IV. Ik val in ongenade.

A

Als het kamertje, waarheen mijn bedje verplaatst was, denken en spreken kon, zou ik er thans een beroep op doen—ik zou wel eens willen weten wie er nu slaapt!—om getuigenis af te leggen van de stemming waarin ik binnentrad. Ik ging de trap op, terwijl de hond op de plaats mij nog steeds achterna blafte, keek ontmoedigd en bedeesd het kleine vertrekje rond en ging met de kleine handen over elkander zitten peinzen..... peinzen over de vreemdsoortigste dingen; over den vorm van de kamer, over de reten in de zoldering, over het behangsel, over de barsten in de ruiten, waardoor allerlei rimpels en kronkelingen in het uitzicht ontstonden, over de waschtafel, die op hare drie pooten scheen te waggelen en iets verdrietigs scheen te hebben, dat mij deed denken aan juffrouw Gummidge, wanneer zij aan haar oude had gedacht.

Ik schreide al dien tijd, maar behalve dat ik koud en bedroefd was, wist ik—daar ben ik zeker van—niet waarom ik schreide. Ten laatste begon ik in mijn wanhoop te begrijpen dat ik hopeloos verliefd was op de kleine Emily en van haar weggenomen was om hierheen gebracht te worden, waar niemand mij maar half zoo noodig en half zoo lief had als zij. Dit bracht mij zoo van streek dat ik mij in mijn deken rolde en mij toen in slaap schreide. Ik werd wakker, omdat ik iemand hoorde zeggen: „Hier is hij.” Te gelijkertijd werd mijn hoofd ontbloot, dat gloeide als een vuurbol. Mijne moeder en Peggotty waren mij komen zoeken en een van beiden had deze woorden gesproken.

David,” zei mijne moeder, „wat scheelt er aan?”

Ik vond het zeer vreemd dat zij mij deze vraag deed en antwoordde: „Niets.” Daarna keerde ik mij om, dat herinner ik mij nog zeer goed, ten einde mijne bevende lippen te verbergen, die haar meer naar waarheid zouden geantwoord hebben.

David,” herhaalde mijne moeder. „David, mijn kind!”

Wat zij ook zou kunnen gezegd hebben, niets zou mij zoo hebben getroffen dan dat zij mij „haar kind” noemde. Ik verborg mijne tranen in het bedlaken en duwde hare hand weg toen zij mij wilde oprichten.

„Dat is uw werk, Peggotty, wreed schepsel, dat gij zijt!” riep mijne moeder. „Ik twijfel er geen oogenblik aan. Hoe kunt gij het voor uw geweten verantwoorden, mijn eigen jongen tegen mij op te hitsen of tegen iemand, die mij dierbaar is? Waarom hebt gij dat gedaan, Peggotty?”

Peggotty hief de handen en de oogen ten hemel en antwoordde op de wijze zooals ik gewoon was na tafel mijn gebedje op te zeggen: „De Heer schenke u vergiffenis, mevrouw Copperfield, voor hetgeen gij daar hebt gezegd. Zoo gij ooit oprecht berouw daarover zult voelen....”

„Het is om waanzinnig te worden,” riep mijne moeder. „En dat in de eerste dagen van mijn huwelijk, nu mijn ergste vijand mij zou ontzien en mij mijn weinigje geluk en rust niet zou misgunnen! David, gij zijt een ondeugende jongen en gij, Peggotty, gij zijt een ongevoelig schepsel! O, lieve Hemel!” vervolgde zij, terwijl zij zich boos en eigenzinnig, nu eens tot Peggotty dan weder tot mij wendde, „wat is er toch een ellende in de wereld en dat in een tijd, waarin men mocht verwachten eens louter voor zijn genoegen te leven!”

Ik voelde de aanraking van eene hand, die, dat wist ik, noch aan mijne moeder noch aan Peggotty toebehoorde, en stond in het volgend oogenblik naast mijn bed. Het was de hand van mijnheer Murdstone; hij hield mijn arm vast terwijl hij zeide: „Wat is dat? Clara, lieve, hebt gij onze afspraak vergeten? Flink zijn, lieve, flink zijn!”

„Het spijt mij zoo, Edward,” antwoordde mijne moeder, „ik meende het te wezen, maar het valt mij niet gemakkelijk.”

„Waarlijk!” sprak hij. „Nu reeds? Dat is een slecht begin!”

„Het is wel hard voor mij dat ik zoo moet zijn,” antwoordde mijne moeder pruilend; „het is wel.... zeer hard... is het niet?”

Hij trok haar naar zich toe, fluisterde haar iets in het oor en kuste haar. Toen ik mijne moeder het hoofd op zijn schouder en den arm om zijn hals zag leggen wist ik zeer goed, dat hij hare buigzame natuur kon kneden als was—ik wist dat toen even goed als ik thans weet dat hij het gedaan heeft.

„Ga naar beneden, lieve,” zei mijnheer Murdstone. „David en ik zullen u volgen.”

Toen mijne moeder weg was, keerde hij zich met een gelaat, zoo donker als de nacht, naar Peggotty en vroeg: „weet gij niet hoe uwe mevrouw heet?”

„Zij is lang genoeg mijne mevrouw geweest, mijnheer,” antwoordde Peggotty. „Ik moet dat dus wel weten.”

„O zoo,” hernam hij, „ik meende, toen ik de trap opkwam, u een naam te hooren uitspreken, die de hare niet meer is. Zij heeft mijn naam aangenomen, begrijpt gij? Zult gij dat goed onthouden?”

Na mij eenige malen angstig te hebben gadegeslagen, verliet zij buigende de kamer zonder een woord te antwoorden; zij zag in dat men haar gezelschap missen kon en had geen enkele reden om te blijven.

Toen wij met ons beiden alleen waren, sloot hij de deur en terwijl hij op een stoel zat en ik voor hem stond, keek hij mij gedurende eenige oogenblikken doordringend aan. Mijne oogen werden blijkbaar door de zijnen aangetrokken, zoodat ik hem niet minder doordringend aankeek. Als ik mij dat oogenblik voor den geest roep, waarop wij zoo van aangezicht tot aangezicht tegenover elkander stonden, voel ik mijn hart nog kloppen in mijn keel.

David, zei hij, zijne lippen dun makende door ze op elkaar te drukken, „wat denkt gij wel dat ik doe met een koppig paard of een koppigen hond?”

„Dat weet ik niet.”

„Ik geef hem slaag.”

Ik had geantwoord op fluisterenden toon, bijna ademloos, maar ik voelde dat mijne ademhaling hoe langer hoe korter werd.

„Ik laat hem voelen wat pijn is en zeg tot mij zelven: ‚hij moet er onder; en al zou het hem al het bloed kosten dat hij heeft, hij zal er onder.’ Wat hebt gij daar op uw gezicht?”

„Vuil,” zei ik.

Hij wist evengoed als ik dat het de sporen waren van tranen, maar al had hij het mij twintig maal gevraagd, telkens met twintig slagen, ik geloof dat ik het hem, zoo klein en teer als ik was, niet bekend zou hebben.

„Gij hebt verstand in overvloed voor zoo'n kleinen jongen,” zei hij met den hem eigen glimlach, „en gij begrijpt mij zeer goed. Wasch uw gezicht en ga dan met mij naar beneden.”

Hij wees naar de waschtafel, die mij aan juffrouw Gummidge had doen denken, en gaf mij door eene beweging met het hoofd te kennen dat ik oogenblikkelijk moest gehoorzamen. Ik twijfelde er niet aan en ik twijfel er op dit oogenblik volstrekt niet aan of hij zou mij zonder het geringste gemoedsbezwaar geslagen hebben als ik geaarzeld had.

Clara, lieve,” zei hij, toen wij, nadat ik zijn bevel had opgevolgd, de huiskamer binnentraden—hij hield mijn arm weder omklemd—„het zal u nu gemakkelijk vallen; daarvan ben ik overtuigd. Wij zullen dat jeugdig humeurtje wel verbeteren.”

God weet, dat ik wellicht voor mijn geheele leven verbeterd zou zijn, dat ik misschien een geheel ander mensch zou zijn geworden, indien mij op dit oogenblik een vriendelijk woord ware toegevoegd. Een woord van bemoediging en opheldering, van medelijden met mijne kinderlijke onwetendheid, van welkom thuis of van verzekering dat hier werkelijk mijn tehuis was, zou wellicht mijn hart tot dankbaarheid hebben gestemd jegens den man, voor wien ik nu slechts gehoorzaamheid huichelde; zou mij wellicht achting voor hem hebben ingeboezemd, terwijl ik nu niets kon doen dan hem haten. Ik hoopte dat mijne moeder spijt zou gevoelen, als zij mij daar zoo bedeesd zag staan, alsof ik een vreemdeling was in dit huis; ik hoopte het nog, toen ik opmerkte dat zij mij met een droeven blik nakeek, terwijl ik stilletjes naar een stoel sloop—misschien met iets gedwongens in mijne houding—maar dat woord werd niet uitgesproken; het geschikte oogenblik daartoe ging verloren.

Wij gebruikten met ons drieën het middagmaal. Hij scheen erg verliefd te zijn op mijne moeder—ik geloof niet, dat ik daarom meer van hem hield—en mijne moeder scheen erg verliefd te zijn op hem. Uit hetgeen zij bespraken maakte ik op, dat eene oudere zuster van hem bij ons zou komen inwonen en dat deze dienzelfden avond verwacht werd. Ik weet niet zeker meer of het toen of naderhand was, dat ik tot de ontdekking kwam dat hij, zonder zelf werkzaam te zijn, aandeelen had in of een jaarlijksch inkomen genoot van eene groote wijnzaak in Londen, waarin zijne familie reeds bij het leven van zijn overgrootvader betrokken was geweest en dat ook zijne zuster recht had op eene gelijke uitkeering; ik maak er echter nu maar melding van, hetzij dan dat ik het eerst later vernam.

Na het middagmaal, terwijl wij bij den haard zaten en ik peinsde over een middel om Peggotty op te zoeken—ik had niet den moed om weg te loopen uit vrees voor de ongenade van den heer des huizes—reed een rijtuig voor en ging hij naar buiten om den bezoeker te ontvangen. Mijne moeder volgde hem en ik volgde haar zoo bedeesd mogelijk; maar op den drempel keerde zij zich plotseling om—het was donker—en omhelsde mij, zooals zij vroeger gewoon was geweest en fluisterde mij in dat ik mijn nieuwen papa moest liefhebben en gehoorzaam zijn. Zij deed het haastig en heimelijk, alsof zij kwaad deed, maar niettemin met groote teederheid en terwijl zij hare hand achter zich hield met de mijne er in, kwamen wij dicht bij de plek in den tuin, waar hij stond; toen liet zij mij los en stak haar arm door den zijne.

De aangekomene was juffrouw Murdstone, eene stuursche dame, met een even donker uitzicht als haar broeder, met wien zij, wat haar gelaat en hare stem betrof, zeer veel overeenkomst had; zij had in het oog vallend zware wenkbrauwen, die elkaar boven den grooten neus ontmoetten, alsof zij, boos over de onrechtvaardigheid dat het aan hare sexe ontzegd was bakkebaarden te dragen, deze naar het voorhoofd had verplaatst. Zij bracht twee verschrikkelijk harde, zwarte koffers mede met hare initialen in harde koperen spijkers op de deksels. Toen zij den koetsier betaalde, haalde zij het geld uit een harde, stalen beurs en deze beurs stopte zij in een reusachtige beugeltasch, die aan een zwaren, harden ketting aan haar arm hing en toeklapte als de muil van een roofdier. Nooit had ik eene dame gezien, aan wie alles zoo van metaal was als aan juffrouw Murdstone.

Zij werd naar de voorkamer gebracht en hartelijk welkom geheeten, waarna zij mijne moeder van het hoofd tot de voeten opnam en met eene zekere plechtigheid erkende als eene nieuwe en nauwe bloedverwante.

„Is dat uw jongen, schoonzuster?”

Mijne moeder verloochende mij niet.

„In het algemeen,” zei juffrouw Murdstone, „houd ik niet van jongens. Hoe vaart gij, kereltje?”

Op deze bemoedigende toespraak antwoordde ik dat ik heel wel was en dat ik hoopte dat zij ook wel was; ik zei dit op zulk een onverschilligen toon, dat juffrouw Murdstone in twee woorden haar oordeel over mij uitsprak: „Geen manieren.”

Nadat zij dit met groote duidelijkheid gezegd had, verzocht zij op bijna ootmoedigen toon dat men haar hare kamer zou wijzen, die van dat oogenblik af voor mij eene plaats werd, waaraan ik niet dan met angst en beven kon denken, waarin de twee harde, zwarte koffers nooit geopend gezien werden of ongesloten bleven—ik keek er een enkele maal stilletjes binnen, wanneer zij uit was—en waar een onnoemelijk aantal kleine stalen armbanden en kettinkjes, waarmede juffrouw Murdstone zich tooide, wanneer zij in pontificaal was, boven den spiegel hingen.

Voor zoover ik kon nagaan, was zij gekomen om niet meer heen te gaan. Den volgenden morgen begon zij mijne moeder te helpen en bracht een groot gedeelte van den dag in de provisiekamer door, waar zij alles overhoop haalde en naar haar eigen inzichten rangschikte. Het merkwaardigste, dat ik in juffrouw Murdstone opmerkte, was haar voortdurende achterdocht dat de meiden ergens een man hadden verstopt. Onder den invloed van dit zelfbedrog daalde zij op de meest ongewone uren plotseling in den brandstoffenkelder af en zelden opende zij de deur van eene donkere kast zonder die oogenblikkelijk weder te sluiten, in den waan dat zij „hem” nu gevangen had. Hoewel juffrouw Murdstone niets had, waardoor zij aan een leeuwerik deed denken, kon zij toch met deze wedijveren op het punt van vroeg opstaan. Zij was al op—als ik er nu goed over nadenk, zocht zij dan naar dien man—eer iemand in huis aan opstaan dacht. Peggotty beweerde dat juffrouw Murdstone altijd met één oog open sliep, maar ik kon haar dat niet toegeven; want nadat zij dit vermoeden geuit had, beproefde ik het meermalen en bevond dat het niet mogelijk was.

Op den eersten morgen na hare aankomst was zij reeds bij het eerste hanengekraai op en trok aan hare schel. Toen mijne moeder aan het ontbijt kwam en thee wilde zetten, gaf juffrouw Murdstone haar een pik in de wang—dit kwam haar manier om te kussen het meest nabij—en zeide:

„Nu, Clara, lieve, gij weet, ik ben hier gekomen om u zooveel mogelijk van alle lasten te ontheffen. Gij zijt veel te mooi en te zorgeloos—mijne moeder bloosde en lachte, en scheen deze woorden niet zoo erg onaangenaam te vinden—om plichten op u te nemen, die ik vervullen kan. Indien gij wel zoo goed wilt zijn mij de sleutels te overhandigen, lieve, zal ik voortaan voor alles zorgen.”

Van dat oogenblik af had juffrouw Murdstone den geheelen dag de sleutels in haar nijdige beugeltasch en den geheelen nacht onder haar kussen; mijne moeder had er niet meer over te zeggen dan ik. Mijne moeder gaf echter het opperbestuur niet over dan onder een zweem van protest. Op zekeren avond, toen juffrouw Murdstone eenige huishoudelijke aangelegenheden met haar broeder besprak en deze zijne goedkeuring er aan hechtte, begon mijne moeder plotseling te schreien en zeide dat zij toch ook wel geraadpleegd mocht worden.

Clara!” zei mijnheer Murdstone ernstig. „Clara, ik verbaas mij over u.”

„O, het is heel gemakkelijk te zeggen dat gij u verbaast, Edward!” riep mijne moeder uit, „en gij hebt mooi praten over flinkheid, maar het zou u toch ook niet aanstaan!”

Ik moet nog doen opmerken dat flinkheid de groote deugd was, waarop mijnheer en juffrouw Murdstone zich niet weinig lieten voorstaan. Welke verklaring ik toenmaals van deze eigenschap zou gegeven hebben, indien men er mij naar had gevraagd, kan ik niet zeggen; maar ik begreep toch heel duidelijk dat deze zoogenaamde flinkheid eigenlijk niets was dan tyrannie, eene bemanteling van hun stuursch, aanmatigend, duivelachtig karakter. Indien ik thans eene karakterschets van hen moest geven, zou ik het aldus doen: Mijnheer Murdstone was flink; niemand in zijne omgeving was zoo flink als mijnheer Murdstone; eigenlijk was er in zijne omgeving niemand flink, want iedereen moest voor zijne flinkheid buigen. Juffrouw Murdstone maakte daarop eene uitzondering; zij mocht ook flink zijn, maar alleen omdat zij zoo na verwant was aan hem, aan wien zij toch altijd ondergeschikt moest blijven. Hare flinkheid was dus van eene mindere soort. Ook mijne moeder maakte eene uitzondering. Zij mocht niet alleen flink zijn, zij moest het zijn, alleen echter om de flinkheid van mijnheer en juffrouw Murdstone te kunnen dragen en te gelooven, dat zij de eenige flinke menschen waren op dit ondermaansche.

„Het is zeer hard,” zei mijne moeder, „en dat in mijn eigen huis....”

Mijn eigen huis?” herhaalde mijnheer Murdstone. „Clara!

Ons eigen huis, bedoel ik,” fluisterde mijne moeder blijkbaar angstig—„ik hoop dat gij begrijpt wat ik bedoel, Edward—het is zeer hard, dat ik in uw eigen huis geen woord mag meespreken waar het huishoudelijke zaken betreft. Ik ben overtuigd dat ik eene goede huishoudster was vóór wij trouwden. Ik kan getuigen oproepen,” snikte zij, „vraag het aan Peggotty of alles niet geregeld ging toen ik aan het hoofd stond!”

Edward,” zei juffrouw Murdstone, „maak er een einde aan. Ik ga morgen heen.”

Jane Murdstone,” antwoordde haar broeder, „zwijg! Hoe durft gij zelfs maar doen vermoeden dat gij mijn karakter niet beter kent dan men uit uwe woorden zou opmaken?”

„Ik verlang volstrekt niet,” hernam mijne moeder tot haar eigen bittere schade, onder veel tranen, „dat er iemand heengaat. Ik zou zeer bedroefd en ongelukkig zijn, indien er iemand heenging. Ik vraag niet veel; ik ben niet onredelijk. Ik verlang slechts nu en dan geraadpleegd te worden. Ik ben aan iemand, die mij helpt, zeer veel verplicht en verlang slechts nu en dan, al is het maar voor den vorm, geraadpleegd te worden. Ik meende, Edward, dat gij er vroeger mede ingenomen waart, dat ik nog weinig ondervinding had en wat kinderlijk was.... ik weet zeker dat gij het gezegd hebt, maar het schijnt wel dat gij mij nu daarom minacht, zoo streng zijt gij.”

Edward,” herhaalde juffrouw Murdstone, „maak er een einde aan. Ik ga morgen heen.”

Jane Murdstone,” bulderde hij haar toe, „zwijg! Hoe durft gij zoo iets uitspreken?”

Juffrouw Murdstone haalde haar zakdoek te voorschijn en hield dien voor de oogen.

Clara,” ging hij voort, mijne moeder aankijkende, „ik verbaas mij over u. Ik ben een en al verbazing! Ja, het denkbeeld om in het huwelijk te treden met eene vrouw, die nog weinig ervaren was en nog niets van de wereld gezien had, trok mij zeer zeker aan; ik hoopte haar karakter te kunnen vormen en haar een weinig van die flinkheid en vastberadenheid mede te deelen, waaraan zij nog zoo zeer behoefte had. Maar wanneer Jane Murdstone vriendelijk genoeg is mij tot dat doel hare hulp te komen aanbieden en ter wille van mij eigenlijk eene betrekking als huishoudster op zich te nemen, en wanneer zij dan met ondank wordt beloond....”

„O, ik smeek u, Edward, ik smeek u, beschuldig mij niet van ondankbaarheid!” riep mijne moeder. „Ik ben er zeker van dat ik niet ondankbaar wil wezen. Niemand heeft ooit gezegd dat ik het was. Ik heb veel gebreken, maar ondankbaar ben ik niet. Zeg dat toch niet, lieve man!”

„Wanneer Jane Murdstone, zeg ik, met den zwartsten ondank wordt beloond,” hernam hij, toen mijne moeder zweeg, „moet het gevoel, dat ik voor u koesterde, wel verkoelen en veranderen.”

„O, zeg dat toch niet, lieve man!” smeekte mijne moeder dringend. „O, zeg dat toch niet! Ik zou het niet kunnen dragen. Wat ik ook zijn moge, ik heb een goed hart. Ik weet dat ik een goed hart heb; ik zou het niet kunnen zeggen, als ik er niet zeker van was. Vraag het Peggotty, ik ben er zeker van dat zij het ook zal zeggen.”

„Overdreven teederheid heeft niet den minsten invloed op mij, Clara,” antwoordde mijnheer Murdstone. „Gij doet vergeefsche moeite.”

„Och, laat ons weer vrienden zijn,” sprak mijne moeder. „Koelheid en onvriendelijkheid zouden mij dooden. Het spijt mij zoo. Ik heb zooveel gebreken, Edward, en het is heel lief van u dat gij met uw krachtigen geest wilt trachten mij te verbeteren. Jane, ik beklaag mij over niets. Mijn hart zou breken indien gij er ook maar over dacht ons te verlaten....” Mijne moeder was te overspannen om voort te gaan.

Jane Murdstone,” sprak mijnheer Murdstone tot zijne zuster, „het is iets ongewoons, dat er tusschen ons harde woorden vallen. Het is echter niet mijne schuld, dat zoo iets ongewoons heden avond heeft plaats gehad. Ik werd er door een ander in betrokken. Ook is het uwe schuld niet. Gij werdt er ook door een ander in betrokken. Laat ons beiden trachten het te vergeten. En aangezien dit,” voegde hij er na deze grootmoedige woorden bij, „geen geschikt tooneel is voor kinderen.... ga naar bed, David.”

Ik kon nauwelijks de deur vinden, want mijne oogen stonden vol tranen. Ik was zoo bedroefd, omdat mijne moeder verdriet had en ging op den tast de kamer uit en de trap op naar mijne slaapkamer, waar het nog donker was, zonder zelfs den moed te hebben, Peggotty goeden nacht te zeggen of eene kaars bij haar te vragen. Toen zij ongeveer een uur later naar mij kwam kijken, werd ik wakker en vertelde zij mij, dat mijne moeder ongesteld was en naar bed was gegaan en dat mijnheer en juffrouw Murdstone alleen beneden zaten.

Den volgenden morgen kwam ik vroeger dan gewoonlijk beneden en bleef aan de deur van de huiskamer staan, want ik hoorde de stem van mijne moeder. Zij verzocht juffrouw Murdstone in vollen ernst nederig vergiffenis en toen deze dame wel zoo goed was die te schenken, had er eene volledige verzoening plaats. Ik geloof niet, dat mijne moeder ooit weder haar gevoelen uitte over de eene of andere zaak, zonder eerst dat van juffrouw Murdstone te vragen, of zonder zich eerst overtuigd te hebben, dat juffrouw Murdstone er eveneens over dacht; en nooit zag ik juffrouw Murdstone, wanneer zij uit haar humeur was—zij was dikwijls uit haar humeur—naar de nijdige beugeltasch grijpen, om er de sleutels uit te nemen en die aan mijne moeder te overhandigen, of ik zag mijne moeder te gelijkertijd bleek worden van schrik.

De sombere tint in het karakter der Murdstones kleurde ook hunne godsdienstige opvattingen, die hard en liefdeloos waren. Ik heb later wel eens gemeend, dat die hardheid en liefdeloosheid het noodzakelijke gevolg moesten wezen van mijnheer Murdstone's flinkheid, die hem niet toestond iemand de zwaarste straffen te onthouden, als hij maar eenige aanleiding vond om ze uit te deelen. Hoe dit ook zijn moge, ik herinner mij nog zeer goed de uitgestreken gezichten, waarmede wij kerkwaarts togen en hoe daar alles veranderd scheen. De gevreesde Zondag is weder aangebroken en ik klim in de oude bank, evenals een welbewaakte gevangene, die zijn doodvonnis komt aanhooren. Wederom volgt mij juffrouw Murdstone in een zwart fluweelen japon, die er uitziet, alsof zij uit een lijkkleed gemaakt is; dan volgt mijne moeder en eindelijk haar echtgenoot. Peggotty is er nu niet, zooals vroeger in den goeden, ouden tijd. Wederom luister ik naar juffrouw Murdstone, die in zich zelve alle antwoorden geeft en met een zeker wreed genoegen den klemtoon legt op alle gevreesde woorden. Wederom zie ik hare donkere oogen rollen, wanneer zij de kerk rondkijkt bij het uitspreken van de woorden, „armzalige zondaars”, alsof zij die toepaste op alle leden van het kerspel. Wederom vang ik nu en dan—heel zeldzaam—een blik op van mijne moeder, die bedeesd hare lippen opent tot het gebed, terwijl „die twee” haar aan weerszijden in de ooren brommen. Wederom komt plotseling de vrees bij mij op, dat de oude geestelijke ongelijk en mijnheer en juffrouw Murdstone gelijk kunnen hebben, dat alle engelen in den Hemel engelen der wrake kunnen zijn. Wederom geeft juffrouw Murdstone mij een por met haar gebedenboek, wanneer ik maar een vinger verroer of een spier in mijn gelaat vertrek.

Ja, en wederom merk ik onder het naar huis gaan op, dat sommige buren naar mijne moeder kijken en naar mij en dan samen fluisteren. En wanneer het drietal arm in arm vooruitwandelt en ik achteraan kom slenteren, volg ik eenige van die blikken en vraag ik mij af of mijne moeder daar nog wel zoo luchtig voortstapt en of haar gezichtje nog wel zoo mooi is als vroeger. Telkens ben ik nieuwsgierig te weten of een van deze buren zich nog wel herinnert, zooals ik, hoe wij gewoonlijk te zamen naar huis wandelden en daarover blijf ik den geheelen, langen, vervelenden Zondag peinzen.

Er was over gesproken of het geen tijd werd om mij naar een kostschool te zenden. Mijnheer en juffrouw Murdstone hadden het plan geopperd en mijne moeder had er natuurlijk in toegestemd. Toch was er nog geen besluit genomen en ontving ik middelerwijl onderwijs in huis.

Zal ik die lessen ooit vergeten? Zooals het heette, moest ik hetgeen mij door den onderwijzer werd opgegeven, bij mijne moeder opzeggen, maar eigenlijk bij mijnheer en juffrouw Murdstone; zij waren er altijd bij tegenwoordig en grepen deze gelegenheid aan, om mijne moeder onderricht te geven in misplaatste flinkheid, die de vloek van ons beider leven was. Ik geloof zeker dat men mij met het oog daarop thuis hield. Ik zou vlug en gewillig genoeg geweest zijn om te leeren, wanneer ik met mijne moeder alleen geweest was. Ik herinner mij nog flauwtjes hoe ik het alphabet geleerd heb, leunende tegen hare knieën. Wanneer ik thans nog de dikke, vette letters in het AB-boek bekijk, bekruipt mij nog hetzelfde beklemmende gevoel als in de dagen, toen ik de letters nog niet uit elkander kon houden en de goedige rondheid van de O, de Q en de S mij telkens weder trof. Ik herinner mij echter niet dat ik tegenzin had in het leeren of dat het mij verveelde. Integendeel, het komt mij voor of ik tot het krokodillenboek op rozen wandelde; en wanneer die tijd mij voor den geest komt, hoor ik nog duidelijk de lieve stem en zie ik nog het vriendelijke gelaat van mijne moeder. De ernstige lessen, welke later volgden, hebben daarentegen geen andere herinnering achtergelaten dan die van eene dagelijks terugkeerende marteling en kwelling. Ze waren lang, talrijk en moeilijk—somtijds zelfs geheel onbegrijpelijk en ik geloof dat mijne moeder er even hard onder leed als ik zelf.

Laat ik eens verhalen hoe het bij deze lessen toeging en mij daartoe een morgen in het geheugen roepen.

Ik kom na het ontbijt met mijne boeken en mijne lei in de huiskamer. Mijne moeder zit gereed aan haar lessenaartje, maar mijnheer Murdstone zit ook op mij te wachten in zijn leunstoel bij het venster—al doet hij of hij leest—en juffrouw Murdstone zit stalen kralen te rijgen, maar wacht ook op mij. Alleen reeds de aanwezigheid van deze twee heeft zulk een invloed op mij, dat ik de woordjes, die ik met ontzaglijk veel moeite in mijn hoofd heb gekregen, voel wegglijden, ik weet niet waarheen. Ik zou werkelijk wel eens willen weten waar ze bleven—dit tusschen haakjes. Ik overhandig mijne moeder het eerste boek. Ik weet niet wat het is: taalkunde, geschiedenis of aardrijkskunde. Ik werp een laatsten, wanhopenden blik op de pagina, die ik haar aanwijs, en begin hardop met vervaarlijke snelheid, want het zit er nog versch in. Ik struikel over een woord. Mijnheer Murdstone kijkt op. Nogmaals struikel ik over een woord. Juffrouw Murdstone kijkt op. Ik krijg een kleur, ik struikel over een half dozijn woorden, ik houd op. Als mijne moeder gedurfd had, zou zij mij het boek hebben voorgehouden, maar zij durft niet en zegt zachtjes: „O, David, David!”

„Nu, Clara,” zegt mijnheer Murdstone, „flink zijn, als ik u verzoeken mag. Nu niet zeggen: ‚O, David, David!’ Dat is kinderachtig. Hij kent zijn les of hij kent zijne les niet.”

„Hij kent zijn les niet,” valt juffrouw Murdstone in met haar ontzagverwekkend stemgeluid.

„Ik ben waarlijk ook bang dat hij zijn les niet kent,” zegt mijne moeder.

„Dan, Clara,” herneemt juffrouw Murdstone, „moest gij hem het boek teruggeven en hem de les laten leeren.”

„Ja zeker,” zegt mijne moeder, „dat ben ik ook voornemens, lieve Jane. Nu, David, beproef het nog eens, wees nu niet dom.”

Ik gehoorzaam aan het eerste gedeelte van het bevel en beproef het nog eens, maar met het tweede gedeelte wil het niet lukken—ik ben dommer dan dom. Ik blijf al steken, eer ik aan de vorige plaats ben gekomen, bij een woord, dat ik zooeven nog goed kende, en houd op om na te denken. Maar ik kan niet denken, ten minste niet over het onderwerp van de les. Ik peins over het aantal ellen lint, dat aan de muts van juffrouw Murdstone zou besteed zijn, aan den prijs van mijnheer Murdstone's ochtendjas en aan allerlei dwaze dingen, die mij niets aangaan en waarmede ik niets te maken wil hebben. Volgt eene ongeduldige beweging van mijnheer Murdstone, die ik al lang verwacht heb. Hetzelfde doet zich bij juffrouw Murdstone voor. Mijne moeder kijkt beiden onderdanig aan, doet het boek dicht en legt het weg. Dit is een les om in te halen, wanneer het overige van mijne taak is afgedaan. Al heel spoedig ligt er een geheele stapel boeken naast mijne moeder; het aantal in te halen lessen groeit aan als een rollende sneeuwbal. Hoe grooter de stapel, hoe botter ik word. De zaak wordt hopeloos; ik begin niets dan wartaal te spreken en geef elk denkbeeld om er mij uit te redden op. Ik wacht geduldig mijn lot af. De blikken, die mijne moeder en ik wisselen, terwijl ik meer en meer in de war raak, zijn waarlijk wanhopend. Maar het allerergste in die ellendige lessen is, wanneer mijne moeder, meenende dat niemand op haar let, mij tracht te helpen door eene beweging met de lippen. Op dat oogenblik zegt juffrouw Murdstone, die reeds van den aanvang af daarop geloerd heeft, op waarschuwenden toon: „Clara!”

Mijne moeder schrikt, bloost en glimlacht even.

Mijnheer Murdstone staat van zijn stoel op, neemt het boek, smijt het mij voor de voeten of slaat er mij mee om de ooren en zet mij bij een arm de kamer uit.

Nu komt echter nog het ergste aan in den vorm van eene vreeselijke som, door mijnheer Murdstone voor mij bedacht. Hij geeft mij die zelf op: „Als ik naar een kaaskooper ga en vijfduizend dubbele Gloucester-kazen koop voor vier en een halven stuiver het stuk, tegen contante betaling... enz.” Juffrouw Murdstone zit heimelijk te grinneken van genot.—Zonder er iets van te begrijpen of eenig licht te krijgen, zit ik op die kazen te turen tot etenstijd; ik ben dan nagenoeg in een Mulat veranderd door al het vuil van mijne lei in de poriën van mijne huid te wrijven, krijg een snee brood om bij de kazen te verorberen en blijf het verdere gedeelte van den dag in ongenade. Nu er zooveel tijd sinds die ongelukkige lessen verloopen is, komt het mij voor dat ze gewoonlijk dezen loop namen. Ik zou ze wel gekend hebben als de Murdstones er maar niet bij tegenwoordig waren geweest, maar hun invloed op mij was ongeveer gelijk aan dien van twee slangen op een jong vogeltje. Zij betooverden mij. Zelfs wanneer ik het er eens tamelijk afbracht, had ik niets gewonnen dan een maal eten; want juffrouw Murdstone kon mij niet ledig zien zitten en wanneer ik ongelukkig toonde dat ik niets te doen had, vestigde zij terstond de aandacht van haar broeder op mij door te zeggen: „Clara, lieve, er is niets zoo goed als bezigheid.... geef uw jongen wat te doen.” Deze woorden misten nooit hunne uitwerking; ik kreeg dan onmiddellijk eene nieuwe taak. Spelen met kinderen van mijn leeftijd was mij zoo goed als ontzegd, want de Murdstones beschouwden alle kinderen als adderengebroedsel—toch was Jezus ook eens een kind—en hielden vol dat zij elkander maar bedierven.

Het natuurlijke gevolg van deze wijze van opvoeden, die, als ik mij goed herinner, zes maanden of langer werd volgehouden, was dat ik traag, dom en weerspannig werd. Niet het minst werd ik dat, omdat men mij stelselmatig vervreemdde van mijne moeder. Eéne omstandigheid echter bewaarde mij er voor dat ik geheel versufte. Het was de volgende: Mijn vader had eene kleine collectie boeken nagelaten, die in een opkamertje werden bewaard, dat aan het mijne grensde en waarin nooit iemand kwam. Uit dit gezegende kleine kamertje kwamen Roderick Random, Peregrine Pickle, Humphrey Clinker, Tom Jones, The Vicar of Wakefield, Don Quichote, Gil Blas en Robinson Crusoë mij gezelschap houden en waren hartelijk welkome gasten. Zij hielden mijne verbeelding levendig en voedden mijne hoop, dat er buiten Blunderstone en na den tijd, dien ik toen doorleefde, wel iets beters zou opdagen—zij en de Arabische Nachtvertellingen—kwaad kon ik er niet uit leeren, want het kwaad, dat uit enkele van de genoemde werken te leeren valt, kende ik niet. Het verbaast mij nu hoe ik den tijd vond om, terwijl ik mij bijna stompzinnig peinsde over de moeielijkste thema's en sommen, al deze boeken te lezen. Het verbaast mij nu hoe ik mij over mijn onbeteekenend leed—voor mij toen echter groot leed—heb kunnen troosten door de meest geliefkoosde personen in mijne plaats te stellen, zooals ik deed, en mijnheer en juffrouw Murdstone voor de slechte karakters te laten optreden—zooals ik ook deed. Ik ben een week lang Tom Jones geweest—een kinderlijke Tom Jones, een onschuldig schepsel. Ik geloof waarlijk dat ik mij zelven een maand lang voor Roderick Random heb aangezien. De grootste aantrekkelijkheid op de boekenplank waren eenige deelen reisbeschrijvingen van—de naam is mij ontschoten; ik herinner mij nu, dagen achtereen in dat gedeelte van het huis, waarin ik mij vrij mocht bewegen, te hebben rondgeloopen met het middenstuk van een ouden laarzentrekker—een voorstelling gevende van kapitein Dinges van de Koninklijke Marine, door wilden aangevallen en vastbesloten zijn leven duur te verkoopen. De kapitein verloor niets van zijne waardigheid, al kreeg hij met een Latijnsche spraakkunst om de ooren; toch bleef hij een held, ten spijt van alle spraakkunsten, van alle talen der wereld, zoo doode als levende.

Dit was mijn eenige en mijn voortdurende troost. Wanneer ik daaraan denk, komt mij altijd het tooneel voor de oogen van een zomeravond, terwijl de buurjongens op het kerkhof speelden en ik in mijn bed zat te lezen of het leven er van afhing. Elke schuur in den omtrek, elke steen van de kerk, elke voetstap op het kerkhof stond in mijne verbeelding in betrekking tot mijn boek en stelde de eene of andere plaats daarin voor, die bijzonder mijne aandacht trok. Ik heb Tom Pipes op den kerktoren zien klimmen; ik heb Strap met den knapzak op den rug tegen het tuinhek zien uitrusten en ik weet dat Commodore Trunnion zijne samenkomsten met mijnheer Pickle in het kleine kamertje van de dorpsherberg hield.

De lezer zal dus wel begrijpen wat ik was, toen ik aan dat punt van de geschiedenis mijner jeugd was genaderd, waarop ik nu ben teruggekomen.

Op zekeren morgen, toen ik met mijne boeken de huiskamer binnentrad, zat mijne moeder erg angstig te kijken; juffrouw Murdstone keek „flink” en mijnheer Murdstone was bezig iets aan het eind van een wandelstok te binden—een taaien, buigzamen, rieten wandelstok; toen ik binnen was, hield hij op met binden en zwaaide en sloeg er eenige malen mede in de lucht.

„Ik verzeker u, Clara,” zei mijnheer Murdstone, dat ik zelf ook dikwijls een pak slaag heb gehad.”

„Dat spreekt van zelf,” zei juffrouw Murdstone.

„Zeker, lieve Jane,” stotterde mijne moeder. „Maar.... maar meent gij dat het Edward goed heeft gedaan?”

„Meent gij dat het Edward kwaad heeft gedaan, Clara?” vroeg mijnheer Murdstone op ernstigen toon.

„Dat is de zaak!” voegde zijne zuster er bij, waarop mijne moeder antwoordde: „Zeker, lieve Jane,” en verder zweeg.

Ik werd beducht dat ik persoonlijk in dat gesprek betrokken was, en hield mijnheer Murdstone voortdurend in het oog, terwijl hij mij aankeek.

„Nu, David,” zei hij—en toen hij dit zeide, zag ik weder dat hij loensch was, „gij moet vandaag beter opletten dan gewoonlijk.” Hij begon weder met den stok te slaan en te zwaaien en toen hij daarmede gereed was, legde hij dien met een veelbeteekenenden blik naast zich neder en nam zijn boek op.

Dit alles was zeer geschikt om mijn geest op te frisschen eer ik begon. Ik voelde de woorden wegglijden, niet woord voor woord of regel voor regel, maar bij geheele bladzijden tegelijk. Ik trachtte ze vast te houden, maar het scheen wel, als ik het zoo eens mag uitdrukken, dat ze schaatsen hadden ondergebonden, zoo geleidelijk zweefden ze van mij weg.

Het begin was slecht en het ging hoe langer hoe slechter. Ik was binnengekomen, denkende dien morgen eens te zullen uitmunten, want ik had hard geleerd; maar ik had mij schromelijk vergist. Boek na boek werd bij de in te halen lessen gelegd, terwijl juffrouw Murdstone voortdurend een oog in het zeil hield. En toen wij eindelijk tot de vijfduizend kazen genaderd waren—als ik mij goed herinner noemde hij ze dien morgen stokken—barstte mijne moeder in tranen uit.

Clara!” zei juffrouw Murdstone met hare harde stem.

„Ik geloof dat ik niet heel wel ben, lieve Jane”, zei mijne moeder.

Ik zag hem zijne zuster een plechtigen wenk geven, terwijl hij opstond, den stok opnam en zeide:

„Nietwaar, Jane, wij kunnen niet verwachten dat Clara nu reeds opgewassen zal zijn tegen al het verdriet, dat David haar dagelijks veroorzaakt. Zij zou dan ongevoelig moeten zijn. Clara wordt veel flinker en standvastiger, maar zooveel vooruitgang kunnen wij nog niet van haar verwachten. Wij zullen eens samen naar boven gaan, David: Kom, jongen.”

Toen hij mij medenam naar de deur, liep mijne moeder op ons toe; maar juffrouw Murdstone riep: „Zijt gij krankzinnig geworden, Clara?” en kwam tusschen beide. Ik zag nog dat mijne moeder de ooren dichtstopte en ik hoorde haar schreien.

Hij bracht mij naar mijn kamertje, langzaam en plechtig—ik ben overtuigd dat hij behagen schiep in deze vertooning van eene strafoefening—en toen wij daar waren aangekomen, nam hij plotseling mijn hoofd onder zijn arm.

„Mijnheer Murdstone, Mijnheer!” riep ik. „Doe het toch niet! Ik smeek u, sla mij niet! Ik heb werkelijk mijn best gedaan, mijnheer, maar ik kan mijn lessen niet opzeggen, wanneer gij en juffrouw Murdstone er bij zijn! Ik kan het werkelijk niet!”

„Kunt gij dat niet, David?” zei hij. „Dat zullen we eens beproeven.”

Hij had mijn hoofd als in een schroef, maar ik slaagde er in eenigszins rond te draaien, waardoor ik hem gedurende een oogenblik belette te slaan en hem nogmaals smeekte het niet te doen. Het was echter slechts uitstel, want onmiddellijk daarop gaf hij mij een paar hevige slagen; maar te gelijkertijd greep ik met mijne tanden de hand, waarmede hij mij vasthield en beet door. Wanneer ik er aan denk, knars ik nog onwillekeurig op mijn tanden.

Hij sloeg mij toen zoo hevig, alsof hij mij wilde doodslaan. Boven al het rumoer, dat wij maakten, uit, hoorde ik menschen de trap opkomen en schreeuwen... ik hoorde mijne moeder om hulp roepen... en Peggotty... Toen ging hij heen en sloot de deur van buiten af; en ik lag koortsachtig gloeiend, met gescheurde kleeren, razend van pijn en woede op den grond.

Hoe goed herinner ik mij nog de stilte, die er in het geheele huis heerschte, toen ik wat tot bedaren was gekomen. Zulk eene onnatuurlijke stilte! Hoe goed herinner ik mij nog, toen de pijn en de woede wat gestild waren, hoe schuldig ik mij voelde! Langen tijd zat ik te luisteren, maar geen geluid drong tot mij door. Ik kroop van den grond op en bekeek mijn gezicht in den spiegel; het was zoo rood en opgezwollen en misvormd, dat ik er van ontstelde. Mijn geheele lichaam deed mij zeer en bij elke beweging had ik het wel kunnen uitschreeuwen; maar al die pijnen beteekenden niets bij het besef van schuld, dat mij drukte. Ik durf verklaren dat het mij zoo zwaar drukte, alsof ik de afschuwelijkste misdaad had begaan.

Het begon duister te worden en ik had het venster gesloten—ik had gedurende het grootste gedeelte van den tijd met het hoofd op de vensterbank gelegen, nu eens schreiende, dan weder onrustig sluimerend of lusteloos voor mij uit starend—toen de sleutel werd omgedraaid, de deur geopend werd en juffrouw Murdstone binnentrad met wat brood, vleesch en melk. Zij zette alles zonder een woord te spreken op de tafel; staarde mij te gelijkertijd aan met voorbeeldelooze flinkheid, ging toen heen en deed de deur achter zich op slot.

Het was reeds volslagen duister toen ik daar nog zat, nieuwsgierig of er nog iemand komen zou. Toen mij dit voor dien avond onwaarschijnlijk voorkwam, kleedde ik mij uit en ging naar bed; nu begon mij de angst te bekruipen. Wat zou er met mij gedaan worden? Was hetgeen ik gedaan had eene misdaad? Zou ik in hechtenis genomen en in de gevangenis gezet worden? Zouden zij mij misschien ophangen?

Het ontwaken van den volgenden morgen zal ik nimmer vergeten; eerst dat gevoel van verkwikking en toen..... het looden gewicht van de misdaad, dat mij drukte. Juffrouw Murdstone verscheen nog eer ik uit het bed was, vertelde mij dat ik verlof had om gedurende een half uur in den tuin te wandelen—niet langer; waarna zij heenging en de deur open liet, zoodat ik mij zelf helpen kon, indien ik van deze vergunning gebruik wilde maken. Ik deed het en deed het elken morgen gedurende mijne opsluiting, die vijf dagen duurde. Had ik mijne moeder eens alleen kunnen spreken, ik zou op mijne knieën naar haar toegekropen zijn om haar vergiffenis te smeeken; maar behalve juffrouw Murdstone sprak ik gedurende dien ganschen langen tijd niemand. Des avonds werd ik door haar naar de huiskamer gebracht om het gebed bij te wonen; ik kwam dan wanneer allen reeds hunne plaatsen hadden ingenomen en moest, als een kleine uitgeworpene, bij de deur blijven staan, en mijne cipierster geleidde mij met de grootste plechtigheid naar mijne kamer terug, nog eer iemand uit zijne deemoedige houding was opgestaan. Ik merkte alleen op dat mijne moeder zoo ver mogelijk van mij af zat en een anderen kant uitkeek, zoodat ik haar niet te zien kreeg, en dat mijnheer Murdstone zijne hand in een doek droeg.

Ik kan niemand een denkbeeld geven van den ontzettend langen duur dezer twee dagen. In mijne herinnering beslaan zij even zoo vele jaren. De wijze, waarop ik luisterde naar al hetgeen in huis voorviel en hoorbaar voor mij was: naar het overgaan van de huisschel, het openen en sluiten van deuren, het gonzen van stemmen, naar de voetstappen op de trap; naar het lachen, fluiten en zingen buiten, dat mij in mijne eenzaamheid en mijne schande onaangenamer aandeed dan eenig ander geluid; de onbekendheid met den tijd, hoofdzakelijk des avonds, wanneer ik meende dat het reeds morgen was en aan de geluiden in huis hoorde, dat de familie nog niet naar bed was en de lange, lange nacht dus nog moest beginnen; de onrustige droomen en nachtmerries, de terugkeer van den dag, den middag, den achtermiddag en den avond, wanneer de jongens op het kerkhof speelden en ik hen uit mijn venster gadesloeg, zorg dragende mij niet te vertoonen, opdat zij niet zouden weten dat ik een gevangene was; de vreemde gewaarwording dat ik mijn eigen stem nooit hoorde; de vluchtige tusschenpoozen van iets, dat naar opgeruimdheid leek—steeds samenhangende met eten en drinken—; het langzame opkomen van een regenbui op zekeren avond en de daarmede gepaard gaande frissche lucht.... dat alles schijnt jaren in plaats van dagen te zijn voortgegaan, zoo levendig is het mij bijgebleven.

Den laatsten avond van mijne opsluiting werd ik wakker bij het hooren van mijn naam, die fluisterend uitgesproken werd. Ik rees overeind in mijn bed, stak in de duisternis mijne armen uit en vroeg:

„Zijt gij daar, Peggotty?”

Ik kreeg niet onmiddellijk antwoord, maar weldra hoorde ik mijn naam opnieuw, doch op zulk een geheimzinnigen, akeligen toon, dat ik zeker een stuip zou hebben gekregen van angst, als mij niet was ingevallen dat het door het sleutelgat moest zijn gekomen.

Ik kroop naar de deur en mijne lippen voor het sleutelgat plaatsend, fluisterde ik: „Zijt gij daar, lieve Peggotty?”

„Ja, beste David, ik ben het,” antwoordde zij. „Wees zoo stil als een muis, anders hoort ‚de kat’ ons.”

Ik begreep, dat zij juffrouw Murdstone bedoelde en was erg verlegen met het geval, want hare kamer was vlak bij de mijne.

„Hoe maakt mama het, lieve Peggotty? Is zij erg boos op mij?”

Ik hoorde Peggotty schreien aan gene zijde van het sleutelgat, terwijl ik het aan deze zijde deed. „Neen, niet erg,” antwoordde zij eindelijk.

„Wat zal er met mij gebeuren, Peggotty? Weet gij het?”

„Naar school... dicht bij Londen,” was Peggotty's antwoord. Ik was genoodzaakt haar te verzoeken het te herhalen, want de eerste keer had ik vergeten mijn mond van het sleutelgat weg te nemen, zoodat de woorden in mijne keel terecht kwamen in plaats van in mijn oor; ik voelde ze wel kriewelen, maar ik verstond ze niet.

„Wanneer, Peggotty?”

„Morgen.”

„Is dat de reden waarom juffrouw Murdstone mijne kleederen uit de latafel kwam halen?” Zij had dat gedaan, al heb ik vergeten het neer te schrijven.

„Ja,” zei Peggotty. „Koffer pakken.”

„Zal ik mama niet zien?”

„Ja, morgen.”

Daarna bracht Peggotty haar mond zoo dicht mogelijk tegen het sleutelgat en sprak er de volgende woorden door, met zooveel innig gevoel en ernst, als ooit woorden hun weg door een sleutelgat gevonden hebben—daarvan ben ik overtuigd. De zinnen, telkens afgebroken door krampachtige uitbarstingen van droefheid, werden er als het ware doorheen gestooten.

„Als ik niet zooveel voor u... kon zijn als vroeger... lieve David... was dit niet omdat ik.... ik u niet liefhad.... hoor. Ik heb u nog net zoo lief.... als vroeger, mijn beste jongen.... Ik dacht dat het beter voor u was.... en voor nog iemand anders ook.... Davy, beste jongen.... luistert gij wel?.... Kunt gij mij verstaan?”

„Ja-a-a-a, Peggotty,” antwoordde ik snikkend.

„Lieveling!” zei Peggotty op een toon, die innig medelijden verried. „Wat ik u nog wilde zeggen is.... dat gij mij niet moogt vergeten.... Want ik zal u ook nooit vergeten.... En ik zal voor mama zoo goed zorgen.... als ik kan, hoor, Davy.... Even goed als ik altijd voor u gezorgd heb.... Ik zal haar niet verlaten.... Er zal wel eens een dag komen.... dat zij blijde zijn zal.... het afgetobde hoofd..... te kunnen neerleggen.... op den arm van de domme, oude Peggotty..... Ik zal u schrijven, hoor.... beste.... al zal 't niet mooi zijn..... En ik zal.... ik zal....” Peggotty kuste het sleutelgat omdat zij mij niet kon kussen.

„Dank u, lieve Peggotty, dank u!” zei ik. „Dank u... Wilt gij mij één ding beloven, Peggotty?... Wilt gij aan baas Peggotty en aan kleine Emily en aan juffrouw Gummidge en aan Ham schrijven, dat ik niet zoo slecht ben als zij misschien denken?... En dat ik hen nooit zal vergeten... vooral kleine Emily niet.... Wilt gij hun dat schrijven, lieve Peggotty?”

De goede ziel beloofde het en wij kusten beiden het sleutelgat met de grootste teederheid. Ik herinner mij nog zeer goed, dat ik er met de hand over streek, alsof ik werkelijk haar eerlijk gezicht voelde. Van dien avond af ontwikkelde zich in mijn hart voor Peggotty een gevoel, dat ik niet onder woorden kan brengen. Zij vervulde niet de plaats van mijne moeder; dat kon niemand doen; maar zij vulde eene ledige plaats in mijn hart, eene plaats, waarin zij alleen haar zetel opsloeg, zoodat ik voor haar voelde, wat ik voor geen ander menschelijk wezen ooit gevoeld heb. Deze genegenheid had ook iets kluchtigs en toch, als zij gestorven was, kan ik mij niet voorstellen wat ik zou gedaan hebben of hoe ik uiting zou hebben gegeven aan mijne droefheid—want bedroefd zou ik zeker zijn geweest.

Den volgenden morgen verscheen juffrouw Murdstone zoo als gewoonlijk en vertelde mij dat ik naar eene kostschool zou worden gezonden; dit was echter niet zulk groot nieuws voor mij als zij onderstelde. Zij deelde mij mede dat ik, als ik aangekleed was, beneden in de huiskamer mocht komen om te ontbijten. Daar vond ik mijne moeder, bleek en met rood geschreide oogen; ik wierp mij in hare armen en smeekte haar mij vergiffenis te schenken.

„O, David,” sprak zij, „hoe is het mogelijk dat gij iemand, dien ik lief heb, zoo hebt kunnen behandelen? Doe uw best om een brave jongen te worden, bid onzen lieven Heer daarom! Ik vergeef het u, maar het spijt mij zoo dat er zulke booze hartstochten wonen in uw hart!”

Zij hadden haar opgedrongen dat ik een ondeugende jongen was en dat veroorzaakte haar meer verdriet dan mijn heengaan. Ik voelde dit en het bedroefde mij. Ik deed mijn best om mijn boterham naar binnen te krijgen, maar de tranen droppelden op het brood en in de thee. Ik zag dat mijne moeder nu eens naar mij dan weder naar de loerende juffrouw Murdstone keek, om oogenblikkelijk daarna de oogen neer te slaan of naar buiten te zien.

„Is de koffer van den jongeheer Copperfield daar?” vroeg juffrouw Murdstone, toen zij paardengetrappel hoorde.

Ik keek uit naar Peggotty, maar noch zij noch mijnheer Murdstone verscheen. Mijn kennis van voorheen, de voerman, stond bij de deur en bracht mijn koffer naar de kar.

Clara!” sprak juffrouw Murdstone met haar scherpe stem.

„Wij zijn gereed, lieve Jane,” antwoordde mijne moeder.

„Dag, David. Gij gaat heen omdat het voor uw bestwil is. Dag, mijn kind. Met de vacantie komt gij thuis en dan zijt gij zeker een betere jongen geworden.”

Clara!” herhaalde juffrouw Murdstone.

„Zeker, lieve Jane,” gaf mijne moeder ten antwoord, terwijl zij mij omhelsde. „Ik vergeef het u, mijn jongen. God zegene u.”

Clara!” klonk het ten derde male.

Juffrouw Murdstone had de goedheid mij naar de kar te brengen en op weg daarheen te zeggen dat zij hoopte dat ik zou inkeeren tot berouw, want dat het anders zeker slecht met mij zou afloopen. Daarna klom ik op de kar, en het luie paard trok mij voort naar mijne nieuwe bestemming.