Tot den dag waarop ik mijne oude vrienden aan mijn tafel zou zien, leefde ik hoofdzakelijk van Dora en koffie. Ik was veel te verliefd om te eten en dat verheugde mij, want ik had een gevoel, alsof men mij van trouweloosheid tegenover Dora zou hebben kunnen beschuldigen als ik mijn gewonen eetlust behouden had. De hoeveelheid lichaamsbeweging, die ik nam, miste de gewone uitwerking, omdat de teleurstelling den invloed der frissche lucht tegenwerkte. Ook betwijfel ik,—ik grond dien twijfel op de ondervinding van latere jaren—of iemand, die voordurend door nauwe laarzen gekweld wordt, wel een gezonden trek kan behouden in dierlijk voedsel. Naar het mij voorkomt moet men zich meer op zijn gemak gevoelen, wil de maag hare werking behoorlijk verrichten.
Bij gelegenheid van het huiselijk dinertje trad ik niet in eene herhaling van de uitgebreide toebereidselen van den vorigen keer. Ik zorgde voor een paar tongen, een schapeboutje en een duivenpastei. Juffrouw Crupp kwam in openbaren opstand toen ik bedeesd te kennen gaf, dat ik de visch en de schapebout gaarne in huis zou zien gereed gemaakt, en zei met eene verontwaardiging alsof haar de grootste beleediging was aangedaan: „Neen! Neen, mijnheer! Gij kunt mij zoo iets niet vragen! Gij moet mij beter kennen dan dat gij van mij iets zoudt kunnen eischen, waarmede ik geen eer kan inleggen.” Na lang heen- en weerpraten kwamen wij toch tot eene overeenkomst; juffrouw Crupp bewilligde in het volvoeren van het kunststuk, op voorwaarde dat ik daarna gedurende veertien dagen buitenshuis zou eten.
Ik mag hier niet nalaten te vermelden hoeveel ik leed onder de dwingelandij, die juffrouw Crupp langzamerhand over mij begon te oefenen. Nooit was ik voor iemand zoo bang als voor mijne eerste hospita. Bij alles moesten overeenkomsten gesloten worden. Maakte ik zwarigheid over het een of ander dan werd zij terstond aangetast door die wonderlijke kwaal, welke steeds op de loer scheen te liggen, gereed om hare levenskrachten te ondermijnen. Trok ik, na een half dozijn bedeesde belletjes wat ongeduldig aan de schel en kwam zij eindelijk—waarop ik volstrekt niet vast kon rekenen—dan ontstelde ik van haar verwijtenden blik; zij zonk dan gewoonlijk ademloos op den eersten stoel, die binnen haar bereik stond, legde de hand op haar nankingschen boezem en werd zoo naar, dat ik blijde was als ik haar, met opoffering van wat brandewijn of iets dergelijks, weer de deur uit zag gaan. Maakte ik de opmerking dat vijf uur des avonds een zeer ongeschikt tijdstip was voor het opmaken van mijn bed, dan was eene handbeweging naar den nankingschen zetel van gekwetste gevoeligheid voldoende, om mij mijne verontschuldigingen te laten aanbieden.—Kortom, ik zou—langs eerlijken weg natuurlijk—liever alles gedaan hebben dan juffrouw Crupp te kwetsen; ik was bang voor haar.
Ik kocht ergens uit de tweede hand een stommeknecht voor het diner, liever dan denzelfden handigen jongen man weder te huren; ik had een vooroordeel tegen hem opgevat, nadat ik hem op een Zondagmorgen was tegengekomen in een vest, dat eene merkwaardige gelijkenis had met één van mij, waarnaar ik sinds het laatste feest te vergeefs gezocht had. Het „kleine meisje” werd opnieuw aangenomen op de uitdrukkelijke voorwaarde echter, dat zij niets zou doen dan de schotels binnen brengen en daarna weder zou verdwijnen en op het portaal wachten; zoodat de gewoonte, die zij zich eigen gemaakt had om voortdurend den neus op te halen, voor de gasten niet merkbaar was en zij geen gevaar liep om bij achterwaartsche bewegingen op de borden te trappen.
Nadat ik de ingrediënten voor een punchbowl had gereed gezet, die mijnheer Micawber zou maken; na voor een fleschje eau de lavende, twee waskaarsen, een lood spelden en een speldenkussen gezorgd te hebben, opdat mevrouw Micawber in de gelegenheid zou zijn aan mijne waschtafel haar toilet te maken, tot welk doel ook de kachel op mijne slaapkamer was aan gelegd—men kon niet weten of mevrouw Micawber na het middagmaal ook een oogenblik zou willen rusten—en na eigenhandig het tafellaken uitgespreid te hebben, wachtte ik met gelatenheid de dingen af, die komen zouden.
Op het vastgestelde uur kwamen mijn drie gasten te zamen aan. Mijnheer Micawber's overhemd was nog grooter dan gewoonlijk en hij had een nieuw koordje aan zijn lorgnet; mevrouw Micawber's muts was in een licht grijs papier gewikkeld en werd door Traddles gedragen, die tevens mevrouw Micawber een arm had aangeboden. Zij vonden allen mijne kamers even mooi, en toen ik mevrouw Micawber voor mijn waschtafel bracht en zij zag hoe ik alles tot haar gerief had ingericht, was zij zoo verrukt, dat zij haar echtgenoot binnenriep om te komen kijken.
„Mijn beste Copperfield,” sprak hij, „dat is alles zeer weelderig ingericht en herinnert mij aan den tijd, toen ik zelf nog celibatair was en mevrouw Micawber nog niet gesmeekt was op Hymen's altaar eeuwige trouw te zweren.”
„Hij bedoelt, ‚door hem gesmeekt was,’ mijnheer Copperfield,” zei mevrouw Micawber met een schalksch lachje, „wat anderen gedaan hebben, kan hij niet weten.”
„Lieve,” antwoordde mijnheer Micawber, die plotseling ernstig was geworden, „wat anderen gedaan hebben, behoef ik ook niet te weten. Ik begrijp het maar al te goed dat, wijl gij door het onnaspeurlijk noodlot voor mij bewaard werdt, gij bewaard zijt voor iemand, wiens bestemming is om na eene langdurige worsteling eindelijk te vallen als het slachtoffer van de meest ingewikkelde geldelijke beslommeringen. Ik begrijp uwe toespeling, lieve, en betreur die, maar kan ze dragen.”
„Micawber!” riep zijne vrouw uit terwijl zij in tranen uitbarstte. „Heb ik dat verdiend? Ik, die u nooit verlaten heb en u nimmer verlaten zal, Micawber!”
„Lieve!” hernam mijnheer Micawber, hevig ontroerd, „gij zult het mij vergeven en onze oude, beproefde vriend Copperfield zal het mij ook vergeven, daarvan ben ik overtuigd, dat ik een oogenblik lucht gaf aan mijn overkropt gemoed, nu het overliep tengevolge van eene zoo even plaats gehad hebbende onaangenaamheid met een gunsteling van het gezag.... kortom met een brutalen kraanafsluiter van de waterleidingmaatschappij—gij zult mijne in overijling uitgesproken woorden vergeven, niet veroordeelen.” Daarna omhelsde mijnheer Micawber zijne vrouw en bood mij de hand; terwijl hij het aan mij overliet om uit zijne woordspeling op te maken, dat de kraan van de waterleiding dien morgen was afgesloten, omdat hij in gebreke was gebleven het gebruikte water te betalen.
Ten einde aan zijne sombere gedachten eene andere richting te geven, vertelde ik hem, dat ik op zijne hulp gerekend had voor het toebereiden van een punch-bowl en bracht hem bij de citroenen. In een oogwenk was zijne neerslachtige, zoo niet wanhopige stemming geweken. Nooit zag ik iemand zich zoo vergasten aan schijfjes citroen, suiker, brandende rhum en kokend water als mijnheer Micawber dien namiddag. Het was vermakelijk zijn bolrond gelaat te zien blinken tusschen de wolk van geurige dampen, die omhoog steeg; men zou eerder gemeend hebben, dat hij bezig was een fortuin te regelen voor zich zelven en zijn verste nageslacht dan een eenvoudigen punch-bowl te mengen. En Mevrouw Micawber? Ik weet niet of het ten gevolge van de muts was, of van de eau de lavende, of van de spelden, of van de warme kamer en de waskaarsen, maar toen zij weder binnenkwam, zag zij er bepaald lief uit. En geen leeuwerik was ooit vroolijker dan deze uitnemende vrouw.
Ik onderstel—ik heb er nooit naar durven vragen, zoodat ik slechts kan onderstellen—dat juffrouw Crupp na het bakken van de visch onwel is geworden. Hoe het zij, de schapebout werd binnengebracht, bleek van buiten, en rood van binnen; bovendien was ze bestrooid met eene gruisachtige zelfstandigheid, zoodat het vermoeden gewettigd was, dat ze in de asch van die merkwaardige keukenkachel gevallen was. Uit de jus konden wij deze gevolgtrekking echter niet maken, want het weinigje, dat er bij was geweest, was door „het meisje” op de trap gemorst, waar ze bleef liggen tot ze er afgeloopen was. De duivenpastei was niet slecht, maar eigenlijk geen pastei; de korst was als een hoofd, dat bij nader onderzoek teleurstelt; ze was vol bulten en knobbels, maar er zat niets bijzonders in. Kortom, het diner was zoo totaal mislukt, dat ik me diep ongelukkig zou gevoeld hebben—over het mislukken, bedoel ik, want ik voelde mij voortdurend ongelukkig over Dora—indien de bijzonder opgeruimde stemming van mijne gasten en een prachtig voorstel van Mijnheer Micawber mij niet opgewekt hadden.
„Mijn waarde vriend Copperfield,” zei hij, „in de best geregelde huishoudens heeft wel eens een ongeluk plaats en in huishoudens, waarin die alles doordringende geest ontbreekt, die geest, welke zijn heiligenden invloed... kortom, waarin geen vrouw aan het roer zit, die den verheven titel van huisvrouw draagt, moeten ze meermalen voorkomen en met lankmoedigheid gedragen worden. Indien gij mij wilt veroorlooven de vrijheid te nemen om te doen opmerken, dat er weinig gerechten in hunne soort beter zijn dan een zoogenaamde „duivel” en dat wij, eene behoorlijke verdeeling van arbeid in acht nemende, naar mij voorkomt, een voortreffelijke zouden kunnen verschaffen, indien dit meisje ons een rooster kan bezorgen: ik verzeker u, dat het kleine ongelukje dan uitstekend zal zijn te verhelpen.”
In de provisiekamer stond een klein rooster, waarop des morgens het spek voor mijn ontbijt werd geroosterd. Wij haalden dien terstond op en gingen zonder dralen aan het werk om mijnheer Micawber's plan te verwezenlijken. De verdeeling van arbeid, waarover hij gesproken had, was de volgende: Traddles sneed de schapebout in schijven; mijnheer Micawber, wien niemand dit zou verbeterd hebben, bestrooide ze met peper, mosterd, zout en cayennepeper; ik legde ze op een rooster, keerde ze met een vork om en nam ze er, op mijnheer Micawber's aanwijzing, af; terwijl mevrouw Micawber voortdurend zat te roeren in een pannetje met champignonsaus. Toen wij schijven genoeg hadden om mede te beginnen, vielen wij er met opgestroopte mouwen op aan, terwijl er voortdurend meer schijven op het vuur werden gelegd, zoodat wij onze aandacht moesten verdeelen tusschen die op ons bord en die op den rooster.
Het eigenaardige van zulk een gebak en gerooster, de uitmuntende resultaten, de drukte, het voortdurend opspringen om naar de kachel te gaan, het telkens weer neervallen op onze stoelen, wanneer de schijven knappend en sissend van den rooster op onze borden waren gelegd, het heete vuur, het rumoer en de uitlokkende geur, alles te zamen was zoo opwekkend, dat er al heel spoedig niets meer van de schapebout was overgebleven dan het kale bot. Mijn eigen eetlust was op merkwaardige wijze teruggekeerd. Ik schaam mij het te bekennen, maar ik geloof dat ik Dora gedurende eenigen tijd vergat. Ik geloof niet dat mijnheer en mevrouw Micawber met meer smaak gegeten zouden hebben, al hadden zij er een bed voor verkocht. Traddles lachte bijna onophoudelijk, zoowel etende als werkende. En dat deden wij allen zonder onderscheid, zoodat ik durf zeggen dat zelden een plan zoo goed is kunnen slagen.
Te midden van onze vroolijkheid, terwijl wij nog druk bezig waren, ieder in zijn eigen departement, en ons best deden om de laatste schijven tot eene volmaaktheid te brengen, die de kroon zou zetten op het geheele feest, bespeurde ik plotseling dat er iemand de kamer was binnengekomen, en toen ik mij omkeerde, keek ik in de strakke oogen van Littimer, die met den hoed in de hand voor mij stond.
„Wat is er aan de hand?” vroeg ik onwillekeurig.
„Excuseer, mijnheer; men heeft mij hierheen verwezen. Is mijnheer Steerforth niet hier?”
„Neen.”
„Hebt gij mijnheer Steerforth niet gezien?”
„Neen; komt gij dan niet van mijnheer?”
„Niet direct, mijnheer.”
„Heeft mijnheer gezegd dat gij hem hier zoudt vinden?”
„Niet bepaald, mijnheer. Ik vermoed echter dat mijnheer morgen wel hier zal komen, indien hij er heden niet geweest is.”
„Komt mijnheer uit Oxford?”
„Wil mijnheer zoo goed zijn plaats te nemen,” antwoordde hij op eerbiedigen toon, „en mij veroorloven dit werk te doen.” Te gelijker tijd nam hij mij de vork uit de hand—ik dacht aan geen tegenstribbelen—en boog zich over den rooster, alsof hij al zijne aandacht op de laatste schijven gevestigd had.
Ware Steerforth zelf binnengekomen, dan zouden wij ons geen oogenblik hebben laten storen, maar tegenover dezen hoogst fatsoenlijken knecht waren wij in een oogenblik zoo bedeesd als jongejuffrouwen. Mijnheer Micawber was, een deuntje neuriënd om te toonen dat hij zich zeer op zijn gemak voelde, achter in zijn stoel gaan zitten, terwijl het handvat van een haastig weggeborgen vork uit zijn borstzak stak, alsof hij zich daarmede had doorstoken. Mevrouw Micawber trok hare bruine handschoenen aan en deed haar best eene zekere voorname onverschilligheid ten toon te spreiden. Traddles streek met zijne vettige vingers door zijne haren, zoodat deze rechtop bleven staan, en staarde verlegen op het tafellaken. En ik zelf? Ik geleek een hulpeloos kind aan het hoofd van mijn eigen tafel en durfde nauwelijks een blik slaan op de uiterst fatsoenlijke verschijning, die daar uit den hemel nedergedaald scheen te zijn om wat orde te brengen in mijn huishouden.
Intusschen had hij reeds het vleesch van den rooster genomen en rondgediend. Wij namen er allen wat van, maar de aardigheid was er af en wij hielden ons maar of wij er van aten. Toen wij onze borden de een na den ander wegschoven, nam hij ze zonder eenig gedruisch van de tafel op en zette de kaas gereed; nadat allen een stukje genomen hadden, nam hij ook die weer weg, ruimde de tafel op, zette alles op den stommeknecht bijeen, gaf ons de wijnglazen en bracht, zonder eenige aanwijzing te vragen, den stommeknecht in de provisiekamer. Hij deed dit alles op onberispelijke wijze, zonder een enkele maal de oogen van zijn werk op te slaan en toch, zelfs zijn ellebogen schenen mij te zeggen dat ik nog erg jong was.
„Kan ik nog iets voor u doen, mijnheer?”
Ik bedankte hem en zei: „Neen”, maar vroeg of hij zelf niet wat wilde gebruiken.
„Neen, mijnheer, wel verplicht.”
„Komt mijnheer Steerforth van Oxford?”
„U zegt, mijnheer?”
„Komt mijnheer Steerforth van Oxford?”
„Ik onderstel dat mijnheer morgen hier zal komen. Ik meende dat mijnheer vandaag al hier zou zijn geweest. Zonder twijfel is de vergissing aan mijn kant, mijnheer.”
„Mocht gij mijnheer eerder zien dan ik”—zei ik.
„Neem mij niet kwalijk, mijnheer, maar ik geloof niet dat ik mijnheer eerder zien zal.”
„Mocht dit zoo zijn,” antwoordde ik, „dan verzoek ik u mijnheer te zeggen dat het mij spijt hem vandaag niet bij mij te hebben gehad, omdat er een schoolkameraad van hem hier was.”
„Zoo, waarlijk, mijnheer!” Hij verdeelde zijne buiging tusschen mij en Traddles, met een glimlach naar laatstgenoemde.
Reeds was hij op zijne gewone zachte manier op weg naar de deur, toen ik in de ijdele hoop om iets op natuurlijken toon tot dien man te zeggen—dat mij maar niet kon gelukken—riep:
„O, ja, Littimer!”
„Mijnheer!”
„Zijt gij nog lang in Yarmouth gebleven?”
„Niet zoo heel lang, mijnheer.”
„Hebt gij de schuit nog geheel gereed gezien?”
„Ja, mijnheer, ik bleef immers achter met het doel om de schuit te zien gereed maken.”
„Ja, dat weet ik!”—Hij keek mij met een zekeren eerbied aan.—„Heeft mijnheer Steerforth de schuit al gereed gezien?”
„Ik kan het u niet zeker zeggen. Ik denk het wel—maar weet het niet zeker, mijnheer. Goeden avond, mijnheer.”
De buiging, die hij maakte, was voor allen te zamen bestemd en daarna verdween hij. Mijne gasten schenen ruimer adem te halen toen hij weg was, maar ik zelf voelde mij ook duizend pond lichter; want behalve het gevoel van minderheid, dat mij in tegenwoordigheid van dien man altijd beklemde, plaagde mijn geweten mij, omdat ik een blijk van wantrouwen in zijn meester had gegeven en was het mij niet mogelijk een gevoel van angst te onderdrukken, dat hij het opgemerkt zou hebben. Hoe kwam het toch dat ik, die zoo weinig te verbergen had, in tegenwoordigheid van dien man altijd vreesde, op het een of ander betrapt te zullen worden?
Mijnheer Micawber wekte mij uit mijne overpeinzing, waarin een knagend gevoel van angst zich mengde voor eene ontmoeting met Steerforth, door den afwezigen Littimer een allerfatsoenlijkst man en het puikje van alle heereknechten te noemen. Ik moet hier nog bijvoegen, dat mijnheer Micawber zich het leeuwendeel van de algemeene buiging toegeëigend en met eene zekere nederbuigende vriendelijkheid beantwoord had.
„Wel, beste Copperfield,” sprak hij, „punch is als de tijd en het getij, zij wacht op niemand. Op het oogenblik is ze volmaakt. Wilt gij uw oordeel er eens over uitspreken, lieve?”
Mevrouw Micawber vond ze uitmuntend.
„Indien mijnheer Copperfield mij deze vrijheid wil veroorloven,” ging mijnheer Micawber voort, „dan zal ik drinken op de herinnering aan de dagen, toen hij en ik jonger waren en ons te zamen door de wereld moesten slaan.” Daarna dronk hij zijn glas ledig en wij volgden dit voorbeeld. Traddles was blijkbaar zeer verwonderd te vernemen, dat er een tijd geweest was, waarin mijnheer Micawber en ik te zamen den strijd om het bestaan zouden gevoerd hebben.
„Ahem!” deed mijnheer Micawber. „Nog een glaasje, lieve?”
„Een half glas,” antwoordde mevrouw Micawber; maar dat wilden wij niet toestaan, zoodat het een vol glas werd.
„Nu wij hier zoo vertrouwelijk bij elkander zitten, Copperfield,” sprak mevrouw Micawber, kleine teugjes uit haar glas nemende,—„mijnheer Traddles behoort als het ware tot de onzen—zou ik gaarne eens uw oordeel kennen over de vooruitzichten van mijnheer Micawber. De granen—ik heb dat reeds meer dan eenmaal aan mijnheer Micawber gezegd—dat mag zeer fatsoenlijk zijn, winstgevend is het niet. Een commissieloon van twee shilling en negen stuivers in veertien dagen kan, hoe weinig eischend wij ook zijn mogen, onvoldoende geacht worden.”
Wij stemden dit allen toe.
„Welnu,” ging mevrouw Micawber voort, trotsch op haar helder inzicht in de zaken, waardoor zij haar echtgenoot met echt vrouwelijke wijsheid op den rechten weg hield, waarvan hij anders wellicht nu en dan zou zijn afgedwaald, „dan doe ik, zooals van zelf spreekt, deze vraag: Indien de granen niets opleveren, waarin dan? In de steenkolen? Ook niet! Wij hebben op raad van onze famillie de proef genomen in de steenkolen en zijn bedrogen uitgekomen.”
Mijnheer Micawber leunde met de handen in de zakken achterover in zijn stoel, knikte nu en dan eens met zijn hoofd, keek ons beurtelings aan en gaf door zijne geheele houding te kennen, dat, naar zijn oordeel, de zaak uitmuntend werd voorgedragen.
„Granen en steenkolen,” ging mevrouw Micawber in haar gewonen betoogtrant voort, „moeten dus geheel buiten beschouwing blijven, mijnheer Copperfield; wat is dus natuurlijker dan dat ik in de wereld rondkijk en zeg: Waarin zou een man met mijnheer Micawber's talenten dan wel fortuin kunnen maken? Ik sluit daarbij alle commissiehandel uit, want die geeft nooit zekerheid. Ik ben overtuigd dat iemand met mijnheer Micawber's eigenaardig karakter zekerheid hebben moet.”
Traddles en ik gaven beiden door een goedkeurend gemompel te kennen, dat deze groote ontdekking zonder twijfel eene even groote waarheid was en mijnheer Micawber tot eer strekte.
„Ik zal voor u, Copperfield, niet verhelen,” vervolgde mevrouw Micawber, „dat ik reeds eenigen tijd er over gedacht heb of de bierbrouwerij niet bijzonder geschikt zou zijn voor iemand als mijnheer Micawber. Daar hebt gij Barclay en Perkins! Truman, Hanbury en Buxon! Het brouwersvak neemt in den laatsten tijd zulk een hooge vlucht, dat mijnheer Micawber—ik zeg dit omdat ik hem zoo goed ken—daarin zonder twijfel zou uitblinken en, naar men mij verteld heeft, moet er ontzaglijk veel geld mede verdiend worden! Maar als mijnheer Micawber geen deelgenoot in een dezer firma's kan worden—zijne brieven, waarin hij zich zelfs als ondergeschikte aanbood, zijn niet eens beantwoord—wat baat het ons dan om aan zulk een denkbeeld te blijven hangen? Niets! Ik mag al de overtuiging koesteren dat mijnheer Micawber's talenten.....”
„Hm! waarlijk, lieve,” zoo viel mijnheer Micawber haar in de rede.
„Stil, beste,” hernam zijne echtgenoote, terwijl zij haar bruinen handschoen op zijn arm legde, „ik mag al de overtuiging hebben, mijnheer Copperfield, dat mijnheer Micawber's talenten hem zeer geschikt doen zijn voor eene bankierszaak; ik mag al zeggen dat, indien ik geld bij een bankier had gedeponeerd, mijnheer Micawber mij, als vertegenwoordiger van dat bankiershuis, vertrouwen zou inboezemen; maar als geen der bankiershuizen wil partij trekken van mijnheer Micawber's bekwaamheden, ja, indien zij zelfs zijn aanbod om daarvan partij te trekken met minachting van de hand slaan, wat baat het ons dan op dat denkbeeld te blijven staan? Niets! En zelf een bankiershuis oprichten? Ja, ik weet dat er leden in mijne familie zijn, die, indien zij hun geld in handen van mijnheer Micawber wenschten te geven, zeer goed de grondstoffen voor een bankiershuis zouden kunnen leveren. Maar indien zij dat niet wenschen—en zij wenschen het niet—wat baat het dan! Ik beweer dus dat wij nog even ver zijn als zoo even.”
Ik knikte en zei: „Nog even ver.” En Traddles knikte ook en zei: „Nog even ver.”
„Wat moet ik nu daaruit afleiden?” vervolgde mevrouw Micawber, nog steeds zich beijverend om heel duidelijk te zijn. „Wat is de slotsom, mijn beste Copperfield, waartoe ik onherroepelijk komen moet? Heb ik ongelijk als ik zeg: het is duidelijk dat wij moeten leven?”
„Neen, volstrekt niet,” antwoordde ik en ook Traddles antwoordde: „Neen volstrekt niet,” en ik voegde er later nog heel wijsgeerig bij, dat iemand moest leven of sterven.
„Juist,” riep mevrouw Micawber uit. „Dat is het juist. Maar het is ook een feit, beste Copperfield dat wij niet kunnen leven indien zich niet spoedig iets opdoet, geheel verschillend van onze tegenwoordige omstandigheden. Ik ben echter overtuigd en ik heb dit mijnheer Micawber in den laatsten tijd verscheidene malen onder het oog gebracht, dat zich uit zichzelf niets kan opdoen. Wij moeten tot op zekere hoogte helpen om zich iets te laten opdoen. Het is mogelijk dat ik het mis heb, maar het is en blijft mijne overtuiging.”
Traddles en ik verklaarden dat wij het beiden volkomen met haar eens waren.
„Welnu,” vervolgde mevrouw Micawber, „welken raad zal ik dan geven? Hier is mijnheer Micawber met eene groote verscheidenheid van bekwaamheden, met vele talenten....”
„Waarlijk, lieve,” viel mijnheer Micawber in.
„Och, beste, laat mij uitspreken. Hier is mijnheer Micawber met eene groote verscheidenheid van bekwaamheden, met vele talenten.... met genie, zou ik bijna zeggen, maar dat zou beschouwd kunnen worden als een partijdig oordeel, omdat ik zijne vrouw ben....”
Traddles en ik mompelden beiden: „Neen.”
„En hier is mijnheer Micawber zonder eenige voegzame betrekking of bezigheid. Wie draagt daarvan de verantwoordelijkheid? De maatschappij natuurlijk. Ik zou daarom zulk een schandelijk feit bekend willen maken en van de maatschappij willen eischen zulk eene onrechtvaardigheid weg te nemen. Het komt mij voor, Copperfield,” ging zij met verheffing van stem voort, „dat mijnheer Micawber der maatschappij den handschoen moet toewerpen en zeggen: ‚Laat mij nu eens zien wie dien durft oprapen! Ik ben onmiddellijk tot zijn dienst.’”
Ik waagde de vraag hoe mijnheer Micawber dit moest aanleggen.
„Door te adverteeren,” antwoordde mevrouw Micawber, „door te adverteeren in alle couranten. Het komt mij voor, dat, om recht te laten wedervaren aan zichzelven, aan zijne familie, ja, ik durf zeggen aan de maatschappij, die hem tot heden toe niet heeft willen begrijpen, mijnheer Micawber in alle couranten moet adverteeren; hij moet eene beschrijving geven van zichzelven, van zijne bekwaamheden en dan vervolgen: En nu, wie wil op gunstige voorwaarden van deze bekwaamheden gebruik maken? Adres franco brieven, W. M. postkantoor Camden Town.”
„Dit denkbeeld van mevrouw Micawber, mijn beste Copperfield,” zoo nam mijnheer Micawber nu het woord, terwijl hij zijne boorden onder de kin naar elkaar trok en ons van ter zijde aankeek, „is eigenlijk de sprong, waarover ik u sprak, toen ik het genoegen had u weder te ontmoeten.”
„Adverteeren kost veel geld,” deed ik aarzelend opmerken.
„Ja, zeker!” zei mevrouw Micawber op denzelfden redeneertoon. „Dat is zeer waar beste Copperfield! Ik heb dezelfde opmerking aan mijnheer Micawber gemaakt. Voornamelijk om die reden meen ik ook dat mijnheer Micawber—zooals ik reeds zeide om zich zelven, zijne familie en de maatschappij recht te laten wedervaren—een sommetje moest opnemen—op een wisseltje bij voorbeeld.”
Mijnheer Micawber, die in zijn stoel achterover leunde, speelde met zijn lorgnet en keek naar de zoldering, hoewel hij, als ik mij niet bedroog, tevens een zijdelingschen blik naar Traddles wierp.
„Indien geen enkel lid van mijne familie,” hernam mevrouw Micawber, „welwillend genoeg is om dat wisseltje aan te nemen—ik meen dat er een koopmansterm bestaat om uit te drukken wat ik bedoel.....”
Met de oogen nog steeds op de zoldering gevestigd, zei mijnheer Micawber: „honoreeren”.
„Dat wisseltje te honoreeren,” hernam mevrouw Micawber, „dan moet mijnheer Micawber, volgens mijne opinie, naar de City gaan en trachten zooveel geld er op te krijgen als men er voor geven wil. Moet mijnheer Micawber zich daartoe groote opofferingen getroosten dan is dit eene zaak, die de heeren van de Beurs met hun geweten in het reine moeten brengen. Ik beschouw het als eene goede geldbelegging en ik raad mijnheer Micawber dat ook te doen, beste Copperfield; ik raad hem dit als eene solide geldbelegging te beschouwen, die zonder twijfel winst moet afwerpen, waarom hij zich gerust elke opoffering getroosten kan.”
Ik begreep, maar ik ben er zeker van dat ik niet wist waarom, dat het plan door mevrouw Micawber geopperd, voortsproot uit hare trouwe, zelfopofferende liefde voor haar echtgenoot en mompelde ook iets in dien geest. Traddles, die mijn voorbeeld in alles volgde, deed evenzoo en bleef in het vuur kijken.
„Ik wil,” hernam mevrouw Micawber, terwijl zij haar glas ledigde en haar fichu omdeed, hetgeen ik als een teeken beschouwde, dat zij naar mijne slaapkamer wilde gaan, „ik wil mijne opmerkingen aangaande mijnheer Micawber's finantiëele omstandigheden niet voortzetten. Aan uw gezelligen haard, Copperfield, en in tegenwoordigheid van mijnheer Traddles, die geheel tot de onzen behoort, al is zijne vriendschap van later dagteekening dan de uwe, kon ik niet nalaten u bekend te maken met den weg, dien ik mijnheer Micawber raad in te slaan. Ik voel dat het tijd wordt voor mijnheer Micawber om zich eens in te spannen en tevens—ik voeg dit er bij—zich eens te laten gelden en het komt mij voor dat de door mij voorgestelde weg de eenige is. Ik weet dat ik maar eene zwakke vrouw ben en dat het mannelijk geslacht gewoonlijk meer bevoegd geoordeeld wordt om in zulke aangelegenheden raad te geven; maar ik moet niet vergeten dat toen ik nog thuis bij papa en mama woonde, papa gewoon was te zeggen: ‚Emma is teer van gestel, maar zij heeft een inzicht in zaken zooals niemand.’ Ik weet wel dat papa's oordeel partijdig was, maar mijn plicht en mijn verstand verbieden mij aan zijne groote mate van menschenkennis te twijfelen.”
Na deze woorden stond zij op en aangezien zij doof bleef voor ons dringend verzoek om ons bij den punch-bowl haar aangenaam gezelschap te blijven schenken, geleidde ik haar naar mijne slaapkamer. Ik voelde op dit oogenblik dat zij eene edeldenkende vrouw was, eene vrouw, zooals er onder de Romeinsche vrouwen veel gevonden werden, die in tijden van algemeenen nood allerlei heldendaden verrichtten.
Onder den indruk van dit gevoel wenschte ik mijnheer Micawber geluk met den kostbaren schat, dien hij in zijne echtgenoote bezat. En Traddles volgde mijn voorbeeld. Mijnheer Micawber gaf ons een voor een de hand en bedekte daarna het gelaat met zijn zakdoek, waaraan meer snuif kleefde dan hij klaarblijkelijk vermoedde. Daarna keerde hij in de vroolijkste stemming naar de punch-kom terug.
Wat was hij welsprekend! Hij bracht ons aan het verstand, dat wij in onze kinderen herleven en dat onder den druk van geldelijke moeielijkheden elke vermeerdering van het aantal dubbel welkom is. Hij zeide, dat mevrouw Micawber eenigen tijd geleden aangaande dat punt in twijfel verkeerd had, maar dat hij haar twijfel op de vlucht gejaagd en haar gerustgesteld had. Hare familie was harer onwaardig en huldigde opvattingen, geheel verschillend met de zijne; zij mochten allen, wat hem betrof—ik herhaal zijn eigen woorden—naar den duivel loopen. Daarna hield mijnheer Micawber eene warme redevoering op Traddles, die, volgens hem, een aantal deugden bezat, waarop hij, Micawber, niet kon bogen, maar die hij, den Hemel zij dank, kon bewonderen. Hij sprak in gevoelvolle woorden over de jonge dame, schoon hem onbekend, wie Traddles vereerd had met zijne genegenheid, en die deze genegenheid beantwoordde door Traddles hare genegenheid te schenken en tot een gelukkigen sterveling te maken. Mijnheer Micawber dronk op hare gezondheid en ik volgde zijn voorbeeld. Traddles beantwoordde dezen toost met een eenvoud en eene oprechtheid, die mij nog meer voor hem innamen, zeggende: „Ik betuig u beiden mijn hartelijken dank en ik kan u verzekeren, dat zij het liefste meisje van de wereld is.”
Mijnheer Micawber nam daarop de eerste gunstige gelegenheid te baat, om op de meest kiesche wijze en zoo plechtstatig mogelijk naar den toestand van mijn hart te informeeren. Niets dan de plechtige verzekering van het tegendeel uit den mond van zijn vriend Copperfield zelven, zoo verzekerde hij, kon hem den indruk ontnemen, dat zijn vriend Copperfield beminde en bemind werd. Na eenigen strijd met mijn bloed, dat mij gloeiend heet naar de wangen stroomde; na eenige malen eene ontkenning gestameld te hebben, nam ik met een gloeienden blos mijn glas op en zei: „Welnu, ik drink op de gezondheid van D.!” Mijnheer Micawber geraakte over deze woorden in zulk eene opgewondenheid, dat hij met zijn glas in de hand mijne slaapkamer binnenstormde, ten einde mevrouw Micawber op de gezondheid van D. te laten drinken. En zij deed het met geestdrift en riep met schelle stem: „Bravo! bravo! Beste Copperfield! Wat ben ik daar blijde om! Bravo!” en bij wijze van applaus klopte zij tegen den muur.
Daarna nam ons gesprek eene meer prozaïsche wending. Mijnheer Micawber vertelde ons dat Camden Town hem volstrekt niet beviel en dat het eerste wat hij doen zou, indien zich naar aanleiding van zijne advertentie iets opdeed, zou zijn: verhuizen. Hij sprak over eene woning aan het Westelijk uiteinde van Oxford Street tegenover Hyde Park, waarop hij reeds langen tijd het oog had; het was echter niet te verwachten, voegde hij er bij, dat hij terstond zoo groot zou kunnen beginnen, omdat hij zich dan op te kostbaren voet zou moeten inrichten. Waarschijnlijk zou er eenigen tijd moeten verloopen, gedurende welken hij zich zou moeten vergenoegen met een bovenhuis—in Piccadilly bijvoorbeeld—boven eene fatsoenlijken winkel of iets dergelijks. Piccadilly zou ook voor mevrouw Micawber een vroolijke stand zijn, en door een balcon te laten aanbrengen of nog eene verdieping er op te zetten en dergelijke veranderingen meer, zou men er eenige jaren genoegelijk kunnen wonen. Maar wat er ook voor hem mocht zijn weggelegd en waar hij zich ooit metterwoon zou vestigen, wij konden er vast op rekenen, dat er altijd een kamer voor Traddles en een mes en vork voor mij zouden te vinden zijn. Wij betuigden onze erkentelijkheid daarvoor, waarop hij zich verontschuldigde, omdat hij ons zoo lang over zijn eigen zaken en belangen had beziggehouden maar, zoo eindigde hij, het is te vergeven in iemand, die aan den vooravond staat van zulk eene geheel andere levenswijze.
Aangezien mevrouw Micawber op den muur klopte om te vernemen of de thee gereed was gezet, braken wij dit gedeelte van ons vriendschappelijk onderhoud af. Zij schonk thee voor ons en was de beminnelijkheid zelve; telkens wanneer ik bij haar kwam om een kopje of een bordje aan te nemen, vroeg zij mij op fluisterenden toon of D. blond of donker, klein of lang was en zoo al meer;—ik geloof dat deze vragen mij op dat oogenblik wel in eene aangename stemming brachten. Na de thee namen wij bij den haard plaats en behandelden nog een aantal verschillende onderwerpen; terwijl mevrouw Micawber zoo goed was met een mager, schel stemmetje, dat ik, als ik het mij goed herinner, bij flauw tafelbier vergeleek, eenige van haar meest geliefkoosde liederen voor te dragen. Mevrouw Micawber was bepaald beroemd geweest om hare liederen, toen zij nog bij haar papa en mama woonde, en mijnheer Micawber vertelde ons hoe zij daardoor reeds de eerste maal, dat hij onder haars vaders dak vertoefde, zijne aandacht getrokken had, en hij gedurende het luisteren naar de romance „de kleine Tafflin” besloten had hare hand te vragen of te sterven.
Tusschen tien en elf uur stond mevrouw Micawber op, pakte haar muts in hetzelfde papier, waarin zij die had medegebracht en begon haar hoed op te zetten; terwijl mijnheer Micawber van het oogenblik, dat Traddles zijn overjas aantrok, gebruik maakte om mij een brief in de hand te stoppen, met het fluisterend uitgesproken verzoek om dien eens op mijn gemak te lezen. Ik maakte van eene andere gelegenheid gebruik om Traddles iets in het oor te fluisteren. Terwijl ik namelijk over de leuning van de trap met eene kaars bijlichtte en mijnheer Micawber zijne echtgenoote behulpzaam was, hield ik Traddles een oogenblik staande.
„Traddles,” zei ik, „hij meent het niet kwaad, de arme drommel; maar als ik u was zou ik hem niets leenen.”
„Beste Copperfield,” antwoordde hij glimlachend, „ik bezit niets om te leenen.”
„Gij hebt toch een naam, begrijpt gij wel?”
„O! bedoelt gij dat?”
„Ja, zeker.”
„O!” hernam Traddles. „Ja, zeker, ik ben u zeer verplicht, Copperfield, voor uw raad, maar—ik geloof zeker dat ik hem dien reeds geleend heb.”
„Voor den wissel, die zulk eene goede geldbelegging moet worden?” vroeg ik.
„Neen,” antwoordde Traddles. „Daarvoor niet. Ik hoorde er van avond voor het eerst over spreken. Ik onderstel dat hij daarover op weg naar huis wel zal beginnen. Mijn naam staat onder een anderen.”
„Ik hoop toch dat gij er geen kwade gevolgen van zult ondervinden,” zei ik.
„Dat hoop ik ook,” zei Traddles. „Ik geloof het niet, want hij vertelde mij den volgenden dag, dat er voor gezorgd was. Ik herinner het mij zeer goed; hij zei anders niets dan ‚voor gezorgd’.”
Aangezien mijnheer Micawber juist op dit oogenblik naar boven keek, had ik nog slechts even de gelegenheid om mijne waarschuwing te herhalen. Traddles bedankte mij en ging de trap af. Toen ik hem echter, goedhartig als altijd, met de muts van mevrouw Micawber in de hand, deze een arm zag aanbieden, bekroop mij de vrees, dat hij tot over de ooren in de goede geldbeleggingen zou geraken.
Ik keerde naar mijn kachel terug en zat half ernstig, half lachend te peinzen over mijnheer Micawber's karakter en de oude betrekking tusschen ons, toen ik iemand met een haastigen stap de trap hoorde opkomen. In het eerste oogenblik meende ik dat Traddles terugkwam om iets te halen, dat door mevrouw Micawber vergeten was; maar toen de stap naderbij kwam, herkende ik dien van Steerforth. Mijn hart klopte hoorbaar en het bloed stroomde mij naar de wangen.
Ik had Agnes nog niet vergeten; zij behield in mijne gedachten altijd dezelfde eereplaats, die zij in het begin van mijn verblijf te Canterbury had ingenomen. Maar toen Steerforth binnentrad en voor mij stond met uitgestrekte hand, kwam er een gevoel van schaamte in mij op, omdat ik aan iemand, van wien ik zooveel hield, getwijfeld had. Toch bleef ik niet minder van Agnes houden; ik zag nog steeds in haar de vriendelijke, zegenende engel op mijn levensweg; ik verweet het mij zelven, haar niet, dat ik Steerforth onrecht had aangedaan en ik zou hem dat op alle mogelijke wijzen hebben willen vergoeden, indien ik maar geweten had wat ik doen moest en hoe ik het doen moest.
„Wel, Groentje, oude jongen, hoe staat gij daar zoo verbluft te kijken!” zei Steerforth lachend, terwijl hij mij de hand schudde. „Heb ik u weer op feestvieren betrapt, Sybariet, die gij zijt. Die heeren van Doctors' Commons zijn de vroolijkste lui uit de stad en schudden ons, suffe Oxforders, uit de mouw!” Zijn blik gleed opgeruimd de kamer rond, terwijl hij tegenover mij plaats nam op de canapee, die mevrouw Micawber juist verlaten had, en het vuur wat opporde.
„Ik was in het eerste oogenblik zoo verrast,” zei ik, terwijl ik hem zoo gastvrij mogelijk welkom heette, „dat ik nauwelijks genoeg adem had om u te begroeten, Steerforth!”
„Ja, het doet zieke oogen goed mij te zien, zooals men in Schotland zegt,” antwoordde Steerforth, „en het doet mij ook goed u te zien, zoo frisch en zoo bloeiend. Hoe maakt gij het, mijn drinkebroertje?”
„Uitstekend, maar van avond trek ik mij dien bijnaam niet aan, hoewel ik bekennen moet een feestje gehad te hebben.”
„Ja, ik ontmoette twee heeren en eene dame op straat, die luide uw lof verkondigden,” antwoordde Steerforth. „Wie was die vriend met de spanbroek?”
Ik gaf hem eene nauwkeurige beschrijving van mijnheer Micawber, waarom Steerforth hartelijk lachte. Hij zei, dat hij met dien man ongetwijfeld kennis moest maken.
„En wien denkt gij wel dat die tweede vriend was?” vroeg ik.
„Dat mag de Hemel weten!” antwoordde hij. „Toch geen vervelende vent? Hij zag er, dunkt mij, naar uit.”
„Dat is Traddles!” riep ik vol geestdrift.
„Wie?” vroeg Steerforth op zijne onverschillige manier.
„Herinnert gij u Traddles niet? Traddles, die ook op onze kamer lag op Salem House!”
„O, die jongen!” zei hij, met de pook een groot stuk steenkool tot gruizels slaande. „Is hij nog altijd even onnoozel? Waar, in 's Hemels naam, hebt gij hem teruggevonden?”
Ik hemelde Traddles zooveel ik kon op, want ik had het gevoel dat Steerforth een minachtend denkbeeld van hem koesterde. Blijkbaar stapte hij liever van dit onderwerp af. Hij glimlachte en knikte even en zei, dat het hem aangenaam zou zijn Traddles ook eens te ontmoeten, omdat hij hem altijd zulk een „rare Chinees” had gevonden. Daarna vroeg hij of ik ook iets te eten voor hem had, maar gedurende het geheele gesprek had hij, wanneer hij zelf niet op zijn gewonen levendigen toon aan het woord was, met den pook in het vuur zitten porren, en terwijl ik een restantje van de duivenpastei voor hem opdischte, bleef hij daarmede voortgaan.
„Maar, Groentje, dat is een koninklijk souper!” riep hij uit, plotseling de stilte verbrekende. „Ik zal er eer aan doen,” voegde hij er bij, „want ik kom juist uit Yarmouth.”
„Ik meende dat gij uit Oxford waart gekomen.”
„Wel neen,” zei hij, „ik ben op zee geweest—dat is veel gezonder!”
„Littimer is van avond hier geweest om naar u te vragen,” vertelde ik, „en ik heb van hem begrepen dat gij te Oxford waart; ofschoon, nu ik er goed over nadenk, heeft hij dit niet bepaald gezegd.”
„Littimer is nog grooter dwaas dan ik dacht; hij behoefde niet naar mij te komen vragen,” zei Steerforth, terwijl hij zich een glas wijn inschonk en op mijne gezondheid dronk. „Maar, Groentje, gij moet verstandiger zijn dan de meesten van ons, als gij hem begrijpen kunt.”
„Dat is waar, zeker,” antwoordde ik, terwijl ik mijn stoel wat dichter bij de tafel schoof. „En zijt gij dus in Yarmouth geweest, Steerforth?” vroeg ik. „Zijt gij daar lang geweest?” Ik stelde er genoeg belang in om alles te weten.
„Neen,” antwoordde hij. „Een uitstapje van een week ongeveer.”
„En hoe maken zij het allen? De kleine Emily is nog niet getrouwd, nietwaar?”
„Neen, nog niet. Over zooveel weken of maanden, geloof ik—maar dat weet ik niet juist. Ik heb hen niet dikwijls gezien. A propos,”—hij legde mes en vork neer en tastte in zijn jaszak—„ik heb een brief voor u meegebracht.”
„Van wien?”
„Wel, natuurlijk van uw oude kindermeid,” antwoordde hij, terwijl hij eenige papieren te voorschijn haalde. „J. Steerforth, Esquire, debet aan het.... neen, dat is het niet. Geduld maar, wij zullen hem wel vinden. De oude—hoe heet hij ook weer?—is er slecht aan toe, geloof ik.”
„Bedoelt gij Barkis?”
„Ja!” riep hij, al zoekende, „het raakt gedaan met den armen Barkis, vrees ik. Ik ontmoette daar een klein apothekertje of chirurgijn—dat is ook wel mogelijk—die UEdele in de wereld heeft geholpen. Hij vertelde mij allerlei geleerdheid over het geval, maar het resultaat van alles was, dat de voerman binnen eenige dagen zijne laatste reis zal maken.—Kijk eens in den binnenzak van mijn overjas, die ginds op den stoel ligt; daar zult gij den brief wel vinden. Is hij er in?”
„Ja, ik heb hem!” zei ik.
„Dan is alles in orde!”
De brief was van Peggotty, nog wat minder leesbaar dan gewoonlijk, maar heel kort. Zij beschreef mij den hopeloozen toestand van haar man en voegde er bij dat hij nog „knibbeliger” was dan gewoonlijk en het haar dientengevolge zoo moeilijk viel iets tot zijn eigen bestwil te doen. Er stond geen woord in over al de nachten, die zij wakend doorbracht, over hare moeilijke taak, neen, niets dan loftuitingen over hem. In alles straalde haar eenvoud, hare ongekunstelde, oprechte vroomheid door en de brief eindigde met de groeten aan haar „eeuwigen” lieveling, waarmede zij mij bedoelde.
Terwijl ik dat alles ontcijferde, ging Steerforth met zijn souper voort.
„Het is zeker slechte tijding,” zei hij, toen ik gereed was, „maar elken dag gaat de zon onder en elke minuut sterven er menschen; wij moeten ons niet verontrusten over het lot, dat allen treffen moet. Indien wij ons angstig maken over ons eigen lot, omdat te eeniger tijd de hand, die aan alle deuren aanklopt, zich ook aan de onze zal laten hooren, kunnen wij niets tot stand brengen. Neen! Voorwaarts! Altijd voorwaarts! Als het moet, in volle vaart; recht op het doel af! Over alle hindernissen heen! Dan eerst heeft men kans den prijs te winnen!”
„Welken prijs?” vroeg ik.
„Den prijs, waarvoor de wedren is begonnen,” antwoordde hij. „Altijd voorwaarts!”
Toen hij zweeg en mij, met het hoofd een weinig achterover en het glas in de hand, aankeek, maakte ik in mij zelven de opmerking—ik herinner mij dat zeer goed—dat al had de zeewind eene frissche kleur op zijn gelaat achtergelaten, er toch eene uitdrukking op lag, die ik er vroeger niet op had gezien; dat het sporen vertoonde van de eene of andere aanhoudende krachtsinspanning, waaraan hij zich zoo hartstochtelijk kon overgeven, wanneer de lust er toe eenmaal in hem was opgewekt. Ik dacht er over, hem eens te zeggen hoe verkeerd ik het vond op zoo doldriftige wijze iedere in hem opkomende gril na te jagen—zooals nu bijvoorbeeld weder dien inval, om in alle weer en wind de woeste zee te trotseeren—maar ik liet dit denkbeeld varen, om tot het eigenlijke onderwerp van ons gesprek terug te keeren.
„Als gij eens bedaard naar mij wilt luisteren, Steerforth, zal ik u iets vertellen,” sprak ik.
„O, zeker, gaarne,” antwoordde hij, terwijl hij zijn stoel van de tafel naar den haard schoof.
„Ik ben voornemens mijn oude Peggotty eens te gaan opzoeken. Wel kan ik haar niet behulpzaam zijn, maar zij is zoo aan mij gehecht, dat mijn bezoek haar zeker goed zal doen. Het zal haar verkwikken en wat moed geven in hare moeilijke taak. Zij is altijd zoo goed voor mij geweest en dit is het eenige dat ik voor haar doen kan. Zoudt gij het ook niet doen, als gij in mijne plaats waart?”
Hij bleef een oogenblik in gepeins verzonken zitten, eer hij, half binnensmonds, antwoordde: „Wel zeker. Ga er heen. Het kan geen kwaad.”
„Gij komt juist van Yarmouth terug; het zou dus vergeefsche moeite zijn u uit te noodigen om mij te vergezellen.”
„Onmogelijk! Ik ga van avond nog naar Highgate. Ik heb mijne moeder in langen tijd niet gezien. Mijn geweten knaagt, want het is waarlijk eenig zooals zij haar verloren zoon liefheeft.—Maar wat zit ik toch te bazelen! Gij zoudt natuurlijk morgen reeds willen gaan?” vroeg hij, terwijl hij beide handen op mijne schouders legde en mij op armslengte van zich af hield.
„Ja, dat was mijn plan.”
„Welnu, ga er dan overmorgen heen. Ik ben juist hier gekomen om u te vragen of gij een paar dagen bij ons wilt komen en nu vliegt gij weer op eens naar Yarmouth.”
„Gij moogt wel spreken van „vliegen”, gij, die geen dag rustig ergens blijven kunt en nauwelijks den eenen geheimzinnigen tocht achter den rug hebt of gij verzint weer wat anders.”
Hij keek mij eenige oogenblikken aan zonder te antwoorden, terwijl hij mij nog steeds op dezelfde wijze vasthield.
„Kom! Zeg overmorgen, en breng morgen den dag bij ons door! Wie weet wanneer wij elkander zullen terugzien! Kom! Zeg overmorgen! Ik heb u noodig om mij van Rosa Dartle te scheiden.”
„Zoudt gij elkaar anders al te innig liefhebben?”
„Ja—of haten,” zei Steerforth; „maar dat blijft hetzelfde. Kom, zeg overmorgen!”
Ik zei: „overmorgen” en daarop trok hij zijne overjas aan, stak een nieuwe sigaar op en ging heen. Ziende dat het hem ernst was om nu nog te vertrekken, trok ik ook mijne overjas aan—ik stak echter geen sigaar op, want ik had aan die ééne genoeg gehad—en bracht hem tot op den straatweg. Wat zag die weg er bij nacht eenzaam en verlaten uit! Steerforth was vroolijker dan ooit en toen wij afscheid hadden genomen, zag ik hem zoo moedig en luchtig daar heenstappen, dat ik niet kon nalaten aan zijn woorden te denken: „Voorwaarts! Over alle hindernissen heen! Dan eerst wint men den prijs!” Voor de eerste maal wenschte ik hem toe, dat het doel zijner waardig zijn zou.
Terwijl ik mij op mijne kamer uitkleedde, viel de brief van mijnheer Micawber voor mij op den grond. Ik verbrak het zegel en begon te lezen. Hij was gedateerd: anderhalf uur voor ons diner.—Ik weet niet of ik reeds heb meegedeeld, dat mijnheer Micawber in zijne wanhopigste buien een zekeren stijl gebruikte, waaraan hij de kracht scheen toe te kennen om zijne zaken in eens te regelen.
De brief luidde:
„Mijnheer! (ik durf niet schrijven: Waarde Copperfield).
Ik ben verplicht u mede te deelen, dat ondergeteekende vernietigd is. Wellicht zult gij heden nu en dan eene poging van hem waarnemen, om u eene ontijdige bekentenis van zijn jammerlijken toestand te besparen; maar al mijn hoop is tot beneden den horizon gedaald—de ondergeteekende is vernietigd.
Dit schrijven wordt op papier gebracht in tegenwoordigheid—ik kan niet zeggen in gezelschap—van een persoon, die in een voortdurenden staat van dronkenschap verkeert en in dienst is van een deurwaarder. Deze persoon is in het wettig bezit van een dwangbevel betreffende de huurpenningen van mijne tegenwoordige woning. Zijn inventaris bevat niet alleen alle roerende goederen, die den ondergeteekende als huurder van deze woning op eene overeengekomen jaarlijks te betalen som, toebehooren, maar ook die van Mr. Thomas Traddles, commensaal, lid van de „Honourable Society of the Inner Temple.”
Indien er nog een droppel alsem mocht ontbreken in den beker, dien ondergeteekende—zoo sprak een onsterfelijk schrijver—naar de lippen wordt gebracht, dan zal die zeker gevonden worden in de noodlottige omstandigheid, dat voorvermelde Mr. Thomas Traddles borg gebleven is voor de som van 23 pond, 4 shillingen 9½ stuiver en dat hiervoor niet is gezorgd. Het feit zal zich dus ‚opdoen’ dat bij alle verplichtingen, die ondergeteekende op zich genomen heeft, nog een tweede slachtoffer de dupe zal worden; want de wissel, hiervoren bedoeld, moet verschijnen—om ronde getallen te noemen—binnen zes maanden na den dag van heden.
Na deze premissen zou het overdaad zijn hier nog bij te voegen, dat er voor eeuwig stof en asch is gestrooid op het hoofd van
Wilkins Micawber.”
Arme Traddles! Ik kende mijnheer Micawber voldoende om te weten, dat hij dezen slag wel zou te boven komen; maar mijn nachtrust werd op jammerlijke wijze verstoord, omdat ik voortdurend moest denken aan Traddles en aan de domineesdochter, die er eene was van tien en in Devonshire woonde en die zulk een lief meisje was en op Traddles zou wachten—welk een vooruitzicht!—al werd zij zestig jaar!