Dienzelfden avond nog stapte ik aan de herberg te Yarmouth af. Ik wist dat Peggotty's kleine kamertje—mijn kamertje—waarschijnlijk al heel spoedig in gebruik zou moeten worden genomen, wanneer de groote Gast, voor wien al wat leeft moet plaats maken, zijn intrek in de woning nemen zou; ik ging dus naar de herberg en bestelde daar een kamer.
Te tien uur 's avonds ging ik uit. Reeds waren vele winkels gesloten en de straten eenzaam en verlaten. Toen ik bij Omer en Joram kwam, waren de luiken reeds voor de ramen, maar de deur stond nog open. Ik zag mijnheer Omer met de pijp in den mond bij de kamerdeur zitten, ging den winkel binnen en vroeg hoe hij het maakte.
„Wel, heb ik nu ooit van mijn leven!” riep mijnheer Omer, „hoe staat het met uw eigen gezondheid? Ga zitten. De rook hindert u immers niet?”
„Volstrekt niet,” antwoordde ik. „Ik houd er veel van—uit de pijp van een ander tenminste.”
„Wat, rookt gij zelf niet?” vroeg mijnheer Omer lachend. „Zooveel te beter, mijnheer. Een slechte gewoonte voor jonge menschen. Ga zitten. Ik moet wel rooken—tegen het asthma.”
Mijnheer Omer was opgestaan om mij een stoel aan te bieden. Thans zat hij weer geheel buiten adem, terwijl hij aan zijn pijp trok, alsof daarin het heulsap verborgen was, dat hem in het leven moest houden.
„Het spijt mij, dat ik zulke slechte tijding omtrent Barkis gekregen heb,” zei ik.
Mijnheer Omer keek mij strak aan en schudde het hoofd.
„Hebt gij van avond ook iets omtrent hem gehoord?” vroeg ik.
„Ik had u dezelfde vraag willen doen, mijnheer,” antwoordde mijnheer Omer, „maar ik heb het uit kieschheid nagelaten. Het is de schaduwzijde van ons vak. Als iemand ziek is, durven wij bijna niet naar zijn toestand informeeren.”
Dit bezwaar was niet in mij opgekomen, hoewel ik, binnengaande, wel gevreesd had het oude deuntje te zullen hooren. Nu er over gesproken werd moest ik het echter erkennen en deed dit ook.
„Ja, ja, gij begrijpt het wel,” zei mijnheer Omer hoofdschuddend. „Wij kunnen dat niet doen. Goede Hemel, de meeste zieken zouden den schok niet te boven komen, wanneer men hun zei: „compliment van Omer en Joram en hoe het van morgen—of van avond—met u is?””
Wij knikten elkander toe en mijnheer Omer riep zijn pijp te hulp om weder bij adem te komen.
„Ons beroep houdt ons daarom terug van beleefdheden, die wij anders gaarne zouden bewijzen,” hervatte hij. „Al heb ik Barkis wellicht veertig jaar lang zien voorbijrijden, kan ik nu toch niet naar zijne vrouw gaan en vragen: Hoe gaat 't met hem?”
Ik voelde dat het hard was voor mijnheer Omer en zei hem dat.
„Ik geloof niet, dat ik baatzuchtiger ben dan andere menschen,” vervolgde hij. „Kijk mij maar eens aan! Ieder oogenblik kan mijn adem mij begeven en het is niet waarschijnlijk, dat ik dan, bij mijn weten namelijk, baatzuchtig zijn zal. Ik zeg ‚het is niet waarschijnlijk’ voor iemand, die weet, dat als eenmaal zijn adem hem begeeft, de omstanders zullen meenen, dat er een blaasbalg knapt.... en die man is nog wel grootvader.”
„Dat geloof ik ook niet,” zei ik.
„Ik kan volstrekt niet klagen over mijn beroep,” ging hij voort. „Volstrekt niet. Elk beroep heeft zijn voor- en nadeelen. Ik zou echter wel wenschen, dat men in het algemeen wat minder bevooroordeeld was.”
Met een gezicht, dat blonk van vergenoegdheid, blies hij na deze woorden zwijgend eenige rookwolken na elkander uit en daarna zei hij, op het begin van ons gesprek terugkomende: „Willen wij daarom weten hoe het met Barkis gaat, dan moeten wij ons bepalen tot de berichten, die de kleine Emily medebrengt. Zij weet wel wat de reden is waarom wij het zelf niet vragen en koestert even weinig achterdocht omtrent ons, alsof wij allen lammeren waren. Minnie en Joram zijn juist naar haar toegegaan—zij is des avonds bij hare tante om te helpen—om te vragen hoe het van avond met den zieke is; zoo gij dus wilt wachten tot zij terugkomen, kunt gij alle bijzonderheden vernemen. Wilt gij niet wat gebruiken? Een glas rumgrog bijvoorbeeld? Ik gebruik dat zelf ook bij mijne pijp, omdat men beweert, dat het de wegen verzacht, waar die lastige adem langs moet gaan. Maar, goede Hemel!” voegde hij er bij: „het zijn de wegen niet die ziek zijn! ‚Geef mij maar adem genoeg’ zeg ik dikwijls tegen mijn dochter Minnie, ‚dan zal ik er de wegen wel voor vinden, beste meid.’”
Hij kon op dit oogenblik volstrekt geen adem krijgen en het was angstverwekkend hem te zien lachen. Toen hij weder zoo ver was, dat ik met hem kon spreken, bedankte ik voor de aangeboden verfrissching, die ik afsloeg omdat ik pas gegeten had; ik verklaarde echter gaarne te willen wachten, zooals hij de goedheid gehad had mij aan te bieden, tot zijne dochter en zijn schoonzoon terugkwamen. Intusschen vroeg ik hoe de kleine Emily het maakte.
„Wel, mijnheer,” antwoordde mijnheer Omer, de pijp uit den mond nemende ten einde zijne kin te wrijven, „als ik u de waarheid mag zeggen ..... ik zal blijde zijn als zij goed en wel getrouwd is.”
„Hoe zoo?” vroeg ik.
„Zij is zoo wonderlijk tegenwoordig. Niet dat zij niet zoo lief is als vroeger, neen, zij is liever ... ik verzeker u dat zij liever is. Ook is het niet omdat zij niet zoo goed werkt als vroeger, volstrekt niet, want dat doet zij wel. Zij was zoo goed als zes anderen en is zoo goed als zes anderen. Maar, als ik het zoo eens zeggen mag: het is met haar hart niet in orde. Ik weet niet of gij begrijpt wat ik in het algemeen met deze woorden bedoel,” vervolgde mijnheer Omer, na nogmaals zijne kin gewreven en eenige trekjes aan zijne pijp gedaan te hebben. „Als ik zeg: ‚Allo mannen, nog één ruk, en nog een fikschen ruk, hoera!’ dan geloofde ik dat ik zoo ongeveer uitdruk wat ik in Emily mis.”
Mijnheer Omer's gezicht en zijne gebaren waren zoo welsprekend, dat ik met een gerust geweten kon knikken alsof ik zijne bedoeling begreep. Mijne vlugheid van begrip scheen hem te bevallen, want hij ging voort: „Nu, ik beschouw dit als een gevolg van de onzekerheid, waarin zij verkeert, begrijpt gij. Ik heb daarover lang en breed gepraat met haar oom en haar aanstaanden man; maar ik voor mij blijf het beschouwen als een gevolg van de onzekerheid waarin zij verkeert. Gij moet altijd bedenken,” vervolgde hij, al met het hoofd schuddende, „dat zij een buitengewoon gevoelig, hartelijk klein ding is. Het spreekwoord zegt: ‚Men kan uit een varkensoor geen zijden beursje maken,’ maar dat geef ik nog niet zoo grif toe. Ik geloof dat men het wel kan, als men maar vroeg begint. Zij heeft van die oude schuit een huis gemaakt, mijnheer, waarbij menig ander van hardsteen en marmer niet te vergelijken is wat gezelligheid betreft.”
„O, dat heeft zij zeker!” verklaarde ik.
„Het is een genot te zien hoe innig veel zij houdt van haar oom,” vervolgde mijnheer Omer, „hare aanhankelijkheid wordt bij den dag grooter. Nu, als dat het geval is moet er strijd gevoerd worden in haar hartje, dat kan niet anders. Maar waarom moet die langer duren dan noodig is?”
Ik luisterde met aandacht naar den goeden, ouden man en stemde van ganscher harte in met hetgeen hij zeide.
„Ik heb hun daarom het volgende gezegd,” ging hij voort op een toon, waarin eenige zelfvoldoening niet te miskennen was, „ik zeide: ‚Gij behoeft Emily op geenerlei wijze gebonden te achten. Volstrekt niet. Bepaal zelf maar den tijd. Zij heeft veel meer diensten bewezen dan ik kon vermoeden; zij heeft ook veel vlugger geleerd dan ik kon vermoeden; Omer en Joram kunnen een streep halen door hetgeen nog blijft staan en zij is vrij, wanneer zij den wensch maar te kennen geeft. Wil zij een schikking treffen om later nog eens een kleinigheid thuis voor ons te doen, heel goed. Doet zij dat niet—ook goed. Wij zijn in geen enkel opzicht bij haar te kort gekomen.’ Want, ziet ge,” vervolgde hij, terwijl hij mij even met zijne pijp aanraakte, „een man met zoo weinig adem als ik en dan nog wel een grootvader kan zulk een lief bloempje met zulke heerlijke blauwe oogen den voet niet dwars zetten.”
„Neen, natuurlijk niet!” riep ik uit.
„Natuurlijk niet! Dat zegt gij goed! Welnu, mijnheer, haar neef—gij weet dat zij met haar neef gaat trouwen?”—
„O, ja,” antwoordde ik. „Ik ken hem heel goed.”
„Ja, dat is waar ook, gij kent hem; welnu, haar neef schijnt goed werk te hebben en ook een flink werkman te zijn; hij bedankte mij op zeer manlijke wijze—over het geheel dwingt zijn gedrag eerbied af—en huurde zulk een allerliefst klein huisje, als gij of ik ons maar zouden kunnen wenschen. Dat kleine huisje is nu geheel gemeubileerd, zoo keurig en gezellig als een poppenkamertje en als de ziekte van Barkis niet een spaak in het wiel had gestoken, zouden zij al man en vrouw zijn. Nu is het huwelijk echter uitgesteld.”
„En is Emily nu niet meer zoo ongedurig?” vroeg ik.
Hij wreef zijn kin weder met zijne pijp en antwoordde: „dat zou buiten alle verwachting zijn. Het vooruitzicht van de verandering en de scheiding, alles is nu zoowel nabij als veraf. De dood van Barkis zou geen reden zijn tot uitstel, maar indien hij bleef sukkelen, zou het huwelijk zeker uitgesteld worden. Hoe het zij, het is, zooals gij ziet, een onzekere toestand voor haar.”
„Dat is zoo,” gaf ik toe.
„Ten gevolge daarvan,” ging mijnheer Omer voort, „is Em'ly niet zoo opgewekt als vroeger en wat gejaagd. Het schijnt wel dat zij bij den dag meer van haar oom gaat houden en het haar hoe langer hoe meer moeite zal gaan kosten om van hem en ons te scheiden. Een vriendelijk woord van mij brengt telkens tranen in haar oogen en als gij haar bezig zaagt met Minnie's kleine meid, zoudt gij een tooneeltje zien dat gij nimmer vergeet. Het is verbazend zooveel als zij van dat kind houdt!”
Nu de gelegenheid zoo gunstig was vroeg ik mijnheer Omer, eer ons gesprek door de thuiskomst van zijne dochter en haar man werd verstoord, of hij in den laatsten tijd ook iets van Martha gehoord had.
„Och,” antwoordde hij, hoofdschuddend en met een bedrukt gezicht, „niet veel goeds. Dat is eene treurige geschiedenis, mijnheer, van welken kant gij die ook bekijkt. Ik heb nooit gedacht dat er kwaad in dat meisje stak en zou het ook nu nog niet in tegenwoordigheid van mijne dochter durven uitspreken—zij zou mij dat niet vriendelijk afnemen. Geen van ons heeft ooit iets kwaads achter haar gezocht.”
Mijnheer Omer hoorde zijne dochter aankomen en raakte mij daarom even met zijne pijp aan, terwijl hij één oog waarschuwend dichtkneep. Zij kwam in het volgende oogenblik met haar echtgenoot binnen.
De berichten, die zij van Barkis meebrachten, waren zoo slecht als ze maar zijn konden; hij was voortdurend buiten kennis en dokter Chillip had verklaard, dat, al kwamen alle professoren, doctoren en apothekers er bij, de arme man niet meer kon geholpen worden.
Toen ik dit vernam en tevens hoorde dat baas Peggotty bij Barkis was, besloot ik er heen te gaan. Ik zei mijnheer Omer en mijnheer en juffrouw Joram goeden avond en begaf mij in eenigszins plechtige stemming naar de woning van Barkis, die voor mijn gevoel een geheel ander wezen was geworden.
Ik klopte zachtjes op de deur en werd door baas Peggotty open gedaan, die niet zoo verbaasd was over mijne komst als ik gedacht had dat hij zijn zou. Ook bij Peggotty maakte ik dezelfde opmerking, toen zij beneden kwam, en sinds dien tijd heb ik dikwerf de ondervinding opgedaan, dat men in afwachting van droeve gebeurtenissen niet vatbaar is voor verrassingen.
Ik schudde baas Peggotty de hand en ging met hem naar de keuken, nadat hij zachtkens de deur had gesloten. De kleine Emily zat bij de kachel met de handen voor het gelaat en Ham stond bij haar. Wij spraken niet dan op fluisterenden toon en luisterden intusschen naar alle geluiden op de kamer boven ons. Toen ik den vorigen keer daar geweest was, had ik er niet bij gedacht, hoe vreemd het was Barkis niet in de keuken te zien; maar op dit oogenblik miste ik hem daar.
„Het is heel vriendelijk van u, jongeheer Davy”, zei baas Peggotty.
„Het is buitengewoon vriendelijk,” zei Ham.
„Emily, lieve,” riep baas Peggotty. „Zie eens hier! Jongeheer Davy is gekomen! Kom, wees vroolijk! Hebt gij geen woord over voor jongeheer Davy?”
Ik zie nu nog hoe zij zat te beven; ik voel nu nog haar koude handje in de mijne. Het eenige teeken van leven, dat zij gaf, was dat zij hare hand terugtrok; waarna zij opstond en naar haar oom sloop, om zich zwijgend tegen hem aan te vlijen.
„Ze is zulk een lief hartje,” zei baas Peggotty terwijl hij haar weelderigen haardos met zijn groote, ruwe hand streelde, „de treurigheid hier grijpt haar zoo aan. Het is natuurlijk bij jongelieden, die nog weinig verdriet hebben bijgewoond, jongeheer Davy, heel natuurlijk.”
Zij drong zich nog dichter tegen hem aan, maar lichtte haar hoofd niet op en sprak geen woord.
„Het is al laat, liefje,” hernam baas Peggotty, „en hier is Ham om u naar huis te brengen. Kom, ga met dien besten jongen mede. Wat zegt ge Em'ly? Wat is het, liefje?”
Het geluid harer stem was niet tot mij doorgedrongen, maar hij boog zich voorover alsof hij luisterde naar hetgeen zij zeide.
„Bij uw oom blijven?” vroeg hij. „Dat meent gij immers niet! Bij uw oom blijven, popje? Terwijl uw aanstaande man hier is om u naar huis te brengen? Wie zou dat nu kunnen denken als men dat fijne poppetje naast zulk een verweerden zeebonk, als ik ben ziet staan,” zei hij, met een trotschen blik rondkijkende, „maar er is niet meer zout in de zee dan liefde voor mij in dat kleine hartje—die malle, kleine Em'ly!”
„En Em'ly heeft gelijk, jongeheer Davy,” grinnikte Ham. „Maar, luister eens. Als Em'ly het wenscht en als zij wat angstig is, laat haar dan tot morgen hier blijven. En dan blijf ik ook maar.”
„Neen, neen,” zei baas Peggotty. „Dat moogt gij niet doen, dat gaat niet aan voor een getrouwd man—ten minste zoo goed als een getrouwd man—om zoo maar een dag te verzuimen. En—waken en werken gaan niet samen. Gij moet naar huis en naar bed gaan. Ik beloof u goed op kleine Em'ly te zullen passen.”
Ham liet zich overreden en nam zijn hoed op om heen te gaan. Zelfs toen hij haar een kus gaf—ik zag nooit dat hij haar aanhaalde, maar ik voelde dat moeder Natuur hem de kieschheid van een gentleman had geschonken—scheen zij nog dichter tegen haar oom aan te dringen, ten einde zich aan de liefkoozing van haar uitverkoren echtgenoot te onttrekken. Ik sloot de deur achter hem, opdat de stilte door het dichtslaan niet verstoord zou worden, en toen ik terug kwam, stond baas Peggotty zacht met haar te praten.
„Nu ga ik naar boven,” zei hij, „om uwe tante te vertellen dat jongeheer Davy hier is; dat zal haar wat opvroolijken. Ga intusschen wat bij het vuur zitten en warm uw koude handjes eens. Gij behoeft u niet zoo angstig te maken en het u niet zoo aan te trekken. Wat? Wilt gij met mij meegaan? Nu, toe dan maar!....”
„Al werd haar oom uit huis en hof verjaagd en aan den dijk gezet, jongeheer Davy,” zei hij met niet minder trotschheid dan zoo even, „zij zou met hem meegaan, daarvan ben ik overtuigd! Maar er komt gauw iemand anders, gauw.... iemand anders, Em'ly!”
Toen ik later de trap opging en langs mijn oude kamertje kwam, waarin het donker was, meende ik, hoewel onduidelijk, te zien dat zij daar languit op den grond lag. Maar, of zij het werkelijk, dan wel de schaduw van een of ander voorwerp in de kamer was, durf ik niet met zekerheid zeggen.
Ik had, voor het keukenvuur zittende, gelegenheid genoeg om aan Emily's vrees voor den dood te denken—die ik voor de oorzaak hield van hare vreemde wijze van doen, vooral na hetgeen mijnheer Omer mij verteld had—en vóór Peggotty beneden kwam, had ik ook gelegenheid genoeg om tot een zachter oordeel te komen over hare zwakheid, terwijl ik naar het tikken van de klok hoorde en de plechtige stilte om mij heen hoe langer hoe dieperen indruk op mij begon te maken. Peggotty sloeg de armen om mijn hals en zegende en dankte mij, omdat ik zulk een troost—zij gebruikte dit zelfde woord—was in hare droefheid. Zij noodigde mij daarna uit om boven te komen, terwijl zij er snikkend bijvoegde dat Barkis altijd zooveel van mij gehouden en mij zoo bewonderd had; dat hij meermalen mijn naam genoemd had eer hij buiten kennis was geraakt en dat, als hij nog tot bewustzijn kwam, mijne tegenwoordigheid hem zeker goed zou doen, indien er ten minste nog iets op de wereld was, dat hem zou kunnen goed doen.
Toen ik hem zag achtte ik het niet waarschijnlijk, dat hij nog tot bewustzijn zou komen. Hij lag met het hoofd en de schouders buiten het bed, in eene allerongemakkelijkste houding, half over den koffer heen gebogen, die hem gedurende zijn leven zooveel onrust had veroorzaakt. Men vertelde mij, dat toen hij niet meer uit het bed kon kruipen om den koffer te openen en zich niet meer met de wichelroede, die ik hem had zien gebruiken, van de aanwezigheid kon overtuigen, hij verlangd had dat de koffer op een stoel naast zijn bed zou worden geplaatst en van dien tijd af had hij er dag en nacht de armen om heen geslagen. Op dit oogenblik lag hij er met den arm op. Zijn leven vlood heen, maar de kist bleef en de laatste woorden, die hij uitte, waren: „Oude kleeren.”
„Barkis, beste man!” zei Peggotty bijna op opgeruimden toon, terwijl haar broeder en ik aan het voeteneinde stonden, „hier is mijn lieve jongen...... mijn lieve jongen..... jongeheer Davy, die ons bij elkander heeft gebracht, Barkis! Dien gij de boodschap opdroegt, Barkis! Zegt gij niets meer tegen jongeheer Davy?” Hij was even stom en gevoelloos als de koffer.
„Hij zal met het getij uitzeilen,” zei baas Peggotty achter zijne hand.
Mijne oogen waren vochtig evenals die van baas Peggotty; maar ik herhaalde op fluisterenden toon: „Met het getij?”
„Hier aan de kust,” antwoordde baas Peggotty, „kunnen de menschen niet sterven of de eb moet in aantocht zijn. Zij kunnen niet geboren worden of de vloed moet haast opkomen. Hij zal heengaan met de eb. Om half vier is het eb en een half uur speling. Overleeft hij de eb, dan blijft hij leven tot een half uur na den vloed, en gaat met de volgende eb heen.”
Wij bleven wachten, langen tijd—uren achtereen. Ik zal niet beweren, dat mijne tegenwoordigheid een geheimzinnigen invloed op hem had, maar toen hij eindelijk met zwakke stem begon te ijlen, was zijn geest verplaatst naar den dag, toen hij mij naar school reed.
„Hij komt bij,” zei Peggotty.
Baas Peggotty raakte mij even aan en fluisterde vol ontzag en eerbied: „De eb zal beginnen; het is gedaan.”
„Barkis, beste man!” riep Peggotty.
„C. P. Barkis!” zei hij met zwakke stem. „Geen betere vrouw op de geheele wereld!”
„Kijk eens! Hier is jongeheer Davy!” zei Peggotty, toen hij even de oogen opende.
Ik was op het punt om hem te vragen of hij mij herkende, toen hij den arm uitstak en, bepaald tot mij, zeide, met een vriendelijken glimlach:
„Barkis is klaar.”
Het was eb; hij zeilde uit met het getij.