Het is nu geen geschikt tijdstip om uit te weiden over mijn gemoedstoestand onder den druk van mijn leed. Ik begon te meenen, dat de toekomst mij niets meer kon aanbieden, dat alle lust, belangstelling en ijver voor mijn werk waren uitgebluscht, dat alleen een vroegtijdige dood uitkomst zou kunnen geven. Ik zeg, deze gedachten hielden mij bezig, evenwel niet onder den eersten schok van mijn bitter verdriet. Langzamerhand welden ze op. Hadden de gebeurtenissen, die ik thans ga verhalen, mij niet afgeleid, in den aanvang mijne smart eenigszins naar den achtergrond gedrongen en later vermeerderd, dan ware het mogelijk, hoewel niet waarschijnlijk geweest, dat ik terstond in dien toestand was geraakt. Thans moest er eenige tijd voorbijgaan eer ik tot het besef kon komen van de grootte van mijn leed; een tijd, waarin ik meende dat het zwaarste leed reeds geleden was, waarin mijn hart troost kon vinden in de herinnering van al wat daar rein en schoon was in mijne geschiedenis van de laatste jaren, die thans voor eeuwig was afgesloten.
Wanneer mij voor de eerste maal de raad werd gegeven buitenslands te gaan, of hoe wij het onder elkander eens werden dat ik door reizen en verstrooiing herstel zou zoeken voor mijne verstoorde gemoedsrust, kan ik zelfs nu niet met zekerheid meedeelen. De geest van Agnes beheerschte in deze dagen dermate alles wat wij dachten, zeiden of deden, dat ik zeker niet ver mistast, indien ik dit plan aan haar invloed toeschrijf. Haar invloed liet zich echter altijd zoo onmerkbaar gevoelen, dat ik het niet meer weet. Ik begon nu werkelijk te denken dat het visioen, waarin zij mij eens had doen denken aan het geschilderde venster in de kerk, eene profetie was geweest van hetgeen zij in den tijd, als mij de grootste ramp zou treffen, voor mij worden zou. In die droeve dagen, van het oogenblik af, dat zij met opgeheven hand voor mij stond, was zij de troosteres, de weldoenster in mijne eenzame woning. Toen de Engel des Doods Dora's kamer binnenzweefde—zoo vertelde men mij later—was mijn kind-vrouwtje met een glimlach om de lippen aan Agnes' borst in slaap gevallen. Toen ik uit mijne bezwijming ontwaakte, brachten hare tranen mij het eerst tot de bewustheid van hetgeen was gebeurd, verzachtte hare weldadige nabijheid, haar lief gelaat, dat zich, als uit reiner en hooger gewesten neergedaald, over mij heenboog het eerst mijne bittere smart.
Laat mij voortgaan.
Ik zou reizen. Dat schijnt het eerst onder ons besloten te zijn geweest. Nu het stoffelijk overschot van mijn kind-vrouwtje aan den schoot der aarde was toevertrouwd, wachtte ik slechts op de „totale vernietiging van Uriah Heep”, zooals mijnheer Micawber mij schreef, en op het vertrek van de landverhuizers.
Op verzoek van Traddles, den hartelijksten en meest belangeloozen vriend in mijn leed, brachten wij nogmaals een bezoek aan Canterbury; ik bedoel Agnes tante en ik. Volgens afspraak stapten wij aan de woning van mijnheer Micawber af. Daar en bij mijnheer Wickfield was Traddles sinds onze onstuimige bijeenkomst onafgebroken werkzaam geweest. Toen mevrouw Micawber mij in zwaren rouw zag binnentreden, was zij hevig aangedaan. Mevrouw Micawber had een goed hart en had dit ook in al die jaren van tegenspoed behouden.
„Wel, mijnheer en mevrouw Micawber,” was tante's eerste vraag nadat wij allen een stoel hadden gekregen, „hebt gij eens nagedacht over mijn voorstel om de zee over te steken?”
„Beste mevrouw,” antwoordde mijnheer Micawber, „wellicht kan ik het besluit, waartoe mevrouw Micawber en uw gehoorzame dienaar, ook mag ik onze kinderen niet vergeten, gekomen zijn, zoowel ieder voor zich als gezamenlijk niet beter in woorden brengen dan door een regel aan te halen van een onzer beroemdste dichters! „Our boat is on the shore, and our bark is on the sea.””
„Dat doet mij genoegen,” zei tante. „Ik durf u alles goeds voorspellen van uw verstandig besluit.”
„Mevrouw,” hernam mijnheer Micawber, „gij bewijst ons eene groote eer.” Daarna raadpleegde hij eenige aanteekeningen, die hij gemaakt had. „Wat betreft de finantiëele hulp, zonder welke wij niet in staat zouden zijn onze broze kano op den oceaan der onderneming te laten uitloopen, meen ik u niet beter te kunnen voorstellen dan wisseltjes van mij aan te nemen—het is onnoodig hierbij te voegen: geschreven op zegel, zooals bij de verschillende Parlementsbesluiten is bepaald—op achttien, vierentwintig en dertig maanden. In den aanvang meen ik u voorgesteld te hebben twaalf, achttien en vierentwintig, maar bij nader inzien komt het mij voor dat eene dergelijke regeling mij onvoldoende ruimte van tijd toelaat om te wachten tot zich iets opdoet! Wij zouden,” vervolgde hij, rondkijkende alsof zijn oog gleed over honderden bunders uitstekend bouwland, „wij zouden ongelukkig kunnen zijn met onzen eersten oogst, of onzen oogst nog niet hebben binnengehaald op het oogenblik dat de eerste termijn verviel. Naar ik meen, is het moeilijk arbeid te vinden in dat gedeelte van onze overzeesche bezittingen, waar het ons lot zal zijn met den grond den strijd om het bestaan aan te binden.”
„Regel dat geheel zooals gij verkiest, mijnheer,” zei tante.
„Mevrouw,” hernam hij, „mevrouw Micawber en ik zijn zeer gevoelig voor de welwillende en vriendelijke medewerking van onze vrienden en beschermers. Ik wensch niets liever dan stipt mijn woord te houden. Nu wij op het punt zijn eene bladzijde in ons levensboek om te slaan en als het ware terugtreden om een sprong te nemen van ongewone grootte, is het voor mijn gevoel van eigenwaarde van het grootste belang en wellicht ook een navolgenswaardig voorbeeld voor mijn zoon, indien deze beschikkingen met de meeste nauwkeurigheid worden getroffen, als tusschen man en man.”
Ik weet niet of mijnheer Micawber met deze laatste uitdrukking eene bepaalde bedoeling had, noch of iemand dat heeft of had; maar het scheen dat hij daarmede erg ingenomen was, want bij herhaalde haar met een veelbeteekenend kuchje: „als tusschen man en man.”
„Ik heb,” ging hij voort, „van wissels gesproken—wissels, die den handel vergemakkelijken en aan de Joden hun ontstaan te danken hebben, die er, zooals ik heb ondervonden, een duivelsch gebruik van kunnen maken—omdat, ze gedisconteerd kunnen worden. Indien echter eene schuldbekentenis of eenig ander bewijsstuk doelmatiger geacht wordt, ben ik onmiddellijk bereid om zulk een document op te maken. Als tusschen man en man.”
Tante meende, dat waar beide partijen genegen zijn met alles genoegen te nemen, het niet moeilijk wezen zou deze zaak tot eene oplossing te brengen en mijnheer Micawber kon zich ook met deze uitspraak zeer wel vereenigen.
„Verder verzoek ik u verslag te mogen doen van de huishoudelijke toebereidselen, mevrouw,” hernam hij met niet weinig trots, „die noodig waren alvorens wij onze nieuwe bestemming tegemoet treden. Mijne oudste dochter gaat elken morgen om vijf uur uit om de kunst—indien ik het eene kunst noemen mag—aan te leeren van het melken. Mijne jongere kinderen hebben de opdracht zich, voor zooveel de omstandigheden daartoe de gelegenheid bieden, op de hoogte te stellen van de gewoonten van varkens en pluimgedierte, die in de armere gedeelten van de stad in menigte gehouden worden, eene taak, waarbij zij eenige malen in gevaar verkeerd hebben van overreden te worden. Ik zelf heb mij in de laatste weken toegelegd op de bakkunst en mijn zoon Wilkins gaat elken dag uit, gewapend met een wandelstok, ten einde zich te oefenen in het drijven van vee, indien namelijk de ruwe huurlingen, die met deze taak zijn belast, genoegen willen nemen met zijne vrijwillig aangeboden diensten; het grieft mij voor de eer van het menschdom te moeten zeggen dat hem dit nog niet dikwijls is mogen gelukken, dat hem, integendeel, onder het uiten van de gemeenste verwenschingen, herhaaldelijk de toestemming is geweigerd.”
„Dat is alles uitstekend!” zei tante op aanmoedigenden toon. „Ik twijfel niet of mevrouw Micawber zal ook haar tijd hebben weten te benutten.”
„Lieve mevrouw,” antwoordde mevrouw Micawber met den grootsten ernst, „ik wil gaarne bekennen dat ik mij niet onledig heb gehouden met zaken, die den landbouw of de veeteelt onmiddellijk betreffen, hoewel ik zeer goed besef dat beide aan dat overzeesche strand ten volle mijne aandacht zullen verdienen. Ik heb den tijd, dien ik niet aan mijne huishoudelijke plichten behoefde te wijden, gebruikt voor eene eenigszins uitvoerige briefwisseling met mijne familie. Het komt mij namelijk voor, mijn waarde heer Copperfield,” vervolgde zij, als gewoonlijk het woord tot mij richtende met wie of wien zij ook in gesprek was, „dat nu de tijd is aangebroken, waarin het verleden met den mantel der vergetelheid kan worden bedekt, mijne familie mijnheer Micawber en mijnheer Micawber mijne familie de hand kan reiken; dat de leeuw zich rustig kan nederleggen bij het lam en mijne familie op een goeden voet kan komen met mijnheer Micawber.”
Ik zei dat ik het daarmede geheel eens was.
„Dit is ten minste het licht, waarin ik deze zaak beschouw, mijnheer Copperfield,” ging mevrouw Micawber voort. „Toen ik nog bij papa en mama thuis was, en wij in onzen intiemen kring de eene of andere zaak behandelden, was papa gewoon te vragen: „In welk licht beschouwt mijne Emma deze zaak?” Ik weet dat papa bevooroordeeld was ten opzichte van zijne Emma; maar omtrent zulk eene gewichtige zaak als de koelheid, die daar altijd geheerscht heeft tusschen mijnheer Micawber en mijne familie, heb ik toch eene meening gevormd, al is die wellicht onjuist.”
„Natuurlijk hebt gij die, mevrouw,” zei tante.
„Juist,” hernam mevrouw Micawber. „Nu is het mogelijk dat ik tot verkeerde gevolgtrekkingen kom, het is zelfs heel waarschijnlijk; maar mijne persoonlijke meening is dat de klove tusschen mijnheer Micawber en mijne familie zoo groot is gebleven, omdat mijne familie voortdurend vreesde in mijnheer Micawber's geldelijke ongelegenheden te worden betrokken. Ik kan het niet helpen,” vervolgde zij met een, zoo mogelijk, nog ernstiger gezicht, „maar ik moet telkens denken, dat enkele leden mijner familie vreesden door mijnheer Micawber om hun naam gevraagd te worden. Ik bedoel daarmede niet om als peet op te treden bij den doop van onze kinderen, maar om op wissels geplaatst en op de Beurs verhandeld te worden.”
De scherpzinnigheid, die mevrouw Micawber bij deze ontdekking aan den dag meende te leggen, alsof niemand over dit punt ooit te voren had gedacht, scheen tante te verbazen, zoodat zij uitriep: „Wel, mevrouw, eerlijk gesproken, zou het mij niets verwonderen, indien gij gelijk hadt.”
„Aangezien mijnheer Micawber nu aan den vooravond staat van den dag, waarop hij de finantiëele kluisters, die hem knelden, zal afwerpen,” ging mevrouw Micawber voort, „en een nieuwe loopbaan zal beginnen in een land, waar voor zijne bekwaamheden de zoo noodige ruimte bestaat—naar mijne meening is dit van het grootste gewicht, want voor mijnheer Micawber's bekwaamheden is allereerst ruimte noodig—komt het mij voor, dat mijne familie den eersten stap tot toenadering moest doen. Ik zou niets liever zien dan eene ontmoeting tusschen mijnheer Micawber en mijne familie op eene feestelijk bijeenkomst, waarvan de kosten door mijne familie moesten gedragen worden; werd dan door een mijner familieleden op den voorspoed en de gezondheid van mijnheer Micawber gedronken, dan kon deze daarin eene aanleiding vinden om zijne inzichten bloot te leggen.”
„Lieve,” zei mijnheer Micawber, die een weinig warm was geworden, „het is wellicht beter terstond heel duidelijk te doen uitkomen, dat, indien ik voor dien troep mijne inzichten zou blootleggen, ze mogelijk niet bijzonder in den smaak zouden vallen; want het is mijne innige overtuiging dat uwe familie, in massa genomen, onbeschaamde opsnijders en ieder lid afzonderlijk onverantwoordelijke schobbejakken zijn.”
„Micawber!” riep zijne vrouw hoofdschuddend uit, „dat meent gij niet! Gij hebt elkander nooit begrepen!”
Mijnheer Micawber hoestte eens.
„Zij hebben u nooit begrepen, Micawber! Wellicht zijn zij daartoe ook niet in staat. Indien dit zoo is, dan zijn zij te beklagen.”
„Het spijt mij meer dan ik u zeggen kan, lieve Emma,” hernam mijnheer Micawber, „mij tot uitdrukkingen te hebben laten verleiden, die zelfs ook maar schijnbaar u zouden kunnen grieven. Al hetgeen ik wilde zeggen is, dat ik zeer goed op reis kan gaan zonder door uwe familie begunstigd te worden.... kortom, met een duw tot afscheid, dat ik.... kortom, liever Engeland verlaat zonder door hen gehaast te worden. Mochten zij zich verwaardigen op uwe mededeelingen te antwoorden, hetgeen ik na de door ons opgedane ondervinding heel onwaarschijnlijk acht, dan zal ik echter de laatste zijn om uwe wenschen te verijdelen.”
Nadat de zaak deze vriendschappelijke wending genomen had, bood mijnheer Micawber zijne vrouw een arm en zei met een blik op al de boeken en papieren, die voor Traddles op de tafel lagen, dat zij ons nu alleen zouden laten, waarop zij met eene zekere plechtigheid heengingen.
„Beste Copperfield,” zei Traddles, achterover in zijn stoel leunende en met een medelijdenden blik op mij, „ik maak geen verontschuldigingen nu ik u met zaken lastig val, want ik weet hoeveel belang gij er in stelt en wellicht kunnen ze een andere wending geven aan uwe gedachten. Ik hoop toch, dat gij wat zijt uitgerust?”
„O, zeker, ik voel mij heel wel,” antwoordde ik, „wij hebben meer reden om ons ongerust te maken over tante. Gij weet hoe zij zich afgetobt heeft in den laatsten tijd!”
„Zeker, zeker,” antwoordde Traddles. „Wie zou dat kunnen vergeten?”
„Maar dat is niet alles,” hernam ik. „Gedurende de laatste veertien dagen wordt zij door een nieuw verdriet gekweld; zij gaat elken dag heen en weer naar Londen. Menigmaal gaat zij des morgens zeer vroeg uit en komt dan niet thuis voor tegen middernacht. Zelfs gisteren avond, Traddles, met zulk een vermoeienden dag voor oogen. Gij weet hoeveel zij voor anderen over heeft en nu wil zij mij zelfs niet vertellen wat haar opnieuw zoo drukt.”
Tante was bleek en zat met diepe rimpels op haar gelaat, zwijgend in haar stoel, tot ik uitgesproken had; toen vonden eenige weerspannige tranen hun weg langs hare wangen en legde zij hare hand op de mijne.
„Het is niets, Trot; het is niets. Het zal spoedig gedaan zijn en dan zult gij alles weten. Nu, lieve Agnes, laat ons nu overgaan tot de zaken.”
„Ik moet mijnheer Micawber tot zijne eer nageven,” begon Traddles, „dat al schijnt hij met weinig succes voor zich zelven te werken, hij, onvermoeid is wanneer hij voor anderen werkt. Nooit heb ik zijn weerga gezien. Indien hij altijd op dezelfde wijze doet, moet hij op het oogenblik twee honderd jaar oud zijn. De spanning, waarin hij al dezen tijd heeft doorgebracht; de bijna krankzinnige ijver, waarmede hij dag aan dag heeft zitten zoeken en woelen tusschen boeken en papieren, om niets te zeggen van het ontzaglijk aantal brieven, dat hij geschreven heeft van deze woning naar die van mijnheer Wickfield, ja zelfs aan mij, terwijl hij tegenover mij aan tafel zat en veel gemakkelijker had kunnen uitspreken hetgeen hij te zeggen had... het is ongekend.”
„Brieven!” riep tante. „Ik geloof dat hij in brieven droomt!”
„En mijnheer Dick”, vervolgde Traddles, „heeft ook wonderen verricht! Zoodra hij ontslagen was van de bewaking van Uriah Heep, die hij met de grootste nauwgezetheid heeft verricht, begon hij zich aan mijnheer Wickfield te wijden. Zijn ijver om zich nuttig te maken bij de nasporingen, die wij in het werk hebben gesteld; de diensten, die hij bewees door copies en uittreksels te maken, brieven te halen en te brengen en zoo meer, wakkerden ook ons aan.”
„Dick is een merkwaardig man,” riep tante uit, „dat heb ik altijd gezegd. Is het niet zoo, Trot?”
„Het verheugt mij te kunnen zeggen, juffrouw Wickfield,” vervolgde Traddles, op kiesche wijze en plotseling ernstig wordende, „dat mijnheer Wickfield in uwe afwezigheid aanmerkelijk in beterschap is toegenomen. Ontslagen van de nachtmerrie, die hem zoo langen tijd heeft gekweld, en van den angst, waarin hij leefde, is hij bijna een ander mensch geworden. Nu en dan slaagt hij er zelfs in zijn geheugen en zijne aandacht op bepaalde punten te vestigen en is hij in staat geweest ons vele zaken duidelijk te maken, die zonder zijne hulp tot hopelooze moeielijkheden zouden aanleiding hebben gegeven. Maar ik moet nu onze resultaten meedeelen. Welnu, ik kan kort zijn, want ik wil niet uitweiden over al de gunstige omstandigheden, die ik heb waargenomen—dan zou ik nooit gereed komen.” Zijn eenvoud en zijn aangename toon waren voor ons het duidelijkste bewijs dat hij ons moed wilde inspreken en Agnes in staat stellen met meer vertrouwen over haar vader te kunnen oordeelen; het was ons daarom niet minder aangenaam.
„Laat ons nu eens zien,” ging hij voort, terwijl hij eenige papieren inkeek, die op de tafel lagen. „Nu wij onze balans opgemaakt en rekening gehouden hebben met opzettelijke en toevallige verwarring, met vervalschingen en bedriegerij en, is het ons duidelijk geworden dat indien mijnheer Wickfield zijne zaak op dit oogenblik liquideert en verantwoording doet van zijn beheer, niemand eenige schade zou lijden.”
„Den Hemel zij dank!” riep Agnes met hartstochtelijke blijdschap uit.
„Maar,” vervolgde Traddles, „hetgeen dan overblijft—en ik ben van de onderstelling uitgegaan dat het huis verkocht zal worden—is zoo weinig, alles en alles ongeveer een paar honderd pond, dat de vraag bij mij gerezen is, juffrouw Wickfield, waarom uw vader niet het beheer zou houden van het landgoed, dat hem is toevertrouwd. Zijne vrienden kunnen hem nu met raad bijstaan; hij is nu vrij. Gij zelve, juffrouw Wickfield—Copperfield.... ik...”
„Ik heb ook daarover nagedacht, Trotwood,” zei Agnes, mij aankijkende, „maar ik ben van meening dat het niet moet gebeuren, zelfs niet op aanraden van een vriend, dien ik zoo dankbaar en aan wien ik zooveel verschuldigd ben.”
„Ik zeg niet dat ik het aanraad,” hernam Traddles. „Ik bedoel alleen dat wij er over moeten denken.”
„Het doet mij genoegen u dit te hooren zeggen,” antwoordde Agnes kalm, „want nu durf ik hopen dat wij van dezelfde meening zijn. Waarde mijnheer Traddles, waarde Trotwood, wat kan ik nog meer wenschen dan dat papa het hoofd weder vrij en vrank kan oprichten? Ik heb altijd gehoopt hem, wanneer hij uit het net, waarin hij verstrikt was, bevrijd zou zijn, een klein gedeelte van de liefde en zorg te kunnen vergoeden, die ik hem verschuldigd ben, hem mijn leven te mogen wijden. Dit is jaren lang mijn vurigst verlangen geweest. Mijn grootste geluk zal zijn voortaan voor hem te kunnen zorgen en hem van alle verantwoordelijkheid ontslagen te weten.”
„Hebt gij er al over gedacht hoe gij daartoe in staat zult kunnen zijn, Agnes?”
„O, ja, meermalen! Ik zie er niet tegen op, Trotwood, en ik ben zeker te zullen slagen. Ik heb hier zooveel kennissen en vrienden, dat ik er zeker van ben. Stel maar vertrouwen in mij. Wij hebben niet veel behoeften. Als ik het lieve oude huis in huur neem en er een school opricht, maak ik mij nuttig en zal ik gelukkig zijn.”
Hare kalme, lieve stem bracht mij zoo duidelijk eerst het oude, gezellige huis en daarna mijn eigen eenzame woning voor oogen, dat mijn hart te vol was om te spreken. Traddles deed eenigen tijd alsof hij al zijne aandacht wijdde aan de papieren.
„Dan, juffrouw Trotwood,” zoo nam hij eindelijk weder het woord, „moet ik u nog inlichten omtrent dat geld van u.”
„Ja, mijnheer,” antwoordde tante met een zucht. „Al wat ik daarop zeggen kan is, dat, is het weg, dan kan ik het dragen, is het niet weg, dan zal ik heel blij zijn het terug te krijgen.”
„Bedrieg ik mij niet dan was het oorspronkelijk acht duizend pond geconsolideerde schuld?” vroeg Traddles.
„Juist.”
„Ik kan er niet meer dan vijf terecht brengen,” zei Traddles met een verlegen gezicht.
„.... duizend, bedoelt gij?” vroeg tante met bewonderenswaardige kalmte, „of pond?”
„Vijf duizend pond.”
„Dat is alles,” antwoordde tante. „Ik heb er drie opgenomen. Eén duizend pond betaalde ik voor u aan de Commons, Trot, en de andere twee heb ik zelve in bewaring. Toen ik de rest verloor, achtte ik het beter niets van deze twee duizend pond te zeggen, maar ze te bewaren voor den kwaden dag. Ik wilde eens zien, Trot, hoe gij u door het leven zoudt slaan; dat hebt gij met volharding, zelfvertrouwen en zelfverloochening gedaan en daarbij, evenals Dick, getoond een edel hart te bezitten. Spreek nu niet tegen mij, want ik heb mijne zenuwen op het oogenblik niet goed in mijn macht!”
Niemand, die haar daar had zien zitten, kaarsrecht en de armen over elkander, zou dat gedacht hebben; maar zij kon zich zoo uitstekend beheerschen.
„Dan kan ik u tot mijn groote vreugde meedeelen,” riep Traddles met een stralend gezicht, „dat wij al het geld hebben teruggevonden!”
„Feliciteert mij niet, geen van allen!” zei tante. „Waarom niet, mijnheer?”
„Omdat gij in de meening verkeerdet dat het geld door mijnheer Wickfield misbruikt was?” vroeg Traddles.
„Natuurlijk meende ik dat,” antwoordde tante, „en ik liet mij daardoor gemakkelijk tot zwijgen brengen. Geen woord, Agnes!”
„En inderdaad is het geld losgemaakt,” hervatte Traddles, „op een volmacht door u onderteekend, d. w. z. met uw naam onderteekend, want gij begrijpt dat de handteekening valsch en wie de dader was. Naderhand maakte de schurk mijnheer Wickfield wijs—en hij bewees het uit de cijfers—dat hij het geld op mondelingen last van zijn patroon gebruikt had om andere tekorten te dekken en moeilijkheden te voorkomen. Mijnheer Wickfield was in de handen van dien huichelaar zoo zwak en weerloos als een kind en betaalde u later nog verscheidene malen interest van een kapitaal, dat niet meer bestond waardoor hij medeplichtig werd aan het gepleegde bedrog.”
„En eindelijk nam hij de geheele schuld op zich,” voegde tante er bij „en schreef mij een wanhopenden brief, waarin hij zich zelven beschuldigde van diefstal en allerlei misdrijven. Op zekeren morgen bracht ik hem daarop een bezoek, verzocht een kaars en verbrandde den brief, terwijl ik hem vertelde dat als hij ooit in staat werd zich zelven en mij recht te verschaffen, hij dat doen moest; maar dat, als hij daartoe niet in staat was, ik zou zwijgen ter wille van zijne dochter.—Als iemand nu tot mij spreekt, ga ik heen.”
Wij bewaarden alle drie het stilzwijgen en Agnes bedekte haar gelaat met de handen.
„Dus, mijn waarde vriend,” hernam tante eindelijk, „gij hebt hem het geld weder afgeperst?”
„Gij moet weten,” antwoordde Traddles „mijnheer Micawber hield hem zoo vast en was telkens weder met zooveel nieuwe bewijzen bij de hand, dat hij ons niet kan ontsnappen. Opmerkelijk is het, dat hij dit geld niet heeft gestolen om aan zijne onverzadelijke schraapzucht te voldoen, maar alleen om zijn haat te koelen aan Copperfield. Hij bekende mij dit volmondig. Hij zou gaarne een even groote som geven, als hij er Copperfield maar mede kon benadeelen.”
„Aha,” zei tante, peinzend hare wenkbrauwen samentrekkend en met een blik op Agnes. „En waar is hij nu gebleven?”
„Ik weet het niet. Hij heeft de stad verlaten met zijne moeder, die al dien tijd heeft gesmeekt en gejammerd enz.... geheimen verklapt. Zij zijn met de nachtdiligence naar Londen vertrokken; dat is alles wat ik van hen weet, behalve dat hij bij het afscheid nog zoo vermetel was om zich kwaadaardig te toonen. Hij scheen in de meening te verkeeren, dat hij aan mij niet minder dank verschuldigd was dan aan mijnheer Micawber, hetgeen ik als een compliment aannam—zooals ik hem ook gezegd heb.”
„Zou hij nog eenig geld hebben, Traddles?” vroeg ik.
„O, zonder twijfel,” antwoordde Traddles. „Hij zal op de eene of andere wijze wel voor zich zelven gezorgd hebben. Maar indien het u mogelijk was zijne gangen na te gaan, Copperfield, zoudt gij ontwaren, dat geld dien man nooit van den slechten weg afhouden, maar dat hij juist daardoor in zijn ongeluk loopen zal. Hij is zulk een volleerde huichelaar, dat hij altijd zijn doel langs slinksche wegen zal trachten te bereiken. Dat is de eenige vergoeding voor het zelfbedwang dat hij zich oplegt. Hij kruipt altijd langs den grond naar zijn doel, wat het ook is, zoodat alles wat hij op zijn weg ontmoet, grooter schijnt en hij iedereen, die hem tegenkomt, verdenkt en haat. De kromme wegen worden dientengevolge ieder oogenblik krommer, zelfs zonder eenige reden. Men behoeft slechts even door te dringen in zijn gedrag op het kantoor van mijnheer Wickfield om dat in te zien.”
„Hij is een monster, een laaghartig monster,” zei tante.
„Dat zou ik nog niet zoo onvoorwaardelijk durven zeggen,” antwoordde Traddles. „Er zijn vele menschen laaghartig omdat zij er zich op toeleggen.”
„En nu mijnheer Micawber's zaken,” hernam tante.
„Ja, dat is waar ook,” antwoordde Traddles op vroolijken toon. „Nogmaals moet ik hier de verklaring afleggen dat mijnheer Micawber grooten lof toekomt. Ware hij niet met zulk een onuitputtelijk geduld en zooveel onverflauwden ijver werkzaam geweest, dan zouden wij niets noemenswaardigs hebben kunnen uitrichten. Bovendien moeten wij niet uit het oog verliezen dat mijnheer Micawber niet alleen gedaan heeft wat recht is, maar dat ook gedaan heeft uit een rechtvaardig beginselen zichzelven daarbij geheel heeft verloochend, had hij gezwegen dan zou hij voor zichzelven zeer gunstige voorwaarden hebben kunnen stellen.”
„Dat ben ik geheel met u eens,” zei ik.
„Wat zoudt gij hem dan willen geven?” vroeg tante.
„O, eer wij zoover zijn,” antwoordde Traddles een weinig verlegen, „moet ik, hoewel een weinig aarzelend, opmerken dat ik in de regeling van deze quaestie—de regeling is van het begin tot het einde onwettig—vergeten heb twee punten aan te stippen. De quitanties, die mijnheer Micawber hem gegeven heeft ten bewijze van voorschotten op zijn salaris....”
„..... moeten betaald worden,” viel tante in.
„Jawel, maar ik weet niet wanneer ze opvorderbaar zijn noch wie ze in bewaring heeft,” hernam Traddles, „en ik vermoed dat mijnheer Micawber nog vóór zijn vertrek gearresteerd en dat op zijn inboedel beslag gelegd zal worden.”
„Dan moet hij afgekocht worden evenals zijn inboedel,” zei tante. „Hoeveel is de geheele som?”
„Mijnheer Micawber heeft zijne operatiën—hij noemt dat geknoei zoo—nauwkeurig geboekt,” antwoordde Traddles glimlachend, „de totale som bedraagt honderd en drie pond en vijf shillings.”
„Welnu, wat zullen wij hem geven, deze som er onder begrepen?” vroeg tante. „Vijfhonderd pond?”
Deze som deed Traddles en mij opspringen van schrik. Wij gaven beiden den raad mijnheer Micawber eene kleine som in geld te overhandigen en Uriah's vorderingen, zonder mijnheer Micawber daarvan te verwittigen, te voldoen wanneer ze inkwamen. Wij stelden verder voor dat de reis en de uitrusting van de familie betaald zouden worden, dat men hun een voorschot zou geven van honderd pond en dat mijnheer Micawber's schikkingen omtrent de terugbetaling met allen ernst zouden worden behandeld, opdat hij zijn nieuw leven zou beginnen onder het besef van de verantwoordelijkheid voor deze som. Hierbij voegde ik nog den raad om baas Peggotty op de hoogte te stellen van mijnheer Micawber's karakter en geschiedenis en hem, op wien ik wist dat men zich kon verlaten, te machtigen den heer Micawber nog honderd pond voor te schieten indien hij daaraan behoefte had. Verder stelde ik voor mijnheer Micawber eenig belang in te boezemen voor baas Peggotty, door hem zooveel van diens geschiedenis mede te deelen als zonder onbescheiden te zijn kon gedaan worden en dienstig geacht werd; en te trachten de twee mannen met elkander in aanraking te brengen tot voordeel van beiden. Allen schonken aan deze voorstellen hunne goedkeuring en ik mag hierbij voegen dat de hoofdpersonen korten tijd later reeds vriendschap hadden gesloten.
Ik meende op te merken dat Traddles tante nogmaals met een angstigen blik aankeek, zoodat ik het noodig vond hem aan het tweede punt te herinneren, dat hij had aangekondigd.
„Gij en uwe tante zult mij wel willen verontschuldigen, Copperfield, wanneer ik thans een pijnlijk onderwerp aanroer; ik vrees ten minste dat het dit zijn zal,” sprak Traddles op aarzelenden toon; „maar het is noodzakelijk dat ik het u in herinnering breng. Op den dag waarop mijnheer Micawber zijne gedenkwaardige memorie voorlas, werd door Uriah Heep eene dreigende toespeling gemaakt op uw tante's.... echtgenoot.”
Tante bleef in dezelfde stijve houding zitten en bewaarde schijnbaar al hare kalmte, terwijl zij met een hoofdknik dit punt bevestigde.
„Misschien,” vervolgde Traddles, „was dit slechts eene ongegronde onbeschaamdheid.”
„Neen,” zei tante.
„Er bestond dus inderdaad zoo iemand en die iemand was in zijne macht?” fluisterde Traddles in zijne verlegenheid.
„Ja, mijn vriend,” antwoordde tante.
Traddles' gezicht betrok, terwijl hij verklaarde niet in staat geweest te zijn deze zaak aan te roeren, zoodat Uriah Heep, nu hij niet meer in onze macht was en zeker elke gelegenheid zou aangrijpen om ons onaangenaam te zijn, even goed van deze omstandigheid gebruik zou kunnen maken als van de vorderingen, welke hij op mijnheer Micawber kon doen gelden.
Tante bewaarde het stilzwijgen totdat nogmaals de tranen over hare wangen begonnen te stroomen.
„Gij hebt zeer verstandig gehandeld door deze aangelegenheid te berde te brengen,” sprak zij eindelijk.
„Kan ..... ik of ..... Copperfield iets voor u doen in deze zaak?” vroeg Traddles vriendelijk.
„Niets,” antwoordde tante. „Dank u nogmaals. Het is eene vruchtelooze bedreiging, Trot! Laat nu mijnheer en mevrouw Micawber binnenkomen. En spreekt geen van allen tegen mij!” Zij streek hare japon glad en bleef, rechtop als een kaars, naar de deur zitten kijken.
„Zoo, mijnheer en mevrouw Micawber,” sprak tante, toen deze binnentraden. „Wij hebben over uwe aanstaande reis gesproken en verzoeken u wel verschooning omdat wij u zoo lang buiten de kamer hebben gelaten; ik zal u nu eens vertellen welke schikkingen wij hebben getroffen.”
Zij deelde daarna alles mede wat wij besproken hadden, tot groote vreugde van het gansche gezin—ook de kinderen waren intusschen binnengekomen—en tot innige tevredenheid van mijnheer Micawber, die een geheele reeks van wisseloperatiën in het verschiet zag en zich niet wilde laten weerhouden om terstond weg te snellen en de zegeltjes te koopen, waarmede zijne schuldbekentenissen zouden worden gewaarmerkt. Zijne blijdschap was echter van korten duur, want vijf minuten later keerde hij in gezelschap van een deurwaarder terug en deelde ons onder een vloed van tranen mede, dat alles verloren was. Aangezien wij op deze omstandigheid, eene wraakneming van Uriah Heep, bedacht waren geweest, betaalden wij onmiddellijk de verschuldigde som en weder vijf minuten later zat mijnheer Micawber aan de tafel zijne wisseltjes in te vullen met een gezicht, dat straalde van vergenoegdheid, zooals het alleen deed bij het verrichten van deze bezigheid en bij het bereiden van punch. Het was waarlijk een bezienswaardig schouwspel, zooals hij daar met een genot als van een kunstenaar zijn wisseltjes zat te schrijven of liever te teekenen, ze telkens opnam om ze te bekijken, van voren, van achteren, ze tegen het licht hield, de datums en het bedrag in zijn zakboekje aanteekende en ze, toen ze gereed waren, nogmaals gadesloeg met een diep besef van hunne kostbaarheid.
„Het beste dat gij nu kunt doen, mijnheer—indien gij een raad van mij wilt aannemen—dat is,” zei tante, die hem aandachtig had gadegeslagen, „deze bezigheid voor eeuwig af te zweren.”
„Mevrouw Trotwood,” antwoordde mijnheer Micawber, „het is mijn voornemen van zulk eene gelofte aanteekening te houden op het maagdelijk blad der toekomst. Mevrouw Micawber zal mijne getuige zijn. Ik vertrouw,” voegde hij er op plechtigen toon bij, „dat mijn zoon Wilkins onthouden zal hoe oneindig beter het is de hand in het vuur te steken dan er de adders mede te beroeren, die het hartebloed zijns ongelukkigen vaders vergiftigd hebben.” Mijnheer Micawber was diep geroerd en in een oogenblik in een beeld der wanhoop herschapen; hij bekeek de adders met een blik, waarin wel is waar innige afschuw te lezen was, doch waarin de vereering van zooeven nog niet geheel was uitgebluscht, vouwde ze op en stak ze in den zak.
Hiermede waren de werkzaamheden voor dezen avond afgeloopen. Wij waren vermoeid en tante zou den volgenden morgen met mij naar Londen terugkeeren. Volgens afspraak zouden de Micawbers ons volgen, na het grootste gedeelte van hunne eigendommen aan een uitdrager te hebben verkocht; de zaken van mijnheer Wickfield zouden door Traddles zoo spoedig mogelijk geliquideerd worden en Agnes zou gedurende dien tijd medegaan naar Londen. Wij brachten den nacht door in het oude huis, dat na het vertrek van de Heeps als 't ware van eene besmettelijke ziekte gezuiverd was; ik sliep in mijn oude kamertje als een schipbreukeling in zijn eigen huis.
Den volgenden dag keerden wij terug naar tante's woning—niet naar de mijne, en toen wij des avonds met ons beiden alleen waren, vroeg zij:
„Verlangt gij waarlijk te weten, Trot, wat mij in de laatste dagen zoo heeft bezig gehouden?”
„Ja, zeker, tante. Indien er ooit een tijd is geweest, waarin ik gaarne al uw verdriet, al uw zorgen met u deelde, dan is het zeker op dit oogenblik.”
„Gij hebt zelf verdriet genoeg, mijn kind,” zei tante op hartelijken toon; „mijne kleine ellenden behoeven niet daarbij te komen. Een andere reden om ze voor u geheim te houden kan ik niet hebben, Trot.”
„Dat weet ik wel,” antwoordde ik. „Vertel mij nu maar wat u zoo drukt.”
„Wilt gij morgenochtend een eindje met mij gaan rijden?”
„Natuurlijk.”
„Goed, dan om negen uur. Ik zal u dan alles vertellen, beste jongen.”
Volgens de afspraak reden wij om negen uur in een klein wagentje naar Londen. Na een langen weg door tallooze straten afgelegd te hebben, kwamen wij aan de groote hospitalen. Voor het gebouw stond eene eenvoudige lijkkoets. De koetsier herkende tante en op een wenk van haar reed hij zachtjes voort; wij volgden.
„Begrijpt gij het nu, Trot?” vroeg tante. „Hij is dood.”
„In het hospitaal gestorven?”
„Ja.”
Zij zat onbewegelijk naast mij, maar ik zag hoe hare tranen wederom te voorschijn kwamen.
„Hij was daar vroeger nog eens geweest,” vertelde zij. „Langen tijd was hij ziekelijk—een gebroken, oude man. Toen hij nu laatst zijn toestand inzag, liet hij mij roepen. Hij had toen berouw, Trot; bitter berouw.”
„Ik weet dat gij er heen zijt geweest, tante.”
„Ja, ik ging er heen. Ik was veel bij hem in de laatste dagen.”
„Hij stierf in den avond voor wij naar Canterbury gingen, nietwaar?”
Tante knikte. „Niemand kan hem meer leed doen. De bedreiging was dus vruchteloos,” sprak zij.
Wij reden naar het kerkhof te Hornsey, een eind buiten Londen. „Hier ligt hij beter dan in Londen,” zei tante. „Hij is hier geboren.”
Wij stapten uit en volgden de eenvoudige kist naar een hoekje van het kerkhof, dat ik nu nog zeer goed zou weten te vinden, en hoorden daar den lijkdienst aan.
„Vandaag voor zevenendertig jaren was onze huwelijksdag,” zei tante, toen wij naar ons rijtuig terugwandelden. „God moge ons allen onze zonden vergeven!”
Zwijgend namen wij weder plaats en langen tijd bleven wij naast elkander zitten; zij met hare hand op de mijne. Eindelijk barstte zij in tranen uit en zei:
„Hij was een knappe man toen wij trouwden, Trot—maar o, wat was hij veranderd!”
Deze stemming duurde niet lang; zij was spoedig hare tranen meester en kreeg toen ook hare kalmte terug. „Mijn zenuwen spelen mij parten tegenwoordig,” sprak zij, „anders zou ik mijn tranen wel kunnen binnenhouden. God vergeve ons onze zonden!” Zoo reden wij terug naar haar kleine huisje te Highgate, waar wij het navolgende korte briefje van mijnheer Micawber vonden, dat met de morgenpost was bezorgd.
Canterbury—Vrijdag.
Geachte Mevrouw en Copperfield!
„Het schoone land van belofte, dat aan den horizon opdoemde, is opnieuw gehuld in mist en nevel en voor altijd onttrokken aan de blikken van een ongelukkigen sterveling, die door het noodlot wordt achtervolgd.
Nogmaals is een dwangbevel uitgevaardigd door het Hooge Hof van King's Bench te Westminster in de zaak Heep contra Micawber en de verweerder is eene gemakkelijke prooi voor den sheriff, aan wien in dit baljuwschap de hoogste rechtspraak is toegewezen.
Tot slavenketenen gedoemd, voel ik dat het einde spoedig daar zal zijn, want een menschenziel kan maar tot een zeker punt worden gemarteld en dat punt heb ik bereikt. God zegen u, God zegen u! Wie later met opzet of toevallig een bezoek brengt aan de plaats, alwaar in deze stad de schuldenaren worden opgesloten, zal, naar ik hoop met eenig medelijden, de plek aanstaren, waar met een roestigen spijker in den muur zijn gekrabd
de onleesbare letters:
W. M.
P.S. Ik heropen dit schrijven om u te zeggen, dat onze gemeenschappelijke vriend, Mr. Thomas Traddles, die ons nog niet verlaten heeft en heel wel is, de vordering met de kosten betaald heeft uit naam van Mejuffrouw Trotwood, en dat ik mij met mijn gezin in den zevenden hemel bevind.”