Eindelijk kwam er antwoord van de beide oude dames. Zij zonden mijnheer Copperfield hare groeten en deelden hem mede, dat zij „met het oog op het geluk van beide partijen” zijn schrijven in gunstige overweging hadden genomen. Deze uitdrukking was volstrekt niet geschikt om mij gerust te stellen, niet alleen omdat zij daarvan ook gebruik hadden gemaakt bij de vroeger vermelde oneenigheid in de familie, maar ook omdat ik dergelijke algemeene phrases, mijn geheele leven door, beschouwd heb als een soort vuurwerk, dat gemakkelijk ontstoken wordt en daarna alle kleuren en vormen aanneemt, die met de oorspronkelijke niets gemeen hebben. De dames Spenlow vervolgden, dat zij verzochten zich te mogen onthouden van verdere correspondentie over het door mijnheer Copperfield bedoelde onderwerp; maar wilde mijnheer Copperfield haar dan en dan met een bezoek vereeren—indien hem dit aangenamer was in gezelschap van een vertrouwd vriend—dan zouden zij mijnheer Copperfield gaarne ontvangen en het onderwerp mondeling met hem behandelen.
Natuurlijk antwoordde mijnheer Copperfield per omgaande, dat hij de eer zou hebben op den bepaalden dag zijne opwachting te komen maken aan de dames Spenlow; ingevolge het beleefde voorstel vergezeld van zijn vriend, den heer Thomas Traddles van de Inner Temple. Na deze missive verzonden te hebben, geraakte mijnheer Copperfield in eene ongekende, zenuwachtige spanning, die niet week vóór de bepaalde dag was aangebroken.
Mijn onrust werd niet weinig vermeerderd door de omstandigheid, dat ik in dit voor mij zoo gewichtig tijdsgewricht de onschatbare diensten van juffrouw Mills moest derven. Mijnheer Mills deed echter altijd het een of ander om mij tegen te werken—ik verbeeldde mij dit ten minste, hetgeen op hetzelfde neerkwam—en had de kroon op zijne plagerijen gezet door naar Indië te willen gaan. Waarom anders zou hij naar Indië gaan, dan om mij tegen te werken? Wel is waar had hij juist met geen ander gedeelte van de wereld zaken dan met Indië, en blijkbaar uitgebreide zaken zelfs—ik meen in gouden shawls en olifantstanden—en was hij in zijne jeugd op Ceylon geweest, waarheen hij zich thans weder begaf, teneinde zijne zaken beter te kunnen behartigen, maar.... wat ging mij dat aan! Hem echter zooveel te meer, ten minste hij ging naar Indië en nam zijne dochter mede, die eerst de familie rondreisde om afscheid te nemen, terwijl het huis van onder tot boven beplakt werd met biljetten, waarop was aangekondigd dat het huis te huur of te koop was, en de inboedel—de mangel incluis—tegen taxatie kon worden overgenomen.
Ik kon het niet met mij zelven eens worden over de wijze, waarop ik mij voor dit gewichtig bezoek zou kleeden, en werd geslingerd tusschen den wensch, om mij zoo voordeelig mogelijk voor te doen, en de vrees om iets aan te trekken, dat de dames aan mijn ernst en degelijkheid zou doen twijfelen. Gelukkig slaagde ik in het vinden van een middenweg tusschen deze twee uitersten: tante keurde dien goed en toen ik met Traddles de trap afging, wierp mijnheer Dick ons een zijner schoenen achterna, hetgeen volgens een oud bijgeloof geluk moest aanbrengen.
Ik kende Traddles als een uitmuntende jongen en was zeer aan hem gehecht, maar toch kon ik bij deze gelegenheid den wensch niet onderdrukken, dat hij nooit de gewoonte mocht hebben gehad, om zijne haren zoo stijf rechtop te borstelen. Dit gaf iets wonderlijks—om niet te zeggen iets borsteligs—aan zijn uiterlijk, wat ons, naar ik vreesde, noodlottig zou kunnen worden.
Ik nam de vrijheid Traddles daarop opmerkzaam te maken, terwijl wij naar Putney wandelen, en zei dat, als hij zijn haar een weinig zou willen gladstrijken....
„Beste Copperfield,” antwoordde Traddles, terwijl hij den hoed afnam en in alle richtingen met de hand door zijne haren woelde, „niets zou mij meer genoegen doen, maar het wil niet.”
„Wil het niet gladgestreken worden?” vroeg ik.
„Neen; zelfs niet met geweld. Al droeg ik er van hier tot Putney een gewicht van vijftig kilo op, dan zou het toch weer opstaan. Gij kunt u geen voorstelling maken van zulk eene weerspannigheid, Copperfield. Ik gelijk in dat opzicht wel een stekelvarken.”
Ik moet eerlijk bekennen, dat ik een weinig teleurgesteld was, maar toch voelde ik mij nog weder meer aangetrokken door zijne goedhartigheid. Ik zei hem, dat zijne haren vermoedelijk al de weerspannigheid uit zijn karakter hadden opgetrokken, want dat hij de goedhartigste kerel was, dien ik kende.
„O!” antwoordde Traddles lachend, „ik verzeker u, dat die ongelukkige haren mij al wat last bezorgd hebben. De vrouw van mijn oom kon ze niet uitstaan; zij zeide, dat ik mijn haar zoo droeg om haar te ergeren. En ook, toen ik op Sophie verliefd werd, stond mijn haar mij in den weg. O, zoo erg!”
„Vond zij uw haardos zoo leelijk?”
„Zij niet,” antwoordde Traddles, „maar haar oudste zuster, de zoogenaamde Beauty, dreef er letterlijk den spot mede. Al de zusters lachten er om, dat weet ik zeker.”
„Heel aangenaam!” zei ik.
„Ja,” antwoordde Traddles, „het was een kostelijke grap. Zij houden vol, dat Sophie een lok van mij in hare schrijfportefeuille wilde bewaren, maar in plaats daarvan een dik boek moest nemen om de haren naar beneden te drukken. Daarover is wat gelachen!”
„A propos, Traddles, wellicht kan uwe ondervinding mij helpen. Toen gij u eenmaal overtuigd hadt van de liefde van dat jonge meisje, hebt gij toen bij hare familie een bepaald aanzoek gedaan om hare hand? Heeft er bijvoorbeeld iets plaats gehad, zooals wij thans op weg zijn te gaan doen?” voegde ik er een weinig zenuwachtig bij.
„Wel,” antwoordde Traddles, wiens gelaat eene peinzende uitdrukking had aangenomen, „de omstandigheden waren in mijn geval veel moeilijker, Copperfield. Sophie maakt zich in alle opzichten zoo nuttig in het huishouden, begrijpt gij, dat het denkbeeld, Sophie te moeten missen, haar allen een schrik aanjoeg. Zelfs hadden zij reeds onder elkander uitgemaakt dat Sophie ongetrouwd zou blijven en noemden zij haar reeds spottender wijze de oude jongejuffrouw. Toen ik er dus onder de diepste geheimhouding over sprak met mevrouw Crewler.....”
„Hare mama?” vroeg ik.
„Hare mama,” antwoordde Traddles eenigszins deftig. „Dominee Horace Crewler...... toen ik er dan onder de diepste geheimhouding met mevrouw Crewler over sprak, geraakte zij zoo van streek, dat zij een gil gaf en van zichzelve viel. Maanden daarna kon ik eerst op de zaak terugkomen.”
„Maar gij deedt het toch eindelijk?” vroeg ik.
„Neen, dominee Horace deed het zelf,” antwoordde Traddles. „Hij is een braaf man, een voorbeeld voor velen; hij bracht zijne vrouw onder het oog, dat zij zich als eene echte Christin met het denkbeeld van zulk eene opoffering moest verzoenen—te meer omdat er voorloopig nog geen sprake was van trouwen—en mij liefderijk moest ontvangen. Ik zelf, Copperfield, had het gevoel alsof ik als een roofvogel op die familie neerkwam.”
„Ik hoop toch dat de zusters uwe partij trokken, Traddles?”
„Dat kan ik nu juist niet zeggen,” antwoordde hij. „Toen wij mevrouw Crewler eenigermate met het denkbeeld verzoend hadden, moesten wij er Sarah nog mede bekend maken. Gij herinnert u dat Sarah degene is, die een gebrek aan haar ruggegraat heeft?”
„Ja, zeer goed.”
„Zij sloeg de handen ineen,” vervolgde Traddles, met een gelaat alsof hij dat tooneel nog voor zich zag, „sloot de oogen, verwisselde eenige malen van kleur, bleef roerloos liggen en gebruikte gedurende de eerstvolgende dagen niets dan wat geweekte beschuit, die haar met een theelepeltje werd ingegeven.”
„Welk een onaangenaam schepsel, Traddles!”
„O, neen, Copperfield, volstrekt niet! Zij is een allerliefst meisje; alleen wat overgevoelig. Eigenlijk zijn zij dat allemaal. Sophie vertelde mij later dat zij onmogelijk het gevoel van zelfverwijt zou kunnen beschrijven, dat haar bekroop, toen zij Sarah oppaste. Ik weet dat zij daaronder geleden moet hebben, Copperfield, want ik zelf had een gevoel alsof ik een misdadiger was.
„Toen Sarah wat bekomen was van den schrik, moesten wij het nog aan de andere acht meedeelen, en op allen was de uitwerking van ons bericht verschillend, hoewel het allen zichtbaar aandeed. De twee jongsten, die door Sophie zijn opgevoed, zijn nu eindelijk zoo ver, dat zij niet meer wegloopen, wanneer zij mij zien.”
„Dus zijn zij nu allen met het denkbeeld verzoend.”
„Ja, a, ik geloof wel, dat zij er over het algemeen nu allen in berusten,” antwoordde Traddles op een toon, die mij een oogenblik aan zijne oprechtheid deed twijfelen. „De zaak is, dat wij vermijden over trouwen te spreken, en aangezien mijne vooruitzichten nog zoo onzeker zijn, zoeken zij daarin nog eenige troost. Wanneer wij ooit trouwen, zal de plechtigheid meer aan eene begrafenis, dan aan een huwelijksfeest doen denken. Zij zullen mij allen haten, als ik haar meeneem.”
Zijn rechtschapen gezicht, terwijl hij op kluchtige wijze het hoofd schudde, maakte in mijne herinnering meer indruk op mij, dan het in werkelijkheid deed; want ik zat op dat oogenblik zoo te beven en was zoo vervuld met mijn eigen omstandigheden, dat ik niet in staat was aan iets anders mijne aandacht te wijden. Toen wij de woning van de dames Spenlow naderden was ik zoodanig van streek, dat Traddles voorstelde met een glas ale eerst het evenwicht te herstellen. Toen ik dit in eene herberg genomen had, geleidde hij mij met een bonzend hart naar de woning van de dames.
Toen de dienstmeid de deur opende had ik een vaag gevoel van „op bekijks” te komen en van door een vrij lange gang, waarin een ouderwetsch weerglas hing, naar een achterkamertje te worden, gebracht, dat op den tuin uitzag. Terwijl ik daar op een canapee plaats nam, zag ik hoe Traddles' haren opsprongen, terwijl hij zijn hoed afnam, en moest ik onwillekeurig denken aan die verraderlijke snuifdoozen, waaruit een poppetje springt, wanneer men het deksel oplicht. Ook hoorde ik een ouderwetsche pendule, die op den schoorsteenmantel stond, moeite doen om met het kloppen van mijn hart in de maat te blijven, hetgeen haar evenwel niet gelukte. Ook zocht ik in de kamer naar eenig kenteeken, dat Dora daar woonde, en vond niets. Ook meende ik Jip eenmaal te hooren blaffen, hetgeen hem echter terstond door iemand belet werd. Eindelijk werd ik mij bewust, dat ik Traddles achteruit in den haard zou duwen, als ik voortging in de grootste verlegenheid te buigen voor twee kleine, verschrompelde oude dametjes in het zwart, die naar het model van mijnheer Spenlow uit de eene of andere taaie zelfstandigheid gefabriceerd waren.
„Ga zitten, als 't u blieft,” zei een van de twee. Toen ik, na een buiteling over Traddles, plaats genomen had op iets, dat geen kat was—zooals ik eerst gedaan had—keerde mijn gezichtsvermogen in zoover terug, dat ik kon opmerken dat mijnheer Spenlow blijkbaar de jongste van de familie geweest was, de zusters ongeveer zes of acht jaren in leeftijd verschilden en de jongste vermoedelijk het woord zou voeren, want zij had mijn brief in de hand—wat kwam mij dat papier bekend voor en toch was het zoo vreemd het in deze handen te zien!—en tuurde er in door haar leesglas. Zij waren eender gekleed, maar toch zag deze zuster er jeugdiger gekleed uit dan de andere; wellicht droeg zij een strookje of kantje of een speld of bracelet meer dan de andere, waardoor zij iets levendigers had in haar voorkomen. Zij hadden beiden iets stijfs en deftigs en waren bij alles wat zij deden even kalm en bedaard. De zuster, die den brief niet in de hand had, had de armen over de borst gekruist als een afgodsbeeld.
„Mijnheer Copperfield, nietwaar?” vroeg de zuster met den brief, zich tot Traddles wendende.
Dit was een pijnlijk begin. Traddles moest nu verklaren dat ik mijnheer Copperfield was, ik moest verklaren dat ik aanspraak maakte op dien naam en zij moesten zich losmaken van het opgevatte denkbeeld dat Traddles mijnheer Copperfield was, zoodat wij elkander allen een weinig verlegen aankeken. Tot overmaat van ramp hoorden wij Jip twee malen achter elkander blaffen, waarna hem hoorbaar het zwijgen werd opgelegd.
„Mijnheer Copperfield!” begon de zuster met den brief. Ik deed iets.... ik boog waarschijnlijk en luisterde aandachtig naar hetgeen volgen zou, toen plotseling de andere zuster het woord nam. „Mijne zuster Lavinia”, sprak zij, „is meer tehuis in dergelijke zaken, gij zult dus uit haar mond vernemen wat naar ons oordeel het best uw beider geluk kan bevorderen.”
Ik ontdekte later waarom juffrouw Lavinia als zulk een autoriteit in hartszaken beschouwd werd. Lang geleden had er een zekere mijnheer Pidger bestaan, die „short whist” speelde en op haar verliefd zou zijn geweest. Naar mijne innige overtuiging was dit vermoeden geheel ongegrond en had mijnheer Pidger zelfs nooit eenige aanleiding gegeven om hem van eene dergelijke teedere aandoening te verdenken. Zoowel juffrouw Lavinia als juffrouw Clarissa was echter verstokt in de meening dat hij zijn liefde wel verklaard zou hebben, indien hij in zijne jeugd—hij was toen ongeveer zestig jaar—zijn gestel niet ondermijnd had door te veel te drinken en daarvoor beterschap te zoeken in het gebruik van ongehoorde hoeveelheden Bath-water. Hare verstoktheid ging zelfs zoo ver, van te meenen dat hij gestorven was ten gevolge van zijne geheime liefde, hoewel er een portret van hem in het salon hing, met een purperkleurigen neus, die volstrekt niet aan een teringlijder deed denken.
„Wij willen niet terugkomen op hetgeen vroeger is voorgevallen,” zei juffrouw Lavinia. „De dood van onzen ongelukkigen broeder Francis heeft het verleden uitgewischt.”
„Wij gingen niet veel om met onzen broeder Francis,” voegde juffrouw Clarissa er bij, „hoewel er toch eigenlijk geen vredebreuk bestond tusschen ons. Francis ging zijn eigen weg; wij den onzen. Wij meenden, dat hierdoor het geluk van beide partijen zou bevorderd worden en dat bleek waar te zijn.”
„De omstandigheden, of liever, de vermeende omstandigheden van ons nichtje zijn door den dood van onzen broeder Francis veel veranderd,” hernam juffrouw Lavinia, „en wij vinden hierin aanleiding om te onderstellen, dat ook de denkbeelden van onzen broeder Francis ten aanzien van hare toekomst veranderd zijn. Wij hebben geen reden, mijnheer Copperfield, om te twijfelen aan uwe goede hoedanigheden en uw rechtschapen karakter, noch aan de genegenheid, die gij koestert voor ons nichtje. Van de laatste zijn wij zelfs overtuigd.”
Wanneer de zusters het woord voerden, bogen zij zich een weinig voorover en als zij gedaan hadden, schudden zij even het hoofd en gingen weer even kaarsrecht zitten als te voren. Juffrouw Clarissa bewoog nooit hare armen. Nu en dan trommelde zij er op met de vingers—een marsch of een dans, geloof ik—maar zij bewoog haar armen nooit.
Op juffrouw Lavinia's laatste woorden antwoordde ik—zooals ik trouwens telkens deed, wanneer de gelegenheid gunstig was—dat niemand ooit een meisje zóó kan hebben liefgehad, als ik Dora liefhad. Traddles kwam mij met een toestemmend gemompel te hulp.
Juffrouw Lavinia scheen daarop een wederantwoord te willen geven, toen juffrouw Clarissa, die den lust niet kon weerstaan, om haar broeder er bij te halen, inviel:
„Als de mama van Dora, toen zij met onzen broeder Francis trouwde, kort en goed gezegd had, dat er voor de familie geen plaats was aan het diner, zou dat voor het geluk van alle partijen beter geweest zijn.”
„Zuster Clarissa,” zei juffrouw Lavinia, „doet dit nu wel iets ter zake af?”
„Zuster Lavinia,” antwoordde Clarissa, „het behoort er wel degelijk bij. Ik zou er niet aan denken mij te bemoeien met het gedeelte van de zaak, dat gij op u hebt genomen; maar in dit heb ik ook eene stem en eene opinie. Het zou, dat herhaal ik, voor het geluk van alle partijen beter geweest zijn, indien Dora's mama openhartig gezegd had, wat hare bedoeling was. Wij zouden dan geweten hebben, wat wij konden verwachten. Wij zouden dan gezegd hebben: ‚doe ons het genoegen ons in het geheel niet te inviteeren’; daarmede zou zelfs de mogelijkheid van een misverstand vermeden zijn.”
Toen juffrouw Clarissa haar hoofd had geschud, nam juffrouw Lavinia weder het woord, al turende door haar leesglas op mijn brief. Zij hadden beiden kleine, schitterende, ronde oogjes, zooals de vogels. Trouwens, zij deden over het geheel aan een paar vogeltjes denken, zij waren even vlug en kittig en zaten op hare stoelen als een kanarie op zijn stokje.
Zooals ik zei hervatte juffrouw Lavinia:
„Gij verzoekt ons, mijne zuster Clarissa en mij, mijnheer Copperfield, u te ontvangen als de galant van ons nichtje.”
„Als onze broeder Francis,” barstte juffrouw Clarissa weder los—als ik iets, dat zoo kalm toeging, eene uitbarsting noemen mag—„zich wenschte te hullen in het deftig waas van Doctors' Commons en van niets dan Doctors' Commons, welk recht zouden wij dan hebben, of waartoe zouden wij verlangen hem te weerhouden? Wij hadden daartoe geen recht. Wij hebben ons nooit aan iemand willen opdringen. Maar waarom zei hij dat dan niet? Onze broeder Francis en zijne vrouw mochten toch hun eigen kring van kennissen hebben, als mijne zuster Lavinia en ik den onzen maar houden mogen. Wij kunnen ons best redden met ons beiden!”
Aangezien deze toespraak tot Traddles en mij was gericht, gaven wij beiden eene soort antwoord. Dat van Traddles was onhoorbaar. Ik zei—tenminste, ik meen dat ik het gezegd heb, maar zeker weet ik het niet—dat eene dergelijke opvatting zeker voor alle partijen de beste was.
„Zuster Lavinia,” zei juffrouw Clarissa nu dit van haar hart af was, „gij kunt voortgaan, lieve.”
Juffrouw Lavinia vervolgde:
„Mijnheer Copperfield, mijne zuster Clarissa en ik hebben uwen brief inderdaad in zeer ernstige overweging genomen; bovendien hebben wij uw schrijven aan ons nichtje laten lezen en het met ons nichtje besproken. Wij twijfelen er niet aan of gij meent heel veel van haar te houden.”
„Meenen, juffrouw!” riep ik met vuur uit, „o!....”
Juffrouw Clarissa gaf mij echter een wenk—precies als een klein kanarievogeltje—waarmede zij mij te kennen gaf, dat ik het orakel niet in de rede moest vallen, waarom ik verschooning vroeg.
„Liefde,” ging juffrouw Lavinia voort, terwijl zij hare zuster aankeek, evenals of zij van elk gezegde eene bevestiging van haar verwachtte, „ware liefde, oprechte hulde en onverdeelde toewijding uiten zich niet gemakkelijk. Hare stem is nauw hoorbaar; zij zijn bedeesd, liggen in hinderlaag en wachten met het grootste geduld tot de vrucht rijp is. Somtijds glijdt een geheel leven voorbij zonder dat de in de schaduw hangende vrucht tot rijpheid komt.”
Natuurlijk kon ik toen nog niet begrijpen dat deze ontboezeming een toespeling was op de ondervonden teleurstelling met den verliefden heer Pidger, maar aan de plechtige wijze, waarop juffrouw Clarissa met het hoofd knikte, zag ik wel dat aan deze woorden groot gewicht gehecht werd.
„Die oppervlakkige genegenheden van jonge menschen zijn,” ging juffrouw Lavinia voort, „in vergelijking van dergelijke gevoelens, als stof is tot eene rots. De moeilijkheid om te weten of zulk eene genegenheid werkelijk op goede grondslagen rust, of ze tot iets leiden zal, is oorzaak geweest dat mijne zuster Clarissa en ik in het onzekere verkeerd hebben omtrent den weg, dien wij moesten inslaan, mijnheer Copperfield en mijnheer....”
„Traddles,” zei mijn vriend, toen hij aangekeken werd.
„Van de Inner Temple, nietwaar?” vroeg juffrouw Lavinia, nogmaals in mijn brief kijkend.
„Om u te dienen,” antwoordde Traddles met een kleur.
Hoewel ik tot op dit oogenblik nog geen enkele aanmoediging had ontvangen, meende ik aan de twee dametjes, voornamelijk aan juffrouw Lavinia op te merken dat zij het een genot vonden het onderwerp zoolang mogelijk te rekken, hetgeen voor mij een straal van hoop deed gloren. Ook meende ik opgemerkt te hebben dat juffrouw Lavinia zeer werd aangetrokken door het denkbeeld om het toezicht te houden over twee verliefde, jonge menschenkinderen, zooals Dora en ik; en dat juffrouw Clarissa zich veel voorstelde van het genot hare zuster als zoodanig werkzaam te zien, waarbij zij zich blijkbaar voorbehield over het gedeelte, dat haar aanging, nu en dan een woordje mee te praten. Alles te zamen gaf mij den moed om nogmaals op eenigszins onstuimige wijze te betuigen dat ik meer van Dora hield dan ik in woorden kon uitdrukken of iemand gelooven kon; dat al mijne vrienden wisten hoe vurig ik haar lief had; dat mijne tante, Agnes, Traddles, in één woord, allen, die mij kenden, dat wisten, wisten hoe ernstig mijne liefde gemeend was. Ik riep daarvoor Traddles tot getuige, die onmiddellijk het woord nam met een vuur, alsof hij in het hevigste parlementsdebat zitting had, en in gevoelvolle taal mijne afgelegde verklaringen bevestigde, hetgeen blijkbaar een zeer gunstigen indruk maakte.
„Ik spreek, indien ik zoo vermetel mag zijn dit te zeggen, als iemand, die op dit punt eenige ondervinding heeft,” zei Traddles, „want ik ben zelf verloofd met een jonge dame—een van tien, uit Devonshire—en zie op het oogenblik nog niet in hoe mijn engagement ooit tot een huwelijk leiden zal.”
„Gij zult dus ook wel in staat zijn, mijnheer Traddles,” zei juffrouw Lavinia, die blijkbaar belang in hem begon te stellen, „om mijne woorden van zooeven te bevestigen, dat de ware liefde bescheiden is en wachten kan?”
„Volkomen, juffrouw,” antwoordde Traddles. Juffrouw Clarissa keek juffrouw Lavinia aan, en schudde plechtig het hoofd. Juffrouw Lavinia keek op hare beurt juffrouw Clarissa aan, alsof zij wilde zeggen, dat zij haar maar al te goed begreep, en loosde een zucht.
„Zuster Lavinia,” zei juffrouw Clarissa, „neem mijn reukfleschje.”
Juffrouw Lavinia volgde den raad van hare zuster op en rook eenige malen aan het fleschje, hetgeen haar scheen te verkwikken—Traddles en ik volgden elk harer bewegingen niet zonder eenige bezorgdheid—en ging daarna met zwakkere stem dan zooeven voort:
„Mijne zuster en ik, mijnheer Traddles, hebben in grooten twijfel verkeerd omtrent den weg, dien wij behoorden in te slaan ten opzichte van de genegenheid of ingebeelde genegenheid van twee zulke jonge menschen, als mijnheer Copperfield en ons nichtje.”
„Het kind van onze broeder Francis,” deed juffrouw Clarissa opmerken. „Had de vrouw van onzen broeder Francis het gedurende haar leven kunnen goedvinden—zij had echter het volste recht om te doen zooals zij gedaan heeft—het kunnen goedvinden, herhaal ik, de familie aan het diner te noodigen, zouden wij het kind van onzen broeder Francis op het oogenblik beter gekend hebben. Ga voort, zuster Lavinia.”
Juffrouw Lavinia keerde mijn brief om, zoodat zij het adres voor zich had en bekeek door haar leesglas eenige aanteekeningen, die zij daarop gemaakt had.
„Het komt ons voorzichtig voor, mijnheer Traddles,” hernam zij, „door eigen waarneming ons van de wederzijdsche gevoelens te overtuigen. Op het oogenblik weten wij er nog niets van en zijn dus niet in staat om te beoordeelen of de genegenheid van de jongelui van de ware soort is. Wij hebben daarom besloten mijnheer Copperfield toe te staan in dit huis bezoeken af te leggen.”
„Nooit, waarde dames,” riep ik uit, van een zwaren last bevrijd, „nooit zal ik uwe welwillendheid vergeten!”
„Maar,” vervolgde juffrouw Lavinia, „maar wij achten het beter, dat deze bezoeken, mijnheer Traddles, voorloopig beschouwd worden als aan ons gebracht. Wij moeten op onze hoede zijn en geen toestemming geven tot een formeele verloving van mijnheer Copperfield en ons nichtje, eer wij de gelegenheid gehad hebben...”
„Eer gij de gelegenheid gehad hebt, zuster Lavinia,” zei juffrouw Clarissa.
„Het zij zoo,” stemde juffrouw Lavinia met een zucht in, „eer ik de gelegenheid gehad heb hem gade te slaan.”
„Copperfield”, zei Traddles, zich tot mij wendende, „gij voelt zeker dat de dames geen billijker, geen welwillender, voorwaarden kunnen stellen.”
„O, zeker!” riep ik. „Ik ben er zeer, zeer dankbaar voor.”
„Zooals de zaken dan nu staan,” vervolgde juffrouw Lavinia, opnieuw hare aanteekeningen inziende, „zullen wij mijnheer Copperfield dus gaarne ontvangen; echter moet hij ons op zijn woord van eer beloven buiten ons weten op geenerlei wijze te trachten betrekkingen met ons nichtje aan te knoopen. Geen plannen hoegenaamd mogen gemaakt worden zonder dat wij daarin gekend zijn....”
„Gij, zuster Lavinia,” zoo viel juffrouw Clarissa haar in de rede.
„Het zij zoo, Clarissa,” antwoordde juffrouw Lavinia gelaten—„zonder dat ik daarin gekend ben en wij er onze goedkeuring aan hebben gehecht. Wij hebben den wensch uitgesproken dat mijnheer Copperfield heden zou vergezeld zijn van een vertrouwd vriend”—zij knikte Traddles even toe, en deze maakte eene buiging—„opdat er twijfel noch misverstand zou kunnen bestaan. Mocht gij, mijnheer Copperfield, of gij, mijnheer Traddles, eenig bezwaar hebben in het afleggen van deze belofte, dan verzoek ik u tijd te nemen om er over na te denken.”
Opgetogen riep ik uit dat ik mij geen oogenblik daarop behoefde te bedenken. Ik legde onmiddellijk de gevraagde belofte af, riep Traddles tot getuige en verklaarde dat ik wel de grootste booswicht zijn moest, dien men zich denken kon, als ik ook maar een vingerbreed van mijne belofte afweek.
„Een weinig geduld!” zei juffrouw Lavinia, met de hand in de hoogte, „wij hadden reeds, voor wij het genoegen hadden de heeren te ontvangen, afgesproken u gedurende een kwartier alleen te laten, ten einde over dit punt na te denken. Sta ons dus toe dat wij ons verwijderen.”
Het was te vergeefs dat ik al verklaarde geen bedenktijd noodig te hebben; zij bleven er bij. Zoo deftig mogelijk wipten de kleine vogeltjes de kamer uit en stelden mij in de gelegenheid om de gelukwenschen van Traddles aan te hooren, waarbij mij een gevoel bekroop alsof ik in den zevenden hemel was. Na verloop van een kwartier—niet meer of minder—kwamen zij weder even deftig binnen als zij waren heengegaan, ritselend alsof hare japonnen van dorre bladeren gemaakt waren.
Nogmaals verbond ik mij om de gestelde voorwaarden plichtmatig na te leven.
„Zuster Clarissa,” zei juffrouw Lavinia, „het overige is uwe zaak.” Juffrouw Clarissa liet voor het eerst hare armen vallen, nam de aanteekeningen over en keek er in.
„Het zal ons aangenaam zijn,” sprak zij, „mijnheer Copperfield elken Zondag aan het middagmaal te zien, indien hem dit gelegen komt. Wij dineeren om drie uur.”
Ik maakte een buiging.
„In den loop van de week,” vervolgde Clarissa, „zal het ons aangenaam zijn, mijnheer Copperfield op de thee te zien. Wij drinken om half zeven thee.”
Ik maakte nogmaals eene buiging.
„Tweemalen 's weeks,” vervolgde zij, „maar in den regel niet vaker.”
Een derde buiging.
„Vermoedelijk,” ging juffrouw Clarissa voort, „zal juffrouw Trotwood, van wie gij in uw brief melding maakt, ons een bezoek brengen. Indien het voor het geluk van alle partijen beter is, zullen wij met genoegen bezoeken ontvangen en beantwoorden. Is het voor het geluk van alle partijen beter geen bezoeken af te leggen—zooals bij mijn broeder Francis en diens huisgezin het geval was—dan is ons dat ook goed.”
Ik gaf te kennen, dat het voor mijne tante een eer en een genoegen zou zijn kennis met de dames te komen maken, hoewel ik er bij dacht of zij wel goed bij elkander zouden passen. Nu de voorwaarden afgesproken waren, gaf ik op warme wijze mijne dankbaarheid te kennen, waarna ik eerst de hand nam van juffrouw Clarissa en daarna die van juffrouw Lavinia, en ze een voor een aan mijne lippen drukte.
Toen stond juffrouw Lavinia op, verzocht mijnheer Traddles ons een oogenblik te willen verontschuldigen en noodigde mij uit haar te volgen. Ik gehoorzaamde bevend en werd naar eene andere kamer gebracht. En daar vond ik mijn lieveling! Zij had de ooren dichtgestopt en leunde met haar lief gezichtje tegen den muur, terwijl Jip in den bordenwarmer gestopt en met een handdoek vastgebonden was.
O, wat zag zij er in haar zwart japonnetje bekoorlijk uit en wat snikte en schreide zij in het eerst! Zij wilde zelfs niet achter de deur vandaan komen! Maar wat waren wij verliefd op elkander toen zij er eindelijk uitkwam en hoe onbeschrijfelijk gelukkig voelde ik mij, toen wij Jip uit den bordenwarmer verlosten en hem niezend en snuivend aan het licht teruggaven, zoodat wij nu weder met ons drieën bijeen waren!
„Liefste Dora! Zijt gij nu werkelijk de mijne, voor altijd?”
„O, neen!” smeekte Dora. „Dat niet!”
„Zijt gij niet voor altijd de mijne Dora?”
„O, ja, natuurlijk ben ik dat!” riep Dora, „maar ik ben zoo geschrikt!”
„Geschrikt, mijn lieveling?”
„Ja! Ik houd niets van hem!” zei Dora. „Waarom gaat hij niet weg?”
„Wie, beste?”
„Uw vriend! Hij heeft er immers niets mede te maken! Wat ziet hij er vreeselijk dom uit!”
Och, die kinderlijke maniertjes waren zoo bekoorlijk! „Lief engeltje,” zei ik, „hij is zoo'n beste man.”
„Wij hebben volstrekt geen beste mannen noodig,” sprak zij pruilend.
„Lieveling,” hernam ik, „gij zult hem spoedig beter leeren kennen en dan zeker heel veel van hem houden. En mijne tante komt ook eerstdaags hier; van haar zult gij zeker ook veel houden als gij haar eenmaal kent.”
„Och neen, breng haar maar niet hier!” sprak zij, mij bedeesd een kus gevend en met gevouwen handjes: „Doe dat toch niet. Ik weet dat zij een ondeugend, oud schepsel is, dat niets dan onheil kan aanbrengen. Laat haar toch wegblijven, Doady!”—Doady was een verbastering van David.
Ik begreep dat tegenspreken op het oogenblik niet baatte, daarom lachte ik maar en was een en al bewondering en tot over de ooren verliefd en onbeschrijfelijk gelukkig; en Jip had nieuwe kunstjes geleerd, kon opzitten in een hoek van de kamer en dood liggen—wel is waar niet langer dan eenige seconden, maar hij deed het toch—en ik weet niet hoe lang ik daar Traddles zou hebben kunnen vergeten, als juffrouw Lavinia niet binnengekomen was om mij te halen. Juffrouw Lavinia hield zeer veel van Dora—zij vertelde mij dat Dora haar evenbeeld was op dien leeftijd; o, wat moest zij dan ontzaglijk veranderd zijn!—en behandelde Dora alsof zij met een pop speelde. Ik trachtte Dora over te halen kennis met Traddles te komen maken, maar nauwelijks had ik zijn naam genoemd of zij snelde naar haar eigen kamertje en sloot de deur af; ik kwam dus zonder haar bij Traddles terug en wandelde met hem terug met een gevoel alsof ik op een wolk werd weggedragen.
„Beter kon het niet afloopen,” zei Traddles; „dat zijn een paar lieve oude dames en het zou mij niets verbazen, Copperfield, als gij nog jaren vóór mij getrouwd waart.”
„Bespeelt uwe Sophie ook een of ander instrument?” vroeg ik, trotsch als ik was op de talenten van Dora.
„Zij kent genoeg van de piano om hare kleine zusjes les te geven,” zei Traddles.
„Zingt zij ook?” vroeg ik weder.
„O, ja, somtijds zingt zij wel eens een lied, of een romance, om de anderen wat op te vroolijken, wanneer zij uit haar humeur zijn. Maar of zij volgens de regelen van de kunst zingt, dat betwijfel ik.”
„Speelt zij ook op de guitaar?” vroeg ik.
„O, Hemel, neen!”
„Teekent zij ook?”
„O, neen, volstrekt niet!”
Ik beloofde Traddles, dat hij Dora bij de guitaar zou hooren zingen en hare bloemteekeningen bewonderen. Hij zei, dat het hem heel aangenaam zou zijn en zoo wandelden wij arm in arm, vroolijk en opgewekt naar huis. Ik moedigde hem aan om veel over Sophie te praten en daarbij toonde hij zooveel innig vertrouwen op hare en zijne liefde te hebben, dat ik hem in stilte bewonderde. In 't geheim vergeleek ik haar met Dora, welke vergelijking ten voordeele van laatstgenoemde uitviel, maar toch moest ik bekennen, dat zij uitmuntend geschikt was voor Traddles.
Het spreekt van zelf, dat ik geen oogenblik draalde om tante met den gunstigen afloop van ons bezoek bekend te maken en haar alles te vertellen, wat van beide zijden was gezegd en gedaan. Zij verheugde zich in mijn geluk en beloofde mij Dora's tantes zoo spoedig mogelijk een bezoek te zullen brengen. Dien avond strekte zij echter hare wandeling zoo ver en zoo lang uit, terwijl ik aan Agnes zat te schrijven, dat ik vreesde haar den ganschen nacht te zullen hooren doorwandelen.
Mijn brief aan Agnes vloeide over van dankbaarheid, want aan haar goeden raad had ik het succes te danken. Per omgaande post ontving ik antwoord, een ernstig, blijmoedig antwoord. Trouwens, van dien tijd af was zij altijd in eene blijmoedige stemming, zoo dikwijls ik haar ontmoette.
Ik had het nu drukker dan ooit. Mijne dagelijksche bezoeken op Highgate in aanmerking genomen, was Putney eene heele wandeling en het spreekt van zelf dat ik telkens verlangde er heen te gaan. De voorgestelde regeling van mijne bezoeken op het theeuur bleek echter onpractisch, zoodat ik met juffrouw Lavinia's toestemming voortaan des Zaterdags in den namiddag kwam, zonder daardoor mijne heerlijke Zondagen te verbeuren. Het einde van elke week was dus een zalige tijd voor mij en de overige dagen genoot ik van het vooruitzicht.
Het was eene groote geruststelling voor mij, toen ik opmerkte dat Dora's tantes en mijne tante veel beter met elkander over weg konden dan ik gemeend had. Tante maakte eenige dagen na mijn eerste bezoek aan Putney hare opwachting en eenige dagen later brachten Dora's tantes in vol ornaat een tegenbezoek. Dergelijke, in vriendschappelijken toon allengs toenemende bezoeken werden voortaan om de drie of vier weken gewisseld. Ik weet, dat tante de dames Spenlow in hooge mate ergerde door zich zoo weinig aan de vormen te storen; zoo hadden deze gaarne gezien, dat tante zich per rijtuig liet brengen, maar zij gaf er de voorkeur aan om op de zonderlingste tijdstippen naar Putney te wandelen, bijvoorbeeld even na het ontbijt of even vóór de thee. Zoo had zij de gewoonte haar hoed te dragen, zooals dit haar het gemakkelijkst was, zonder zich ook maar een oogenblik te voegen naar de vooroordeelen van beschaving en mode. Maar de dames Spenlow zagen weldra in dat al had tante iets zonderlings, ja zelfs iets mannelijks in hare manieren, zij toch een zeer helder verstand toonde te bezitten en al gaf zij Dora's tantes meermalen aanstoot door hare kettersche denkbeelden over beleefdheidsvormen en plichtplegingen, zij hielden reeds te veel van mij om dergelijke kleine ergenissen niet te willen offeren op het altaar der eensgezindheid.
Het eenige lid in ons kleine kringetje, dat zich niet naar de omstandigheden scheen te willen voegen, was Jip. Al rook hij tante maar dan liet hij onmiddellijk al zijne tanden zien, trok zich onder een stoel terug en bleef onophoudelijk brommen; nu en dan zelfs liet hij een jammerlijk gehuil hooren, alsof hij tante werkelijk onuitstaanbaar vond. Geen poging werd nagelaten om het beestje tot andere gedachten te brengen, maar noch liefkozingen, noch bedreigingen of straffen, niets hielp; zelfs een bezoek aan Buckingham-street had geen andere uitwerking dan dat hij tot schrik van alle toeschouwers onmiddellijk een gevecht aanging met de beide katten; tante was en bleef hem een doorn in het oog. Somtijds meenden wij, dat de vrede gesloten was; maar na eenige minuten vriendelijk te zijn geweest, stak hij zijn mopneus in de hoogte en begon erbarmelijker te huilen dan ooit, zoodat er niets overbleef dan hem met een servet om den kop in den bordenwarmer te stoppen.
Nadat dit kalme leventje eenigen tijd zoo geduurd had, was er één ding, dat mij verontrustte, namelijk dat Dora, als met algemeen goedvinden, beschouwd werd als een aardig popje of een stuk speelgoed. Mijne tante, met wie zij op een zeer goeden voet was, noemde haar altijd „Bloesempje” en juffrouw Lavinia kende geen grooter vermaak dan voor haar te zorgen, haar krullen te maken, sieraden voor haar te vervaardigen en haar, in één woord, te behandelen, alsof zij nog een kind was. Het spreekt van zelf, dat juffrouw Clarissa hare zuster ook in dit opzicht navolgde. Het was dwaas van mij, maar het kwam mij voor of Dora op dezelfde wijze behandeld werd, als zij Jip behandelde.
Ik had daarom het voornemen opgevat Dora hierover te spreken en op zekeren dag, dat wij samen eene wandeling maakten—juffrouw Lavinia had ons toegestaan alleen te wandelen—gaf ik haar te kennen, dat de wijze, waarop de tantes met haar omgingen, toch wel anders zijn kon. „Gij zijt immers geen kind meer, lieveling,” zei ik eenigszins op vermanende toon.
„Hoe is het,” antwoordde Dora, „gaat gij nu weer op mij brommen?”
„Brommen, liefste?”
„Maar, ik verzeker u, dat zij heel lief voor mij zijn,” verklaarde Dora. „Ik voel mij heel gelukkig.”
„Zeker, daarvan ben ik overtuigd, beste,” hernam ik, „maar gij zoudt toch heel gelukkig kunnen zijn al behandelen zij u een weinig meer overeenkomstig uw leeftijd.”
Dora keek mij verwijtend aan—wat zag zij er op dat oogenblik bekoorlijk uit!—en begon toen te snikken en te zeggen dat als ik niet van haar hield, waarom ik dan zoo gaarne met haar verloofd had willen zijn? En waarom ik niet heenging, als ik haar niet langer kon uitstaan!
Wat kon ik anders doen dan hare tranen wegkussen en haar bezweren dat ik haar boven alles liefhad?
„Ik ben overtuigd dat ik u heel lief heb,” zei Dora; „gij moogt dus niet zoo wreed zijn, Doady!”
„Wreed, mijn schat! Alsof ik ooit wreed zou willen of kunnen zijn tegen u!”
„Vind dan ook maar niet altijd iets in mij af te keuren,” zei Dora, terwijl zij haar mondje spitste tot een kus; „dan zal ik ook niet boos zijn.”
Een oogenblik later bracht zij mij in verrukking door uit haar zelve te vragen naar dat zekere kookboek, waarover ik eens gesproken had; tevens verzocht zij mij haar nu eens te leeren hoe zij de rekeningen moest aanhouden, zooals ik haar beloofd had. Bij mijn volgend bezoek bracht ik het kookboek mede—sierlijk gebonden opdat het minder droog zou lijken en er wat meer uitlokkend zou uitzien—en onder de wandeling liet ik haar een oud huishoudboek van tante zien en gaf haar een zakboekje, een potlood en een doosje stiftjes ten einde zich op het huishouden toe te leggen.
Het kookboek bezorgde haar echter hoofdpijn en de cijfers wekten hare tranen op. „Ze laten zich niet optellen,” snikte zij en veegde ze uit om het geheele boekje vol bloemen en portretten van mij en Jip te teekenen.
Toen trachtte ik haar op onze Zaterdagavond-wandelingen mondeling en spelenderwijs het een en ander van het huishouden te leeren.
Zoo vroeg ik bijvoorbeeld, terwijl wij langs een slagerswinkel kwamen: „Stel u nu eens voor, lieveling, dat wij getrouwd zijn en gij een schapebout moest koopen, zoudt gij dan wel weten hoe gij dat doen moet?”
Het lieve, bekoorlijke gezichtje van mijne kleine Dora betrok dan; haar mondje spitste zich weder tot een kus alsof zij er den mijne mede wilde sluiten.
„Zoudt gij dan wel weten hoe gij dat doen moest, lieveling?” herhaalde ik dan, als ik bijzonder onvermurwbaar was.
Dora dacht dan een oogenblik na en antwoordde met een zegevierenden blik:
„Wel, ik denk dat de slager wel zou weten hoe hij een schapebout moet verkoopen; wat heb ik dan nog te weten? Wat zijt gij toch een domme jongen!”
Zoo ook vroeg ik haar met een blik op het kookboek, wat zij doen zou als wij getrouwd waren en ik het vleesch eens zoo lekker gestoofd zou willen hebben, als in Ierland de gewoonte is; waarop zij antwoordde dat zij dan de meid zou opdragen het zoo klaar te maken; en dan sloeg zij hare kleine handjes om mijn arm en lachte zoo bekoorlijk dat ik mij gaarne gewonnen gaf. Het kookboek werd dan ook hoofdzakelijk gebruikt om er Jip op te laten opzitten in een hoek van de kamer en Dora had zooveel pret, wanneer hij dan heel gehoorzaam bleef zitten met het doosje met potlooden in den bek, dat ik heel blijde was het gekocht te hebben. En dan kwam de guitaar weer voor den dag en werden weder de liedjes gezongen, waarin het heette dat men eeuwig dansen moest.... Ta, ra, la, Ta, ra, la,.... en wij waren zoo gelukkig als de week, die ons zou scheiden, lang was. Nu en dan kwam de wensch in mij op, dat ik juffrouw Lavinia eens zou kunnen influisteren mijn lieveling niet als een speelpopje te behandelen; maar somtijds ook kwam ik plotseling tot het besef dat ik in de algemeene fout was vervallen en haar ook als een speelpopje behandeld had—niet dikwijls echter.