Niettegenstaande al deze verwikkelingen was mijne verliefdheid op Dora grooter en grooter geworden. Te midden van alle droefenis en teleurstelling was de gedachte aan haar mijn eenige troost; zelfs vergoedde mij die het verlies van mijn vriend. Hoe meer medelijden ik met mij zelven of met anderen had, hoe meer troost ik zocht en vond in het beeld van Dora. Hoe grooter de opeenstapeling van bedrog en verdriet werd in de wereld, hoe schitterender en helderder Dora's ster boven alles uitkwam. Ik geloof niet dat ik eene zuivere voorstelling had van Dora's herkomst noch van haar graad van bloedverwantschap met zekere wezens van een hoogere orde; maar ik ben heilig overtuigd, dat ik het denkbeeld, als zou zij eenvoudig een menschelijk wezen zijn, zooals elke andere jonge dame, met verontwaardiging en verachting van de hand zou hebben gewezen.
Als ik het eens zoo mag uitdrukken, was ik „doortrokken van Dora.” Ik was niet alleen tot over de ooren op haar verliefd, maar door en door van haar verzadigd. Er kon, in overdrachtelijken zin sprekende, genoeg verliefdheid uit mij geperst worden, om iemand in te laten verdrinken; en toch zou er nog genoeg in mij zijn overgebleven, om er mij elk oogenblik aan te laven. Mijn geheele wezen zou toch met Dora vervuld zijn gebleven.
Het eerste, dat ik na mijne terugkomst deed, was een nachtelijke wandeling te ondernemen naar Norwood en daar, evenals in het merkwaardige raadsel uit mijne jeugd geschiedde, voordurend aan Dora denkende, het huis rond te loopen zonder er aan te raken. Als ik mij goed herinner, was de oplossing van dit onbegrijpelijke raadsel „de maan”. Hoe het zij, ik, de maanzieke slaaf van Dora, bleef twee uur om het huis en den tuin rondzwerven, nu eens door de reten in de schutting kijkende, dan weder, door mij op angstverwekkende wijze uit te rekken, mijn kin boven de verroeste spijkers op den muur brengende; terwijl ik telkens kushanden toewierp aan het venster van hare kamer en op romantische wijze den nacht te hulp riep, om mijne Dora te beschermen—waartegen, dat weet ik niet; ik denk tegen brand, maar het kan ook wel tegen muizen geweest zijn, waarvoor zij doodsbang was.
Ik ging zoo geheel op in mijne verliefdheid en het was zoo natuurlijk voor mij Peggotty in vertrouwen te nemen, toen ik haar op zekeren avond met hetzelfde naaigerei uit den ouden tijd op mijne kamer vond zitten, druk bezig met het in orde brengen van mijne garde-robe, dat ik haar rondweg mijn geheim mededeelde. Peggotty luisterde met groote aandacht, maar ik kon haar niet zoover brengen, dat zij de zaak uit hetzelfde oogpunt bekeek als ik. O, zij was zoo bevooroordeeld in alles wat mij betrof en dientengevolge kon zij ook mijn angst, noch mijne neerslachtigheid begrijpen. „Dat jonge meisje mag wel heel blij zijn zulk een aanbidder te hebben,” meende zij. „En wat verwacht haar Papa dan wel voor haar?” vroeg zij bijna verontwaardigd. Ik ontwaarde echter, dat mijnheer Spenlow's proctoriale toga en witte das Peggotty wel een eenigszins lager toon deden aanslaan en haar met grooter eerbied vervulden voor den man, die in mijne oogen meer en meer tot een verhevener soort menschen ging behooren, van wien voor mij zelfs een glans scheen af te stralen, wanneer hij daar statig in het Hof tusschen stapels papieren zat, gelijk een vuurtoren in eene zee van paperassen. Langzamerhand kwam er—ik herinner mij dit zeer goed—een vreemd gevoel bij mij op, wanneer ik, zelf in het Hof zittende, begon in te zien hoe weinig die oude rechters en doctors om Dora zouden gegeven hebben, al hadden zij haar gekend; hoe kalm zij zouden gebleven zijn indien hun een huwelijk ware voorgesteld met Dora, terwijl ik buiten mij zelven van verrukking zou zijn geweest; hoe Dora's zingen en overheerlijk guitaarspel, waarmede zij mij op de grens van krankzinnigheid bracht, die oude suffers geen duimbreed van hun weg zouden hebben gebracht. Ik verachtte hen allen te zamen! Half bevrozen, oude tuiniers tusschen de bloembedden van het hart, o, ik verachtte u allen diep! Het gansche Hof was in mijne oogen niets meer dan een troep vervelende muggenzifters. De Balie boezemde mij niet meer liefde en poëzie in dan de toonbank in eene herberg.
Niet zonder trots—van weerszijden natuurlijk—liet Peggotty de ten uitvoerlegging van Barkis' testament geheel aan mij over; ik onderzocht of alles volgens de wet in orde was, zorgde voor de afdoening der successie-rechten en was al heel spoedig met alles gereed. Tot afwisseling van deze rechtsgeleerde bemoeiingen bezochten wij een wassenbeeldenspel in Fleet-street—ik hoop dat al de beelden reeds twintig jaar geleden versmolten zijn—; brachten een bezoek aan Miss Linwood's tentoonstelling van kant- en borduurwerk—eene bezigheid, zeer geschikt om tot zelfonderzoek en berouw te komen; deden eene wandeling door den Tower van Londen en beklommen de St. Paulskerk. Al deze wonderen verschaften Peggotty zooveel genoegen als zij in de gegeven omstandigheden in staat was te smaken; behalve, naar ik vermoedde, de St. Paulskerk, die de teekening op haar naaidoos in de schaduw stelde en zich daarom niet in hare sympathie mocht verheugen.
Toen Peggotty's zaak, die, zooals wij in de Commons plachten te zeggen, tot de loopende zaakjes behoorde—o, die loopende zaakjes waren zoo gemakkelijk en winstgevend!—geheel in orde was, nam ik haar op zekeren morgen mede naar het kantoor om de rekening te betalen. De oude Tiffey vertelde dat mijnheer Spenlow was uitgegaan met een heer, die een huwelijkslicentie moest beëedigen; maar aangezien ik wist dat hij dan spoedig zou terugkomen, verzocht ik Peggotty te blijven wachten.
Bij de behandeling van testamentaire beschikkingen geleken wij in de Commons eenigszins op aansprekers of lijkbezorgers, want het was eene gewoonte geworden om min of meer somber te kijken, wanneer wij te doen hadden met klanten, die in den rouw waren. Zij, die onze hulp noodig hadden in huwelijksaangelegenheden, werden in eene vroolijke, opgeruimde stemming ontvangen. Ik waarschuwde daarom Peggotty, dat mijnheer Spenlow den schok over den dood van Barkis wel te boven zou zijn en.... inderdaad, hij kwam binnen alsof hij zelf de bruidegom was.
Maar noch ik, noch Peggotty had oogen voor mijnheer Spenlow, toen wij in den heer, die met hem was binnengekomen, mijnheer Murdstone herkenden. Hij was weinig veranderd; zijn haar scheen nog even dik en zeker nog even zwart als voorheen en zijn oogopslag boezemde nog even weinig vertrouwen in als vroeger.
„Ha, Copperfield,” zei mijnheer Spenlow, „bedrieg ik mij niet, dan is deze heer u bekend?”
Ik maakte eene koele buiging en Peggotty deed alsof zij hem niet herkende. In het eerste oogenblik scheen deze onverwachte ontmoeting hem wat in de war te hebben gebracht; maar al heel spoedig had hij een besluit genomen en kwam hij naar mij toe.
„Ik hoop,” sprak hij, „dat het u goed gaat?”
„Dat zal u, dunkt mij, weinig belang inboezemen,” antwoordde ik, „maar indien gij het weten wilt.... Ja, het gaat mij heel goed.”
Wij keken elkander een oogenblik in het gelaat en daarna wendde hij zich tot Peggotty met de vraag:
„En u? Het spijt mij te moeten zien, dat gij uw man verloren hebt.”
„Het is niet het eerste verlies, dat ik in mijn leven lijd, mijnheer Murdstone,” antwoordde Peggotty, bevende van het hoofd tot de voeten. „Het verheugt mij echter dat bij dit sterfgeval niemand zich behoeft te schamen, niemand zich iets heeft te verwijten.”
„Zoo!” sprak hij, „dat is eene groote troost voor u. Gij hebt dan uw plicht gedaan?”
„Ik heb niemands leven verbitterd,” antwoordde Peggotty, „dat moet mij wel tot tevredenheid stemmen. Neen, mijnheer Murdstone, ik heb geen lief zwak schepseltje geplaagd en gesard tot zij rust vond in een vroegtijdig graf!”
Hij keek haar aan met een somberen blik—gedurende een ondeelbaar oogenblik meende ik er wroeging in te lezen—en zich tot mij wendende hoewel hij naar mijne laarzen in plaats van naar mijne oogen keek, zei hij:
„Wij zijn er zeker geen van beiden op gesteld elkander spoedig weder te ontmoeten—dergelijke ontmoetingen kunnen ons geen van beiden aangenaam zijn. Ik kan niet verwachten, dat gij, die u altijd tegen mijn rechtmatig gezag hebt gekant, tot uw eigen bestwil en tot vorming van uw karakter door mij geoefend, mij thans bijzonder genegen zoudt zijn. Er bestaat tusschen ons eene antipathie....”
„Die reeds van ouden datum is, naar ik meen,” zoo viel ik hem in de rede.
Hij glimlachte, terwijl mij een blik trof, zoo boosaardig als alleen uit die oogen komen kon.
„Reeds als klein kind toondet gij u weerspannig. Gij hebt er het leven van uwe moeder door verbitterd. Gij hebt gelijk, ik hoop, dat gij uw leven zult beteren.”
Daarmede was het gesprek ten einde. Het was met gedempte stem in een hoekje van mijnheer Spenlow's wachtkamer gevoerd en terwijl hij nu den drempel van het kantoor overschreed, zei hij bijna op zalvenden toon: „Menschen van mijnheer Spenlow's beroep zijn gewend aan familiegeschillen en weten hoe moeilijk en ingewikkeld die somtijds zijn!” Daarna betaalde hij de onkosten van de licentie, die hij keurig opgevouwen, van mijnheer Spenlow ontving, terwijl deze hem de hand schudde en hem en zijne aanstaande veel geluk wenschte.
Een zucht van verlichting ontsnapte mij toen hij het kantoor verlaten had. Het zou mij misschien meer moeite hebben gekost op zijne woorden het zwijgen te doen, indien ik minder moeite had gehad om Peggotty, die woedend was om mijnentwil, het goede schepsel! te overtuigen, dat het hier niet de plaats was om met dien man in het gericht te gaan, zoodat ik haar verzoeken moest zich stil te houden. Zij was vreeselijk opgewonden en ik was blijde er met eene hartstochtelijke omhelzing af te komen, waartoe de zoo onverwacht opgewekte herinnering aan vroegere dagen en doorgestaan leed haar aanleiding gaf. Ik deed mijn best mijnheer Spenlow de zaak zoo kort mogelijk uit te leggen. Mijnheer Spenlow scheen de betrekking, waarin ik tot mijnheer Murdstone stond, niet te kennen; ik was daar blijde om, want het viel mij moeilijk, het lot mijner arme moeder in aanmerking nemende, de familieverhouding te erkennen. Mijnheer Spenlow verkeerde in de meening—indien hij het ten minste der moeite waard achtte er over te denken—dat mijne tante het hoofd was van de familie en er eene partij was, die zich, onder aanvoering van iemand anders, tegen haar gezag verzette. Ten minste, ik meende dit te moeten opmaken uit hetgeen hij zeide, terwijl wij op mijnheer Tiffey wachtten, die Peggotty's rekening van onkosten had opgemaakt.
„Juffrouw Trotwood,” merkte hij op, „is een flinke vrouw, zonder twijfel, die niet gemakkelijk den strijd zal opgeven. Ik ben een en al bewondering voor haar karakter en mag u geluk wenschen, Copperfield, dat gij aan hare zijde staat. Geschillen tusschen familiebetrekkingen zijn altijd te betreuren, maar komen zeer veel voor; de zaak is maar dat men zich aan den kant bevindt waar het recht is.” Hij bedoelde natuurlijk: aan den kant waar het geld is.
„Mijnheer Murdstone doet, voor zoover ik weet, een goed huwelijk, nietwaar?” vroeg hij verder.
Ik verklaarde er niets van te weten.
„Zoo waarlijk!” zei hij. „Nu, uit de enkele woorden, die mijnheer Murdstone zich liet ontvallen—zooals een man bij dergelijke gelegenheden altijd doet—en uit hetgeen ik van juffrouw Murdstone vernam, moet ik wel tot het besluit komen, dat het een goed huwelijk is.”
„Bedoelt gij, dat de bruid veel geld heeft, mijnheer?” vroeg ik.
„Ja,” antwoordde mijnheer Spenlow.
„Ik geloof, dat zij veel geld heeft. En, zij moet heel mooi zijn ook, vertelde men mij.”
„Waarlijk? En is zij nog jong?”
„Zij is juist meerderjarig geworden. Ik vermoed zelfs, dat men daarop gewacht heeft.”
„God zij het arme kind genadig!” riep Peggotty uit, met zooveel nadruk en zoo onverwacht, dat wij alle drie het stilzwijgen bewaarden tot Tiffey met de rekening kwam en die aan mijnheer Spenlow ter inzage bood. Mijnheer Spenlow's kin dook weg in de stijve das en wreef daar zachtjes langs, liep met een verontschuldigend gelaat de rekening door—o, die mijnheer Jorkins!—en gaf haar met een zucht aan Tiffey terug.
„Ja,” zei hij. „Ze is in orde. Zeer juist. Het zou mij een genoegen hebben verschaft deze rekening tot de uitschotten te beperken, maar het is nu eenmaal eene onaangename omstandigheid in mijne betrekking, dat ik aan dergelijke wenschen geen gehoor mag geven. Ik heb nu eenmaal een compagnon—mijnheer Jorkins.”
Hij zei dit op zulk een aandoenlijken toon, dat men hem, indien hij niet in deze onaangename omstandigheden verkeerd had, niet in staat zou hebben geacht zelfs de uitschotten in rekening te brengen. Ik betuigde hem dan ook uit naam van Peggotty mijn dank en betaalde Tiffey in deugdelijke Engelsche banknoten uit. Peggotty ging daarop naar huis, terwijl mijnheer Spenlow en ik ons naar het Hof begaven, waar een proces over echtscheiding aanhangig was. Men beriep zich op een vernuftig uitgedacht wetsartikel, dat thans, naar ik meen, is vervallen, doch waarop ik menig huwelijk heb zien ontbinden. De zaak was deze: De echtgenoot, wiens naam was Thomas Benjamin, had eene licentie gevraagd op den naam Thomas (zonder Benjamin); hij wenschte gewaarborgd te zijn voor het geval, dat de huwelijksstaat hem niet beviel. En waarlijk, dit geval deed zich voor; de arme man liet, na twee jaren getrouwd te zijn geweest, door een vriend voor het Hof verklaren, dat zijn naam was Thomas Benjamin en zijn huwelijk dus onwettig was. Tot zijn groot genoegen werd dit ook door het Hof bevestigd.
Ik moet erkennen, dat er twijfel bij mij oprees over de strikte rechtvaardigheid van deze uitspraak en mij zelfs niet door het schepel tarwe, waarmede alle onrechtmatigheden werden bezworen, van mijne opinie liet afbrengen.
Mijnheer Spenlow besprak de quaestie met mij en zeide: „Kijk eens rond in de wereld, daar is evenveel goed als kwaad; en bekijk nu de kerkelijke wetten: daarin is ook evenveel goed als kwaad. Het was maar een systeem! Zie daar nu! Wat wil men meer?”
Ik miste de stoutmoedigheid om tegen Dora's vader te zeggen, dat wij zelf moesten beproeven de wereld een weinig te verbeteren, als wij maar vroeg opstonden en onze rokken uittrokken gedurende het werk; maar ik bleef er bij dat in de Commons veel te verbeteren viel. Mijnheer Spenlow antwoordde mij, dat hij mij den goeden raad moest geven, om deze gedachte voor mij zelven alleen te houden, omdat die in een gentleman, zooals ik, niet mocht opkomen; maar toch zou het hem genoegen doen van mij te vernemen, welke wijzigingen ik in de Commons noodzakelijk achtte.
Het gedeelte van de Commons nemende, dat het dichtst bij de hand lag—onze delinquent was al weder ongetrouwd en wij hadden het Hof verlaten en wandelden langs het bureau der Prerogatieven—gaf ik te kennen dat juist daarop veel viel aan te merken. „In welk opzicht?” vroeg mijnheer Spenlow. Ik antwoordde met de achting, welke ik aan zijne meerdere ondervinding verschuldigd was—met nog meer achting, vrees ik, voor Dora's vader—dat het onzinnig was het archief van dat Hof, waarin de testamenten bewaard werden van alle personen, die gedurende de laatste drie eeuwen in het groote district Canterbury gestorven zijn en goederen van waarde hebben nagelaten, in zulk een gebouw te plaatsen, dat volstrekt niet aan de bedoeling beantwoordde; in een gebouw, dat niet eens brandvrij was. Ik voegde er bij, dat ik zeer goed begreep, dat de ambtenaren het gebouw liever in dit vergeten hoekje van het Sint Paulskerkhof behielden, waar weinig menschen het kenden; maar dat, als ik iets te zeggen had, die ambtenaren, onder wie er waren, die een tractement van acht en negen duizend pond genoten, behalve nog de emolumenten, zoo spoedig mogelijk zouden moeten zorgen voor een gebouw, waarin dergelijke kostbare documenten veiliger konden bewaard blijven....
Mijnheer Spenlow glimlachte, omdat ik mij zoo warm maakte en besprak toen deze zaak met mij, zooals hij alle zaken besprak. Indien het publiek meent, dat de testamenten in veilige handen zijn—zoo ongeveer sprak hij—en er in berust dat er geen beter gebouw voor gezet wordt, wie leed daar dan schade bij? Niemand. Wie hadden er voordeel van? De ambtenaren. Het goede behield dus de overhand. Het mocht al niet volmaakt zijn, er was niets op de wereld volmaakt; maar waar hij zich niet mede kon vereenigen, dat was met het afbreken van bestaande zaken. Met dit archief was het Land voorspoedig geweest. Breek het archief af en het is wellicht gedaan met den voorspoed. Hij beschouwde het als den plicht van een gentleman om te berusten in bestaande toestanden en twijfelde niet, of het Hof van de Prerogatieven zou langer bestaan dan wij. Ik schikte mij in zijne opinie, ofschoon ik, vooral aan de laatste woorden twijfelde. Toch blijkt het dat hij gelijk heeft gehad, want het bestaat niet alleen nog, maar is blijven bestaan in weerwil van eene interpellatie in het Parlement, die lang niet malsch was, nu achttien jaar geleden. Dezelfde bezwaren, door mij opgesomd, werden breed uiteengezet en de opmerking er bij gevoegd, dat dit testamentenpakhuis over twee of drie jaar propvol zou zijn. Wat zij sedert gedaan hebben, of er bij toeval verloren zijn geraakt, of er nu en dan verkocht zijn aan de verschillende komenijswinkels, om er zakken van te plakken, dat weet ik niet; ik ben alleen blijde, dat het mijne er niet bewaard wordt, en ik hoop dat het er voorloopig ook niet opgelegd zal worden.
Ik heb dit alles vermeld in een hoofdstuk, dat volgens het opschrift aan geheel andere dingen gewijd moest zijn, maar het staat hier toch op zijne plaats. Nu mijnheer Spenlow en ik dit gesprek eenmaal begonnen waren, zetten wij het al wandelende voort tot wij onderwerpen van algemeenen aard begonnen aan te roeren. Zoo vertelde mijnheer Spenlow mij op het laatst, dat Dora in diezelfde week jarig was en voegde er bij, dat het hem aangenaam zou zijn, indien ik aan een pic-nic wilde komen deelnemen, die hij voor deze gelegenheid zou op touw zetten. Ik wist in het eerste oogenblik niet waar ik was; den volgenden dag was ik in den zevenden hemel, toen ik een sierlijk, geparfumeerd briefje ontving, waarin niets stond dan: „Ter herinnering aan papa's invitatie.” Den tijd, die mij nog van den gewichtigen dag scheidde, bracht ik door in een toestand tusschen waken en droomen. Ik geloof dat ik ter voorbereiding tot deze heerlijke gebeurtenis alle mogelijke dwaasheden beging. Ik krijg nog eene kleur wanneer ik denk aan de das, die ik kocht; mijne laarzen hadden eene plaats moeten vinden in eene tentoonstelling van martelwerktuigen. Daags te voren zond ik met de diligence op Norwood een sierlijk mandje, dat, naar ik meende, op zich zelve reeds eene declaratie bevatte. Er bevonden zich pistaches in met zinspreuken, zoo toepasselijk als ze maar voor geld te krijgen waren. Des morgens te zes uur was ik reeds op de markt in Covent Garden om een bouquet te koopen; te tien uur zat ik te paard—ik huurde voor deze gelegenheid een vurigen appelschimmel—en draafde met de bouquet in mijn hoed—de eenige wijze om hem frisch te houden—den weg naar Norwood op.
Ik vermoed dat ik, toen ik Dora in den tuin zag zitten, mij houdende alsof ik haar niet zag, en het huis voorbij reed alsof ik er angstig naar zocht, twee kleine dwaasheden beging, die andere jongelieden in mijne omstandigheden meermalen hebben begaan—zij gingen mij zoo natuurlijk af. Maar o! toen ik het huis vond en afsteeg aan het tuinhek en die hardvochtige laarzen over het grasperk sleepte in de richting van Dora, die onder een seringeboom op een bank zat met een wit hoedje op en in eene hemelsblauwe japon! Dat was op dien prachtigen zomermorgen een schouwspel, zoo heerlijk, dat ik het nooit vergeten zal.
Zij was in gezelschap van een jong meisje—bij haar vergeleken was zij al oud—ongeveer twintig, dunkt mij. Zij heette juffrouw Mills en Dora noemde haar Julia. Zij was Dora's boezemvriendin. Gelukkige juffrouw Mills!
Jip was ook aanwezig en wilde mij opnieuw aanvliegen en toen ik Dora mijne bouquet aanbood, liet hij de tanden zien. En wel mocht hij jaloersch zijn als hij zelfs maar een flauw denkbeeld gehad heeft van mijne vurige liefde voor zijne meesteres.
„O, dank u, mijnheer Copperfield! Welke heerlijke bloemen!” zei Dora.
Ik had plan gehad—zelfs had ik den geheelen weg over gepeinsd over den besten vorm, waarin ik mijne toespraak zou gieten—als mijne meening te kennen te geven, dat de bloemen in mijn oog eerst mooi werden, wanneer ik ze in hare handen mocht bekijken. Ik kon echter niet uit mijne woorden komen; hare bekoorlijkheid bracht mij geheel van mijn stuk. Het was onmogelijk haar de bloemen tegen haar klein, mollig kinnetje te zien leggen zonder alle tegenwoordigheid van geest te verliezen. Het verbaast mij nog dat ik niet gezegd heb. „Dood mij, juffrouw Mills; laat mij hier sterven!”
Daarna liet Dora Jip aan de bloemen ruiken. Jip bromde en wilde niet ruiken, waarop Dora begon te lachen en hem de bloemen wat dichter bij den neus hield. Jip beet er in en schudde de bouquet heen en weer, hetgeen hem een paar klappen deed oploopen van Dora, die uitriep:
„O, mijne arme, mooie bloemen!” Zij deed dit op zulk een hartstochtelijken toon, alsof Jip mij gebeten had. Had hij 't maar gedaan!
„Het zal u zeker genoegen doen te vernemen, mijnheer Copperfield,” sprak Dora, „dat die vervelende juffrouw Murdstone niet hier is. Zij is het huwelijk bijwonen van haar broeder en zal minstens drie weken wegblijven. Vindt gij dat niet heerlijk?”
Ik zeide dat zij het zeker heerlijk zou vinden en dat ik alles wat zij heerlijk vond, ook heerlijk vond. Juffrouw Mills keek ons met een minachtend lachje aan, alsof zij veel verstandiger was dan wij en wij hare welwillendheid op prijs moesten stellen.
„Zij is het onaangenaamste wezen, dat ik ooit ontmoette,” zei Dora. „Gij kunt u geen voorstelling maken van haar lastig humeur, Julia.”
„Ja, dat kan ik wel, beste,” antwoordde Julia.
„O, ja, gij zult het misschien wel kunnen, lieveling,” hernam Dora, terwijl zij hare hand op die van Julia legde. „Vergeef mij dat ik voor u geen uitzondering maakte.”
Ik begreep hieruit, dat juffrouw Mills reeds een veelbewogen leven en veel beproevingen achter den rug had en dat ik wellicht daaraan dien verstandigen en welwillenden blik te danken had, waarvan ik zoo even sprak. In den loop van den dag had ik gelegenheid, om op te merken dat dit het geval was: juffrouw Mills had eene ongelukkige liefde gehad en zich met de door haar opgedane ondervinding uit de wereld teruggetrokken; zij bleef echter belang stellen in de onverbleekte hoop en liefde der jeugd.
Nu kwam mijnheer Spenlow het huis uit en Dora ging naar hem toe, roepende: „Kijk eens, papa, welke mooie bloemen!” Juffrouw Mills glimlachte en keek daarbij alsof zij zeggen wilde: „Geniet nog maar eens van den helderen morgen, want uw bestaan is even broos als dat des vlinders!” Daarna wandelden wij allen te zamen over het grasperk naar het rijtuig, dat gereed stond.
Nimmer zal ik nogmaals zulk een heerlijken rijtoer doen. Nooit heb ik er voor of na dien tijd zoo een gemaakt. Zij zaten slechts met hun drieën in den phaëton, met hunne mand en mijn mandje en de guitaarkist; en ik reed achter het rijtuig en Dora zat met den rug naar de paarden, zoodat zij mij voordurend in het oog kon houden. Zij had de bouquet vlak naast zich op het kussen gelegd en Jip mocht onder geen voorwendsel aan dien kant zitten, uit vrees, dat hij de bloemen vernielen zou. Telkens nam zij de bouquet in de hand om zich aan de heerlijke geuren te laven en telkens ontmoetten onze oogen elkander bij die gelegenheden. Het verbaast mij nu nog, dat mijn vurige appelschimmel mij niet over den kop in het rijtuig heeft geworpen.
Ik geloof, dat het erg stoof en heb eene flauwe herinnering van eene waarschuwing van mijnheer Spenlow om op een afstand te blijven. Maar ik bemerkte niets van het stof! Ik zag alleen Dora in een waas van bekoorlijkheid en liefde, anders niet. Nu en dan stond mijnheer Spenlow op om mij te vragen hoe ik het uitzicht vond; ik antwoordde dat ik het heel mooi vond; hoewel ik niets zag dan Dora. De zon scheen Dora, de vogels zongen Dora, de Zuidewind blies Dora en de wilde bloemen in de heggen waren allen Dora's tot zelfs de kleinste knopjes. Het was een troost voor mij, dat juffrouw Mills mij begreep dat juffrouw Mills geheel kon opgaan in mijn gevoel.
Ik weet niet hoe lang wij doorreden en tot op dit uur heb ik nooit geweten waarheen. Ik vermoed naar Guildford. Wellicht opende een Oostersche toovenaar de plaats voor één dag, om die terstond weder te sluiten. Het was een groen plekje op een heuvel, met een tapijt van mollig gras. Er waren boomen, die heerlijke schaduw gaven, en heide en, zoover het oog reikte, een prachtig landschap.
Het was een ware beproeving voor mij, toen wij hier menschen vonden, die op ons wachtten; mijne jaloezie, zelfs op de dames, was niet te beschrijven. En de heeren waren allen mijn doodsvijanden—één vooral, iemand, ongeveer vier jaar ouder dan ik, met roode bakkebaarden, waarop hij onverdragelijk pedant was.
Wij pakten allen onze manden uit en gingen aan het werk om het diner in gereedheid te brengen. Roodbaard beweerde zoo goed salade te kunnen gereed maken—waaraan ik natuurlijk geen geloof sloeg—en trachtte de algemeene aandacht te trekken. Een paar jonge dames waschten en sneden de latuw onder zijne leiding en ook Dora deed daaraan mede. Ik voelde dat het noodlot dien man op mijn weg had geplaatst en dat een van ons beiden moest vallen.
Roodbaard maakte de sla aan en ik begrijp nog niet hoe iemand er van kon eten. Voor niets ter wereld zou ik er aan geraakt hebben! Ook riep hij zichzelf uit tot bottelier en, listig als hij was, richtte hij een wijnkelder in een hollen boomstam in. Een oogenblik later zag ik hem met het grootste gedeelte van een mooie kreeft op zijn bord aan Dora's voeten liggen!
Ik kan mij maar flauw herinneren wat er gebeurd is gedurende den eersten tijd, nadat ik dit onverkwikkelijk schouwspel genoten had. Ik was vroolijk, dat weet ik; maar die vroolijkheid was valsch. Ik zocht mijn heil bij een heel jong schepseltje in een rose toiletje en maakte haar op eene wanhopende wijze het hof. Zij nam mijne attenties gaarne aan, maar of het alleen om mijnentwil was dan wel of zij Roodbaard jaloersch wilde maken, kan ik niet zeggen. Dora's gezondheid werd gedronken. Ik deed alsof ik mijn gesprek slechts even tot dat doel afbrak en vatte het terstond weer op. Toen ik met mijn glas in de hoogte even eene buiging voor haar maakte, meende ik eene smeekende uitdrukking te zien in den blik, dien zij mij toewierp. Maar deze blik bereikte mij over het hoofd van Roodbaard heen en daarom was ik onvermurwbaar.
Het jonge meisje in rozerood had eene mama in het groen en ik geloof dat deze ons om redenen van staatkundigen aard scheidde. Hoe het zij, terwijl de overblijfselen van het middagmaal werden opgeruimd, verspreidde zich het gezelschap en ik ging, met toorn en wroeging in het hart, onder de boomen wandelen. Ik verkeerde in tweestrijd met mijzelven of ik niet zou voorwenden onwel te zijn, of ik niet zou laten opzadelen en de vlucht nemen—toen eensklaps Dora en juffrouw Mills voor mij stonden.
„Mijnheer Copperfield,” zei juffrouw Mills, „wat zijt gij stil!”
„Wel, neen, hoe kunt gij dat zeggen?”
„En Dora,” vervolgde zij, „gij zijt ook stil.”
„O, neen, lieveling, volstrekt niet!”
„Mijnheer Copperfield en Dora,” hernam zij bijna op plechtigen toon, „laat het nu genoeg zijn. Laat geen onzinnig misverstand de bloesems doen verwelken, die de lente nauwelijks heeft te voorschijn geroepen en die, eenmaal verflenst, niet opnieuw kunnen ontluiken. Ik spreek uit ondervinding van het verledene—van een onherroepelijk verleden. De dartele fonteinen, schitterend in het zonlicht, mogen niet door laffe grillen worden verstopt; de oasis in de woestijn moet niet nutteloos worden uitgeroeid.”
Ik wist nauwelijks wat ik deed, maar voelde dat ik over mijn geheele lichaam begon te gloeien, ik nam Dora's kleine handje in de mijne en drukte er een kus op en.... zij liet het toe! Ik kuste ook de hand van juffrouw Mills en met ons drieën stegen wij, naar ik geloofde, op naar den zevenden hemel. En, wij daalden niet meer naar de aarde af; wij bleven er in, den geheelen avond. Eerst wandelen wij eenigen tijd onder de boomen op en neer: ik met Dora's arm door de mijne, en de Hemel weet het—hoe dwaas de gedachte ook was—de wensch kwam in mij op om eeuwig zoo onder deze zelfde boomen te blijven wandelen!
Te vroeg drong het gelach en gepraat en geroep van de anderen tot ons door. „Waar is Dora?” Wij keerden daarom terug en nu moest er gezongen worden. Roodbaard wilde de guitaarkist uit het rijtuig halen, maar Dora zei dat niemand dan ik wist waar ze stond. Voor de eerstvolgende oogenblikken was Roodbaard dus den mond gestopt en ik ging de guitaarkist halen; ik maakte die open, ik nam de guitaar er uit; ik zat bij haar; ik hield haar zakdoek en hare handschoenen vast en ik dronk, als het ware, elken noot van hare lippen en zij zong voor mij, die haar liefhad, en de anderen mochten applaudisseeren, zoo hard als zij wilden, voor hen zong zij niet!
Ik was dronken van blijdschap, al vreesde ik dat mijn geluk te groot was om waar te zijn en dat ik den volgenden morgen in Buckingham-street zou ontwaken en juffrouw Crupp het theegoed zou hooren klaarzetten evenals altijd. Maar Dora zong en de anderen zongen en juffrouw Mills zong—van de sluimerende echo's in de spelonken der herinnering, alsof zij meer dan honderd jaren oud was—en het werd avond en wij dronken thee en de ketel hing boven het vuur, zooals in de Zigeuner-kamp, en ik bleef even gelukkig. Maar het gelukkigst voelde ik mij toen wij naar huis gingen en ik den uit het veld geslagen Roodbaard met de anderen hunsweegs zag gaan. Wij sloegen onzen weg in, terwijl het gaandeweg donker werd. Mijnheer Spenlow was een weinig slaperig van de champagne—heil den grond, waar de druif groeit, der druif, waarvan de wijn wordt gemaakt, der zon, die de druif doet rijpen en den koopman, die den wijn vervalschte! Ik reed op zijde van het rijtuig en bleef in druk gesprek met Dora. Zij bewonderde mijn paard en klopte het op den hals.... wat was dat handje lief en klein op dien paardenhals! en toen haar shawl niet wilde blijven zitten, trok ik dien dicht en ik verbeeldde mij dat zelfs Jip begon te begrijpen, dat er niets meer aan te veranderen viel en hij maar goede vrienden met mij moest worden.
En dan die scherpzinnige juffrouw Mills! Dat beminnelijke schepseltje, dat nu reeds meende met de wereld te hebben afgedaan, dat kluizenaresje van nog geen twintig jaar, dat „de sluimerende echo's in de spelonken der herinnering” niet wilde wakker maken, o, wat was ook zij vriendelijk voor mij!
„Mijnheer Copperfield,” sprak zij, „kom eens een oogenblik aan dezen kant van het rijtuig—als gij namelijk een oogenblik te missen hebt. Ik moet u iets zeggen.”
En daar galoppeerde ik op mijn appelschimmel naast het rijtuig, aan den kant, waar juffrouw Mills zat, met de hand op het portier.
„Dora komt bij mij logeeren. Na overmorgen gaat zij met mij mede. Zoo gij ons eens wilt komen bezoeken, zal papa u zeker met genoegen ontvangen.”
Wat kon ik meer doen dan in stilte den zegen afsmeeken over juffrouw Mills' hoofd en juffrouw Mills' adres in het veiligste hoekje van mijn geheugen verbergen! Wat kon ik anders doen dan juffrouw Mills met een dankbaren blik en in hartstochtelijke taal zeggen, hoe ik hare goede diensten op prijs stelde en hoe onschatbaar hare zoo zeer gewaardeerde vriendschap voor mij was!
Daarop gaf juffrouw Mills mij met een vriendelijk knikje mijn afscheid, zeggende: „Ga nu weder naar Dora!” Ik ging en Dora leunde uit het rijtuig om met mij te praten en ik drong mijn vurigen appelschimmel zoo dicht tegen het rijtuig aan, dat het arme dier zijn voorbeen schaafde tegen het wiel: waardoor de eigenaar, volgens zijne verklaring, eene schade had van drie pond en zeven shilling, die ik hem betaalde, meenende dat het gesmaakte genot daarmede niet te duur was gekocht. Gedurende dien tijd zat juffrouw Mills naar de maan te kijken, terwijl zij verzen prevelde, die haar, naar ik onderstelde, herinnerden aan de dagen, waarin zij en de wereld nog iets met elkander gemeen hadden.
Norwood lag naar mijn oordeel vele mijlen te dicht bij en wij bereikten het vele uren te vroeg; evenwel mijnheer Spenlow werd, een oogenblik voor het rijtuig stilhield, wakker en vroeg: „Komt gij niet binnen, Copperfield? Blijft gij nog niet wat?” En ik bleef en wij gebruikten allerliefste kleine boterhammetjes en dronken wijn met water en in de helder verlichte kamer zag de blozende Dora er zoo bekoorlijk uit, dat ik mijne oogen niet van haar kon afhouden en haar bleef zitten aanstaren, tot mijnheer Spenlow's snorken mij tot het besef bracht, dat het tijd werd om afscheid te nemen. Op den terugrit naar Londen voelde ik voortdurend den druk van Dora's handje op de mijne en herhaalde ik bij mij zelven elk woord, dat gesproken was, duizende malen, en liet ik alles, wat dien dag was voorgevallen, in mijn geest nog eenmaal gebeuren; en toen ik in mijn bed lag, was ik zoo verliefd, als zoo'n jong, onervaren manneke maar wezen kon.
Toen ik den volgenden morgen ontwaakte, was mijn besluit genomen: ik zou Dora mijne liefde bekennen, ik wilde zekerheid hebben. Volmaakt gelukkig of diep ellendig zou haar antwoord mij maken; daarvan was ik ten volle overtuigd. Ik bracht drie dagen door, die evenzooveel maanden geleken, mij zelven martelende en pijnigende door aan alles, wat er ooit tusschen Dora en mij was voorgevallen of besproken, eene voor mij zelven ongunstige uitlegging te geven. Ik maakte buitengewone onkosten aan mijn toilet en eindelijk begaf ik mij met eene liefdesverklaring op de lippen naar de woning van juffrouw Mills.
Hoe dikwijls ik de straat op en neer en het pleintje rondliep, eer ik kon besluiten de trap op te gaan en den klopper in de hand te nemen, doet nu niets ter zake. Zelfs toen ik eindelijk den klopper had laten vallen en op de stoep stond te wachten, kwam nog even de gedachte in mij op om te vragen of hier mijnheer Blackboy woonde, verschooning te vragen voor mijne vergissing en heen te gaan. Gelukkig bleef het echter bij eene opkomende gedachte.
Mijnheer Mills was niet thuis. Ik had dit trouwens ook niet verwacht. Wij hadden hem niet noodig. Juffrouw Mills was thuis en zou mij gaarne ontvangen. Men wees mij den weg naar eene bovenkamer, waar juffrouw Mills en Dora waren met Jip. Juffrouw Mills was bezig een muziekstuk over te schrijven—ik herinner mij dat het een nieuw lied was, getiteld: „De vergankelijkheid der Liefde”—en Dora zat bloemen na te teekenen. Wie zal mijne gewaarwording beschrijven toen ik mijn eigen bloemen herkende, de bloemen, die ik op de markt in Covent Garden gekocht had! Ik kan niet zeggen dat de gelijkenis heel groot was, ja, zelfs niet dat ze op eenige bloemensoort leken, die ooit onder mijn oogen was geweest; ik herkende ze echter aan het papier, dat er om heen zat en zeer nauwkeurig was gevolgd.
Juffrouw Mills was blijde mij te zien, en betuigde haar leedwezen dat haar papa niet thuis was, een verdriet, dat wij alle drie met gelatenheid droegen. Nog eenige minuten bleef zij praten, maar toen legde zij haar „Vergankelijkheid der Liefde” neer en liet ons alleen.
Ik begon te denken dat het wellicht beter tot den volgenden dag zou kunnen worden uitgesteld.
„Ik hoop dat uw arme paard niet al te vermoeid was toen gij thuis kwaamt,” zei Dora, terwijl zij mij met hare verrukkelijke oogen aankeek. „Het dier heeft een langen weg moeten afleggen.”
Ik begon te denken dat het toch beter was vandaag maar van wal te steken.
„Hij had wel een langen weg,” antwoordde ik, „en bovendien was er den geheelen dag niets, dat zijne krachten schraagde.”
„Heeft het arme dier niets te eten gehad?” vroeg Dora.
Ik begon te denken dat ik toch maar tot den volgenden dag moest uitstellen.
„Ja..... ja, zeker wel,” antwoordde ik, „hij is goed verzorgd. Ik bedoel dat hij niet het onuitsprekelijke geluk had van zoo dicht bij u te zijn als ik.”
Dora boog het hoofd over hare teekening en zei, na eene kleine pauze—ik had intusschen een gevoel gehad alsof ik de koorts had, ik gloeide en mijne beenen waren stijf.—„Op zeker gedeelte van den dag scheen het mij toch toe, dat gij niet zoo bijzonder gevoelig waart voor dat geluk.”
Ik begon in te zien dat elke weifeling noodlottig kon worden en ik dus terstond van wal moest steken.
„Dat geluk scheen u bijzonder koel te laten,” vervolgde Dora, hare wenkbrauwen een weinig optrekkende en haar hoofdje schuddend, „toen gij bij juffrouw Kitt een plaatsje hadt veroverd.”
Ik moet nog meedeelen, dat juffrouw Kitt de dame was in het rose, met de kleine oogjes.
„Ik begrijp ook eindelijk niet hoe u dat gelukkig zou kunnen maken,” vervolgde Dora, „waarom gij dat een geluk noemt. Natuurlijk meent gij niet wat gij zegt. Niemand twijfelt er bovendien aan, dat gij niet zoudt mogen doen wat gij goed vindt. Kom hier, Jip, ondeugd!”
Ik weet niet hoe het kwam, maar het geschiedde in een ondeelbaar oogenblik. Ik was Jip voor. Dora lag in mijn armen en ik was zoo welsprekend, als ik nooit gemeend had te zullen kunnen zijn. Ik bleef geen oogenblik steken. Ik vertelde haar, dat ik haar liefhad, dat ik voor haar wilde sterven, dat ik haar aanbad, haar verafgoodde.... en gedurende al dien tijd bleef Jip maar aan het blaffen.
Toen Dora haar hoofdje liet hangen en begon te schreien, werd mijne welsprekendheid hoe langer hoe grooter. Indien zij wilde, dat ik mijn leven voor haar zou laten, behoefde zij slechts één woord te spreken en ik zou er toe bereid zijn. Te leven zonder hare liefde was eene onmogelijkheid voor mij geworden. Ik kon en wilde dat niet dragen. Sinds ik haar gezien had, had ik haar elke minuut, elke seconde, dag en nacht lief gehad. Op dit oogenblik had ik haar zelfs waanzinnig lief en zoo zou ik haar blijven liefhebben, mijn leven lang. Niemand vóór mij, noch na mij kon ooit zoo hebben bemind of zou ooit zoo kunnen beminnen als ik haar beminde, dat was onmogelijk, dat kon niet! Hoe meer ik in vuur geraakte, hoe harder Jip begon te blaffen. Het scheen wel of wij beiden, ieder op zijn eigen manier dol werden....
Eenige oogenblikken later zaten Dora en ik rustig naast elkander op de sofa en Jip lag op haar schoot en kwispelde kalm, terwijl hij mij aankeek. Nu was het van mijn hart af en was ik zoo verrukt als een verliefd jongmensch maar zijn kan. Dora en ik waren verloofd!
Wij begrepen wel, dat moet ik ten minste onderstellen, dat eene verloving met een huwelijk dient te eindigen. Wij moeten dat wel begrepen hebben, want Dora stelde als voorwaarde, dat wij nimmer zouden trouwen zonder de toestemming van haar papa. In onze verrukking keken wij, geloof ik, noch vóór, noch achter ons; wij hadden voor niets oogen dan voor het onbekende heden. Wij moesten ons geluk geheim houden voor mijnheer Spenlow; maar ik ben overtuigd, dat ik daarin op dit oogenblik niets onbehoorlijke zag.
Juffrouw Mills keek nog ernstiger dan gewoonlijk toen Dora, die haar gehaald had, met haar terugkwam—ik vrees omdat hetgeen was voorgevallen wel in staat was om de sluimerende echo's in de spelonken der herinnering te doen ontwaken. Zij wenschte ons echter geluk, gaf ons de verzekering van hare eeuwigdurende vriendschap en sprak ons toe met eene stem, die als uit de onderaardsche gang van een klooster tot ons doordrong.
Wat een gelukkige, dwaze tijd volgde nu, geheel gewijd aan allerlei beuzelarijen!
Toen ik de maat nam van Dora's vinger voor een ring van vergeet-mij-nietjes en toen de juwelier, bij wien ik dien maat bracht, begreep wat er aan de hand was,—mij over zijn kasboek heen, lachend aankeek en mij zooveel rekende voor dat lieve, kleine prulletje als hem op het oogenblik in het hoofd kwam, voor dat prulletje met de kleine blauwe steentjes—in mijne herinnering zoo verbonden met Dora's hand, dat er, toen ik gisteren een dergelijk ringetje aan de hand van mijn eigen dochtertje ontwaarde, gedurende een oogenblik een pijnlijk gevoel opkwam in mijn hart....
Toen ik buiten wandelde, fier op mijn geheim en vervuld van mijn eigen belangrijkheid, zoo geducht mijne waardigheid voelende als verloofde van Dora, dat ik mij, als ik op de wolken gewandeld had, niet hooger verheven had kunnen wanen boven alles wat op de aarde rondkroop....
Toen wij ontmoetingen hadden op het pleintje voor mijnheer Mills' woning en in het onooglijke zomerhuisje zaten te keuvelen, zóó gelukkig, dat ik nu nog daarom alleen de Londensche musschen liefheb en in hunne grauwe vederen de schitterende kleuren van de tropen meen te ontwaren....
Toen wij onze eerste oneenigheid hadden—binnen een week na onze verloving—en Dora mij den ring terugzond met een wanhopig, steekvormig briefje, waarin zij de ijzingwekkende uitdrukking gebruikte, „dat onze liefde begonnen was met een dwaasheid en eindigen zou met eene krankzinnigheid!” welke vreeselijke woorden ten gevolge hadden, dat ik mij de haren uittrok en riep dat alles nu voor eeuwig voorbij was!....
Toen ik op een duisteren avond naar juffrouw Mills snelde en haar in de achterkeuken vond bij den mangel, waar ik haar smeekte als bemiddelaarster op te treden en de krankzinnigheid te verhoeden. Toen juffrouw Mills aan mijn smeeken gehoor gaf, met Dora terugkeerde en ons van den kansel harer eigene verbitterde jeugd aanmaande, toegeeflijk te zijn voor elkanders fouten en de woestijn, de Sahara, te vermijden!....
Toen wij beiden schreiden en ons geschil bijlegden en opnieuw zoo zalig waren, dat de achterkeuken met den mangel en alles wat er verder in was, ons een tempel der liefde scheen te zijn, waar wij plannen maakten voor eene correspondentie van minstens één brief per dag, terwijl ook daarin juffrouw Mills als tusschenpersoon zou optreden....
Wat een zalige, dwaze tijd, gewijd aan allerlei beuzelarijen! Onder al de tijden, die de Tijd heeft verzwolgen, is er geen, waarvan al de herinneringen mij zoo kunnen doen glimlachen, waaraan ik ook maar met half zooveel teederheid denken kan.