Tante begon zich ongerust te maken over mijne voordurende somberheid en achtte dientengevolge eene afleiding noodig. Zij wendde voor dat zij wel eens wilde weten, hoe haar huisje te Dover bewoond werd en of de huurder ook genegen zou zijn den huurtermijn te verlengen. Ik moest dus eens naar Dover gaan.
Janet was door mevrouw Strong in dienst genomen, waar ik haar elken dag zag. Eer zij Dover verliet, had zij geaarzeld of zij al of niet de kroon zou zetten op tante's aanmaningen om het sterke geslacht af te zweren, door met een loods te trouwen; maar zij had het waagstuk niet durven ondernemen. Naar het mij toescheen, gaven hare principes minder den doorslag dan het feit dat zij niet van hem hield.
Hoewel het mij moeite kostte juffrouw Mills te verlaten, kon ik mij toch wel met tante's voorstel vereenigen, aangezien het mij in de gelegenheid zou stellen om eenige uren met Agnes door te brengen. Ik verzocht den goeden doctor mij drie dagen vacantie toe te staan, waarin hij niet slechts bewilligde, maar hij achtte het bepaald noodig dat ik langer zou uitblijven, waartegen mijn ijver en mijn plichtsgevoel zich verzetten—ik besloot dus te gaan.
Met de Commons behoefde ik het zoo nauw niet te nemen. Om de waarheid te zeggen, begon ons kantoor bij de proctors van den eersten graad in eene minder goede reuk te staan en kwam het langzamerhand zelfs in eene zeer dubbelzinnige positie. Onder het bestuur van mijnheer Jorkins, dus vóór mijnheer Spenlow's tijd, hadden de zaken niet veel beteekend en ofschoon laatstgenoemde, voornamelijk door veel vertoon te maken, er wat meer leven had ingebracht, steunde het toch niet op zulke solide grondslagen, dat het plotselinge verlies van den eigenlijken beheerder geen gevoeligen schok zou te weeg brengen. De inkomsten verminderden bij den dag, te meer wijl mijnheer Jorkins, niettegenstaande zijn goeden naam, iemand was met weinig ijver en geestkracht. Ik stond nu geheel onder hem en wanneer ik hem daar zag zitten snuiven in stede van zaken doen, betreurde ik tante's duizend pond meer dan ooit.
Dit was evenwel nog niet het ergst. Er waren een aantal beunhazen, die, zonder zelf proctor te zijn, op eigen hand allerlei kleine zaakjes aannamen en door wezenlijke proctors lieten bezorgen. Deze ontvingen dan een evenredig aandeel van de buit en—zoo waren er bij tientallen. Aangezien ons kantoor ook zaken moest doen, sloten wij ons bij dat edele gezelschap aan en wierpen lokaas uit naar de beunhazen, opdat zij met hunnen zaakjes naar ons zouden komen. Huwelijks-licentiën en kleine certificaten van echtheid, dat was alles wat wij hiervan verwachtten en werd ook het best betaald; de mededinging was echter groot. Wervers en ronselaars hielden alle toegangen tot de Commons bezet en hadden de opdracht alle personen in rouwgewaad en alle heeren, die een weinig verlegen schenen, aan te houden en naar het kantoor van hun lastgever te brengen. En hoe aan deze opdrachten voldaan werd, daarvan ontving ik persoonlijk het bewijs, aangezien ik zelf, eer men mij kende, twee malen het kantoor van onzen hevigsten tegenstander werd binnengedrongen. De tegenstrijdige belangen van deze klanten-zoekende heeren waren uiterst geschikt om nu en dan de hartstochten te prikkelen, zoodat zij niet zelden tot handtastelijkheden aanleiding gaven en eenmaal liep onze voornaamste werver, die vroeger in den wijnhandel en daarna uitdrager geweest was, tot schande van de Commons, met een blauw oog. Een van deze kerels ontzag zich zelfs niet eene oude dame in den rouw uit het rijtuig te helpen, haar te vertellen dat de proctor, naar wien zij vroeg, overleden was en haar te brengen naar den proctor, voor wien hij werver was, zijnde deze volgens zijne bewering de opvolger van den overledene. Menigeen werd op deze wijze om den tuin geleid. Huwelijks-licentiën waren zoo gewild, dat een bedeesd heer, die er een noodig had, niets behoefde te doen dan zich aan den eersten den besten werver over te geven, of, wilde hij om zich laten vechten, de buit van den sterkste te worden. Een van onze klerken had de gewoonte aangenomen, om, wanneer het gevecht in vollen gang was, met den hoed op voor het venster te gaan zitten, opdat hij gereed zou zijn om onmiddellijk naar het bureau van beëediging te loopen wanneer de prooi ons ten deel viel. Dit werfsysteem bestaat, als ik mij niet bedrieg, op dit oogenblik nog. Toen ik de laatste maal op de Commons kwam, schoot een man met een fatsoenlijk uiterlijk, eene flinke houding en een wit voorschoot op mij af en fluisterde mij in: „Huwelijks-licentie,” waarna het mij groote moeite kostte hem te beletten mij in zijne armen te nemen, en bij een proctor te brengen.
Volgt mij na deze uitweiding naar Dover. Ik vond het huisje in den besten toestand en kon tante de verblijdende en geruststellende mededeeling doen, dat de huurder hare grieven tegen de ezels had overgenomen en in voortdurenden oorlog verkeerde met de drijvers. Nadat ik mijne zaken te Dover had afgedaan, bleef ik er een nacht over en wandelde in den vroegen morgen naar Canterbury. Het was winter en de frissche koude, de zeelucht en het gezicht op de golvende duinen brachten mij in eene stemming, waarin mijne hoop werd verlevendigd.
Te Canterbury aangekomen, bleef ik eenigen tijd door de straten slenteren om in stilte te genieten van allerlei herinneringen. Daar waren de oude uithangborden, de oude namen boven de winkels, de oude gezichten achter de toonbanken. Het scheen mij zoo lang geleden dat ik hier als schooljongen rondliep, zoodat ik mij verbaasde het plaatsje zoo weinig veranderd te vinden, tot ik bedacht hoe weinig ik zelf eigenlijk veranderd was. Het moge vreemd klinken, maar het gevoel van kalmte, dat in mijne ziel onafscheidelijk aan Agnes verbonden was, scheen zelfs te zijn overgegaan op de stad harer inwoning. De statige torens van de kathedraal; de oude kraaien en kauwen, wier stemmen, zoo hoog in de lucht, de stilte nog meer in het oog deden vallen; de vervallen portalen, eens vol heiligenbeelden, die nu reeds sinds langen tijd waren neergehaald en tot stof vergaan, evenals de eerwaarde pelgrims, die ze vol eerbied hadden aangestaard; de ouderwetsche huizen; het landelijk uitzicht over velden, boomgaarden en tuinen; de stille hoekjes, verborgen achter eeuwenoud klimop .... overal, over alles hetzelfde plechtig waas, overal dezelfde kalmte, die niet kon nalaten een weldadigen invloed op mij te oefenen.
Toen ik aan de woning van mijnheer Wickfield kwam, vond ik in het uitgebouwde kamertje, waarin Uriah Heep gewoonlijk zat, thans mijnheer Micawber druk aan het schrijven. Hij was deftig gekleed in een zwart pak en scheen in dit kleine kamertje zwaarder en breeder dan ooit.
Mijnheer Micawber was blijde mij te zien, maar toch ook een weinig verlegen. Hij zou mij gaarne terstond naar Uriah gebracht hebben, maar dat aanbod sloeg ik af.
„Ik ken den weg in huis uit vroeger dagen, zooals gij u wel zult herinneren,” antwoordde ik, „zijt gij al goed thuis in de wetten, mijnheer Micawber?”
„Mijn beste Copperfield,” zei hij, „voor een man, wiens geest gaarne een hooge vlucht neemt, heeft het bestudeeren der wetten een groot bezwaar omdat er zooveel details bij zijn in acht te nemen. Zelfs in de Ambts-correspondentie,” ging hij voort met een blik op eenige brieven, die hij geschreven had, „is het niet geoorloofd zijne gedachten in een meer verheven vorm te gieten. Toch is het een schoon beroep! Een schoon beroep!”
Daarna vertelde hij mij, dat hij het oude huis van de Heeps gehuurd had en dat mevrouw Micawber zonder twijfel zeer vereerd zou zijn, indien zij mij nog eens onder haar dak zou mogen zien. „Het is zeer nederig,” vervolgde mijnheer Micawber, „om de geliefkoosde uitdrukking van mijn vriend Heep te gebruiken,—maar ik hoop, dat het als overgang zal dienen tot eene woning met meer geriefelijkheden.”
Ik vroeg hem of hij tot nog toe tevreden was over de behandeling, die hij van zijn vriend Heep ondervond. Hij stond op, ten einde zich te overtuigen dat de deur gesloten was, en antwoordde toen op fluisterenden toon:
„Beste Copperfield, iemand, die gebukt gaat onder finantiëele ongelegenheden, is tegenover het gros van de menschen in het nadeel. En deze verhouding wordt niet beter, wanneer die ongelegenheden zulk eene uitbreiding verkrijgen, dat men genoodzaakt is het vastgesteld salaris op te vragen, alvorens de termijn vervallen en het salaris verschuldigd is. Al wat ik van mijn vriend Heep kan zeggen, is dat hij dergelijke aanvragen steeds beantwoord heeft op eene wijze, die zijn hoofd en hart eer aandoet.”
„Ik heb nooit gedacht, dat hij zoo gemakkelijk van zijn geld afstand zou doen,” meende ik.
„Neem mij niet kwalijk,” antwoordde mijnheer Micawber, „maar ik kan alleen spreken van mijn vriend Heep, voor zoo ver mijne ervaringen zich uitstrekken.”
„Het doet mij genoegen, dat gij te dien opzichte zulke aangename ervaringen hebt opgedaan,” antwoordde ik.
„Wel verplicht, beste Copperfield,” zei mijnheer Micawber en begon een deuntje te fluiten.
„Ziet gij mijnheer Wickfield dikwijls?” vroeg ik om een ander onderwerp ter sprake te brengen.
„Niet dikwijls,” antwoordde mijnheer Micawber op minachtenden toon. „Mijnheer Wickfield is iemand, die .... dat durf ik zeggen .... uitmuntende bedoelingen heeft, maar .... kortom .... ze niet meer kan toepassen.”
„Ik heb wel eens gevreesd dat zijn compagnon hem zoo maakt,” hernam ik.
„Beste Copperfield, vergun mij eene opmerking te mogen maken,” zei mijnheer Micawber, onrustig op zijn stoel heen- en weer schuivende. „Ik heb hier een post van vertrouwen; kortom .... men stelt vertrouwen in mij. Ik acht het daarom onvereenigbaar met mijne betrekking, over sommige zaken te spreken, zelfs met mevrouw Micawber, die al de wisselingen in mijn levenslot met mij heeft gedeeld en op een buitengewoon helder verstand kan bogen. Ik neem dus de vrijheid om u in overweging te geven, in onzen vriendschappelijken omgang—die, naar ik vertrouw, nimmer zal worden afgebroken—eene lijn te trekken. Aan de eene zijde van deze lijn”—hij stelde de lijn aanschouwelijk voor met de liniaal—„ligt alles waarmede de menschelijke geest zich kan bezighouden, op één uitzondering na; aan de andere zijde ligt die uitzondering zelve; d. w. z.; daar liggen de zaken van de firma Wickfield en Heep met alles wat daartoe behoort. Ik vertrouw dat mijn vriend uit vroeger dagen het mij niet ten kwade zal duiden, indien ik dit voorstel aan zijn rechtvaardig oordeel onderwerp?”
Hoewel ik een zekere gedwongenheid bij mijnheer Micawber opmerkte, alsof hij onder zijne betrekking gebukt ging, had ik toch niet het recht hem deze beschouwing kwalijk te nemen. Het scheen eene verademing voor hem te zijn, toen ik hem dit zeide, en hij schudde mij hartelijk de hand.
„Ik ben verrukt van mejuffrouw Wickfield, Copperfield; daarvan kan ik u de verzekering geven. Zij munt in bevalligheid, talenten, kortom, in alle deugden boven de meeste jonge dames van haar leeftijd uit. Waarlijk,” vervolgde hij met een kushand in de richting van de deur, „mijn nederigste hulde aan mejuffrouw Wickfield! Hm!”
„Dat verheugt mij ten minste,” zei ik.
„Indien gij ons den avond, dien wij het genoegen hadden samen door te brengen, niet verteld hadt, Copperfield, dat uw meest geliefde letter een D is,” hernam hij, „zou ik ongetwijfeld in de meening verkeerd hebben dat het een A moest zijn.”
Wie kent het gevoel niet, dat ons somtijds bekruipt, alsof hetgeen wij zeggen of doen, reeds vroeger eens gezegd of gedaan is, alsof wij jaren en jaren geleden ook omringd zijn geweest door dezelfde gezichten, dingen en omstandigheden; alsof wij nauwkeurig weten wat in het volgend oogenblik gezegd zal worden omdat wij het ons van eene vroegere gelegenheid meenen te herinneren. Zulk een geheimzinnig gevoel had ik nooit sterker dan een oogenblik voor mijnheer Micawber de laatste woorden sprak.
Ik nam nu voorloopig afscheid van hem met het verzoek mijne groeten aan alle huisgenooten over te brengen. Toen ik hem verliet en ik hem daar zag zitten, met de pen in de hand, op den hoogen kantoorstoel, terwijl hij zijn dikke onderkin in de stijve boorden heen en weer schoof om het hoofd eene houding te geven, waarin hij gemakkelijk kon schrijven, voelde ik dat er, sinds hij deze betrekking had aanvaard, iets tusschen ons gekomen was, dat ons belette met elkander om te gaan, zooals wij vroeger plachten te doen, iets dat eene geheel andere wending gaf aan onze gesprekken.
Ik vond niemand in het ouderwetsche salon, hoewel de sporen van juffrouw Heep's verblijf er zichtbaar waren; toen ik echter een blik wierp in Agnes' kamertje, zag ik haar aan haar schrijftafeltje zitten. Aangezien ik het licht onderschepte, keek zij op. Welk een heerlijke gewaarwording de oorzaak te zijn van zulk eene verheldering van dat peinzend gezichtje, en op zulk eene lieftallige hartelijke wijze welkom geheeten te worden!
„O, Agnes,” zei ik, toen wij naast elkander hadden plaats genomen, „ik heb u in den laatsten tijd zoo gemist!”
„Waarlijk?” antwoordde zij. „Al weer? En zoo spoedig?”
Ik schudde het hoofd.
„Ik weet niet hoe 't met mij staat, Agnes, maar er schijnt iets in mijne geestvermogens niet ontwikkeld te zijn, iets, dat ik telkens mis. Gij waart zoo gewoon voor mij te denken in den goeden, ouden tijd en het kwam mij zoo natuurlijk voor altijd uw raad en uwe hulp in te roepen, dat ik somtijds denk of ik het ontbrekende daarom wellicht niet gekregen heb.”
„En wat is het dan?” vroeg Agnes opgeruimd.
„Ik weet niet hoe ik het noemen moet,” antwoordde ik. „Ernst en volharding heb ik genoeg, onderstel ik.”
„Daarvan ben ik overtuigd,” zei Agnes.
„En geduld, Agnes?” vroeg ik een weinig aarzelend.
„Ja,” antwoordde zij lachend. „'t Gaat nog al.”
„En toch,” hernam ik, „ben ik dikwijls zoo verdrietig en moedeloos, zoo besluiteloos en onstandvastig, zoo weinig zeker van mij zelven, dat ik hetgeen mij ontbreekt maar zelfvertrouwen zal noemen, vindt gij ook niet?”
„Noem het zooals gij wilt,” zei Agnes.
„Welnu,” antwoordde ik, „luister dan. Gij komt in Londen, ik vertrouw u alles toe, en gij hebt terstond een plan gevormd. Ik kom hier, omdat ik het in Londen niet meer kan uithouden, en nauwelijks ben ik hier of ik voel mij een ander wezen. De omstandigheden, die mij wanhopig maakten, zijn niet veranderd, sinds ik deze kamer binnentrad; maar in dat korte tijdsbestek ben ik onder een invloed gekomen, die mij veranderd en.... o, zooveel beter gemaakt heeft. Wat is dat nu? Wat is uw geheim, Agnes?”
Zij keek met voorovergebogen hoofd in het vuur.
„Het is de oude geschiedenis,” hernam ik. „Lach niet als ik zeg dat het zoowel in kleine als in groote zaken altijd zoo geweest is. In vroeger dagen was mijn verdriet eenvoudig eene dwaasheid, thans is het ernstig; nu ik echter weder bij mijn zusje ben....”
Agnes keek op—met zulk eene bekoorlijke uitdrukking op haar lief gezichtje—en bood mij de hand, waarop ik een kus drukte.
„Als ik u in den beginne niet gehad had om mij raad te geven en mij nu en dan eens te prijzen, zou ik zonder twijfel uit den band gesprongen en in allerlei moeilijkheden geraakt zijn. Wanneer ik maar bij u kwam, zooals ik altijd gedaan heb, keerden rust en vrede in mijne ziel terug. En ook thans kom ik bij u, als een vermoeid reiziger, en vind datzelfde vreedzame gevoel terug.”
Ik gevoelde zoo diep wat ik zeide, het ontroerde mij zoo, dat mijne stem mij bijna begaf en terwijl ik mijn gelaat met de handen bedekte, barstte ik in tranen uit. Ik schrijf de waarheid, er moge tegenstrijdigheid en beginselloosheid in mijn karakter geweest zijn; veel had anders en beter kunnen zijn in mij; hoe ik wellicht tegen de inspraak van mijn eigen hart mag gehandeld hebben, dat weet ik niet. Ik weet alleen welk een rust en vrede het mij gaf, toen ik Agnes naast mij had.
Hare kalme, zusterlijke manieren, hare stralende, lieve oogen, hare welluidende stem, de zachtheid, waarmede zij optrad en waardoor lang geleden deze woning bijna eene heilige plaats voor mij geworden was, alles tezamen deed mij mijne zwakheid spoedig te boven komen en bracht er mij toe al hetgeen, sinds onze laatste ontmoeting was voorgevallen, aan haar te vertellen.
„En nu heb ik geen woord meer te vertellen, Agnes,” zei ik, toen ik aan het einde van mijne vertrouwelijke mededeelingen gekomen was. „Nu is al mijn hoop en mijn vertrouwen op u gevestigd.”
„Maar dat moest niet zoo zijn, Trotwood,” antwoordde zij met een vriendelijken glimlach. „Gij moest op iemand anders hoopen en vertrouwen.”
„Op Dora?” vroeg ik.
„Ja, zeker.”
„Ik heb u nog niet medegedeeld, Agnes,” zei ik een weinig verlegen, „dat men moeielijk op Dora.... ik zou voor geen geld van de wereld zeggen, „vertrouwen,” want zij is de oprechtheid en onschuld zelve.... maar moeilijk.... ja, ik weet niet hoe ik het noemen zal, Agnes. Zij is een klein, teerhartig schepseltje, dat zich spoedig laat bang maken. Eenigen tijd geleden, nog voor den dood van haar vader, toen ik meende haar eerlijk alles te moeten vertellen omtrent.... hebt gij nog zooveel geduld om alles aan te hooren?”
Op haar bevestigend antwoord vertelde ik Agnes alles van mijne bekentenis aangaande mijne armoede, van het kookboek, van de huishoudelijke rekeningen, alles wat op dien avond bij juffrouw Mills was voorgevallen.
„Maar, Trotwood,” sprak zij op afkeurenden toon, maar toch met een glimlach om de lippen. „Daar heeft uwe oude onstuimigheid u weder parten gespeeld! Gij had toch uwe pogingen om vooruit te komen in de wereld wel met ernst kunnen voortzetten, zonder zulk een lief, teerhartig schepseltje zoo'n schrik aan te jagen. Arme Dora!”
Nooit hoorde ik zooveel zachtheid en vriendelijkheid in eene stem als bij dit antwoord in de hare. Ik zag in mijn verbeelding hoe zij Dora vol bewondering teeder omhelsde, met een verwijtenden blik op mij om mij te bestraffen voor de onbesuisdheid, waarmede ik dat onschuldig hartje had doen ontstellen. Ik zag Dora in hare verrukkelijke natuurlijkheid Agnes liefkoozen en bedanken en hoorde haar met haar vleiend stemmetje mij in staat van beschuldiging stellen, terwijl zij mij toch met haar gansche kinderlijke hartje bleef liefhebben.
O, hoe dankbaar was ik Agnes, hoe bewonderde ik haar! Ik zag die beiden in een ver.... ver verschiet als liefhebbende vriendinnen en vroeg, na eenige oogenblikken in het vuur gekeken te hebben: „Wat moet ik dan doen, Agnes? Wat zou het beste zijn?”
„Naar mijn oordeel moet gij den koninklijken weg bewandelen en aan die twee oude dames schrijven,” antwoordde Agnes. „Vindt gij niet dat het gaan langs sluippaden beneden uwe waardigheid is?”
„Ja, als gij het zoo beoordeelt....”
„Ik ben eigenlijk geen bevoegde rechter in zulke dingen,” antwoordde zij, „maar ik voel dat als gij zoo in het geheim en achterbaks handelt, gij in tweestrijd moet komen met u zelven.”
„In uw oog, misschien, Agnes, omdat gij zulk een hoog denkbeeld van mij hebt,” antwoordde ik.
„Gij zoudt met uw eigen geweten in strijd komen, daarvan ben ik overtuigd”, hernam Agnes; „het is daarom veel beter dat gij een brief schrijft aan die dames. Ik zou uitgebreid en openhartig alles schrijven wat is voorgevallen en hare toestemming vragen om Dora nu en dan te bezoeken. In aanmerking nemende dat gij nog jong zijt en uw weg door het leven nog moet banen, zoudt gij naar mijne meening goed doen er bij te voegen, dat gij u onderwerpt aan alle voorwaarden, welke zij meenen zullen te moeten stellen. Ik zou beleefd vragen uw verzoek niet af te slaan zonder Dora geraadpleegd te hebben en het met haar te bespreken, wanneer zij den tijd daartoe gekomen achten. Gij moet niet onstuimig zijn,” voegde zij er vriendelijk bij, „of te veel vragen. Ik zou maar vertrouwen stellen in mijn eigen trouw en standvastigheid en—in Dora.”
„Maar als zij nu Dora weder doen schrikken, Agnes, door er met haar over te spreken,” zei ik. „En als Dora dan weder begint te schreien en niets van mij vertelt!”
„Is dat waarschijnlijk?” vroeg Agnes met dezelfde lieve, peinzende uitdrukking op haar gelaat.
„Goede Hemel, zij is zoo schrikachtig als een vogeltje,” zei ik. „Het is dus mogelijk! Ook zijn de dames Spenlow—oudere dames zijn somtijds zoo vreemd op zulke punten—misschien geen menschen, van wie men zoo iets gedaan krijgt!”
„Ik geloof niet, Trotwood,” sprak zij, hare lieve oogen tot mij opslaande, „dat ik mij door deze onderstelling zou laten weerhouden. Het is wellicht veel beter alleen te zeggen, ‚dat is de beste weg’ en dien weg in te slaan.”
Ik wist nu wat ik doen moest en aarzelde geen oogenblik meer. Met een verlicht hart, doch in het volle besef van de gewichtige taak, die ik op mij nam, besteedde ik den geheelen namiddag aan het opstellen van den brief, waartoe Agnes mij haar schrijftafeltje had afgestaan. Eerst ging ik echter naar beneden om mijnheer Wickfield en Uriah Heep welkom te heeten.
Ik vond Uriah op een nieuw naar kalk riekend kantoor, dat in den tuin was uitgebouwd; hij zat tusschen bergen boeken en papieren in en mijn eerste gedachte was: „Wat heeft hij toch een valsch uiterlijk!” Hij ontving mij op zijne gewone, kruipende manier en beweerde niets van mijne aankomst vernomen te hebben; eene bewering, waaraan ik niet beliefde te gelooven. Hij vergezelde mij naar de kamer van mijnheer Wickfield, die eene schaduw leek van hetgeen hij geweest was; terwijl de kamer ten gerieve van den compagnon van een aantal gemakken was ontbloot. Terwijl ik mijnheer Wickfield de hand drukte en hij mij welkom heette, bleef Uriah met den rug naar den haard staan en wreef met zijne beenige hand langs zijn kin.
„Gij logeert bij ons, Trotwood, zoolang gij in Canterbury blijft, nietwaar?” vroeg mijnheer Wickfield,—de blik, waarmede hij Uriah's goedkeuring vroeg, ontging mij niet.
„Is er een kamer voor mij?” vroeg ik.
„Wel zeker, jongeheer Copperfield—ik moet mijnheer Copperfield zeggen, maar ik ben dat nog niet gewoon—wel zeker, ik sta u uw oude kamertje gaarne af, indien u dat aangenaam zijn kan,” zei Uriah.
„Neen, neen,” hernam mijnheer Wickfield. „Waartoe zou men u lastig vallen? Er is wel eene andere kamer, er is wel eene andere kamer.”
„O, maar gij weet wel,” zei Uriah met een grijns, „dat het een groot genoegen voor mij zou zijn.”
Ten einde den knoop door te hakken, verklaarde ik die andere kamer of in het geheel geen te willen hebben, zoodat bepaald werd dat ik de andere krijgen zou, waarna ik afscheid nam van de firmanten tot het middagmaal en naar boven ging.
Ik had gehoopt geen ander gezelschap te hebben dan Agnes; maar juffrouw Heep had verzocht met haar breikous in Agnes' kamer bij de kachel te mogen zitten, onder voorwendsel dat er met het oog op haar rheumatiek geen beter plekje was in huis, wanneer de wind zoo en zoo was. Hoewel ik haar wel naar het bovenste topje van de kathedraal had willen verbannen, prijs gegeven aan alle winden, en ik dat vonnis zonder eenige aarzeling zou hebben uitgesproken, indien ik daartoe de macht had gehad, maakte ik van den nood eene deugd en ontving haar met een vriendelijken groet.
„Ik ben u nederig dankbaar, mijnheer,” sprak zij toen ik naar hare gezondheid informeerde, „mijne gezondheid is maar zoo zoo. Ik kan er niet op roemen. Als ik mijn Uriah nog maar eens gevestigd zie, kan ik niet meer van het leven verwachten. Hoe vindt gij dat mijn Uriah er uitziet, mijnheer?”
Ik vond dat hij meer dan ooit op een grooten schurk geleek en zei dat ik geene verandering in hem bespeurd had.
„Zoo, meent gij dat hij niet veranderd is?” vroeg juffrouw Heep. „Dan verzoek ik u nederig de toestemming om met u van opinie te verschillen. Vindt gij niet dat hij magerder geworden is?”
„Neen, ik vind hem niet magerder dan vroeger,” antwoordde ik.
„Vindt gij werkelijk niet! Maar gij bekijkt hem ook niet met het oog van eene moeder.” Toen dat moederoog het mijne ontmoette, kon ik niet nalaten te denken dat het voor alles en allen in de wereld, behalve voor Uriah, een boos oog was; het gleed langs mij heen, waarop het zich tot Agnes wendde. Een ding was zeker; zij en haar zoon waren zeer aan elkander gehecht.
„Vreest gij ook niet, juffrouw Wickfield, dat hij langzaam uitteert?” vroeg juffrouw Heep.
„Neen,” zei Agnes, het werk voortzettende, waaraan zij bezig was, „gij maakt u veel te angstig voor hem. Hij is heel gezond.”
Juffrouw Heep haalde hard haar neus op en ging voort met breien. Zij liet ons geen oogenblik alleen, gedurende de drie of vier uren, die wij voor het middagmaal op Agnes' kamertje doorbrachten; zij zat daar bij het vuur en hare breipennen bewogen zich zoo eentoonig als de slinger van een uurwerk. Ik zat tegenover haar aan de schrijftafel en Agnes had aan den anderen kant van den haard plaats genomen. Wanneer ik, peinzend over mijn brief, de oogen opsloeg en de heldere kijkers van Agnes mij bemoedigend toeknikten, voelde ik dat het booze oog van juffrouw Heep langs mij heen gleed, op Agnes lief gezichtje gevestigd bleef en daarna weder mij opzocht, terwijl het schijnbaar op het breiwerk werd geslagen. Wat zij breide, weet ik niet—ik ben in deze kunst niet ervaren—maar het scheen mij toe een net te zijn en terwijl zij de breipennen, die op Chineesche vorken geleken, over elkander heen liet gaan, deed zij mij bij het licht der vlammen in den haard aan een afzichtelijke tooverheks denken, wier booze toeleg tot nu toe was afgestuit op de deugdzaamheid van haar slachtoffer tegenover haar, maar die toch elk oogenblik haar net zou kunnen uitwerpen.
Gedurende het middagmaal bleef zij de wacht houden over ons zonder dat hare oogen een enkele maal afdwaalden. Na afloop nam haar zoon deze taak over en toen mijnheer Wickfield en hij en ik alleen waren, zat hij zoo naar mij te gluren, terwijl hij zich in de afzichtelijkste bochten wrong, dat ik het bijna niet kon uitstaan. In het salon zat de moeder weder te breien en te spionneeren. Zoo lang Agnes speelde en zong bleef zij bij de piano zitten. Eens vroeg zij haar een zeker lied, waarvan haar Ury, die in een leunstoel zat te geeuwen, zooveel hield; bij tusschenpoozen keek zij naar haar zoon en vertelde dan aan Agnes, dat hij dweepte met muziek. Zij sprak bijna nooit—ik betwijfel of zij het wel ooit deed—zonder haar zoon er bij te halen en ik twijfelde geen oogenblik of dit was de haar opgedragen taak.
En dit duurde tot het tijd was om naar bed te gaan. Ik walgde letterlijk van moeder en zoon, die dit huis als twee poliepen omkneld hielden en wier afzichtelijke gestalten elken lichtstraal onderschepten, zoodat ik veel liever, met breiwerk en al, beneden was gebleven. Ik sliep dan ook zeer onrustig, eigenlijk in het geheel niet. En den volgenden dag, 's morgens, 's middags en 's avonds, hetzelfde liedje! Ik kon geen gelegenheid vinden om Agnes, ook maar tien minuten, alleen te spreken. Ik kon haar nauwelijks mijn brief laten lezen en stelde haar voor eene wandeling met mij te gaan doen, maar aangezien juffrouw Heep voortdurend klaagde dat hare rheumatiek veel erger werd, bleef zij uit medelijden thuis om haar gezelschap te houden. In het schemeruurtje ging ik alleen uit, peinzende over hetgeen ik doen moest. Stond het mij wel vrij Agnes langer onkundig te laten van hetgeen Uriah mij in Londen verteld had? Deze vraag hield mij den ganschen dag bezig en verontrustte mij onbeschrijfelijk.
Ik had de stad nog niet achter den rug—ik wilde den weg naar Ramsgate opwandelen, omdat die een goed voetpad had—toen ik iemand achter mij hoorde aankomen, die mijn naam riep. De slingerende gang en de nauwe overjas sloten elke vergissing uit. Ik bleef staan en Uriah Heep haalde mij in.
„Wat is er?” vroeg ik.
„Hé, wat loopt gij hard!” zei hij. „Mijne beenen zijn vrij lang, maar gij hebt heel wat van ze geëischt.”
„Waar gaat gij heen?” vroeg ik weder.
„Ik ben u achterna gegaan, jongeheer Copperfield; gij zult er zeker niet tegen hebben uwe wandeling voort te zetten met een ouden kennis.” Hij liet dit gezegde vergezeld gaan van eene stuiptrekking, die zoowel voor eene onderdanige buiging als voor spotternij kon gehouden worden, en stapte toen naast mij voort.
„Uriah,” begon ik na een oogenblik gezwegen te hebben, zoo beleefd mogelijk.
„Jongeheer Copperfield!”
„Om u de waarheid te zeggen—gij zult het mij wel niet euvel duiden—ben ik uitgegaan om eens alleen te zijn, want ik heb zooveel menschen om mij heen gehad, dat ik er moe van ben.”
Hij keek mij van ter zijde aan en zei met een leelijken grijns: „Gij bedoelt ‚moeder’.”
„Nu ja, die bedoel ik ook,” antwoordde ik.
„O, maar gij weet immers hoe nederig wij zijn,” hernam hij. „Zelf wetende dat wij zoo nederig zijn, moeten wij zorg dragen niet te worden verdrongen door anderen, die het niet zijn. In de liefde zijn alle listen geoorloofd, mijnheer.”
Hij lichtte zijne groote handen op tot aan zijne kin en begon die zachtjes te wrijven, terwijl hij een soort gegrinnik liet hooren; hij leek op dit oogenblik zoo sprekend op een kwaadaardigen baviaan als een menschelijk wezen doen kan.
„Ziet gij,” hernam hij al voortwrijvende en met het hoofd knikkende, „gij zijt een gevaarlijke mededinger, jongeheer Copperfield. Gij zijt dat altijd geweest.”
„Laat gij juffrouw Wickfield bewaken, ontneemt gij haar hare vrijheid in haar eigen huis, uit vrees voor mij?” vroeg ik.
„O, jongeheer Copperfield, dat zijn harde woorden!” antwoordde hij.
„Breng het dan zelf in woorden, zooals gij verkiest,” zei ik. „Gij weet wat ik bedoel, Uriah, evengoed als ik het zelf weet.”
„O, neen, gij moet het zeggen! Zeker! Ik zou het onmogelijk kunnen.”
„Onderstelt gij,” vroeg ik, al mijn wilskracht te hulp roepende om, ter wille van Agnes, kalm te blijven, „dat ik in juffrouw Wickfield iets anders zie dan eene lieve zuster?”
„Wel, jongeheer Copperfield,” antwoordde hij, „gij begrijpt dat ik deze vraag moeilijk kan beantwoorden: misschien doet gij het niet, begrijpt gij; misschien doet gij het ook wel, dat is ook mogelijk.”
Nooit heb ik iets gezien dat te vergelijken was met het sluwe, gemeene gezicht, waarmede hij mij op dit oogenblik aankeek.
„Luister dan,” zei ik. „Ter wille van juffrouw Wickfield....”
„Mijne Agnes!” riep hij uit, terwijl zijn lichaam weder den vorm aannam van een kurketrekker. „Wilt gij wel zoo goed zijn haar Agnes te noemen, jongeheer Copperfield!”
„Ter wille van Agnes Wickfield.... God zegene haar!....”
„Dank u, jongeheer Copperfield!” zoo viel hij mij in de rede.
„.... zal ik u iets meedeelen, dat ik onder gewone omstandigheden evenmin aan u als aan.... Jack Ketch zou hebben verteld.”
„Aan wien, mijnheer?” vroeg Uriah met uitgestrekten hals en de hand achter het oor.
„Aan den beul,” hernam ik. „Aan den meest onwaarschijnlijken persoon, dien ik mij maar bedenken kan,”—zijn eigen gezicht had mij op dit denkbeeld gebracht.—„Ik ben verloofd, zijt gij nu tevreden?”
„Oprecht waar?” riep Uriah.
Ik was op het punt om mijne verontwaardiging te kennen te geven over de bevestiging, die hij van mijne woorden durfde vragen, toen hij mijne hand machtig wist te worden en die hartelijk drukte.
„O, jongeheer Copperfield!” zei hij. „Hadt gij maar de goedheid gehad mij met uw vertrouwen te vereeren, op dien avond, toen ik mijn hart voor u uitstortte en u zoo lang uit den slaap hield, dan had ik nooit dit vermoeden kunnen hebben. Nu dit zoo is, zal ik mijne moeder onmiddellijk en met het grootste genoegen verzoeken eene andere zitplaats uit te kiezen. Gij zult, dat weet ik, de voorzorgen, die mijne liefde mij deed nemen, verontschuldigen. Hoe jammer, jongeheer Copperfield, dat gij niet besluiten kondt mij uw vertrouwen te schenken! Ik weet zeker dat ik er u alle gelegenheid voor heb gegeven. Maar, gij zijt nooit zoo vriendelijk voor mij geweest, als ik wel gewenscht had. Ik weet dat gij nooit zooveel van mij gehouden hebt, als ik van u!”
Gedurende al dezen tijd drukte hij mijne hand met zijne koude, vischachtige vingers, terwijl ik, zonder al te onbeleefd te zijn, pogingen aanwendde om los te komen. Dit gelukte mij echter niet. Hij trok mijne hand onder de mouw van zijne moerbei-kleurige overjas en zoo wandelde ik, tegen wil en dank, arm in arm met hem voort.
„Zullen wij terugkeeren?” vroeg Uriah, terwijl hij mij langzamerhand mijn gezicht naar de stad liet wenden, die op dit oogenblik zich baadde in het zilverwitte maanlicht.
„Eer wij van deze zaak afstappen,” hernam ik na eene vrij lange pauze, „moet gij wel begrijpen, dat ik Agnes zoo ver boven u verheven en zoo geheel en al onbereikbaar voor u acht als de maan boven ons!”
„Wat staat ze daar vreedzaam, nietwaar!” zei Uriah. „Maar, nu zult gij toch moeten bekennen, jongeheer Copperfield, dat gij nooit zooveel van mij gehouden hebt als ik van u. Het zou mij niet verbazen als gij mij eigenlijk voor al te nederig hadt gehouden?”
„Ik houd niet van menschen, die zoo met hunne nederigheid of met wat ook te koop loopen,” antwoordde ik.
„Welnu, komaan!” hernam Uriah—zijn gelaat had in het licht der maan eene loodkleur aangenomen.—„Heb ik het niet gedacht! Gij kunt u natuurlijk geen denkbeeld vormen van de nederigheid, waartoe menschen als wij verplicht zijn. Vader en ik zijn beiden op eene kostelooze school geweest en moeder is in een liefdadigheidsgesticht groot gebracht. Men heeft ons daar van den ochtend tot den avond voorgehouden dat wij nederig moesten zijn. Wij moesten nederig zijn tegen mijnheer X. en tegen mijnheer IJ. onze pet afnemen en eene buiging maken voor mevrouw Z.; wij moesten altijd weten waar wij staan moesten en onderdanig zijn aan onze meerderen. En o, wij hadden zooveel meerderen! Vader kreeg de kweekeling-medaille omdat hij altijd zoo nederig was. En ik ook. Vader werd tot doodgraver aangesteld om dat hij zoo nederig was. Hij had onder de groote lui den naam van een ordelijk en nederig man verworven en daarom wilden zij niemand voor die betrekking aangewezen zien dan hem. ‚Wees nederig, Uriah’, zei vader altijd, ‚dan kunt gij vooruitkomen in de wereld. Het is u en mij op school altijd ingeprent en men ziet dat ook het liefst’. En waarlijk, het is mij niet slecht gegaan!”
Voor de eerste maal kwam de gedachte in mij op, dat dit afschuwelijk geteem over die valsche nederigheid wel een familiekwaal zijn kon. Ik had wel den oogst gezien, maar nooit aan het zaad gedacht.
„Toen ik nog een kleine jongen was,” hernam Uriah, „ondervond ik reeds waartoe nederigheid leiden kan en hield er mij bij. Ik kreeg smaak in de nederigheid. Toen ik voor mijn nederigen staat genoeg meende geleerd te hebben, zei ik: „Halt!” en ik bedankte u voor uw aanbod om mij Latijn te leeren. Ik wist beter dan gij wat mijne nederigheid eischte. ‚De menschen willen elkaar gaarne voorbij streven,’ zei mijn vader, ‚blijf laag bij den grond!’—Ik ben tot op dit oogenblik altijd nederig gebleven, jongeheer Copperfield; maar ik heb toch een weinigje macht gekregen!”
Hij zei dit alles—ik zag het aan zijn gezicht—opdat ik zou begrijpen dat hij vast besloten was zich voor zijne nederigheid schadeloos te stellen door die macht te gebruiken. Ik had nooit aan zijne laagheid, zijne listigheid en zijn boosaardig karakter getwijfeld, maar op dit oogenblik voelde ik voor het eerst ten volle hoe laaghartig en wraakgierig de dwang, dien hij zich had opgelegd, hem moest gemaakt hebben. Intusschen had het verslag, dat hij van zich zelven gegeven had, in zooverre eene aangename zijde, dat hij mijn arm had losgelaten, ten einde aan zijne hand de geliefkoosde plaats onder de kin te geven. Eenmaal van hem los, besloot ik van hem los te blijven en zoo wandelden wij naast elkander voort zonder veel meer te praten.
Of de mededeeling, die ik hem gedaan had, hem in eene opgewekte stemming had gebracht, dan wel of de herinnering aan vroegere dagen hem had opgewonden.... hoe het zij, hij was aan tafel veel spraakzamer dan gewoonlijk, vroeg aan zijne moeder, die van het oogenblik van onze thuiskomst af haar post had verlaten, of hij langzamerhand niet te oud werd voor een jonggezel en keek Agnes eenmaal zoo aan, dat ik een goudstuk had willen geven als ik hem één muilpeer had mogen toedienen.
Toen wij, heeren, met ons drieën waren achtergebleven, werd hij nog stoutmoediger. Hij had bijna geen wijn gedronken, zoodat ik vermoed dat het niets dan onbeschaamdheid was, die hem deed meenen dat hij de overwinning reeds behaald had—wellicht werd hij daartoe ook door mijne tegenwoordigheid uitgelokt.
Ik had den vorigen dag opgemerkt dat hij mijnheer Wickfield tot drinken trachtte aan te zetten en tengevolge van den wenk, dien Agnes mij bij het verlaten van de kamer had gegeven, zelf slechts één glas wijn gedronken en daarna voorgesteld de dames naar het salon te volgen. Ik wilde dit heden herhalen, maar Uriah was mij voor.
„Wij zien onzen huidigen gast zoo zelden, mijnheer,” zei hij tot mijnheer Wickfield, die—welk een contrast!—aan het benedeneinde van de tafel zat, „dat ik voorstel hem met een glas welkom te heeten, zoo gij er niets tegen hebt. Mijnheer Copperfield, uwe gezondheid en uwe goede voornemens!”
Ik was wel verplicht te doen alsof ik de hand, die hij mij over de tafel heen toestak, aannam en daarna nam ik met eene geheel verschillende gewaarwording de hand van zijn slachtoffer.
„Kom, compagnon,” zei Uriah, „als ik zoo vrij mag zijn.... nu zult gij, onderstel ik, wel eens op Copperfield willen drinken!” Ik ga de toosten, die mijnheer Wickfield dronk op tante, op mijnheer Dick, op Doctors' Commons, op Uriah zwijgend voorbij; evenals het bewustzijn van zijn eigen zwakheid en de vruchtelooze pogingen om er zich tegen te verzetten; den strijd tusschen de schaamte over Uriah's houding en den wensch om hem te vriend te houden; en de wijze, waarop Uriah zich verkneuterde nu hij zijn compagnon in al diens zwakheid kon ten toon stellen. Het deed mij zeer hem zoo te zien, mijne pen weigert zelfs het uitvoeriger te beschrijven.
„Kom, compagnon!” zei Uriah eindelijk, „ik wil nog op iemand een toost instellen, maar schenk de glazen tot den rand vol, want ik ben van plan om op de bekoorlijkste van hare sexe te drinken.”
Haar vader had het ledige glas in de hand; ik zag hoe hij het neerzette, een blik op het portret wierp, dat zoo sprekend op Agnes leek, de hand naar het voorhoofd bracht en toen met een zucht achterover in zijn leunstoel zonk.
„Ik ben eigenlijk een veel te nederig persoon om op hare gezondheid te drinken,” ging Uriah onverbiddelijk voort, „maar ik bewonder.... ik aanbid haar.”
Geen lichamelijke smart had het grijze hoofd van haar vader dieper kunnen buigen en zou mij vreeselijker hebben toegeschenen dan het zielelijden, dat hij op dit oogenblik achter zijne beide handen verborg.
„Agnes,” vervolgde Uriah, die zich òf niet aan hem stoorde òf het gebaar, dat hij maakte, niet begreep, „Agnes Wickfield—dat durf ik zeggen—is de bekoorlijkste van haar geslacht. Mag ik spreken als onder vrienden? Haar vader te zijn is eene weelde, maar haar echtgenoot.....”
O, mocht ik nimmer meer zulk een angstkreet hooren als die, waarmede haar vader op dit oogenblik opsprong!
„Wat scheelt u?” vroeg Uriah doodsbleek. „Gij zijt toch niet krankzinnig geworden, mijnheer Wickfield? Als ik zeg dat het eene eer voor mij zijn zou van uwe Agnes mijne Agnes te maken, bedoel ik dat ik daartoe even goed het recht heb als elke andere man. Ik heb er zelfs meer recht op dan eenig ander man!”
Ik had mijn arm om mijnheer Wickfield geslagen en smeekte hem in naam van alles, wat mij maar voor den geest kwam, in naam vooral van zijn liefde voor Agnes, kalm te blijven. Hij was werkelijk voor een oogenblik krankzinnig, trok zich de haren uit het hoofd, sloeg zich tegen het voorhoofd, poogde mij weg te duwen en zich uit mijn arm los te maken, sprak geen woord, zag niets, noch iemand; worstelde blindelings, met starende oogen en verwrongen gelaatstrekken, zonder te weten met wat of met wien—het was een vreeselijk schouwspel.
In onsamenhangende woorden, maar op hartstochtelijke wijze bezwoer ik hem zich niet zoo te laten meeslepen en naar mij te luisteren; ik smeekte hem aan Agnes te denken, aan Agnes in verband met mij; zich te herinneren hoe Agnes en ik te zamen waren opgegroeid, hoe ik haar vereerde en liefhad, hoe zij altijd zijn trots en zijne vreugde geweest was. Ik trachtte hem haar beeld voor den geest te brengen en verweet hem zelfs zijne zwakheid, dat hij haar een tooneel als dit niet kon besparen. Het is mogelijk dat ik met dit alles iets heb uitgewerkt of dat zijne onstuimigheid van zelf bedaarde, hoe 't zij, zijn verzet werd zwakker; hij begon mij aan te kijken—eerst met eene vreemde uitdrukking in zijne oogen, maar toen meende ik dat hij mij begon te herkennen. Eindelijk zei hij: „Ik weet het, Trotwood! Mijn lief kind en gij—ik weet het! Maar kijk eens naar dien man daar!”
Hij wees op Uriah, die bleek en vol strijdlust in een hoek van de kamer stond, blijkbaar verrast door de uitwerking van zijne woorden, maar toch met eene dreigende uitdrukking in zijne leelijke oogen.
„Daar staat mijn kwelgeest,” hervatte mijnheer Wickfield, „door hem heb ik stap voor stap mijn goeden naam, mijn vrede en rust, mijn huis en erf verloren.”
„Ik heb uw goeden naam voor u behouden, en uw vrede en rust en uw huis en erf op den koop toe,” riep Uriah op den gejaagden toon van iemand, die gaarne vrede wil sluiten. „Wees toch niet dwaas, mijnheer Wickfield. Mocht ik verder gegaan zijn dan gij gedacht hadt, dan kan ik immers nog teruggaan. Er is nog niets mede verbeurd.”
„Ik zocht altijd bij iedereen naar beweegredenen,” zei mijnheer Wickfield, „en was blijde dat ik hem in zijn eigen belang aan mij verbinden kon. Maar zie hem nu eens aan.... zie hem nu eens aan!”
„Breng hem toch tot zwijgen, als gij kunt, Copperfield,” riep Uriah, terwijl hij met zijn langen voorsten vinger naar mijnheer Wickfield wees. „Pas toch op! Hij zal nog dingen zeggen, die hem later zullen berouwen en u ook, dat gij ze hebt aangehoord!”
„Ik zal alles zeggen wat ik wil!” riep mijnheer Wickfield met de wanhoop op het gelaat. „Ik ben immers toch in uwe macht; waarom dan ook niet in die van anderen?”
„Pas op, zeg ik u!” riep Uriah mij waarschuwend toe. „Als gij zijn mond niet stopt, zijt gij zijn vriend niet! Waarom gij niet in ieders macht moogt zijn, mijnheer Wickfield? Omdat gij eene dochter hebt. Gij en ik weten wat wij weten, nietwaar? Maakt geen slapende honden wakker! Ik zal ze laten liggen. Ziet gij dan niet dat ik zoo nederig ben als ik maar zijn kan? Ik zeg u immers dat ik te ver ben gegaan, dat het mij spijt. Wat verlangt gij dan nog meer, mijnheer?”
„O, Trotwood, Trotwood!” riep mijnheer Wickfield handenwringend uit. „Wat is er van mij geworden sinds ik u voor het eerst dit huis zag binnenkomen? Toen reeds was ik op een hellend vlak, maar welk een treurigen weg heb ik sedert dat oogenblik afgelegd! Mijne zwakheid heeft mij in het verderf gestort! Mijne zwakheid om steeds aan het verleden te willen denken en het tegelijkertijd te willen vergeten. Ik ben te toegevend geweest voor mij zelven. Het verdriet over den dood van Agnes' moeder werd ziekelijk; de liefde voor mijn kind evenzoo. Iedereen, die met mij in aanraking kwam, werd besmet. Ik heb ellende gebracht over degene, die mij het liefste was, dat weet ik.... en gij weet het ook! Ik achtte het mogelijk al mijne liefde te geven aan één menschelijk wezen en de overigen niet lief te hebben; ik achtte het mogelijk rouw te dragen over ééne, die is heengegaan, en geen deel te nemen in het leed van anderen. Zoo misbruikte ik de lessen, die het leven mij gegeven had! Ik heb mij door mijne flauwhartigheid laten beheerschen, zoowel in mijn verdriet, als in mijne liefde en in de pogingen om wat daar duister was in mijn leven te vergeten! Zie wat er van mij geworden is! Een ruïne!.... En haat en veracht mij dan!”........
Hij liet zich in zijn stoel neervallen en snikte als een kind. De opgewondenheid, waaraan hij ten prooi was geweest, was nu geheel voorbij. Uriah kwam ook uit zijn hoekje te voorschijn.
„Ik weet niet wat ik in mijne dwaasheid gedaan heb,” zei mijnheer Wickfield, terwijl hij de handen naar mij uitstak, als smeekte hij hem niet te veroordeelen.
„Hij weet het 't best,” voegde hij er, op Uriah wijzend bij, „want hij heeft altijd achter mij gestaan en mij alles ingefluisterd. Gij begrijpt dus dat hij mij als een molensteen op mijne borst ligt. Gij vindt hem in mijn huis en op mijn kantoor. Gij hebt zoo even gehoord wat hij zeide. Behoef ik er nog wel iets bij te voegen?”
„Gij had niet eens zoo veel, zelfs niet half zoo veel, gij hadt niets behoeven te zeggen,” gaf Uriah half uitdagend, half vleiend ten antwoord. „Gij zoudt mijne woorden ook niet zoo hebben opgenomen als de wijn niet medegeholpen had. Morgen zult gij er wel anders over denken, mijnheer. Mocht ik te veel, of meer dan mijn voornemen was gezegd hebben, wat beteekent dat dan nog? Ik heb er immers verder over gezwegen.”
Daar werd de deur geopend en kwam Agnes de kamer in, zoo bleek als een doode; zij sloeg den arm om haars vaders hals en vroeg op kalmen toon: „Papa, zijt gij niet wel? Kom, ga met mij mee!”
Met het hoofd op haar schouder, als schaamde hij zich, ging hij met haar naar het salon. Haar blik ontmoette den mijne slechts één oogenblik; toch begreep ik dat zij het voorgevallene raadde.
„Ik had niet gedacht dat hij zoo barsch zou uitvallen, jongeheer Copperfield,” zei Uriah. „Maar het is niets. Morgen zijn wij weer goede vrienden. Het is tot zijn bestwil. Ik verlang niets dan in al mijne nederigheid zijne belangen te bevorderen.”
Ik gaf hem geen antwoord en ging naar boven, naar het kleine kamertje waar Agnes zoo dikwijls bij mij gezeten had, terwijl ik mijn schoolwerk maakte. Niemand kwam daar bij mij voor zeer laat in den avond. Ik had een boek genomen en trachtte te lezen, maar mijne gedachten waren te zeer met andere dingen vervuld. Eindelijk hoorde ik de klok twaalf uur slaan en een oogenblik later kwam Agnes bij mij.
„Gij gaat morgen ochtend al vroeg heen, nietwaar, Trotwood? Laat ons daarom nu afscheid nemen!”
Zij had geschreid, maar haar gezichtje was nu zoo kalm en zoo bekoorlijk.
„God zegene u!” sprak zij en gaf mij eene hand.
„Liefste Agnes!” antwoordde ik, „ik zie wel, dat gij van avond liever niet meer met mij wilt spreken, maar.... kan er niets gedaan worden?”
„Op God vertrouwen,” antwoordde zij.
„Kan ik niets doen, ik, die met al mijn verdriet bij u kom?”
„En het mijne zoo verlicht,” sprak zij. „Neen, beste Trotwood.”
„Lieve Agnes,” hernam ik, „het is wellicht verwaand van mij, die zoo arm is in al hetgeen waaraan gij zoo rijk zijt.... in goedheid, besluitvaardigheid en allerlei andere deugden, maar gij weet hoeveel ik van u houd en hoeveel ik u verschuldigd ben. Gij zult u immers niet opofferen uit een verkeerd begrepen gevoel van plicht, Agnes?”
Zenuwachtiger dan ik haar ooit gezien had,—hoewel slechts een oogenblik—liet zij mijne hand los en deed eene schrede achteruit.
„Zeg mij, Agnes, dat gij er niet over denkt; zeg mij dat, liefste Agnes, die mij meer zijt dan eene zuster! Denk aan den schat, dien een hart als het uwe herbergt, aan het groote geluk dat iemand te beurt valt, dien gij uwe liefde schenkt.”
Langen, langen tijd daarna zag ik nog telkens de uitdrukking, die op dit oogenblik op haar lief gezichtje lag—niet verbaasd, niet verwijtend, niet beschuldigend.—Langen, langen tijd daarna zag ik, evenals nu, op dat gezichtje een glimlach verschijnen, een liefelijken glimlach, waarmede zij mij zeide dat zij voor zich zelve niet vreesde, dat ook ik niet voor haar behoefde te vreezen—en toen ging zij heen met het woord „Broeder” op de lippen!
Toen ik den volgenden morgen de diligence besteeg, was het nog donker. De dag brak juist aan, toen wij zouden afrijden, en terwijl ik aan Agnes zat te denken, doemde plotseling Uriah's hoofd op aan het portierraam.
„Copperfield!” zei hij op het wiel staande op fluisterenden toon, „ik vermeen dat het u, eer gij heengaat, aangenaam zal zijn te hooren dat alles in orde is. Ik ben reeds bij hem geweest en alles is bijgelegd. Ziet gij, al ben ik maar nederig, ik kan hem toch veel diensten bewijzen; en als hij niet onder den invloed van den wijn is, begrijpt hij zijn eigen belang. Wat is hij toch een beste man, jongeheer Copperfield!”
Ik dwong mij zelven om mijne blijdschap te betuigen, dat hij zijne verontschuldigingen had aangeboden.
„O, zeker!” zei Uriah. „Wat beteekent het verontschuldigingen aan te bieden, als men nederig is! Het is zoo gemakkelijk! Zeg eens!” vervolgde hij plotseling op een ander onderwerp overgaande, „ik onderstel dat gij ook wel eens een peer geplukt zult hebben eer ze rijp was, jongeheer Copperfield?”
„Dat zal ik wel,” antwoordde ik.
„Dat heb ik gisteren avond gedaan,” zei Uriah; „maar ze zal toch wel rijp worden. Ik heb alleen maar wat geduld noodig. Welnu, ik kan wachten!”
Toen de koetsier den bok beklom, sprong hij van het rad en nam wel twintig maal afscheid. Ik weet niet of hij misschien iets in den mond had tegen den invloed van de gure ochtendlucht, hoe 't zij, hij maakte bewegingen met zijn vale kaken alsof de peer al rijp was en likte zich de lippen al af.