XLIX. Geheimenissen.

O

Op zekeren morgen ontving ik over de post den volgenden brief uit Canterbury aan mijn adres in Doctors' Commons en ik las dien met verbazing. Hij luidde:

„Waarde Heer!

Omstandigheden buiten mijn wil hebben gedurende langen tijd aanleiding gegeven tot een intermezzo in onzen vriendschappelijken omgang, waarvan de herinnering, telkens wanneer mijne beroepsbezigheden mij den tijd gunden, om het verleden in mijn geheugen terug te roepen, de aangenaamste gewaarwordingen bij mij opwekte en steeds bij mij opwekken zal. Deze omstandigheid, geachte heer, gevoegd bij de onderscheiding, welke aan uwe niet genoeg te prijzen talenten is ten deel gevallen, belet mij zoo vermetel te zijn.... kortom, de vrijheid te nemen den metgezel uit vroeger dagen met den gemeenzamen naam van Copperfield toe te spreken! Het is voldoende te weten dat de naam van den persoon, tot wien ik de eer heb mij thans te richten, in de oorkonden van ons huis is bewaard—ik bedoel hiermede in de archieven van onze vroegere huurders, welke mevrouw Micawber onder hare hoede heeft genomen—dat wij ons dien naam niet alleen met gevoelens van ware achting maar ook met warme genegenheid herinneren.

Het past niet aan iemand, die ten gevolge van vroegere misslagen en van een toevalligen samenloop van omstandigheden het best te vergelijken is met eene gestrande bark—ik weet niet of het hem zelfs wel past zulk een zeeterm op zich zelven toe te passen—aan iemand, die thans de pen opneemt om aan u te schrijven.... ik weet niet of het zoo iemand wel past, herhaal ik, een gemeenzamen toon aan te nemen. Indien echter uwe meer belangrijke bezigheden u toestaan deze onvolmaakte letteren te ontcijferen—hetgeen de omstandigheden zullen moeten beslissen—zult gij natuurlijk vragen wat de aanleiding zijn kan tot dit schrijven. Vergun mij u te zeggen, dat ik het redelijke van deze vraag volkomen begrijp en voortga met eene uitvoerige beantwoording, echter voorop stellende, dat er geen onderwerp van finantiëelen aard aan ten grondslag ligt.

Zonder mij zelven een zeker verborgen talent toe te schrijven—hoewel het mogelijk is, dat ik het bezit—om den bliksemschicht te zwaaien of een verterend vuur op iemands hoofd te doen neerdalen, mag ik mij wel veroorloven in het voorbijgaan te doen opmerken, dat mijne schoonste droomen voor altijd vervlogen zijn.... dat mijne vrede is verstoord en mijne vatbaarheid voor genot is uitgebluscht.... dat mijn hart niet langer op de rechte plaats is.... dat ik niet meer met opgerichten hoofde voor mijne medemenschen kan verschijnen. De bloem is geknakt. De beker is tot den rand gevuld met bitterheid, de worm knaagt en zal spoedig zijn slachtoffer verteerd hebben. Hoe eer, hoe beter. Maar ik wil niet uitweiden.

Onder den druk van smartelijke ervaringen, waarop zelfs de verzachtende invloed van mevrouw Micawber geen uitwerking heeft, niettegenstaande zij die uitoefent in haar drieledig karakter van vrouw, echtgenoote en moeder, is het plan in mij opgekomen gedurende een kort tijdsbestek aan mij zelven te ontvluchten en gedurende achtenveertig uren een bezoek te brengen aan Engelands hoofdstad, ten einde mij te verpoozen bij eenige genietingen uit vroeger dagen. Onder meerdere vredige havens zullen mijne schreden zich natuurlijk ook wenden naar King's Bench. Vermeldende dat ik—Deo Voluntas—mij overmorgenavond te 7 uren precies bevinden zal aan de buitenzijde van den zuidelijken muur van voormeld gebouw, is het eigenlijk doel van dit schrijven bereikt.

Ik wil niet zoo vermetel zijn mijn voormaligen vriend, den heer Copperfield, of mijn voormaligen vriend, den heer Thomas Traddles van de Inner Temple—indien deze nog in leven is—te verzoeken mij aldaar te komen begroeten en—voor zoover dat mogelijk is—de betrekkingen uit vroeger dagen weder aan te knoopen. Ik bepaal mij tot de kennisgeving, dat op het aangegeven uur op genoemde plaats zullen te vinden zijn de overblijfselen van

Een gevallen toren.
Wilkins Micawber.

P.S. Het is wellicht raadzaam hieraan toe te voegen, dat mevrouw Micawber omtrent bovengenoemd voornemen niet in vertrouwen is genomen.

Ik las den brief eenige malen over. Hoewel ik mijnheer Micawber's gezwollen stijl zoowel als zijne gewoonte om over de eenvoudigste onderwerpen in zijne brieven breedvoerig uit te weiden, kende, vermoedde ik toch op den bodem van dit omslachtig epistel meer dan eene gewone „ongelegenheid.” Ik peinsde er over na, las den brief nog eens en nog eens over, en maakte allerlei onderstellingen, toen plotseling Traddles voor mij stond.

„Beste kerel,” zei ik, „gij komt juist van pas, om mij met uw helder oordeel bij te staan. Ik heb een hoogst zonderlingen brief ontvangen van mijnheer Micawber, Traddles.”

„Wat zegt gij!” riep Traddles. „Dat meent gij immers niet! Ik heb er een van mevrouw Micawber ontvangen!”

Dit zeggende haalde Traddles, die een kleur had van de wandeling en wiens haren van verbazing overeind stonden, alsof hij zooeven een levend spook had gezien, den bewusten brief te voorschijn en ruilde dien met den mijnen. Ik bespiedde zijn gelaat tot hij in het midden van mijnheer Micawber's brief was gekomen, en beantwoordde toen zijn verbaasden blik, waarmee hij uitriep: ‚den bliksemschicht te zwaaien of een verterend vuur op iemands hoofd te doen neerdalen’. Goede Hemel, Copperfield! Wat moet dat beduiden!” Daarna ging ik over tot de lezing van mevrouw Micawber's schrijven. Dit luidde aldus:

„Mijne hartelijke groeten aan mijnheer Thomas Traddles, en indien hij zich nog iemand wil herinneren, die zich in vroeger dagen tot zijne goede kennissen mocht rekenen, verzoek ik gedurende eenige oogenblikken zijne aandacht.

Ik verzeker mijnheer Th. T. dat ik van zijne goedheid geen misbruik zou durven maken, indien ik niet der wanhoop bijna ten prooi ware.

Hoe hartverscheurend het ook voor mij is, ik ben verplicht mede te deelen dat de aanleiding tot dit schrijven gelegen is in de vervreemding, welke mijnheer Micawber in den laatsten tijd aan den dag legt ten opzichte van zijne vrouw en kinderen. Mijnheer Traddles kan zich geen voorstelling maken van de verandering, welke in den vroeger zoo huislijken mijnheer Micawber heeft plaats gegrepen, noch van zijne opvliegendheid en zijne woestheid. Zoozeer zijn die toegenomen dat ik niet kan nalaten aan verstandsverbijstering te gelooven. Ik kan mijnheer Traddles verzekeren dat er geen dag voorbijgaat zonder eene of meer uitbarstingen. Mijnheer T. zal niet verlangen dat ik mijne gewaarwordingen schets wanneer ik hem meedeel, dat ik er aan gewoon ben geworden mijnheer Micawber te hooren verzekeren dat hij zich aan den D.... verkocht heeft. Geheimzinnigheid en achterhoudendheid zijn de meest in het oog loopende trekken van zijn karakter, van hem, die vroeger zoo mededeelzaam was en een onbeperkt vertrouwen stelde in mij, zijne echtgenoote. De geringste aanleiding, zelfs de vraag wat hij verlangt te eten, noopt hem over echtscheiding te spreken. Gisterenavond nog deed de onschuldige vraag om twee stuivers voor citroenballetjes—eene snoeperij, die hier te bekomen is—hem een oestermes opnemen tegen de tweelingen!

Ik verzoek mijnheer Traddles mij te verontschuldigen omdat ik in zulke bijzonderheden afdaal. Zonder deze zou mijnheer Traddles zich moeielijk eene voorstelling kunnen maken van den hartverscheurenden toestand, waarin ik mij bevind.

Mag ik het nu wagen mijnheer T. de aanleiding tot dit schrijven toe te vertrouwen? Wil hij mij nu vergunnen zijne vriendelijke belangstelling in te roepen? O, ja, daarvoor ken ik hem te goed!

Eene liefhebbende vrouw ziet scherp, mijnheer T. Mijnheer Micawber gaat naar Londen. Hoewel hij met opzet zijne hand verborgen hield, toen hij heden morgen voor het ontbijt het adres schreef voor het bruine valiesje, dat mij aan gelukkiger dagen herinnerde, ontwaarde de arendsblik der beangstigde vrouw en moeder duidelijk het schrijven van de letters D, O, N. De diligence van hier op Londen houdt stil aan de herberg Het Gouden Kruis in West-End. Mag ik mijnheer Traddles smeeken mijn verdoolden echtgenoot daar op te zoeken en te trachten hem tot rede te brengen? Mag ik mijnheer T. verzoeken te trachten mijnheer Micawber met zijn diepbedroefde familie te hereenigen? O, het is te veel! Ik vraag u te veel, dat weet ik!

Mocht mijnheer Copperfield zich iemand herinneren, wier naam nog niet met roem is beladen, wil mijnheer T. dan op zich nemen hem mijne onveranderlijke achting te betuigen en hem hetzelfde verzoek overbrengen? In elk geval zal mijnheer T. zoo welwillend zijn deze mededeelingen stipt geheim te houden en er onder geen voorwendsel iets van aan mijnheer Micawber te laten blijken. Mocht mijnheer T. dit schrijven willen beantwoorden,—hetgeen ik echter niet anders dan hoogst onwaarschijnlijk kan achten—dan is het adres: aan M. E. poste restante Canterbury. Aldus zou zijne goedheid minder pijnlijke gevolgen na zich slepen dan een brief aan het adres van

Mijnheer Traddles' diepbedroefde vriendin
Emma Micawber.”

„Wat is uw oordeel over dezen brief?” vroeg Traddles, nadat ik dien twee malen gelezen had.

„Wat is uw oordeel over den anderen?” vroeg ik. Hij zat nog met gefronste wenkbrauwen te lezen.

„Ik ben van meening, Copperfield,” antwoordde Traddles, „dat deze twee brieven meer te kennen geven dan mijnheer en mevrouw Micawber gewoon zijn in hunne brieven te kennen te geven—maar ik weet niet wat. Ze zijn beiden te goeder trouw geschreven, daaraan twijfel ik geen oogenblik. Het is geen doorgestoken kaart. Arme vrouw!” Hij had nu het oog op mevrouw Micawber's brief en wij stonden naast elkander en vergeleken ze met elkaar. „In elk geval eischt de menschlievendheid dat wij haar antwoorden, om haar te vertellen dat wij zonder twijfel mijnheer Micawber zullen opzoeken.”

Ik stemde hierin te gereedelijker toe omdat ik eenige wroeging begon te gevoelen. Ik had haar vorigen brief wel wat al te luchtig behandeld. Zooals ik ook heb meegedeeld, had ik lang over dien brief nagedacht, maar mijn eigen zorgen, mijn drukke bezigheden, de ondervinding, die ik omtrent de familie had opgedaan, hadden mij, toen ik verder niets meer hoorde, de geheele zaak doen vergeten. Ik had dikwijls aan de familie Micawber gedacht, voornamelijk om mij te verbazen over de „finantiëele verplichtingen,” die zij nu weder te Canterbury konden hebben aangegaan, en om mij te herinneren hoe omzichtig mijnheer Micawber in zijne woorden geworden was nadat hij klerk was van Uriah Heep.

Ditmaal echter schreef ik uit ons beider naam een geruststellenden brief aan mevrouw Micawber en wij teekenden dien beiden. Terwijl wij stadwaarts gingen om dien brief op de post te bezorgen, hadden Traddles en ik veel met elkander te bespreken en verdiepten wij ons in bespiegelingen, die ik hier niet behoef te herhalen. 's Namiddags hielden wij raad, met tante als derde persoon, maar het eenige besluit, waartoe wij konden komen, was dat wij mijnheer Micawber's uitnoodiging zouden aannemen en niet zouden verzuimen op het bepaalde uur op de aangegeven plaats tegenwoordig te zijn.

Een kwartier voor het door mijnheer Micawber genoemde tijdstip waren wij reeds daar en daar stond hij al, met de armen over elkander, naar de scheurbroeken op den muur te kijken, alsof hij naar de takken der boomen keek, waaronder hij in zijne jeugd had gespeeld.

Toen wij hem aanspraken, was hij een weinig verlegen en niet zoo overdreven in zijne beleefdheidsbetuigingen als vroeger. Hij had het deftige zwarte pak voor deze gelegenheid afgelegd en droeg de oude jas en spanbroek, maar niet met den ouden zwier. Terwijl wij met hem praatten, werd hij echter meer en meer de oude; maar toch scheen zelfs zijn lorgnet niet zoo ongedwongen te hangen als vroeger en zijn overhemd, hoewel nog van eene verbazingwekkende afmeting, was min of meer slap.

„Mijne heeren!” zei hij na de eerste begroeting, „gij zijt vrienden in den nood en dus ware vrienden. Vergunt mij allereerst naar de gezondheid te informeeren van mevrouw Copperfield en van de aanstaande mevrouw Traddles—ik meen ten minste, dat mijnheer Traddles nog niet voor het leven met het voorwerp van zijne genegenheid verbonden is.”

Wij betuigden onze erkentelijkheid en daarop keek hij weder naar den muur en begon: „Ik verzeker u, mijne heeren,” waarop ik eenige bezwaren inbracht tegen den ceremonieelen toon, dien hij aannam, en hem verzocht onze vroegere gemeenzame wijze van omgang te hervatten.

„Beste Copperfield,” antwoordde hij, mijne hand drukkende, „uwe hartelijkheid treft mij diep. Zulk een ontvangst van de brokstukken eens tempels, die eenmaal Man heette—indien het mij vergund is mij zoo uit te drukken—verraadt een edel hart. Ik was voornemens uwe aandacht nog eens te vestigen op dat eerwaardig gebouw, waar ik eenige van de gelukkigste uren mijns levens gesleten heb.”

„Door mevrouw Micawber's bijzijn, zonder twijfel? Hoe maakt mevrouw Micawber het?” vroeg ik.

„Dank u,” antwoordde hij met een eenigszins betrokken gezicht, „zij maakt het maar zoo zoo. En dit,” vervolgde hij verdrietig het hoofd schuddende, „dit is King's Bench! King's Bench, waar mij voor het eerst na vele jaren de stemmen van de schuldeischers, die mijn gang vulden, met rust lieten; waar ik niet dagelijks herinnerd werd aan den overstelpenden vloed van finantiëele verbintenissen, te kwader ure aangegaan, waar de klopper op de deur niet sleet van de handen der schuldeischers; waar men geen oproepingen ontving om zelf te verschijnen en waar de dagvaardingen aan het hek werden opgehangen! O, zalige tijd! Mijne heeren!” vervolgde hij, „ik heb mijn kinderen kruip door, sluip door zien spelen in de schaduw van het ijzeren gevaarte, dat gij daar boven op die steenmassa ziet. Ik kende elken steen van het reusachtig gebouw. Vergeef het mij daarom als ik mij eens door mijne herinneringen laat meeslepen.”

„Wij zijn sinds dien tijd allen vooruitgegaan in het leven, mijnheer Micawber,” zei ik.

„Mijnheer Copperfield,” antwoordde hij op bitteren toon, „toen ik een bewoner was van dit gebouw kon ik mijn evenmensch in het aangezicht zien en hem neersmakken als hij mij beleedigde. Mijn evenmensch en ik leven thans niet meer op dien benijdenswaardigen voet!”

In neerslachtige stemming keerde mijnheer Micawber het gebouw den rug toe, nam van ons beiden een arm aan en wandelde tusschen ons heen.

„Daar zijn op den weg naar het graf somtijds merkpalen, die men, als die wensch niet zondig ware, liever niet zou voorbij komen,” zei mijnheer Micawber achteromkijkende. „Zulk een merkpaal is voor mij deze gevangenis.”

„Gij zijt in een droefgeestige stemming, mijnheer Micawber,” zei Traddles.

„Dat ben ik, mijnheer.”

„Ik hoop toch,” hernam Traddles, „dat gij geen tegenzin gekregen hebt in de rechterlijke loopbaan. Ik ben zelf ook in de rechten, begrijpt gij.”

Mijnheer Micawber antwoordde niets.

„Hoe maakt het onze vriend Heep, mijnheer Micawber?” vroeg ik na eenigen tijd gezwegen te hebben.

„Beste Copperfield,” antwoordde mijnheer Micawber—hij was bleek geworden en blijkbaar hevig ontroerd—„indien gij over mijn patroon spreekt als uw vriend, zou mij dat spijten; spreekt gij over hem als mijn vriend, dan kan ik uwe vraag slechts met een sardonisch lachje beantwoorden. In welken zin gij ook naar mijn patroon vraagt, vergun mij mijn antwoord tot het navolgende te beperken: wat hij overigens ook moge zijn, hij is een listige vos, een duivel. Gij zult mij wel veroorloven als particulier persoon niet verder uit te weiden over een onderwerp, dat mij in mijne betrekking bijna tot wanhoop heeft gebracht.”

Ik betuigde hem mijn leedwezen omdat ik zonder het te vermoeden een onderwerp had aangeroerd, dat hem zoo van streek bracht. „Mag ik u vragen,” zei ik, hopende niet nogmaals denzelfden misslag te begaan, „hoe mijne oude vrienden, mijnheer en juffrouw Wickfield het maken?”

„Juffrouw Wickfield,” antwoordde mijnheer Micawber, nu met eene hevige kleur, „is als altijd een waardig voorbeeld voor iedereen. Zij is het zonnetje in het sombere huis, mijnheer Copperfield. Mijne achting voor dat jonge meisje, mijne bewondering van haar karakter, mijne bewondering van haar liefde en trouw en goedheid.... och, laat ons nog een straatje omloopen, want waarlijk ik ben in een toestand....”

Wij gingen een nauw straatje met hem in, waar hij zijn zakdoek te voorschijn haalde en met den rug tegen een muur ging staan. Als ik hem even ernstig heb aangekeken als Traddles, dan moet hij ons gezelschap niet opwekkend hebben gevonden.

„Het is nu eenmaal mijn lot,” hernam mijnheer Micawber, zonder eenige veinzerij luid snikkende, hoewel zijn oude zucht om alles eenigszins gemaakt te doen ook hierbij uitkwam, „het is nu eenmaal mijn lot, mijne heeren, dat ik mijne aandoening niet meester kan blijven. Mijn lof op juffrouw Wickfield is als een bundel pijlen in mijn eigen hart. Gij hadt beter gedaan mij als een vagebond over het aardrijk te laten zwerven. De wormen zouden spoedig hunne taak aan mij volbracht hebben.”

Zonder verder naar zijne ontboezemingen te luisteren, bleven wij bij hem staan tot hij zijn zakdoek had weggeborgen, zijn overhemd recht getrokken en, ten einde mogelijke toeschouwers te misleiden, een deuntje had gefloten met den hoed op één oor. Niet wetende wat van hem worden zou, indien wij hem thans uit het oog verloren, deelde ik hem mede, dat het mij een groot genoegen zou zijn hem aan mijne tante voor te stellen, indien hij wilde meerijden naar Highgate, waar hij tevens logies zou kunnen vinden.

„Gij moogt ons eigenhandig een glas punch bereiden, mijnheer Micawber,” zei ik; „vergeet dus alles wat u in een minder aangename stemming zou kunnen brengen.”

„Tenzij het u eenige verlichting zou kunnen schenken om het een en ander aan uwe vrienden mede te deelen,” voegde Traddles er voorzichtigheidshalve bij.

„Mijne heeren,” zei mijnheer Micawber, „doe met mij zooals gij goedvindt. Ik ben als een strootje op den Oceaan, ten prooi aan de elementen!”

Nogmaals gingen wij arm in arm op weg, vonden de diligence gereed staan en kwamen zonder eenige meldenswaardige ontmoeting te Highgate aan. Ik kon het niet met mij zelven eens worden over hetgeen wij nu zouden bepraten of doen en Traddles wist dit blijkbaar ook niet. Mijnheer Micawber had bijna voortdurend zitten peinzen. Nu en dan trok hij zijn overhemd of zijn boorden eens recht of floot hij het begin van een of ander wijsje, maar toch scheen zijne neerslachtigheid in dezelfde mate toe te nemen als zijn hoed meer naar ééne zijde overhelde en zijn boorden hooger werden getrokken.

Aangezien Dora niet wel was ging ik liever met hem naar tante's huis dan naar het mijne. Zoodra ik tante geroepen had, kwam zij beneden en heette mijnheer Micawber hartelijk welkom. Mijnheer Micawber kuste haar hoffelijk de hand, ging naar het venster, haalde opnieuw zijn zakdoek te voorschijn en scheen weder een hevigen strijd met zichzelven te voeren.

Mijnheer Dick was thuis. Hij had altijd zooveel medelijden met iemand, die zich niet op zijn gemak voelde, en begreep dat altijd zoo vlug, dat hij ook nu weder mijnheer Micawber minstens tien malen de hand schudde in vijf minuten. Mijnheer Micawber was zoo getroffen door deze warme belangstelling van een vreemde, dat hij bij elken nieuwen aanval van mijnheer Dick niets anders kon uitroepen dan: „'t Is te veel, mijnheer! 't Is te veel, mijnheer!” Mijnheer Dick werd daardoor echter nog meer aangemoedigd en ging met verdubbelden ijver met zijne vriendschapsbetuigingen voort.

„De vriendelijkheid van dezen heer,” zei mijnheer Micawber tegen tante, „zou mij van de beenen gooien, om een woord te gebruiken uit de spraakkunst van onze wel wat ruwe nationale lichaamsoefeningen, hetgeen gij mij wel niet euvel zult duiden. Voor een man, die gebukt gaat onder een zwaren last van onrust en ongelegenheden is zulk eene ontvangst zeer treffend, dat verzeker ik u.”

„Mijn vriend, mijnheer Dick,” antwoordde tante, „is geen gewoon mensch.”

„Daarvan ben ik overtuigd,” zei mijnheer Micawber. „Mijn waarde heer!”—mijnheer Dick had nogmaals zijne hand gevat—„ik ben zeer gevoelig voor uwe hartelijke ontvangst.”

„Hoe gaat het u?” vroeg mijnheer Dick met een angstig gezicht.

„Zoo tamelijk, waarde heer,” antwoordde mijnheer Micawber met een zucht.

„Gij moet maar moed houden,” zei mijnheer Dick, „en het u zoo gemakkelijk mogelijk maken.”

Mijnheer Micawber was door deze hartelijke toespraak diep getroffen, vooral toen hij de hand van mijnheer Dick weder in de zijne voelde. „Ik heb het geluk gehad in het afwisselende panorama van mijn leven nu en dan eene oase te vinden, maar nooit eene zoo groen, zoo welig als deze!”

Op een ander tijdstip zou mij dit tooneeltje vermaakt hebben, maar nu voelde ik dat wij allen in eene zekere angstige spanning verkeerden; bovendien moest ik mijnheer Micawber nauwlettend gadeslaan, want hij wankelde tusschen zijne gewone mededeelzaamheid en eene hem geheel vreemde neiging om niets aan het licht te brengen. Ik verlangde echter te weten wat hem zoo van streek had gebracht, zoodat ik in den letterlijken zin brandde van koortsachtig ongeduld. Traddles zat op de punt van zijn stoel met wijd geopende oogen en kaarsrecht opstaande haren nu eens naar den grond, dan weder naar mijnheer Micawber te staren, zonder zelfs eene poging te doen om een woord te spreken. En tante,—ik zag dat zij haar uiterste best deed om haar gast te doorgronden—toonde meer tegenwoordigheid van geest te bezitten dan een van ons allen, want zij hield hem bezig en noodzaakte hem te spreken of hij wilde of niet.

„Gij zijt al een heel oud vriend van mijn neef, nietwaar mijnheer Micawber?” vroeg zij. „Het spijt mij dat ik u vroeger nooit ontmoet heb.”

„Mevrouw”, antwoordde mijnheer Micawber, „ook ik zou gaarne de eer van uwe kennismaking eerder genoten hebben. Ik was niet altijd het wrak, dat gij thans voor uw ziet.”

„Ik hoop dat mevrouw Micawber en uwe familie wel zijn, mijnheer,” zei tante.

Mijnheer Micawber knikte toestemmend. „Zij zijn zoo wel, mevrouw,” zei hij na eene kleine pauze op een toon, die bijna wanhopend klonk, „zoo wel als ballingen en uitgeworpenen maar kunnen zijn of hopen kunnen te worden.”

„Groote Goedheid!” riep tante op hare gewone heftige wijze uit, „waar over spreekt gij toch, mijnheer?”

„Het voortbestaan van mijn familie mevrouw,” antwoordde mijnheer Micawber, „hangt aan een zijden draad. Mijn patroon...”

Mijnheer Micawber brak plotseling af en begon de citroenen te schillen, die voor hem waren neergezet met al de verdere ingrediënten benoodigd voor een punch.

„Uw patroon, nietwaar,” zei mijnheer Dick, terwijl hij hem aan den arm stiet om hem tot voortgaan uit te noodigen.

„Waarde heer,” antwoordde mijnheer Micawber, „ik ben u zeer verplicht, omdat gij mij eens wakker schudt.” Nogmaals schudden zij nu elkander de hand. „Mijn patroon, mevrouw—mijnheer Heep—heeft mij op zekeren dag de lieve opmerking toegevoegd, dat, indien ik het salaris niet meer ontving, aan mijne betrekking bij hem verbonden, ik als potsenmaker het land zou moeten doortrekken, als degenslikker of vuurvreter. Ook mag het waarschijnlijk genoemd worden dat mijn kinderen den kost zouden moeten helpen verdienen met het verwringen van hunne ledematen, terwijl mevrouw Micawber zou medewerken op een draaiorgel.”

Door een veelzeggenden zwaai met zijn mes gaf mijnheer Micawber te kennen dat eene dergelijke verandering in het leven van hem en zijne familie niet dan na zijn dood zou bewaarheid kunnen worden; daarna ging hij met een wanhopend gelaat voort de citroenen te schillen.

Tante leunde met haar elleboog op het kleine ronde tafeltje, dat naast haar stond, en keek mijnheer Micawber aandachtig aan. Niettegenstaande het mij tegen de borst stuitte om hem door overreding of list tot onthullingen te noodzaken, die hij misschien liever niet doen wilde, zou ik daartoe toch zijn overgegaan, indien ik hem niet zulke vreemde dingen had zien doen. Zoo merkte ik op dat hij de citroenen in den waterketel wierp, de suiker in het snuiterbakje, de rhum in eene ledige kan en dat hij in goeden geloove probeerde kokend water te schenken uit een kandelaar. Ik zag dat er een crisis op handen was en deze bleef dan ook niet uit. Hij wierp alles kletterend door en over elkander, haalde zijn zakdoek opnieuw te voorschijn en barstte in tranen uit.

„Beste Copperfield,” zei hij achter zijn zakdoek, „deze bezigheid vereischt evenals alle andere een onbenevelden blik en een zeker gevoel van eigenwaarde. Ik kan er van avond niet mede terecht. Het is mij onmogelijk.”

„Spreek toch onbewimpeld uit wat u hindert, mijnheer Micawber,” antwoordde ik. „Wij zijn onder vrienden.”

„Onder vrienden, mijnheer!” herhaalde hij en nu barstte alles, wat hij wellicht maandenlang had opgekropt, los. „Goede Hemel, juist omdat ik mij weder eens onder vrienden bevind, kan ik mij niet goed houden. Wat is er aan de hand, mijne heeren? Wat is er niet aan de hand? Laagheid, bedrog en schurkerij, schelmsche komplotten, dat alles te zamen is er aan de hand en de bedrijver van al die snoodheid heet.... Heep!”

Tante sloeg de handen ineen en wij sprongen allen stom van verbazing op.

„De strijd is voorbij!” zei mijnheer Micawber, terwijl hij de heftigste gebaren maakte met zijn zakdoek en nu en dan met beide armen zwaaide, alsof hij zich door bovenmenschelijke moeilijkheden heenworstelde. „Ik kan zulk een leven niet langer volhouden. Ik ben een rampzalig wezen, beroofd van alles wat het leven dragelijk kan maken. Ik heb geleefd in dienst van een schelm, van een helschen pijniger. Geef mij mijne vrouw terug, geef mij mijne kinderen terug, stel den ouden Micawber in de plaats van den ellendeling, welke thans rondwandelt in de schoenen, welke ik aan mijne voeten heb, en roep mij morgen op om degens te verzwelgen en ik zal het doen. Ik zal het doen.... met ijver en lust!”

Nooit heb ik in mijn geheele leven iemand zoo opgewonden gezien. Ik deed mijn best hem tot kalmte te brengen ten einde verstandig met hem te spreken, maar zijne opgewondenheid nam met ieder oogenblik toe; hij wilde naar geen woorden luisteren.

„Ik geef geen eerlijk man weer een hand,” hernam hij, blazend en hijgend en snikkend, zoo hevig dat het scheen, alsof hij in het water lag te spartelen en op het punt was van te zinken, „eer ik die.... verfoeilijke.... slang.... dien Heep.... tot gruizels geslagen heb. Ik wil van niemand's gastvrijheid.... gebruik maken eer ik een Vesuvius.... heb doen uitbarsten.... over dien ellendigen booswicht... dien Heep! Elke verversching.... onder dit dak.... punch in de allereerste plaats.... zou mij in de keel blijven steken.... als ik niet eerst.... hé!... dien leugenaar.... dien afschuwelijken bedrieger.... dien Heep.... de oogen uit den kop heb doen puilen! Ik.... wil niemand kennen.... met niemand spreken.... nergens wonen.... eer ik dien godvergeten huichelaar.... dien meineedige.... dien Heep.... van de aarde heb doen.... verdwijnen!”

Ik was werkelijk bevreesd dat mijnheer Micawber op de plaats zou doodblijven. De wijze, waarop hij zich door al die afgebroken zinnen heen worstelde, de inspanning, die hem het uitspreken van den naam Heep kostte, zoodat het scheen, alsof hij er telkens met geweld op aanvloog—het was een ijzingwekkend tooneel; maar toen hij nu dampend en stoomend op een stoel nederviel met allerlei kleurschakeeringen op zijn gelaat, die daar niet op thuis behoorden, en hij het zoo benauwd kreeg, dat de zweetdroppelen op zijn voorhoofd parelden, toen meende ik zeker dat het einde nabij was. Ik wilde hem te hulp snellen, maar hij wenkte mij af en wilde niet naar mij luisteren.

„Neen, Copperfield! Raak mij niet aan.... voor juffrouw Wickfield.... vergoeding heeft voor het onrecht.... haar aangedaan.... door dien vervloekten schelm.... dien Heep!” Ik ben overtuigd, dat hij geen drie woorden zou hebben kunnen uitbrengen, indien de inspanning, die hem het laatste woord kostte, hem niet gedwongen had te spreken. „Onschendbaar geheim.... hé.... voor de geheele wereld.... hé.... zonder uitzondering... vandaag over een week.... bij het ontbijt.... allen tegenwoordig.... uwe tante ook.... hé.... en die buitengewoon vriendelijke heer ook.... hé.... in het hôtel te Canterbury.... waar mevrouw Micawber en ik Auld Lang Syne.... hebben gezongen.... en.... daar.... ontmaskeren dien veinzaard.... dien.... Heep!.... Niets meer te zeggen.... naar niets luisteren.... ga onmiddellijk heen.... niet in staat.... in gezelschap te zijn.... in het oog houden.... dien verdoemden ellendeling.... dien.... Heep!”

Na voor het laatst dit woord uitgesproken te hebben, dit tooverwoord, dat hem de kracht had gegeven om dit alles te zeggen, snelde mijnheer Micawber het huis uit. Wij bleven in zulk een opgewonden, wonderlijke stemming achter dat wij er weinig beter aan toe waren dan hij. Toch was ook nu nog zijn hartstocht voor het schrijven van brieven te groot om den lust daartoe te kunnen weerstaan; terwijl wij namelijk nog steeds in dezelfde stemming verkeerden, werd mij uit eene naburige herberg het navolgende briefje gebracht:

„Zeer vertrouwelijk.

Waarde Heer!

Ik verzoek u beleefd aan uwe hoogvereerde tante mijne verontschuldigingen aan te bieden voor mijne opgewondenheid. Eene uitbarsting van eene smeulende vulkaan was het gevolg van een innerlijken strijd, die gemakkelijker te begrijpen dan te beschrijven is.

Ik vertrouw duidelijk geweest te zijn in mijne oproeping van u allen te zamen, heden over acht dagen, in den vroegen morgen in het logement te Canterbury, waar mevrouw Micawber en ik eenmaal de eer hadden onze stemmen te mengen met de uwe in het onvergetelijk lied van den onsterfelijken kommies van de overzijde van de Tweed.

Na het vervullen van mijne plicht en na de schade, die ik heb helpen toebrengen, vergoed te hebben, zoodat ik mijne evenmenschen weder onder de oogen durf komen, zult gij nimmermeer van mij hooren. Dan zal mijn eenige wensch zijn te worden neergelegd, waar allen met onze voorvaderen vereenigd worden, met het eenvoudige opschrift:

Wilkins Micawber.”