XL. De zwerver.

W

Wij hadden dien avond in Buckingham-street een ernstig gesprek over al hetgeen ik in het laatste hoofdstuk heb meegedeeld. Tante was er zeer door getroffen en wandelde langer dan twee uren achtereen, met de armen over elkander, de kamer op en neer. Wanneer zij iets had, dat haar bijzonder aandeed, maakte zij altijd zulke voetreizen en uit den duur van zulk eene reis kon men met bijna wiskunstige zekerheid de mate van hare ontstemming opmaken. Ditmaal was zij zoo ontroerd, dat zij het noodig vond de deur van de slaapkamer open te zetten, zoodat zij hare wandeling van den eenen muur tot den anderen kon uitstrekken en, terwijl mijnheer Dick en ik zwijgend bij het vuur zaten, bleef zij in en uitgaan, met afgemeten stap, zoo regelmatig als de slinger van een uurwerk.

Toen mijnheer Dick naar bed was, bleven tante en ik nog bij elkaar zitten en schreef ik mijn brief aan de twee oude dames. Zij was moe van het wandelen en zat nu bij het vuur met de japon opgeslagen, als van ouds, over de beenen. Maar in plaats van, zooals zij gewoon was, het glas op de knieën te houden, stond het vergeten op den schoorsteenmantel en terwijl haar linker elleboog op haar rechter arm rustte en hare kin op hare linkerhand, staarde zij peinzend naar mij. Zoo dikwijls ik de oogen van mijn papier opsloeg, ontmoette ik de hare. „Ik ben in het beste humeur, lieve jongen,” verzekerde zij mij dan telkens, „maar ik ben gejaagd en verdrietig.”

Ik had te hard zitten schrijven om, eer zij naar bed was gegaan, op te merken dat zij haar slaapdrank, zooals zij het noemde, onaangeroerd op den schoorsteenmantel had laten staan. Toen ik aanklopte om haar mijne ontdekking mede te deelen, kwam zij even aan de deur van hare slaapkamer en zei met hare vriendelijkste stem: „ik heb van avond geen moed om te drinken, Trot,” waarna zij hoofdschuddend hare kamerdeur sloot.

Den volgenden morgen las zij mijn brief aan de oude dames en keurde dien goed. Ik bracht hem op de post en had nu niets anders te doen, dan het antwoord af te wachten. Reeds langer dan een week was ik in afwachting, toen ik op een avond door een felle sneeuwjacht van de woning van doctor Strong naar huis wandelde. Het was bitter koud geweest dien dag en er blies een scherpe noordoosten wind. Tegen den avond was de wind gaan liggen en begon het te sneeuwen met groote, dikke vlokken, zoodat er spoedig een flinke laag op den grond lag. Elk geluid van rijtuigen en voetgangers was gesmoord; het scheen wel dat de straten met vederen bestrooid waren. Mijn kortste weg naar huis—en ik nam op dien avond den kortsten weg—was door St. Martin's Lane. De kerk, waaraan deze straat haar naam ontleent, stond in die dagen minder ruim dan thans; er was geen pleintje voor en de straat liep in allerlei kronkelingen door tot aan het Strand. Bij den hoek van de kerktrap ontmoette ik eene vrouw, die mij aankeek en verdween. Ik kende dat gezicht, ik had het vroeger gezien; dat wist ik zeker, maar ik kon mij niet herinneren waar dat geweest was. Er moest eene droevige herinnering aan verbonden zijn, want gedurende een oogenblik stokte mij de adem in de keel en hoorde ik mijn hart bonzen; maar ik had aan geheel andere dingen loopen denken, toen ik die vrouw voorbijging, en was dientengevolge een oogenblik van streek.

Bij de trappen van de kerk stond een man in gebukte houding, hij had een pakje in de sneeuw neergelegd om het vast te binden en op hetzelfde oogenblik keken wij elkander in het gelaat. Ik geloof niet dat ik in de verrassing van het oogenblik bleef staan; hoe het zij, hij richtte zich op en kwam naar mij toe en daar stond ik tegenover baas Peggotty! Nu wist ik ook, wie die vrouw was. Het was Martha, die in Peggotty's keuken geld had gekregen van Emily. Martha Endell.... in gezelschap van den man, die haar, volgens Ham, voor al de schatten der wereld niet met Emily zou hebben willen zien.

Wij schudden elkander hartelijk de hand en konden in het eerste oogenblik geen van beiden een woord uitbrengen.

„Jongeheer Davy!” zei hij, mijne hand vast in de zijne klemmende, „hoe blijde ben ik u te zien, mijnheer!”

„Welkom, mijn beste oude vriend!” zei ik.

„Ik had van avond bij u willen komen, mijnheer,” hernam hij, „maar omdat ik wist dat uwe tante bij u woont—ik ben daar ginds geweest, op weg naar Yarmouth—vreesde ik dat het te laat geworden was. Het was nu mijn voornemen morgen vroeg eens te komen kijken, mijnheer, voor ik verder ga.”

„Gaat gij weer heen?” vroeg ik.

„Ja, mijnheer,” antwoordde hij, treurig het hoofd schuddende, „morgen ga ik weer verder.”

„En waarheen?” vroeg ik.

„Wel,” antwoordde hij, de sneeuw uit zijn lange haren schuddende, „ik zal nu eerst eene poging doen om ergens onder dak te komen.”

In die dagen was er dicht bij de plek, waar wij stonden, een zij-ingang naar het stalplein van het Gouden Kruis, het logement, dat juist met betrekking tot zijn ongeluk zoo gedenkwaardig voor mij was geworden. Ik wees hem het poortje, stak mijn arm door den zijnen en wij gingen naar binnen. Er kwamen twee of drie gelagkamers op het stalplein uit; een er van was ledig en er brandde een helder vuur—daar stapten wij binnen.

Toen ik baas Peggotty bij het licht zag, merkte ik op dat zijne haren lang en verwilderd waren en dat zijn aangezicht door de zon was verbrand. Hij was grijzer geworden, de lijnen in gelaat en voorhoofd waren dieper; hij maakte in alles den indruk alsof hij in allerlei weer en wind had rondgezworven, maar hij was toch forsch en sterk, en zag er uit als een man, die weet wat hij wil en door niets ter wereld van een eenmaal opgevat voornemen is af te brengen. Terwijl ik deze opmerkingen in mij zelven maakte, schudde hij de sneeuw van zijn kleederen en van zijn hoed en droogde zijn gezicht af, waarna hij tegenover mij aan eene tafel plaats nam, met den rug naar de deur, waardoor wij waren binnengekomen, en nogmaals mijne hand in de zijne nam en hartelijk schudde.

„Laat mij u nu eens vertellen, mijnheer Davy,” zei hij, „waar ik geweest ben en wat ik gehoord heb. Ik ben ver weg geweest en heb weinig gehoord; laat ik u echter alles vertellen.”

Ik schelde, ten einde iets warms te bestellen; hij wilde echter niets dan bier hebben en terwijl het gebracht en bij de kachel warm gemaakt werd, zat hij, in gepeins verzonken, voor zich uit te kijken. Er lag zulk eene plechtige, ernstige uitdrukking op zijn gelaat, dat ik hem niet durfde storen.

„Toen zij nog een kind was,” begon hij, zoodra wij weder met ons beiden waren, „sprak zij veel met mij over de zee en over de kusten, waar de zee donkerblauw en de hemel altijd helder was. Ik verkeerde in den waan, dat zij zooveel daaraan dacht, omdat haar vader daar verdronken is. Ik weet het niet, maar wellicht geloofde of hoopte zij, dat hij daar zou zijn aangespoeld, waar altijd de zon schijnt en de bloemen eeuwig bloeien.”

„Het is waarschijnlijk slechts kinderlijke verbeelding geweest,” zei ik.

„Toen zij—verloren was,” ging hij voort, „kwam het vermoeden in mij op, dat hij haar naar dat land had medegenomen. Ik begreep, dat hij haar allerlei wonderen van dat land verteld en haar gezegd zou hebben, dat zij daar „een dame” zou zijn en hoe hij haar juist door daarvan te vertellen verleid moest hebben. En toen ik zijne moeder gezien had, begreep ik, dat mijne onderstelling juist geweest was. Ik ging dus het Kanaal over naar Frankrijk en kwam daar aan, alsof ik uit de lucht was gevallen.”

—Ik zag de deur bewegen en de sneeuw binnen stuiven. Ik zag een oogenblik later eene hand, die de deur openhield.—

„Ik bracht een bezoek aan een Engelschman, die daar woonde en eene openbare betrekking bekleedde,” vervolgde baas Peggotty, „en vertelde hem dat ik op weg was om mijn nichtje te zoeken. Hij verschafte mij toen de papieren, die ik noodig had om verder te komen—ik weet niet goed meer hoe hij ze noemde,—en hij was ook wel genegen om mij geld te geven, maar dat had ik, Goddank, niet noodig. Ik bedankte hem vriendelijk voor zijne welwillendheid, waarop hij mij zeide dat hij over mij geschreven had en over mij spreken zou met allen, die van de overzijde kwamen en denzelfden weg gingen, opdat zij weten zouden wie ik was, als ik daar zoo alleen verder trok. Nogmaals betuigde ik hem, zoo goed ik kon, mijne dankbaarheid en begon toen den tocht door Frankrijk.

„Alleen en te voet?” vroeg ik.

„Meestal te voet!” antwoordde hij, „somtijds in een kar met menschen, die naar eene naburige markt gingen; somtijds ook reed ik met een ledig rijtuig mede. Ik legde groote afstanden te voet af, niet zelden met een armen soldaat of een marskramer, die ik inhaalde. Ik kon wel niet met hen spreken,” zei baas Peggotty, „en zij konden het evenmin met mij; maar wij hadden toch gezelschap aan elkander langs de stoffige wegen.”

Nu, wie zou zich niet door zijne vriendelijke stem hebben aangetrokken gevoeld!

„Wanneer ik in eene stad aankwam, zocht ik een logement op en wachtte buiten of er niemand kwam opdagen, die Engelsch verstond, hetgeen bijna altijd het geval was. Ik vertelde dan dat ik op weg was om mijn nichtje te zoeken en zij vertelden mij het een en ander van de gasten, die in het logement waren, waarna ik wachtte om te zien of er ook iemand in- of uitging, die op haar geleek. Vond ik Emily niet, dan ging ik weer verder. Langzamerhand begon ik op te merken dat men al van mij gehoord had en als ik in een dorp kwam, werd ik menigmaal uitgenoodigd om binnen te komen en boden de bewoners mij eten en drinken aan; menige vrouw, die eene dochter had van Emily's leeftijd, heb ik buiten het dorp aan den voet van het kruisbeeld zittende gevonden, om mij op deze wijze hare vriendschap te betuigen. Sommigen hadden den dood van eene dochter te betreuren en God alleen weet hoe goed deze moeders voor mij waren!”

—Het was Martha's hand geweest, die ik aan de deur gezien had. Ik zag haar vervallen gelaatstrekken, terwijl zij achter de deur stond te luisteren. Ik vreesde dat hij zijn hoofd zou omdraaien en haar ook zien.—

„Zij zetten meermalen hunne kinderen, vooral hunne kleine meisjes, op mijne knieën,” ging baas Peggotty voort, „en menigmaal zoudt gij mij bij hunne huisdeuren hebben kunnen zien zitten, als de avond was ingevallen, bijna alsof het de kinderen van mijn lieveling waren. O, mijn Lieveling!”

Door smartelijke herinneringen overweldigd, begon hij eensklaps te snikken. Ik legde mijne trillende hand op de zijne, waarmede hij zijn gelaat bedekt had. „Dank u, mijnheer Davy,” zei hij, „sla er maar geen acht op.”

Eenige oogenblikken later nam hij de hand van zijn gezicht weg en stak die voor in zijne jas, waarna hij vervolgde:

„Dikwijls brachten zij mij des morgens een mijl of twee den weg op, dien ik te volgen had, en als ik dan bij het afscheid zei: „Duizendmaal dank! God zegene u!” schenen zij mij altijd te verstaan en gaven mij een vriendelijk antwoord. Eindelijk bereikte ik de zee. Voor een zeeman, zooals ik, was het niet moeielijk vrijen overtocht naar Italië te krijgen, dat begrijpt ge. En toen ik weer den vasten wal bereikt had, wandelde ik weer verder, zooals te voren. Het volk was weer even welgezind en ik zou van de eene stad naar de andere zijn gegaan, het geheele land door, als ik niet de goede tijding had ontvangen, dat zij bij de Zwitsersche bergen gezien waren. Iemand, die zijn knecht kende, had hen gezien, alle drie, en vertelde mij hoe zij reisden en waar zij nu waarschijnlijk zouden zijn. Gij begrijpt, mijnheer Davy, dat ik onmiddellijk terugkeerde, maar o, wat waren die bergen ver weg. Elken morgen schenen ze weder verder af te zijn dan den vorigen avond. Maar ik bereikte ze eindelijk, trok ze over en toen ik de plaats naderde, die men mij genoemd had, begon ik na te denken over de vraag: ‚Wat zal ik doen, wanneer ik haar ontmoet?’”

—Het luisterende gelaat aan de deur was daar nog altijd aanwezig en de handen werden smeekend naar mij uitgestrekt—dat ik haar toch niet zou wegjagen!—

„Ik heb nooit aan haar getwijfeld,” vervolgde baas Peggotty. „Neen, nooit, geen oogenblik! Als zij mijn gelaat maar ziet...... als zij mijne stem maar hoort.... laat mij maar een oogenblik voor haar staan, ten einde haar het huis, dat zij ontvlucht is, en haar eigen jeugd in herinnering te brengen, dan—al is zij eene prinses geworden—zal zij voor mij op de knieën vallen. O, ik weet dat zoo goed! Hoe menigmaal heb ik haar in mijn droomen niet hooren roepen: ‚Oom!’ en haar als dood voor mij zien neervallen. En hoe menigmaal heb ik haar in mijne droomen niet opgericht en toegefluisterd: Em'ly, mijn lieveling, ik ben gekomen om u vergiffenis te schenken en naar huis terug te brengen!”

Hij schudde zwaarmoedig het hoofd en ging voort:

Hij bestond niet voor mij. Ik kende alleen Emily. Ik kocht een boerenpakje voor haar en ik wist dat, als ik haar eenmaal gevonden had, zij met mij mede zou gaan over de steenige wegen overal waar ik wilde, en mij nooit, neen, nooit meer zou verlaten. Haar deze kleeding aan te trekken en die, welke zij droeg, weg te werpen; met haar arm in den mijne naar huis terug te wandelen; nu en dan eens aan den weg te blijven zitten om hare gewonde voeten te genezen en haar gewond hart.... ziedaar de gedachten, waarmede ik voortliep en die mij dag noch nacht met rust lieten. Ik geloof, dat ik hem zelfs niet aangekeken zou hebben. Maar, jongeheer Davy, het mocht nog niet zoo zijn.... nog niet! Ik kwam te laat; zij waren weg. Waarheen? Niemand kon of wilde het mij zeggen. De een zei: hierheen, de andere: daarheen. En ik trok hierheen en daarheen, maar ik vond Emily niet en.... eindelijk keerde ik naar huis terug.”

„Hoe lang geleden?” vroeg ik.

„Vier dagen geleden kreeg ik de oude boot weer in het oog en zag ik het licht door het venster schijnen. Toen ik naderbij kwam en door het raampje keek, zag ik dat trouwe schepsel, juffrouw Gummidge, bij het vuur zitten, zooals wij hadden afgesproken. Zij was geheel alleen. Ik riep haar toe: Schrik niet! Het is Daniël! en ging naar binnen. Ik had nooit gedacht, dat de oude boot mij zoo vreemd zou toeschijnen!”

Hij haalde zoo voorzichtig mogelijk een paar brieven uit zijn borstzak te voorschijn en legde die op de tafel.

„Deze is het eerst gekomen,” zei hij, er een opnemende, „toen ik ongeveer een week weg was. Een banknoot van vijftig pond in een enveloppe, met mijn adres, des avonds onder de deur geschoven. Zij heeft haar best gedaan om hare hand te verdraaien, maar hoe zou haar dat mogelijk zijn—voor mij!”

Hij vouwde de banknoot zoo zorgvuldig mogelijk op, in dezelfde vouwen, en legde haar ter zijde.

„Deze is aan het adres van juffrouw Gummidge gekomen,” vervolgde hij, „twee of drie maanden geleden.” Hij ontvouwde een tweeden brief, keek er eenige oogenblikken in en gaf hem aan mij, met schorre stem er bijvoegend: „Wees zoo goed dit te lezen, mijnheer.”

Ik las:

„O, wat moet er niet in u omgaan wanneer gij dit leest, wetende dat mijne slechte hand het geschreven heeft! Maar tracht—niet ter wille van mij, maar van mijn besten oom—tracht voor een klein, klein oogenblik uw hart tot zachtheid te stemmen. Ik smeek u, wees barmhartig voor een ongelukkig meisje en schrijf eenige regels over hem, of hij wèl is, wat hij van mij gezegd heeft, eer gij allen te zamen besloot mijn naam niet meer te noemen, en of hij des avonds op het uur, waarop ik gewoonlijk thuis kwam, nog altijd aan mij denkt als aan iemand, die hij altijd zoo liefhad. O, mijn hart breekt, wanneer ik daaraan denk! Ik zou op mijne knieën naar u willen toekruipen, om u te smeeken niet zoo hard over mij te oordeelen als ik verdien.... als ik ten volle verdien, dat weet ik zoo goed; o, wees lief en goed voor mij en schrijf mij iets over hem en zend het mij. Noem mij niet meer ‚Kleintje’; geef mij geen naam meer, dien ik voor eeuwig heb verbeurd; maar, o, luister naar mijn zielsangst, heb medelijden met mij en schrijf mij iets over oom, dien ik nimmer, nimmer meer onder de oogen zal durven komen.

Maar, lieve juffrouw Gummidge, indien gij hard over mij oordeelt—ik weet dat ik het verdien—maar, luister, indien gij hard over mij oordeelt, vraag dan of hij, wien ik het grootste onrecht heb aangedaan, hij, wiens vrouw ik worden zou, mij schrijven wil—eer gij uwe hand geheel van mij, arme, aftrekt. Zou hij zooveel medelijden met mij hebben dat hij u wil toestaan mij te schrijven? O, ik denk het, want hij was altijd zoo braaf en zoo vergevensgezind. Zeg hem dan—maar anders niet—zeg hem dan dat het mij des nachts is, alsof de wind toornig langs de vensters blaast en van oom en hem eene beschuldiging tegen mij medevoert naar den Hemel. Zeg hem, dat indien ik morgen moest sterven—ik zou wenschen te sterven, als ik bereid was—ik met mijn laatsten ademtocht oom en hem zou zegenen.”

Ook in dezen brief was eenig geld. Vijf pond. Maar het was evenmin aangeraakt als de grootere som en in dezelfde vouwen gelaten. Uitgebreide opgaven waren er bijgevoegd voor haar adres, en al moest het antwoord door verschillende handen gaan, zoodat hare verblijfplaats onmogelijk te raden was, kwam het bij nader onderzoek toch niet onwaarschijnlijk voor, dat zij geschreven had van de plaats, waar men haar meende gezien te hebben.

„En wat heeft men haar geantwoord?” vroeg ik.

„Juffrouw Gummidge,” antwoordde baas Peggotty, „is niet zoo heel vlug met de pen, mijnheer; daarom heeft Ham een antwoord opgesteld en zij dit overgeschreven. Zij hebben haar geschreven dat ik op reis was gegaan om haar op te zoeken en wat mijne laatste woorden waren geweest.”

„Hebt gij daar nog een brief?” vroeg ik.

„Dat is geld mijnheer,” antwoordde hij, het bankbiljet een weinig openvouwend. „Tien pond, zooals gij ziet. Aan de achterzijde staat geschreven, ‚van een trouwen vriend’, evenals op het eerste. Maar het eerste was onder de deur geschoven en dit kwam vooreergisteren over de post. Ik ga nu op den poststempel af, om haar te zoeken.”

Hij liet het mij zien. De stempel was van een stad aan den Boven-Rijn. Te Yarmouth had hij eenige vreemde kooplui ontmoet, die in dat land bekend waren, en deze hadden hem eene ruwe schets er van geteekend, die hij heel goed begreep. Hij legde het papier tusschen ons op de tafel en terwijl hij zijne kin op de eene hand liet rusten, gaf hij met de andere den weg aan, dien hij volgen moest.

Ik vroeg hem hoe Ham het maakte, waarop hij hoofdschuddend antwoordde: „Ham werkt zoo hard als hij kan. Hij heeft daar zoo'n goeden naam als iemand op de wereld maar hebben kan. Iedereen wil hem gaarne helpen en, gij begrijpt, hij helpt ook iedereen. Niemand heeft hem ooit een klacht hooren uiten. Toch meent mijne zuster—maar dat blijft tusschen ons—dat hij meer lijdt dan wij wel denken.”

„Arme kerel, ik kan mij dat zoo voorstellen.”

„Jongeheer Davy,” hernam baas Peggotty, op zachten, ernstigen toon, „hij geeft niets meer om zijn leven. Als er iemand gevraagd wordt voor zwaar werk in het ruwste weer, dan biedt hij zich altijd aan. Is er iets te doen, waarbij gevaar is, dan is hij de eerste, die zich aanmeldt. En toch is hij als een kind zoo zachtmoedig. Geen kind in Yarmouth, dat hem niet kent.”

Peinzend pakte hij de brieven bijeen, streek ze met de hand glad, maakte er een klein pakje van en borg dit zorgvuldig in zijn borstzak weg. Het gezicht was van de deur verdwenen. Wel zag ik de sneeuw nog binnenwaaien, maar overigens zag ik niets meer.

„Nu ik u van avond gesproken heb, jongeheer Davy, en dat heeft mij opgeknapt,” zei baas Peggotty, naar zijn reiszak kijkende, „ga ik morgenochtend vroeg op marsch. Gij hebt gezien wat ik hier heb”—hij legde zijne hand op het kleine pakje—„dat is het eenige wat mij zorg geeft; want ik zou niet gaarne willen, dat mij iets overkwam eer ik het had teruggegeven. Als ik omkom en het ging verloren of werd gestolen, en hij zou nooit te weten komen, dat ik het niet heb willen aannemen, dan geloof ik dat ze mij in de andere wereld niet zouden houden. Ik kwam terug!”

Hij stond op en ik deed evenzoo en eer wij de deur uitgingen, schudden wij elkaar nogmaals hartelijk de hand.

„Ik zou tien duizend mijlen willen loopen,” zei hij, „ik zou willen loopen tot ik er dood bij neerviel, om dit geld voor hem uit te spreiden. Als ik dat nog eens doen mag en mijne Emily terugvind, heb ik niets meer te wenschen. Vind ik haar niet, dan zal zij waarschijnlijk nog wel eens te weten komen dat haar oom, die haar zoo zielslief had, niet heeft opgehouden naar haar te zoeken eer hij den laatsten adem uitblies; en zooals ik haar ken, geloof ik, dat zij dan vanzelf naar huis zal komen.”

Toen wij buiten kwamen in de hevige sneeuwjacht, zag ik de eenzame gedaante voor ons uit gaan. Ik liet hem onder eenig voorwendsel zich haastig omkeeren en hield hem aan de praat tot zij verdwenen was.

Hij sprak van een logement op den weg naar Dover, waar hij wist een goed, zindelijk bed te kunnen krijgen. Ik bracht hem tot de Westminster Bridge en nam daar afscheid van hem. In mijne verbeelding scheen alles zoo stil uit eerbied voor hem, toen hij daar in de mulle sneeuw voortstapte.

Ik keerde naar het Gouden Kruis terug en, nog onder den indruk van alles wat ik gehoord had, zocht ik naar het gezicht, dat ik den geheelen avond achter de deur had gezien. Het was verdwenen, evenals onze laatste voetstappen reeds onder de versch gevallen sneeuw verdwenen waren.