitel behaald hebben aan de academie—dat is ook de reden, waarom ik er iets van weet. De proctors hebben de advocaten noodig. Beiden ontvangen een vrij aardig honorarium en gewoonlijk is hunne verhouding zeer vriendschappelijk; over het geheel zou ik u aanraden eens goed over Doctors' Commons na te denken, David. Zij vinden zich zelven daar nog al deftig, indien u dat eenigszins kan gerust stellen.”

Ik hield rekening met de luchthartige wijze, waarop Steerforth de geheele zaak behandelde, en dacht met zekeren eerbied aan de deftigheid en oudheid van dat „oude vergeten hoekje van het St. Paulskerkhof”, zoodat ik mij volstrekt niet ongenegen betoonde om tante's raad op te volgen; zij liet mij geheel vrij in mijne keuze, maar vond er geen bezwaar in mij te zeggen, dat zij op het denkbeeld gekomen was, toen zij eenigen tijd geleden haar eigen proctor in Doctors' Commons had opgezocht om haar testament te mijnen gunste te veranderen.

„Dat is in elk geval eene zeer prijzenswaardige handelwijze van uwe tante,” zei Steerforth toen ik er over sprak; „een handelwijze, die aanmoediging verdient. Mijn raad is, Groentje, dat gij eens goed over Doctors' Commons nadenkt.” Ik nam mij voor dit ook te doen en vertelde toen aan Steerforth dat mijne tante, zooals zij mij geschreven had, mij te Londen wachtte en voor eene week kamers genomen had in een soort commensalenhuis in Lincoln's Inn Fields. Er was een steenen trap en een luik waardoor men gemakkelijk op het dak kon komen, want tante verbeeldde zich, dat elk huis in Londen des nachts gevaar liep om af te branden.

Wij legden het verdere gedeelte van onze reis op de aangenaamste wijze af en spraken nu en dan over Doctors' Commons en over de toekomst, wanneer ik proctor zijn zou; Steerforth gaf daar allerlei aardigheden over ten beste, zoodat wij in eene vroolijke stemming te Londen aankwamen. Hij ging naar huis met de belofte mij den volgenden dag te komen opzoeken, terwijl ik mij naar Lincoln's Inn Fields begaf en mijne tante wachtende vond met het avondeten. Had ik een reis om de wereld gemaakt, dan zouden wij niet blijder kunnen geweest zijn, dat wij elkander weder gezond en wel aantroffen. Tante schreide dikke tranen toen wij elkander omhelsden en zei, zich houdende alsof zij lachte: „als uwe moeder geleefd had, zou dat zwakke schepseltje zeker tranen gestort hebben!”

„En hebt gij mijnheer Dick zoo alleen gelaten, tante?” vroeg ik. „Dat spijt mij. Ha, Janet, hoe maakt gij het?”

Toen Janet eene neiging maakte en vroeg hoe het met mijne gezondheid was, zag ik tante's gezicht langer worden. „Het spijt mij ook,” sprak zij, haar neus wrijvend. „Ik heb sinds ik hier ben eigenlijk nog geen gerust uur gehad.”

Nog eer ik antwoorden kon vertelde tante mij de reden daarvan.

„Ik ben overtuigd,” sprak zij, hare hand met een zekere zwaarmoedige vastberadenheid op de tafel leggende, „dat Dick's karakter niet standvastig genoeg is om de ezels van het bleekveld te houden. Ik weet zeker dat hij dit niet flink genoeg doen zal; ik had Janet thuis moeten laten, dan zou ik geruster zijn geweest. En als het waar is dat er in mijne afwezigheid ezels op het gras hebben geloopen,” ging zij met nadruk voort, „dan moet er van avond om vijf uur een geweest zijn. Er voer mij een koude rilling door het lichaam—ik weet zeker dat er toen een ezel was.”

Ik trachtte haar op dit punt te troosten, maar zij wilde van geen troost weten.

„Er was een ezel,” hield zij vol, „en wel die met den korten staart, waarop de zuster van dien moordenaar reed, toen zij ons een bezoek brachten.” Dit was de eenige naam waaronder mijne tante juffrouw Murdstone kende. „Als er één ezel te Dover is, dien ik niet kan uitstaan, dan is het dat beest!”

Janet waagde het te doen opmerken dat mijne tante zich vermoedelijk noodeloos ongerust maakte, want dat de ezel, dien zij bedoelde, in den laatsten tijd gebezigd werd om zand en kiezel te rijden en zich dus moeilijk aan overtredingen kon schuldig maken. Tante wilde er echter niets van hooren.

Het souper werd gereed gezet en was lekker en goed warm, ofschoon de kamers van mijne tante vrij hoog in de lucht waren—ik weet niet of zij voor haar geld over meer steenen trappen wilde beschikken dan wel of zij dichter bij het bewuste luik wilde zijn—. Het bestond uit een gebraden hoentje, biefstuk en groenten en ik deed er alle eer aan, want het was uitmuntend. Tante had zoo haar eigenaardige denkbeelden over de levensmiddelen in Londen en at weinig.

„Ik wed dat dit ongelukkige hoentje in een kelder is grootgebracht,” zei tante, „en nooit de lucht heeft geroken dan op eene binnenplaats. Ik hoop dat die biefstuk van een rund is, maar ik betwijfel het. Niets is hier onvervalscht dan het slijk.”

„Zou die kip dan niet van buiten kunnen gekomen zijn?” opperde ik.

„Zeer zeker niet,” antwoordde tante. „Geen winkelier in Londen zou er plezier in hebben iets te verkoopen, dat werkelijk was hetgeen waarvoor hij het uitgaf.”

Ik waagde het niet haar tegen te spreken, maar soupeerde heel smakelijk, hetgeen zij mij blijkbaar met genoegen zag doen. Toen de tafel afgenomen was hielp Janet haar met haar kapsel en haar nachtmuts, die iets sierlijker was dan gewoonlijk—„er moest eens brand komen”, zei tante—en legde haar een omslagdoek over de beenen, zooals zij elken avond deed, opdat tante warm naar bed zou gaan. Daarna maakte ik volgens vaste regelen, waarvan niet de geringste afwijking geduld werd, een glas warmen wijn met water voor haar gereed en sneed een plakje geroosterd brood voor haar in lange reepjes. Toen bleven wij alleen en sleten verder den avond te zamen; mijne tante zat tegenover mij haar wijn met water te drinken en hare reepjes geroosterd brood er in te soppen, alvorens ze in den mond te steken; terwijl zij mij onder de kanten van hare nachtmuts door vriendelijk aankeek.

„Wel, Trot,” begon zij eindelijk, „hoe denkt gij over mijn voorstel om een proctor van u te maken? Of hebt gij er nog niet over nagedacht?”

„Ik heb er al heel veel over gedacht, lieve tante, en er ook lang en breed met Steerforth over gepraat. Ik zou heel graag proctor worden, inderdaad.”

„Komaan”, sprak zij, „dat is een goed begin.”

„Ik heb echter één bezwaar, tante.”

„En dat is, Trot?”

„Wel, tante, naar ik vernam is voor de betrekking van proctor eene storting benoodigd en ik ben daarom bang, dat ik u daarmede op groote kosten zou jagen.”

„Duizend pond, Trot, op den kop af.”

„Welnu, lieve tante,” hernam ik, mijn stoel wat dichter bijschuivende, „dat is eene groote som. Gij hebt het grootste gedeelte van mijne opvoeding bekostigd en zijt altijd even mild voor mij geweest in alle dingen, de edelmoedigheid zelve.... waarom ik meen dat er nog een aantal andere betrekkingen te vinden zijn, waarvoor zulk een som niet vereischt wordt en waarin ik toch ook met goeden wil en volharding vooruit kan komen. Zou het niet beter zijn dien weg in te slaan? Zijt gij er wel zeker van dat gij zooveel geld kunt missen en dat het verstandig is het op deze wijze te besteden? Ik verzoek u, mijne tweede moeder, dit wel te willen overwegen. Zijt gij er wel zeker van?”

Tante at eerst het reepje geroosterd brood op, waaraan zij bezig was, keek mij eenige oogenblikken doordringend aan, zette haar glas op den schoorsteenmantel, vouwde hare handen over den omslagdoek op hare knieën en zei:

Trot, mijn kind, mijn eenige levensdoel is van u een goed, flink en gelukkig mensch te maken. Dat is mijn grootste wensch—van Dick insgelijks. Ik wilde wel dat sommige menschen Dick dit onderwerp eens hadden hooren bespreken. Ik verbaas mij telkens over zijne scherpzinnigheid. Maar niemand weet over hoeveel verstand die man te beschikken heeft, behalve ik.”

Zij hield een oogenblik op om mijne hand tusschen de hare te nemen en ging toen voort:

„Het is niet noodig, Trot, het verleden weer aan te roeren, tenzij het invloed hebben kan op de toekomst. Het is wel mogelijk dat ik meer vriendschap had moeten voelen voor uw armen vader. Wellicht had ik ook meer moeten blijven houden van uw lief, onnoozel moedertje, nadat uw zuster Betsey Trotwood mij zoo had teleurgesteld. Deze gedachte kwam tenminste bij mij op toen gij daar als een verwaarloosde, vuile straatjongen bij mij op het erf kwaamt. Van dat oogenblik af, Trot, zijt gij altijd mijn trots, mijn eer en mijne vreugde geweest. Niemand kan eenige aanspraak maken op hetgeen ik bezit”—zij aarzelde een oogenblik—„neen, niemand kan er eenige aanspraak op doen gelden en gij zijt mijn aangenomen kind.” Tot mijn groote verbazing had zij deze woorden op eenigszins verlegen toon uitgesproken. „Heb mij maar lief op mijn ouden dag en verdraag mijne kuren en grillen maar met geduld, dan zult gij voor die oude vrouw, wier leven lang zoo gelukkig en vreedzaam niet voorbijging als wel had kunnen zijn, meer doen dan zij ooit voor u doen kan.”

Het was de eerste maal dat ik tante het verleden hoorde aanroeren. Er lag eene zekere grootmoedigheid in de kalmte, waarmede zij dit nu deed en er ook weder van afstapte, die mijne achting en liefde voor haar zouden verhoogd hebben, als dat nog mogelijk geweest was.

„Alles is dus tusschen ons begrepen en afgesproken, nietwaar, Trot?” zei tante, „wij behoeven er dus niet verder over te spreken. Geef mij een kus en morgen ochtend na het ontbijt gaan wij naar de Commons.

Dit gesprek bij den haard had langer geduurd dan ik gedacht had. Wij gingen laat naar bed en ik sliep in eene kamer op dezelfde verdieping als tante; mijne nachtrust was echter niet ongestoord, want telkens, wanneer zij een huurkoets of een marktwagen hoorde, klopte zij aan mijne deur en vroeg of ik de brandweer niet hoorde rijden? Tegen den ochtendstond sliep zij geruster en liet het mij ook doen.

Tegen den middag wandelden wij naar het kantoor van Spenlow en Jorkins in Doctors' Commons. Tante, die in iederen man, dien zij in Londen tegenkwam, een zakkenroller meende te zien, had mij haar beurs gegeven, waarin tien guinjes en eenig zilvergeld aanwezig waren.

Bij den speelgoedwinkel in Fleetstreet bleven wij een oogenblik staan, ten einde de reuzen op de klokken van de St. Dunstanskerk te zien slaan—wij hadden het uur van vertrek zoo geregeld, dat wij juist om twaalf uur hen bij dat werk moesten betrappen—en wandelden daarna naar Ludgate Hill en de St. Paulskerk. Juist hadden wij eerstgenoemde plaats bereikt, toen ik bemerkte, dat tante haar stap begon te verhaasten en angstig rondkeek. Op hetzelfde oogenblik zag ik, dat een armoedig gekleed man met een brutaal gezicht was blijven staan om ons te zien voorbijgaan en daarna ons achter opkwam en haar een duw gaf.

Trot, beste Trot!” riep tante, op angstigen toon, terwijl zij mij in mijn arm kneep, „wat moet ik doen?”

„Maak u niet zoo angstig,” antwoordde ik. „Gij behoeft voor niets bevreesd te zijn. Ga dezen winkel binnen, dan zal ik wel spoedig van dien man afkomen.”

„Neen, neen, kind!” zei tante. „Spreek niet met hem.... voor al het geld der wereld niet! Ik smeek, ik beveel het u!”

„Goede Hemel, tante!” zei ik. „Hij is niets dan een onbeschaafde bedelaar.”

„Gij weet niet wat hij is!” hernam tante. „Gij weet niet wat hij is! Gij weet niet wat gij zegt!”

Intusschen waren wij een blinde steeg ingeloopen en blijven staan; de man stond voor de steeg.

„Kijk niet naar hem,” zei tante, toen ik mij verontwaardigd omkeerde, „haal liever een rijtuig voor mij en wacht op het St. Paulskerkhof.”

„Op u wachten?” herhaalde ik.

„Ja,” zei tante, „ik wil alleen blijven. Ik ga met hem mede.”

„Met hem, tante? Met dien man?”

„Ik weet zeer goed, wat ik zeg!” antwoordde zij, „en ik zeg u dat ik moet. Ga een rijtuig halen!”

Hoe verbaasd ik ook was, ik begreep dat ik niet het recht had te weigeren, aan zulk een stellig bevel te gehoorzamen. Ik liep eenige schreden de straat in en wenkte een huurrijtuig, dat toevallig ledig voorbijkwam. Nog eer ik de trede had kunnen neerslaan, sprong tante er in en de man volgde haar. Zij gaf mij met zulk een ernstig gezicht te kennen dat ik zou heengaan, dat ik, hoe verbaasd ook, het rijtuig onmiddellijk den rug toekeerde. Ik hoorde haar nog zeggen tegen den koetsier: „Rijd maar ergens heen! Rijd maar recht door!” en toen reden zij mij voorbij de hoogte op.

Nu kwam mij hetgeen mijnheer Dick verteld had en wat ik voor inbeelding gehouden had, weder voor den geest. Ik kon niet meer twijfelen of deze persoon was dezelfde, van wien hij op zulk eene geheimzinnige wijze melding gemaakt had, ofschoon ik mij onmogelijk kon voorstellen hoe hij zulk een macht over mijne tante had kunnen verkrijgen. Na een half uur op het kerkhof in de gelegenheid te zijn geweest om tot kalmte te komen, zag ik het rijtuig aankomen. De koetsier hield bij mij stil en mijne tante zat er alleen in. Zij was nog niet genoeg van hare ontroering bekomen om terstond het voorgenomen bezoek af te leggen, waarom zij mij verzocht naast haar plaats te nemen en den koetsier te zeggen, dat hij eenigen tijd langzaam op en neer moest rijden. Zij zeide niets dan: „Lieve Trot, vraag mij niet wat het was en denk er niet meer aan.” Eindelijk had zij hare kalmte geheel teruggekregen en zei, dat zij nu zeer goed in staat was om het rijtuig te verlaten. Toen zij mij hare beurs terug gaf, die ik haar in de steeg had overhandigd, ontwaarde ik dat alle guinjes verdwenen waren en zij niets dan het zilvergeld had overgehouden.

De toegang tot Doctors' Commons bestond in eene kleine, lage, overwelfde gang. Nauwelijks waren wij eenige schreden verder gegaan of het stadsgewoel scheen als door een tooverhand tot stilte te zijn gebracht en nog slechts heel in de verte voort te duren. Over eenige pleintjes en door nauwe straatjes kwamen wij aan het kantoor van de Heeren Spenlow en Jorkins; in het voorportaal van dezen tempel, waarin elke pelgrim zonder aankloppen mocht binnengaan, zaten drie of vier klerken copiewerk te verrichten. Een van hen, een klein, uitgedroogd mannetje, dat alleen zat en een stijve, bruine pruik droeg,—in weerwil van het gewicht van het oogenblik kon ik niet nalaten te denken dat die pruik van peperkoek gemaakt was—stond op, heette mijne tante welkom en liet ons in de kamer van mijnheer Spenlow.

„Mijnheer Spenlow is binnen, mejuffrouw,” zei het manneke, „het is vandaag zitting, maar het is hier dichtbij; ik zal hem dadelijk laten roepen.”

Toen wij alleen waren in afwachting van mijnheer Spenlow's komst, nam ik de gelegenheid te baat om eens rond te kijken. Het ameublement in deze kamer was ouderwetsch en stoffig, het groene laken op de schrijftafel had alle kleur verloren; er lagen zooveel bundeltjes papieren en processtukken, alle voorzien van een opschrift, waarop het Hof vermeld stond waarvoor ze behandeld waren, dat ik verward geraakte onder het groote aantal Hoven, en mij afvroeg of ik wel ooit die verschillende namen uit elkander zou kennen.

Behalve deze bundels papieren zag ik overal in het rond lijvige boekdeelen, die alle geschreven getuigenverhooren bevatten, van elke zaak afzonderlijk, alsof elke zaak een roman was in tien of twintig deelen. Dit alles zag er uit alsof hier uit een ruime beurs geput werd en gaf mij een aangenamen indruk van het proctorsambt. Nog was ik bezig met toenemend welgevallen dit en alles om mij heen te bekijken, toen wij haastige voetstappen hoorden in het voorportaal en mijnheer Spenlow binnenkwam in een zwarte toga met hermelijn gevoerd. Hij nam zijn hoed af en scheen haast te hebben. Overigens was hij klein van gestalte, had dun haar, droeg onberispelijke laarzen en de stijfste halsboord en de witte das, die ik ooit iemand heb zien dragen. Al zijne kleeren waren stijf dichtgeknoopt en zijne bakkebaarden zoo sierlijk gekruld, dat hij daaraan ongetwijfeld veel tijd moest besteden. Zijn gouden horlogeketting was zoo zwaar dat ik niet kon nalaten te denken aan een sterken, gouden arm om het horloge te voorschijn te halen, zooals men wel boven goudsmidswinkels aantreft. Hij was met zooveel zorg gekleed, en alles wat hij aan het lijf had was zoo stijf, dat hij zich onmogelijk kon buigen, en wanneer hij papieren inkeek, die op zijn schrijftafel lagen verplicht was zijn geheel lichaam voorover te buigen evenals Punch.

Ik werd terstond door mijne tante voorgesteld en allerbeleefdst ontvangen.

„Dus, mijnheer Copperfield,” zei hij „gij hebt het plan opgevat ons beroep voor het uwe te kiezen. Toen ik laatst de eer genoot een onderhoud te hebben met juffrouw Trotwood, deelde ik haar toevallig mede—op nieuw een buiging als Punch—dat hier eene plaats vacant is. Juffrouw Trotwood was wel zoo beleefd mij te vertellen dat zij een neef had, voor wiens opvoeding zij had zorg gedragen en dien zij nu gaarne in eene goede betrekking zou geplaatst zien. Indien ik het wel heb, heb ik nu het genoegen—weer Punch—dien neef voor mij te zien.

Ik boog insgelijks en zei dat mijne tante mij op de hoogte had gesteld van de vacature; dat ik wel zin in deze betrekking had en in elk geval mijn best zou doen om er zin in te krijgen, maar dat ik daarvan niet zeker kon zijn als ik er niet meer van wist dan op dit oogenblik het geval was. „Hoewel het slechts voor den vorm is,” voegde ik er bij, „meen ik toch dat de gelegenheid bestaat mij op de hoogte te stellen alvorens mij onherroepelijk te verbinden.”

„O, zeker! zeker!” zei mijnheer Spenlow. „Wij geven altijd een maand proeftijd. Het zou mij aangenaam zijn, indien wij drie maanden konden geven, maar ik ben niet alleen. Mijnheer Jorkins....”

„En de borgtocht is duizend pond, nietwaar?” vroeg ik.

„De borgtocht—de onkosten van het zegel er onder begrepen—is duizend pond,” antwoordde mijnheer Spenlow. „Zooals ik juffrouw Trotwood reeds meedeelde, zou ik wel genegen zijn billijker voorwaarden te stellen, maar mijnheer Jorkins heeft zijn eigen denkwijzen in dit opzicht en ik moet die nu eenmaal respecteeren. Mijnheer Jorkins acht duizend pond eigenlijk te weinig.”

„Ik onderstel, mijnheer,” zei ik, mijne tante eenigszins willende verlichten, „dat het hier niet de gewoonte is een klerk, die zeer bruikbaar en geheel op de hoogte van zijne taak is,”—ik kreeg eene kleur, want deze woorden moesten wel den indruk maken alsof ik mij zelven wilde prijzen—„ik onderstel dat het niet de gewoonte is, later, zulk een klerk eenig honorarium...”

Mijnheer Spenlow lichtte met groote moeite zijn hoofd juist ver genoeg uit zijn boorden op om het te schudden en antwoordde, zonder mij den zin te laten voleindigen:

„Neen, ik zal niet zeggen hoe ik zelf over dit onderwerp denk, mijnheer Copperfield; maar ik ben niet alleen. Mijnheer Jorkins is op dat punt onvermurwbaar.”

Het denkbeeld, dat ik eenmaal van aangezicht tot aangezicht zou moeten staan met dien vreeselijken mijnheer Jorkins, joeg mij angst aan. Later kwam ik echter tot de ontdekking, dat hij iemand was met een zachtmoedig karakter, wel is waar een weinig somber, maar hij hield zich gewoonlijk achteraf en werd dan gebezigd als het onbarmhartige en hardnekkige element in de zaak. Indien een klerk verhooging vroeg van zijn salaris, wilde mijnheer Jorkins er nooit iets van weten. Als een cliënt draalde met het betalen van de kostenrekening, heette het dat mijnheer Jorkins op betalen aandrong en hoe pijnlijk dit mijnheer Spenlow ook aandeed, mijnheer Jorkins kende geen genade. De engel Spenlow zou steeds hart en hand geopend hebben gehad, indien de duivel Jorkins het hem niet had belet. Ouder wordende merkte ik op, dat er nog veel meer kantoren waren, die de zaken op dezelfde wijze behandelden als de firma Spenlow en Jorkins!

Er werd afgesproken dat mijne proefmaand zoo spoedig zou beginnen als mij beliefde en dat mijne tante noch in de stad behoefde te blijven noch daarheen behoefde terug te keeren, want het contract, waarvan ik het onderwerp uitmaakte, kon even goed ter teekening naar Dover worden gezonden. Toen wij het hierover eens waren, bood mijnheer Spenlow mij aan, mij mede te nemen naar het Hof en mij daar het een en ander te laten zien. Ik nam dit aanbod gaarne aan en zoo vertrokken wij, tante op mijnheer Spenlow's kantoor achterlatende; zij waagde zich daar niet, zooals zij zeide, en hield, naar ik vermoed, alle gerechtshoven voor buskruitmolens, die elk oogenblik in de lucht konden vliegen.

Mijnheer Spenlow bracht mij over een pleintje, door deftige huizen omringd; uit de doctorstitels voor de namen op de deuren maakte ik op, dat hier de geleerde advocaten woonden, waarvan Steerforth mij verteld had. Aan het einde van dit pleintje traden wij een huis en daarna een groot, somber vertrek binnen, dat mij denken deed aan een kapel. Het boveneinde van deze zaal was van het overige gedeelte door een hek afgesloten en daar, op een verhevenheid in den vorm van een hoefijzer, zaten bovenvermelde doctors in roode toga's, met witte pruiken, op ouderwetsche stoelen, zooals men ze vaak in eetzalen aantreft. Achter een lessenaar, zooals de predikanten op den preekstoel gebruiken, in het midden van het hoefijzer, zat een oude heer, dien ik, als ik hem in een dierentuin ontmoet had, voor een uil zou hebben gehouden, doch die, zooals mij later bleek, de president was. In de binnenruimte van het hoefijzer, doch lager, zaten eenige heeren, in dezelfde kleeding als mijnheer Spenlow, aan eene groene tafel. Hunne dassen waren alle even stijf en zij keken trotsch in het rond; dit laatste schijn ik echter niet goed gezien te hebben, want wanneer een van hen opgeroepen werd om eene vraag van den president te beantwoorden, zag ik telkens dezelfde schaapachtige uitdrukking op hun gelaat. Het publiek werd gevormd door een jongen met een bouffante om en een armoedig uitziend heer, die heimelijk beschuitkruimels zat te eten uit den achterzak van zijn jas. Beiden zaten bij de kachel in het midden van de zaal. De doodsche stilte in de zaal werd door niets verbroken dan door het snorren van de kachel en door de stem van een der doctors, die langzaam tusschen eene geheele bibliotheek van bewijsstukken doorliep en nu en dan eens stil bleef staan op zijn wandeling om een betoog te houden. Hoe het zij, ik woonde nooit in mijn leven elders zulk een droomerig, slaapverwekkend familiepartijtje bij en ik voelde dat het voor een jongmensch ongetwijfeld een kalmeerend middel zijn moest, om met deze lieden samen te werken—behalve misschien als cliënt.

Zeer voldaan over de deftigheid van dit ouderwetsche, afgelegen plekje, gaf ik aan mijnheer Spenlow te kennen, dat ik voorloopig genoeg gezien had, zoodat wij mijne tante gingen opzoeken. Met haar verliet ik dus Doctors' Commons weder; ik voelde mij zeer jong tegenover de heeren Spenlow en Jorkins en was mij bewust, dat de klerken, toen wij voorbijgingen, elkander met de pen in de zij staken en op mij wezen.

Zonder eenig nieuw avontuur kwamen wij te Lincoln's Inn Fields aan; alleen wekte een ongelukkige ezel voor een volgeladen groentekar pijnlijke herinneringen bij mijne tante op. Wij spraken weder lang en breed over mijne plannen, toen wij behouden en wel thuis waren en aangezien ik begreep, dat zij naar Dover terugverlangde, omdat zij zich, met het oog op brand, vervalschte levensmiddelen en zakkenrollers, geen half uur op haar gemak gevoelde in Londen, haalde ik haar over, zich niet verder om mij te bekommeren en mij gerust aan mij zelven over te laten.

„Ik ben hier morgen juist een week, mijn jongen, en heb dat ook gedacht,” antwoordde zij. „In Buckinghamstreet zijn een paar kamers te huur, die juist geschikt voor u zouden zijn.”

Na deze inleiding haalde zij eene advertentie te voorschijn, die zij zorgvuldig uit een nieuwsblad geknipt had, en las voor, dat in Buckinghamstreet, in de buurt van het Adelphi-theater kamers te huur waren met het uitzicht op de rivier; bijzonder lieve, gezellige kamers, zeer geschikt voor een ongetrouwd heer, die aan een der gerechtshoven werkzaam was. De kamers konden terstond betrokken worden. De huurprijs was matig en de huur kon desverlangd ook voor één maand worden aangegaan.

„Wel, tante!” riep ik uit, „dat is juist wat wij zoeken!” Ik kreeg een kleur van blijdschap bij de gedachte, alleen op kamers te zullen wonen.

„Kom dan,” antwoordde tante, terwijl zij onmiddellijk den hoed opzette, dien zij eene minuut te voren had weggelegd. „Wij zullen ze eens gaan bekijken.”

De advertentie verwees ons om inlichtingen naar eene zekere juffrouw Crupp; wij schelden daarom aan het onderhuis, waar wij vermoedden, dat juffrouw Crupp hare tenten had opgeslagen. Eerst na drie of vier malen gescheld te hebben konden wij er in slagen die dame te bewegen ons te woord te staan; eindelijk verscheen zij echter. Zij was eene forschgebouwde vrouw en droeg een nankingsche japon, waaronder een flanellen onderrok uitkwam.

„Kunnen wij de kamers ook zien, die gij te huur aanbiedt, juffrouw?” vroeg tante.

„Voor dezen heer?” zei juffrouw Crupp, terwijl zij in haar zak naar de sleutels zocht.

„Ja, voor mijn neef, antwoordde tante.

„Ze zullen voor u geknipt zijn!” verklaarde juffrouw Crupp. Daarna gingen wij naar boven.

De kamers waren op de bovenste verdieping—eene groote geruststelling voor mijne tante, want ik was nu dicht bij het dak—en bestonden uit een klein portaaltje, waar men bijna niets zien kon, een provisiekamertje, waar volslagen duisternis heerschte, een zitkamer en een slaapkamer. De meubels waren oud, maar goed genoeg voor mij en waarlijk, men kon de rivier zien. Toen ik mijne ingenomenheid betuigd had, gingen tante en juffrouw Crupp naar het provisiekamertje om de voorwaarden te bespreken, terwijl ik op de sofa in de zitkamer plaats nam en mij nauwelijks kon voorstellen, dat ik voortaan in zulk een paleis zou wonen. Na een woordenstrijd, die nog al eenigen tijd duurde, keerden de dames terug en ik zag tot mijne groote blijdschap, zoowel op juffrouw Crupp's gezicht als op dat van mijne tante, dat zij het eens waren geworden.

„Zijn dit de meubels van den laatsten bewoner?” vroeg tante.

„Ja, mevrouw,” antwoordde juffrouw Crupp.

„Waar is hij gebleven?”

Juffrouw Crupp begon vreeselijk te hoesten en bracht intusschen met veel moeite uit:

„Hij is hier ziek geworden, mevrouw en..... uhu!.... uhu!.... uhu!.... groote Goedheid, hij is hier gestorven!”

„Hé, wat? waaraan?” vroeg tante.

„Wel, mevrouw, hij dronk te veel,” zei juffrouw Crupp op vertrouwelijken toon. „En rooken!”

„Rooken? Gij bedoelt toch niet dat de schoorsteenen rooken?” viel tante in.

„Neen, mevrouw, sigaren en pijpen.”

„Dat is in elk geval niet aanstekelijk, Trot,” zei tante, tot mij gewend.

„Neen, zeker niet,” antwoordde ik.

Kortom, toen tante zag hoe zeer ik ingenomen was met mijn nieuw verblijf, huurde zij de kamers voor een maand, om ze, indien ik na het einde daarvan tevreden was, voor een jaar in te huren. Juffrouw Crupp zou voor mijn linnengoed zorgen en voor mij koken en zei met nadruk, dat zij voor mij zorgen zou alsof ik haar eigen kind was. Twee dagen later zou ik mijn nieuw verblijf in bezit nemen en juffrouw Crupp verklaarde bij het afscheid den Hemel te danken, omdat zij nu iemand had, voor wien zij zorgen kon.

Op den weg naar huis vertelde tante mij, hoe zij vertrouwde, dat het leven, dat ik nu te gemoet ging, mij flinkheid en zelfvertrouwen zou geven, hetgeen alles was, dat ik noodig had. Zij herhaalde dit den volgenden dag meermalen, terwijl wij maatregelen beraamden om mijne kleederen en boeken van mijnheer Wickfield naar Londen te doen overzenden. Naar aanleiding daarvan schreef ik een langen brief met al de wederwaardigheden, op mijn uitstapje ondervonden, aan Agnes, en toen tante den volgenden dag heenging, nam zij dien brief mede. Ten einde niet al te lang over al deze bijzonderheden uit te weiden, voeg ik er nog slechts bij, dat zij met milde hand zorgde voor alles wat ik gedurende mijne proefmaand noodig had; dat Steerforth tot mijne groote teleurstelling en ook tot die van tante niet verscheen, en dat ik tante veilig zag zitten in de diligence op Dover, met Janet naast zich, blijde dat het goede leven van de ezels en hunne drijvers nu weer uit was. Toen de diligence uit het gezicht was, bleef ik een oogenblik in gepeins verzonken staan. Mijne gedachten dwaalden af naar den tijd, toen ik ook alleen in Londen was achtergelaten, en met een dankbaar hart sloeg ik den weg in naar Buckingham-street.