Ik kwam op een kouden herfstavond in Londen aan. Het was duister en regenachtig, zoodat ik in eene minuut meer mist en modder zag dan ik daar ginds in een geheel jaar gezien had. Ik wandelde een eind op eer ik een „cab” vond en hoewel de gevels der huizen met de overloopende dakgoten oude bekenden van mij waren, kon ik toch niet ontkennen dat ze bijzonder vuile bekenden waren.
Ik had meermalen opgemerkt—ik onderstel dat menigeen dezelfde opmerking gemaakt heeft—dat het somtijds schijnt, alsof iemands vertrek uit eene hem welbekende plaats het sein moest wezen voor allerlei veranderingen. Toen ik nu uit het portierraampje keek en opmerkte dat een oud huis in Fish-street Hill, waaraan in de laatste eeuw timmerman noch schilder eene hand hadden uitgestoken, gedurende mijne afwezigheid omvergehaald en dat eene naburige straat, waarin onreinheid en ongezondheid haar tempel hadden opgeslagen, verbreed en van een riooleering voorzien was, verwachtte ik zelfs de St. Pauluskerk verouderd te vinden.
Op enkele veranderingen in de omstandigheden van mijn vrienden was ik voorbereid. Tante woonde reeds langen tijd weder te Dover en Traddles had kort na mijn vertrek wat praktijk gekregen als advocaat. Hij woonde nu op kamers in Gray's Inn en had mij in zijn laatsten brief meegedeeld, dat hij nu begon te hopen binnen een niet al te langen tijd vereenigd te worden met het liefste meisje van de wereld.
Zij verwachtten mij vóór Kerstmis terug, maar zoo spoedig als ik thans onder hunne oogen kwam niet. Ik had hen opzettelijk misleid ten einde het genoegen van eene verrassing te smaken. En thans was ik onredelijk genoeg om eenige teleurstelling te voelen toen ik niet verwelkomd werd en daar eenzaam en zwijgend door de mistige straten reed.
De welbekende winkels met hunne vroolijke lichtjes maakten echter veel goed en toen ik bij het Gray's Inn koffiehuis uitstapte verkeerde ik in eene opgeruimde stemming. Ik werd op dit oogenblik herinnerd aan den tijd, toen ik zoo menigmaal aan het logement Het Gouden Kruis was afgestapt en aan de veranderingen, welke sinds dien tijd hadden plaats gegrepen, maar dat was natuurlijk.
„Weet gij ook waar Mr. Traddles woont in de Inn?” vroeg ik aan den kellner, terwijl ik mij bij den haard in de koffiekamer stond te warmen.
„Holborn Court, mijnheer, No. 2.”
„Bedrieg ik mij niet dan begint Mr. Traddles naam te maken aan de rechtbank?” vroeg ik weder.
„Waarschijnlijk wel, mijnheer,” antwoordde de kellner, „maar ik kan het u niet zeggen.”
Deze kellner was een magere man van middelbaren, leeftijd en riep de hulp in van een deftiger collega, een zwaarlijvige bejaarde man met een onderkin, zwarte, korte broek en kousen, die uit een hokje te voorschijn kwam, dat op een kostersbankje leek, aan het eind van de koffiekamer, waar hij het beheer voerde over de kas, het adresboek, een lijst van de leden van het Parlement en eenige andere boeken en papieren.
„Mr. Traddles,” herhaalde de magere, „is immers Holborn Court, No. 2?”
De zwaarlijvige gaf hem een wenk om heen te gaan en wendde zich met eenige deftigheid tot mij.
„Ik vroeg,” herhaalde ik, „of Mr. Traddles niet reeds een goeden naam heeft onder de advocaten in Holborn Court?”
„Ik heb zijn naam nooit gehoord,” antwoordde de man met zijne heesche stem.
Ik werd een weinig verlegen ter wille van Traddles.
„Hij is zeker nog jong?” vroeg de zwaarlijvige, terwijl hij mij met een strengen blik opnam. „Hoe lang woont hij reeds in de Inn?”
„Nog geen drie jaar,” antwoordde ik.
De man, die zonder twijfel langer dan veertig jaren in zijn kostersbankje had gezeten, kon zulk een weinig beteekenend onderwerp niet voortzetten. Hij vroeg mij daarom wat ik zou gebruiken.
Ik voelde dat ik weder in Engeland was en maakte mij een weinig bezorgd over Traddles. Het scheen wel dat niets hem kon gelukken. Ik bestelde een moot visch en eene portie biefstuk en bleef bij het vuur zitten peinzen over mijn vriend.
Toen ik den eersten bediende eenigen tijd had gadegeslagen kon ik niet nalaten te denken dat de tuin, waarin hij langzamerhand was gerijpt tot hetgeen hij nu was, geen gelegenheid bood om welig te tieren. Over alles lag zulk een deftig waas; alles was er even stijf en ouderwetsch. De vloer was zonder twijfel op dezelfde wijze met zand bestrooid geweest toen de eerste bediende nog een jongen was—indien hij namelijk ooit een jongen geweest was, hetgeen mij niet waarschijnlijk voorkwam; de spiegelgladde mahonyhouten tafels weerkaatsten mijn gelaat zooals ze het vermoedelijk vijftig jaar geleden dat van andere bezoekers gedaan hadden; de olielampen brandden en glommen onberispelijk; de warme, groene gordijnen met de blinkende koperen roeden beletten den doortocht aan het minste tochtje; de twee groote houtvuren brandden met onverflauwde helderheid; de lange rijen karaffen staarden mij aan, alsof ze zich bewust waren van de groote hoeveelheid oude Port à Port, die in den kelder lag opgeslagen; alles was deftig en bracht mij tot het besef, dat eene goede plaats aan de rechtbank in Engeland evenmin stormenderhand te veroveren was als Engeland zelf. Ik ging naar mijne kamer om mijne vochtige kleederen met andere te verwisselen en ik zie dat reusachtige vertrek met de eikenhouten betimmering—het lag boven de hoofdpoort van Gray's Inn—nog voor mij, evenals het deftige, breede ledikant met de vier gebeeldhouwde stijlen en de zware eikenhouten kabinetten.... alles scheen samen te werken om jonge menschen te wijzen op den ernst des levens. Ik kwam beneden om het middagmaal te gebruiken en ook hier weder spraken mij de langzame, plechtige wijze, waarop ik bediend werd, en de doodsche stilte in de zaal—het was nog vacantie zoodat er bijna geen bezoekers waren—van de roekeloosheid van Traddles, om in de eerste twintig jaren hoop te durven voeden op een bestaan.
Zoo lang ik afwezig geweest was had ik zoo iets niet gezien, zoodat alle hoop voor mijn vriend verdween. De eerste bediende scheen genoeg van mij te hebben: hij kwam niet meer in mijne buurt, maar wijdde zijne diensten aan een ouden heer met hooge slobkousen, voor wien zelf een flesch wijn van een bijzonder merk uit den kelder werd gehaald zonder dat hij iets besteld had. De tweede bediende fluisterde mij in dat die heer een schatrijke notaris in ruste was, die, naar men vertelde, al zijn geld aan de dochter van zijne waschvrouw zou nalaten; ook wist men bij gerucht, dat hij een geheel zilveren tafelservies bezat, waarvan niemand echter ooit meer dan een lepel en een vork onder de oogen had gehad. Op dit oogenblik achtte ik Traddles verloren en begreep ik dat er volstrekt geen hoop meer voor hem was.
Aangezien ik niettemin zeer verlangend was naar mijn ouden vriend, bespoedigde ik mijn middagmaal zooveel mogelijk, waardoor ik in geenen deele, in aanzien steeg bij den ouden bediende, zoodat ik mij maar haastte om door eene achterdeur weg te komen. Holborn Court No. 2 was spoedig gevonden en een bordje op den deurpost bracht mij tot de wetenschap, dat Mr. Traddles op de bovenste verdieping woonde. Ik klom de oude, half vermolmde trap op en vond elk portaal verlicht door een morsig olielampje, waarvan de walm mij telkens tegenkwam. Al voortstrompelend meende ik op de bovenverdieping heel smakelijk te hooren lachen, niet door een advocaat of procureur, noch door een advocaats- of procureursklerk, maar door een paar vroolijke jonge meisjes. Aangezien ik echter, stilstaande om te luisteren, met mijn voet in een gat terecht kwam, hetgeen mij weder aan den eerbiedwaardigen ouderdom van Gray's Inn herinnerde, viel ik met zooveel geraas tegen de trap aan, dat het gelach plotseling verstomde. Wat voorzichtiger dan tot nu toe zette ik den tocht voort en mijn hart begon sneller te kloppen, toen ik de deur, waarop met groote letters „Mr. Traddles” geschilderd was, open vond. Ik klopte aan, doch vernam niets dan een verdacht geschuivel, waarop ik nogmaals klopte.
Een kleine jongen met een slim gezicht, die blijkbaar als klerk en als loopjongen dienst deed, kwam bijna ademloos naar buiten en keek mij aan, alsof hij mij uitdaagde om op wettige wijze aan te toonen dat ik iets verdachts had gehoord.
„Is Mr. Traddles thuis?” vroeg ik.
„Ja, mijnheer, maar Mr. Traddles is zeer bezet.”
„Ik moet hem spreken.”
Na mij nog eenige oogenblikken te hebben gadegeslagen besloot de jongen mij binnen te laten en terwijl hij tot dat doel de deur wat verder opende, liet hij mij eerst een klein portaal en daarna een miniatuur-kantoortje binnengaan. Hier vond ik mijn ouden vriend—ook buiten adem—aan een tafel zittende, gebogen over groote stapels papieren.
„Goede Hemel!” riep Traddles, toen hij opkeek. „Het is Copperfield!” Hij vloog mij letterlijk in de armen en ik hield hem stijf vast.
„Alles wel, beste Traddles?”
„Alles wel, beste, beste Copperfield; niets dan goeds kan ik u meedeelen.”
Wij waren beiden aangedaan door de blijdschap van het wederzien.
„Beste kerel,” zei Traddles, in zijne opgewondenheid zijn haar opstrijkende, hetgeen volkomen overbodig was, want het stond zoo rechtop als ooit, „beste Copperfield, wat zijt gij lang weggebleven en wat ben ik blij u terug te zien! En wat zijt gij verbrand! Waarlijk, ik ben zelden zoo blij geweest als op dit oogenblik!”
Ik kon al evenmin woorden vinden om mijne blijdschap uit te drukken.
„En zoo beroemd geworden!” riep Traddles. „Zeg mij nu eens, brave jongen, wanneer zijt gij aangekomen? Waar komt gij vandaan? Wat hebt gij het laatst gedaan?”
Zonder op eene van al zijne vragen een antwoord af te wachten, bleef Traddles, na mij in een leunstoel bij de kachel te hebben geduwd, met eene hand in het vuur porren, terwijl hij met de andere voortdurend aan mijn das trok in de meening dat ik een overjas droeg. Met den pook in de hand omhelsde hij mij nu nogmaals en ik omhelsde hem; wij lachten en schreiden beiden van blijdschap en aandoening en veegden onze oogen af en zaten naast elkander en schudden elkander hartelijk de hand.
„En dat gij daar nu zoo uit de lucht komt vallen,” zei Traddles, „zoo vlak na de plechtigheid!”
„Na welke plechtigheid, beste Traddles?”
„Groote Goedheid!” riep hij met dezelfde groote oogen van vroeger. „Hebt gij dan mijn laatsten brief niet ontvangen?”
„Zeker niet, als daar ten minste iets over eene plechtigheid in stond!”
„Luister dan, Copperfield!” hernam Traddles, terwijl hij zijne haren met beide handen in de hoogte streek en deze daarna op zijne knieën liet rusten: „Ik ben getrouwd!”
„Getrouwd?” riep ik verrast uit.
„Goede Hemel, ja!”, zei Traddles; „door dominee Horace.... met Sophie.... uit Devonshire. Zie hier, brave jongen, zij heeft zich achter het gordijn verstopt!”
Tot mijne groote verbazing kwam op hetzelfde oogenblik het liefste meisje van de wereld lachend en blozend uit haar schuilhoek te voorschijn. Opgewekter, beminlijker, gelukkiger, stralender bruidje heb ik nooit op de wereld ontmoet; ik kon niet helpen dat ik dit terstond moest zeggen. Ik kuste haar zooals men een oude kennis doet en wenschte hun van ganscher harte geluk.
„Goede Hemel!” zei Traddles, „wat zal dat een gezellige avond worden! Wat zijt gij vreeselijk verbrand, Copperfield! Goede Hemel, wat ben ik gelukkig!”
„En ik ook!” zei ik.
„En ik ook!” riep de blozende en lachende Sophie.
„Wij zijn allen zoo gelukkig mogelijk!” zei Traddles. „Zelfs de meisjes zijn gelukkig. Goede Hemel, ik vergat ze geheel en al!”
„Vergeten?” vroeg ik.
„De meisjes,” antwoordde Traddles. „De zusters van Sophie logeeren bij ons. Zij wilden Londen wel eens zien en nu.... zijt gij zoo gestruikeld op de trap, Copperfield?”
„Ja, ik zelf,” antwoordde ik lachend.
„Welnu, toen gij struikeldet,” ging Traddles voort, „was ik met de meisjes aan het stoeien; eigenlijk speelden wij pand verbeuren. Maar aangezien dit niet in overeenstemming is met de deftigheid van Westminster-Hall en al heel vreemd zou schijnen indien een cliënt het zag, zijn zij gevlucht. En nu spelen zij luistervink—daar is geen twijfel aan;” voegde hij er bij met een blik naar een deur van eene andere kamer.
„Het spijt mij;” zei ik hartelijk lachend, „zooveel stoornis veroorzaakt te hebben.”
„Waarlijk,” hernam Traddles op vroolijken toon, „als gij ze had zien wegvliegen en terugkeeren toen gij aankloptet, om hare kammetjes op te rapen, die zij hadden laten vallen, zoudt gij dat niet zeggen. O, ze waren zoo dwaas! Liefste, wilt gij de meisjes halen?”
Sophie trippelde de kamer uit en wij hoorden hoe zij in het andere vertrek met luid gejuich werd ontvangen.
„Is dat nu geen heerlijke muziek, Copperfield?” vroeg Traddles. „O, het is zoo aangenaam! Het schijnt of deze ouderwetsche kamers veel lichter zijn. Voor zoo'n ongelukkigen vrijgezel, die zijn geheele leven alleen gewoond heeft, is het bepaald een genot. Het is verrukkelijk. De arme kinderen hebben zooveel verloren aan Sophie, die, dat verzeker ik u, Copperfield, is en altijd was het liefste meisje.... Gij begrijpt hoe ik mij gestreeld voel nu zij zoo vroolijk zijn. Het gezelschap van jonge meisjes is verrukkelijk, Copperfield! Het is eigenlijk wel niet zooals het behoort, maar het is verrukkelijk!”
Ik merkte, dat hij dit laatste eenigszins aarzelend had uitgesproken, en begrijpende, dat hij in den eenvoud zijns harten vreesde een pijnlijke snaar te hebben aangeroerd, gaf ik op zulk een hartelijken toon mijn instemming te kennen, dat hij zich volkomen gerustgesteld voelde.
„En,” vervolgde Traddles, „ons huishouden is geheel in de war, om u de waarheid te zeggen, beste Copperfield. Dat Sophie hier is, is ook niet zooals het behoort; maar wij zijn nu eenmaal in het schuitje en zullen het er wel in uithouden. Voorloopig hebben wij geen andere woning. En o, Sophie is zulk een knappe huishoudster en heeft zooveel overleg. Gij zoudt u verbazen als gij zaagt, hoe zij al die meisjes bergt. Ik verzeker u dat ik niet begrijp hoe zij 't gedaan krijgt.”
„Hoeveel jonge dames hebt gij dan wel bij u?” vroeg ik.
„De oudste, de Beauty is hier,” antwoordde hij zachtjes en op vertrouwelijken toon, „Caroline. En Sarah is hier.... degene, die, zooals ik u meedeelde, iets aan de ruggegraat mankeerde. Zij is veel, veel beter! En de twee jongsten, die Sophie heeft opgevoed, zijn hier. En Louise is hier.”
„Goede Hemel!” riep ik uit.
„Ja,” zei Traddles. „Alles bij elkaar hebben wij maar drie kamers, maar Sophie heeft het wonderlijk goed geschikt voor de meisjes; zij slapen zoo lekker mogelijk. Drie in gindsche kamer en twee in die!”
Ik kon niet nalaten eens rond te kijken naar het plekje dat voor mijnheer en mevrouw Traddles overbleef en Traddles begreep mijn blik.
„Ik heb u immers gezegd dat wij ons kunnen behelpen,” hernam hij, „en wij hebben ons beholpen met een kermisbed op de kamer. Maar er is nog een dakkamertje—een alleraardigst kamertje als men eenmaal boven is—Sophie heeft het zelve behangen om mij te verrassen; dat is nu ons kamertje. Het is net een klein kajuitje en men heeft er een prachtig uitzicht.”
„En dus zijt gij nu gelukkig getrouwd, beste Traddles,” zei ik. „Wat ben ik daar blij om!”
„Dank u, dank u, beste Copperfield,” antwoordde hij, terwijl wij elkander nogmaals de hand schudden. „Ja, ik ben zoo gelukkig als ik maar zijn kan. Herinnert gij u dezen ouden kennis?” vroeg hij met een zegevierenden blik op den bloemenstandaard, „en daar is het tafeltje met het marmeren blad! En alle andere meubels zijn eenvoudig, maar solide, zooals gij ziet! En wat onze zilverkast aangaat, goede Hemel! wij hebben nog geen theelepeltjes zelfs!”
„Die moeten dus nog verdiend worden!” riep ik vroolijk uit.
„Juist”, antwoordde hij, „die moeten nog verdiend worden. Natuurlijk bezitten wij wel theelepeltjes, want wij moeten onze thee toch kunnen omroeren; maar ze zijn van Christofle-zilver.”
„Als het echte zilver komt zal het zooveel te schitterender zijn,” antwoordde ik.
„Dat zeggen wij ook!” riep Traddles. „Ziet ge, beste Copperfield,”—hij begon weer op dien zachten vertrouwelijken toon te spreken—„toen ik die zaak van Jipes contra Wigzell gewonnen had—dat proces heeft mij naam doen maken—ben ik naar Devonshire gegaan en heb eens ernstig gepraat met dominee Horace. Ik bracht hem in herinnering dat Sophie—zij is werkelijk het liefste meisje van de wereld, dat kan ik u verzekeren, Copperfield....”
„O, ik ben er van overtuigd!” riep ik.
„Zij is het werkelijk!” hernam Traddles, „maar ik vrees van mijn onderwerp te zijn afgedwaald. Sprak ik niet over dominee Horace?”
„Gij zeidet dat gij hem in herinnering bracht....”
„Juist! Ik bracht hem in herinnering dat Sophie en ik al heel lang geëngageerd waren en dat zij, indien hare ouders de toestemming gaven, gaarne mijn vrouwtje zou willen worden,... kortom,” zei hij met zijn ouden jovialen lach, „zelfs al had ik niets dan Christofle theelepeltjes. Goed. Ik stelde dominee Horace dan voor—een beste man, die dominee Horace, een man, die Bisschop moest zijn of ten minste genoeg moest hebben om te leven zonder zich te bekrimpen—dat als ik per jaar tweehonderd en vijftig pond kon verdienen en er vast op kon rekenen het volgend jaar een even groot of een grooter inkomen te zullen hebben; als ik bovendien een woning als deze behoorlijk kon meubeleeren, dan zouden Sophie en ik door de banden des huwelijks vereenigd worden. Ik nam de vrijheid in het midden te brengen, dat wij vele jaren geduld hadden gehad en dat de omstandigheid, dat Sophie thuis moeilijk gemist kon worden, hare liefhebbende ouders niet in verzoeking mocht brengen om zich tegen hare wenschen te verzetten..... zijt gij dat niet met mij eens?”
„Zeker ben ik dat met u eens,” antwoordde ik.
„Ik ben blijde dat gij eveneens denkt als ik, Copperfield, want zonder eenige toespeling op dominee Horace, meen ik toch te moeten aannemen dat ouders, broeders en zoo al meer somtijds bijzonder zelfzuchtig zijn in soortgelijke gevallen. Welnu, ik gaf eveneens als mijn heilig voornemen te kennen dat ik mij nuttig wilde maken voor de geheele familie en als het mij goed gaat in de wereld en hem—ik bedoel dominee Horace—iets mocht overkomen.....”
„Ik begrijp u al,” zei ik.
„.... of mevrouw Crewler, dat ik het dan een aangename plicht zou achten een vader te zijn voor de meisjes. Hij antwoordde mij op eene wijze, die hem eer aandeed en voor mijn gevoel zeer streelend was, waarna hij op zich nam de toestemming te verwerven van mevrouw Crewler. Zij hadden een vreeselijken tijd met haar. Het klom haar van de beenen naar de borst en van daar naar het hoofd.....”
„Wat klom er?” vroeg ik.
„Haar verdriet,” antwoordde Traddles met den grootsten ernst. „Hare aandoening eigenlijk; want zooals ik vroeger wel eens verteld heb, is zij eene zeer begaafde vrouw, maar mist zij het gebruik van hare leden. Is er iets, dat haar hevig aandoet, dan voelt zij dit terstond in haar beenen, maar bij deze gelegenheid klom het in hare borst en van daar naar het hoofd; kortom, haar heele gestel leed er onder. Door de liefderijkste verpleging en de grootste zorg kwam zij het te boven en gisteren voor zes weken zijn wij getrouwd. Gij kunt u niet voorstellen, hoe ik mij zelven voor een monster heb uitgemaakt, toen ik de geheele familie zag schreien en flauw vallen! Mevrouw Crewler wilde mij niet zien voor wij weg gingen—zij kon het mij niet vergeven, dat ik haar van haar kind beroofde, maar zij is toch een goed schepsel en heeft het mij later vergeven. Ik heb van morgen zelfs een opgeruimden brief van haar gehad.”
„Dus, mijn waarde vriend, gij verkeert in den zevenden hemel, zooals gij dubbel en dwars verdient?” vroeg ik.
„O, dat is uwe partijdigheid, die dat zegt?” riep Traddles lachend. „Maar, waarlijk, ik ben te benijden. Ik werk hard en studeer van den morgen tot den avond in de wetten. Ik sta elken morgen om vijf uur op en daar geef ik niets om. Over dag verberg ik de meisjes en 's avonds heb ik dolle pret met haar. Ik kan u verzekeren, dat het mij spijten zal als zij Woensdag vertrekken. Maar,” zoo brak hij plotseling zijne vertrouwelijke mededeeling af, „daar zijn de meisjes! Mijnheer Copperfield—de dames Crewler.... juffrouw Sarah, juffrouw Louise, Margaretha en Lucy!”
Wat daar binnenkwam maakte den indruk op mij, die een bouquet frissche rozen zou gemaakt hebben. Zij waren allen mooi; juffrouw Caroline, zelfs heel mooi; maar op Sophie's gezichtje lag eene uitdrukking van liefde en vroolijkheid en huiselijkheid, die mij de verzekering gaf, dat mijn vriend een goede keus gedaan had. Wij namen allen om de kachel plaats terwijl het slimme klerkje, dat, zooals ik nu begreep, buiten adem was geraakt ten gevolge van de haast, waarmede hij een hoop papieren over de tafel had uitgestrooid, voor de thee zorgde. Daarna ging hij heen en liet de deur met een slag dicht vallen. En mevrouw Traddles zat met een gezichtje, dat straalde van geluk, in een hoekje bij de kachel, waar zij brood roosterde en thee inschonk.
Zij had Agnes gezien, vertelde zij mij onder het roosteren. „Tom” en zij hadden een huwelijksreisje gemaakt naar Kent en daar had zij ook mijne tante ontmoet; beiden, tante en Agnes waren heel wel en spraken over niets dan over mij. „Tom” was steeds met zijne gedachten bij mij geweest zoolang ik weg was. „Tom” was alles; „Tom” was haar afgod, dat was duidelijk; niets ter wereld zou hem van het voetstuk kunnen rukken waarop zij hem geplaatst had; zij zou hem altijd gelooven en vertrouwen en hem al hare liefde wijden, wat er ook gebeuren mocht. De achting, die beiden voor de Beauty aan den dag legden, was vermakelijk om bij te wonen. Ik geloof niet dat ik het erg verstandig vond, maar ik vond het vermakelijk en geheel in overeenstemming met beider karakter. Ik ben er zeker van dat Traddles de zilveren theelepeltjes, die nog verdiend moesten worden, nooit zoo zeer miste als wanneer hij Beauty een kopje thee overhandigde. Indien zijn zachtzinnig vrouwtje ooit eenige aanmatiging tegenover iemand aan den dag kon leggen, ben ik overtuigd dat haar dit alleen mogelijk was omdat zij eene zuster was van de Beauty. Enkele kleine bewijzen van verwendheid en grilligheid, die ik bij de Beauty opmerkte, werden blijkbaar door Traddles en zijne jonge vrouw als een soort geboorterecht of eene gave der natuur beschouwd. Indien zij als koningin, en Sophie met de andere zusters als werkbijen geboren waren, zouden zij niet meer van hare minderheid overtuigd kunnen zijn geweest.
Ik had plezier in hunne onbaatzuchtigheid. Hunne trotschheid op de meisjes en hunne onderworpenheid aan al hare grillen was in mijn oog de loffelijkste getuigenis van hun karakter. Minstens twaalf malen in het uur werd Traddles door eene van zijne schoonzusters „beste jongen” genoemd, of werd hem verzocht iets aan te geven, of iets weg te brengen, of iets op te rapen of iets neer te leggen of te halen. Geen van allen kon iets doen zonder Sophie. Het haar van een van allen ging los—Sophie moest het opsteken; een ander had de wijs van een lied vergeten, niemand dan Sophie kon het zingen zooals het behoorde; een derde wilde den naam weten van een plaatsje in Devonshire—Sophie hielp haar uit den brand; de vierde meende dat iets naar huis moest worden geschreven—alleen aan Sophie kon het worden toevertrouwd en zij deed het den volgenden morgen voor het ontbijt; de vijfde eindelijk had eenige steken van haar breiwerk laten vallen—niemand anders dan Sophie mocht ze oprapen. Zij waren in alle opzichten de meesteressen en Traddles en Sophie bedienden haar. Hoeveel kinderen Sophie in haar leven reeds moest hebben opgepast, kan ik niet gissen zelfs, want zij kende alle liedjes, die ooit aan Engelsche kinderen zijn voorgezongen; zij zong ze met het liefste, helderste stemmetje bij dozijnen, want, elke zuster verlangde een ander te hooren en de Beauty kwam gewoonlijk nog achteraan—ik raakte er geheel van onder den indruk. Het beste van alles was, dat de zusters, hoe veeleischend zij ook waren, allen evenveel van Sophie en Traddles hielden en hun groote achting toedroegen. Ik ben overtuigd dat ik nooit een hoofd met zooveel rechtop staande haren onder zulk een stroom van kussen heb zien ronddraaien als dat van Traddles, toen ik des avonds afscheid nam en hij mij tot het naastbijzijnde koffiehuis zou vergezellen.
Hoe het zij, het was een tooneeltje, waaraan ik nog moest denken, langen tijd nadat Traddles mij verlaten had. Al had ik duizende rozen zien bloeien op die bovenkamers in Gray's Inn, zou ik er zeker niet zulk een schitterenden indruk van hebben behouden. Die jonge, frissche meisjes uit Devonshire tusschen de droge kantoren van advocaten en procureurs; die thee met geroosterd brood, die kinderliedjes in de doffe atmospheer van sandrak, perkament, rood band, ouwels, inkt, papier, aanklachten, dagvaardingen, quitanties en declaraties, dat alles scheen mij even zonderling alsof ik gedroomd had, dat de Sultan zich met zijn geheelen harem op de rol der advocaten had laten inschrijven en den sprekenden vogel, den zingenden boom en het gouden meer had meegebracht. Een ding was echter zeker, toen wij in het koffiehuis afscheid hadden genomen dacht ik met veel minder bezorgdheid aan Traddles dan eenige uren te voren. Ik begon te vermoeden, dat hij zijn weg zou vinden in weerwil van alle eerste bedienden in Engeland.
Ik nam in een gemakkelijken stoel plaats bij een der haardvuren in de koffiekamer, ten einde op mijn gemak over Traddles' lotsverwisseling te peinzen, maar begon mij al heel spoedig te verdiepen in de verschillende figuren, die door de vlammen gevormd werden, en te denken aan de wisselingen in mijn eigen leven. Ik had sinds ik Engeland had verlaten geen kolenvuur gezien, doch op menig houtvuur zitten turen tot het laatste stukje in de witte asch verdween, die voor mij het zinnebeeld was van al mijn vervlogen hoop.
Ik kan nu met ernst doch zonder eenige bitterheid aan het verleden denken en de toekomst onbevreesd in de oogen zien. Een tehuis in den waren zin des woords bestond voor mij niet meer. Het meisje, dat ik zielslief had, had ik geleerd eene zuster voor mij te zijn. Zij zou wellicht trouwen, aan anderen rechten geven op hare liefde zonder iets te weten van de liefde, die ik voor haar in mijn hart droeg. Het was billijk, dat ik de straf droeg voor mijn onberaden hartstocht. Ik oogstte wat ik gezaaid had.
Terwijl ik zoo zat te peinzen en mij afvroeg of ik mijn hart werkelijk reeds zoo ver bedwongen had, dat ik dit met standvastigheid zou kunnen dragen en kalm de plaats kon blijven innemen, die ik in haar hart had ingenomen, doemde er plotseling een gezicht voor mij op, dat als eene herinnering aan lang vervlogen dagen schijnbaar uit de vlammen te voorschijn trad. De kleine dokter Chillip, aan wien ik in het eerste hoofdstuk van deze geschiedenis veel verplichting had, zat in een tegenovergestelden hoek de krant te lezen. Hij was oud geworden, maar aangezien hij zulk een kalm, gelijkmatig klein manneke was, kon men hem dat niet aanzien, zoodat ik mij voorstelde, dat hij er juist zoo moest hebben uitgezien, toen hij in onze huiskamer op mijne intrede in de wereld zat te wachten.
Dokter Chillip had Blunderstone zes of zeven jaren geleden verlaten en in al dien tijd had ik hem niet teruggezien. Hij zat nu vreedzaam de krant te lezen met een glas warmen wijn voor zich.
Ik ging naar hem toe en vroeg: „Hoe vaart gij, mijnheer Chillip?”
Hij ontstelde blijkbaar bij deze toespraak van een hem geheel vreemd persoon en antwoordde op zijn eigenaardigen, zachten toon: „Dank u, mijnheer, gij zijt wel beleefd. Dank u. Ik hoop dat ge ook wel zijt?”
„Herkent ge mij niet?” vroeg ik.
„Nu, mijnheer,” antwoordde mijnheer Chillip, terwijl hij glimlachend het hoofd schudde en mij aankeek, „er is iets in uw gezicht, dat mij bekend voorkomt, maar ik kan waarlijk niet op uw naam komen.”
„En toch hebt gij dien gekend lang voor ik dien zelf kende,” antwoordde ik.
„Is het toch waar, mijnheer? Is het mogelijk dat ik de eer had behulpzaam te zijn....?”
„Ja.”
„Goede Hemel!” riep mijnheer Chillip. „Maar gij zijt heel wat veranderd na dien tijd!”
„Waarschijnlijk wel!”
„Nu, mijnheer, gij zult het mij wel niet kwalijk nemen als ik zoo vrij ben uw naam te vragen.”
Toen ik hem dien noemde was hij zeer ontroerd, hij schudde mij de hand—dit was voor hem iets zeer buitengewoons, want gewoonlijk stak hij iets dat op een lauwe moot visch geleek, eenige duimen buiten zijn heup uit en scheen hij bevreesd te zijn voor eene harde aanraking. Nu zelfs stak hij zijne hand zoo spoedig mogelijk in zijn jaszak en scheen hij blijde te zijn toen hij die daar veilig geborgen wist.
„Goede hemel, mijnheer?” vroeg hij mij met het hoofd op zijde aankijkende. „Heb ik het genoegen met mijnheer Copperfield....? Wel, mijnheer, ik zou u zeker herkend hebben indien ik de vrijheid genomen had u wat nauwkeuriger te bekijken. Gij lijkt sprekend op uw armen vader.”
„Ik heb niet het geluk gehad mijn vader te kennen,” gaf ik ten antwoord.
„Juist, mijnheer,” zei mijnheer Chillip op zachten toon. „Dat was in alle opzichten zeer betreurenswaardig! Wij zijn daar ginds niet onbekend gebleven met den goeden naam, dien gij u gemaakt heb. Gij vergt heel wat van uw hoofd, mijnheer.”
„Waar woont gij nu?” vroeg ik, naast hem plaats nemende.
„Ik heb mij op eenige mijlen afstands van Bury St. Edmunds gevestigd, mijnheer,” antwoordde de dokter. „Mevrouw Chillip erfde daar van haar vader een buitentje, waarna ik daar eene praktijk kocht, waarin het mij heel goed gaat. Het zal u zeker genoegen doen dit te vernemen. Mijne dochter wordt al eene groote meid, mijnheer,” vervolgde hij, terwijl hij een ruk gaf aan zijn hoofd, „hare moeder heeft verleden week nog al hare jurken moeten uitleggen. Zoo gaat de tijd voorbij, mijnheer!”
Toen de kleine dokter zijn glas, dat nu ledig was, al pratend aan de lippen bracht, stelde ik hem voor het nog eens te laten vullen, waarna ik hem met een tweede gezelschap zou houden.
„Wel, mijnheer,” antwoordde hij langzaam, „dat is meer dan ik gewoon ben te gebruiken, maar ik kan mij het genoegen van uw gezelschap niet ontzeggen. Het lijkt mij of ik u gisteren eerst in de mazelen heb bijgestaan. Gij kwaamt er flink doorheen, mijnheer.”
Ik mompelde iets alsof ik het mij ook nog zeer goed herinnerde en bestelde den warmen wijn, die spoedig gebracht werd. „Ik maak mij aan onmatigheid schuldig,” zei de dokter, terwijl hij den wijn omroerde, „maar ik kan zulk eene buitengewone gelegenheid onmogelijk laten voorbijgaan. Gij zijt geheel alleen op de wereld, nietwaar?”
Ik knikte toestemmend.
„Ik wist,” ging hij voort, „dat gij eenigen tijd geleden uwe vrouw verloren hebt; ik vernam dat van de zuster van uw stiefvader. Iemand met een zeer flink karakter, mijnheer!”
„Ja,” antwoordde ik, „flink genoeg. Waar hebt gij haar ontmoet, mijnheer Chillip?”
„Is het u niet bekend, mijnheer,” antwoordde de kleine dokter met een vriendelijken glimlach, „dat uw stiefvader weder mijn buurman is?”
„Neen.”
„Ja, ja, mijnheer; hij is met een jong meisje uit die streek hertrouwd; zij bezat nog al wat fortuin, de arme meid! Maar, om op uw hoofd terug te komen.... vermoeit dat vele werken u niet?” vroeg hij, terwijl hij mij aankeek op de wijze van een in bewondering verzonken roodborstje.
Ik liet deze vraag rusten en bracht het gesprek weder op de Murdstones. „Ik wist dat hij hertrouwd is,” zei ik. „Kent gij de familie van nabij? Komt gij er aan huis?”
„Niet geregeld, maar ik ben er wel eens geroepen,” antwoordde hij. „De flinkheid is in mijnheer Murdstone en in zijne zuster sterk ontwikkeld.... zeer interessant geval voor een professor in de schedelleer.”
Ik antwoordde met een veelbeteekenenden blik, zoodat mijnheer Chillip hierdoor en ten gevolge van den warmen wijn zich liet verleiden om eenige malen het hoofd te schudden en peinzend uit te roepen: „Goede Hemel! De oude tijd komt ons in het geheugen, mijnheer Copperfield!”
„Gaan de broeder en zuster weder hun ouden gang?” vroeg ik.
„Wat zal ik u zeggen, mijnheer? Een dokter, die bij zooveel families komt, mag voor niets oogen en ooren hebben dan voor zijn vak. Evenwel, ik kan niet nalaten te bekennen, dat zij zeer streng zijn in hunne opvattingen, zoo wel voor dit leven als voor het leven hiernamaals.”
„Het laatste zal wel geregeld worden zonder hunne bemiddeling, naar ik meen,” antwoordde ik, „maar wat doen zij in dit leven?”
Mijnheer Chillip schudde het hoofd, roerde zijn warmen wijn om en nam een teugje.
„Zij was een bekoorlijk vrouwtje, mijnheer,” zei hij op een toon, alsof hij haar beklaagde.
„De tegenwoordige mevrouw Murdstone?”
„Een bekoorlijk vrouwtje, mijnheer, dat verzeker ik u,” herhaalde de dokter, „zoo beminnelijk als ik er ooit een gekend heb. Mevrouw Chillip meent dat hare vroolijkheid door haar huwelijk geheel is verdwenen en zij tegenwoordig lijdende is aan melancholie. En de dames mijnheer,” ging hij op schroomvalligen toon voort, „zijn goede opmerksters.”
„Ik vermoed, dat zij eerst naar hun zin moest vervormd worden,” merkte ik aan. „Het is afschuwelijk! De Hemel sta haar bij!.... Gij zegt: „Zij was?””
„Ja, mijnheer, er hebben in het begin hevige twisten plaats gehad, dat kan ik u verzekeren,” hernam mijnheer Chillip, „zij is nu een schim van hetgeen zij vroeger was. In vertrouwen mag ik u wel meedeelen dat zij, sinds zijne zuster bij hen haar intrek heeft genomen, langzamerhand tot onnoozelheid is vervallen.”
„Ik kan dat gemakkelijk begrijpen.”
„Ik aarzel niet onder vier oogen te verklaren,” ging dokter Chillip voort, terwijl hij een teugje wijn nam om zich te sterken, „dat hare moeder van verdriet gestorven is en dat mevrouw Murdstone langzaam dood of krankzinnig geplaagd wordt. Zij was een vroolijk, opgewekt jong meisje, toen zij trouwde, maar hunne strengheid en zoogenaamde vroomheid hebben haar zoover gebracht. Zij gaan nu meer met haar om als haar oppassers dan als haar echtgenoot en hare schoonzuster. Zoo vertelde mevrouw Chillip mij verleden week nog. En ik kan u verzekeren, mijnheer dat de dames eene goede dosis opmerkingsgave bezitten! En mevrouw Chillip in de eerste plaats!”
„Geeft hij zich nog altijd uit voor godsdienstig?” vroeg ik en voegde er bij dat ik mij eigenlijk schaamde dat woord op dien man toe te passen.
„Gij loopt op mijne woorden vooruit, mijnheer,” antwoordde de dokter, wiens oogleden een weinig rood begonnen te worden, „deze opmerking is ook door mijne vrouw gemaakt. Mevrouw Chillip heeft mij doen opspringen van schrik en verbazing, toen zij mij meedeelde, dat mijnheer Murdstone den menschen zijn eigen beeld als dat van de Godheid voorhoudt. Ik verzeker u, mijnheer, dat gij mij wel met een veeren pen hadt kunnen omwerpen, toen mijne vrouw dat vertelde. Maar de dames zijn scherpe opmerksters, mijnheer!”
„Zij zijn dat bij instinct,” antwoordde ik tot zijn groot genoegen.
„Het verheugt mij zoo gesteund te worden in mijn oordeel, mijnheer,” hernam hij. „Het gebeurt niet dikwijls dat ik buiten mijn vak een oordeel uitspreek, dat kan ik u verzekeren. Mijnheer Murdstone houdt nu en dan redevoeringen in het openbaar en men heeft gezegd.... kortom, mevrouw Chillip heeft gezegd, dat naar mate hij grooter tyran wordt, ook zijne leerstellingen in barbaarschheid toenemen.”
„Mevrouw Chillip oordeelt ongetwijfeld volkomen juist,” zei ik.
„Mevrouw Chillip gaat zelfs zoo ver van te beweren,” ging het kleine manneke aangemoedigd voort, „dat hetgeen dergelijke menschen ten onrechte hun godsdienst noemen, niets is dan een middel om lucht te geven aan hunne kwaadaardigheid en hun hoogmoed. En,” voegde hij er met het hoofd op zijde gewend bij, „ik moet u zeggen, mijnheer, dat ik in het Nieuwe Testament geen woord vinden kan van de leer, die mijnheer en juffrouw Murdstone verkondigen.”
„Ik evenmin.”
„Intusschen,” ging de dokter voort, „worden zij algemeen gehaat, en aangezien zij iedereen, die hen haten, naar de eeuwige verdoemenis wenschen, is volgens hen het grootste gedeelte van ons dorpje daartoe aangewezen. Volgens de verklaring van mijne vrouw ondervinden zij echter thans reeds hunne straf, aangezien zij teren op hun eigen hart en dat is spoedig opgeteerd. En nu, mijnheer, moet gij mij eens vertellen of gij werkelijk uwe hersens niet te veel inspant met al dat werken? Neem mij niet kwalijk dat ik daar nog eens op terug kom.”
De warme wijn had mijnheer Chillip zoo opgewonden, dat het mij niet moeilijk viel hem van dit onderwerp op zijn eigen zaken te brengen, waarover wij nog een half uur zeer aangenaam bleven doorpraten; hij was uiterst mededeelzaam en vertelde mij dat hij te Londen was ontboden om getuigenis af te leggen voor de rechtbank betreffende iemand, die tengevolge van overmatig gebruik van sterken drank aan verstandsverbijstering lijdende was en nu in een krankzinnigengesticht moest geplaatst worden. „En ik moet u zeggen, mijnheer,” ging hij voort, „dat ik bij dergelijke gelegenheden erg zenuwachtig ben en niet kan verdragen dat men mij afsnauwt, zooals maar al te dikwerf het geval is. Ik raak dan geheel van streek. Weet gij wel hoe lang het geduurd heeft eer ik bekomen was van den schrik, dien dat manhaftige vrouwspersoon mij op het lijf heeft gejaagd bij gelegenheid van uwe geboorte, mijnheer Copperfield?”
Ik vertelde hem dat ik op weg was naar dat manhaftige vrouwspersoon; dat ik den volgenden morgen heel vroeg naar Dover zou vertrekken, waar zij woonde; dat zij een van de goedhartigste en uitnemendste vrouwen was, die ik ooit had ontmoet en dat hij zeker hetzelfde van haar zou getuigen, indien hij haar beter kende. Alleen reeds het denkbeeld dat hij haar ooit zou kunnen wederzien joeg hem een schrik door de leden. Met een flauwen glimlach zei hij: „Zoo mijnheer, is zij dat inderdaad? Waarlijk?” Tegelijkertijd riep hij echter om zijn kaars en ging naar bed alsof hij zich daar alleen veilig achtte. Wel deed de warme wijn zijn invloed nog niet gevoelen op zijn beenen, maar ik vermoed toch dat zijn pols wel eenige slagen meer in de minuut sloeg dan ooit het geval was geweest na dien avond, toen mijn tante in hare teleurstelling met den hoed naar hem geslagen had.
Doodmoe zocht ik te middernacht ook mijne kamer op, stapte den volgenden morgen in de diligence op Dover, kwam gezond en wel tegen den avond tante's huiskamer binnen, juist op het oogenblik dat zij aan de thee zat—zij droeg in den laatsten tijd een bril—en werd door haar, mijnheer Dick en de brave Peggotty, die sinds eenigen tijd het huishouden waarnam, met open armen en tranen van vreugde ontvangen. Tante lachte hartelijk bij mijn verhaal van de ontmoeting met den kleinen dokter en over het feit, dat zij in zulk een kwaden reuk bij hem stond; zij en Peggotty waren niet uitgepraat over den tweeden man van mijne arme moeder en over die „moordenares,” waarmede zij juffrouw Murdstone bedoelden en die, daarvan ben ik overtuigd, door tante nooit anders zou genoemd worden al werd zij ook met de zwaarste straffen bedreigd.