Ik had ongeveer eene maand dit leven geleid, toen de man met het houten been begon rond te stampen met een dweil en een emmer water, hetgeen mij deed vermoeden, dat er voorbereidingen getroffen werden tot de ontvangst van mijnheer Creakle en de jongens. Ik had mij hierin niet vergist, want de schoonmaakwoede strekte zich ook uit tot de schoolzaal en joeg mijnheer Mell en mij er uit, die maar moesten zien waar wij bleven. Gedurende eenige dagen liepen wij voortdurend twee of drie jonge meiden in den weg, die zich tot nu toe slechts zelden vertoond hadden; wij moesten telkens groote, dikke stofwolken trotseeren, zoodat ik ieder oogenblik moest niezen alsof Salem House een groote snuifdoos was.
Op zekeren dag deelde mijnheer Mell mij mede, dat mijnheer Creakle dien avond zou thuis komen. Na de thee vernam ik, dat hij gekomen was en nog voor ik naar bed ging, werd ik door den man met het houten been gehaald om voor hem te verschijnen.
Het gedeelte van het huis, dat mijnheer Creakle bewoonde, was vrij wat gezelliger ingericht dan het onze en hij had een aardig tuintje, dat heel mooi was, vergeleken met de stofferige speelplaats, een woestijn in miniatuur, waarin alleen kameelen en dromedarissen zich tehuis zouden hebben gevoeld. Het kwam mij hoogst vermetel van mij voor, de opmerking te durven maken, dat de gang er zoo netjes uitzag, toen ik bevend van angst op weg was naar mijnheer Creakle; ik was zoo verlegen, toen ik in zijne tegenwoordigheid verscheen, dat ik mevrouw Creakle en juffrouw Creakle, die beiden in de kamer waren, nauwelijks zag, ja, eigenlijk niets anders zag dan mijnheer Creakle, een zwaarlijvig man, met een zwaren horlogeketting, waaraan eenige dikke cachetten bengelden, gezeten in een grooten armstoel met een bierglas en een flesch naast zich.
„Zoo!” sprak mijnheer Creakle. „Is dat de jongeheer, wiens tanden moeten afgevijld worden? Draai hem eens om.”
De man met het houten been draaide mij rond, zoodat ik het plakkaat naar alle windstreken vertoonde, en nadat hij de familie in de gelegenheid gesteld had het goed te bekijken, draaide hij mij nogmaals rond met mijn gezicht naar mijnheer Creakle, en ging toen naast zijn meester staan. Mijnheer Creakle's gezicht was vuurrood en de kleine oogen lagen diep in zijn hoofd; op het voorhoofd lagen eenige dik gezwollen aderen, zijn neus was klein en zijne kin zeer breed. Hij had een kale kruin en aan de slapen een weinig dun, grijzend haar. Wat mij echter het meest trof was, dat hij geen stem scheen te hebben, maar altijd fluisterde. De inspanning, die hem dit kostte, of de bewustheid, dat hij zich niet verstaanbaar maken kon, verergerde nog de nijdige uitdrukking op zijn breed gezicht en deed de aderen nog meer opzwellen wanneer hij sprak, zoodat het mij, als ik aan dat oogenblik terugdenk, niet verwondert, dat mij deze bijzonderheid het meest trof.
„Wel,” sprak hij, „welke rapporten hebt gij over dezen jongeheer?”
„Er is niets bijzonders met hem voorgevallen,” antwoordde de man met het houten been. „De gelegenheid om kwaad te doen ontbrak geheel.”
Ik meende op te merken, dat mijnheer Creakle teleurgesteld was; doch ik meende ook op te merken, dat mevrouw en juffrouw Creakle—die ik nu voor het eerst durfde aankijken, en die beiden zeer mager waren en geen woord meespraken—niet teleurgesteld waren.
„Kom hier, jongeheer!” zei mijnheer Creakle, mij tot zich wenkend.
„Kom hier!” herhaalde de man met het houten been met hetzelfde gebaar.
„Ik heb het genoegen uw stiefvader te kennen,” fluisterde mijnheer Creakle, terwijl hij mij bij een oor nam; „hij is een braaf man met een flink karakter. Hij kent mij en ik ken hem. Kent gij mij al? Hè!” vroeg hij, terwijl hij mij met wreed genoegen in het oor kneep.
„Nog niet, mijnheer,” antwoordde ik, ineenkrimpend van pijn.
„Nog niet? Hè?” herhaalde mijnheer Creakle. „Gij zult mij spoedig leeren kennen. Hè?”
„Gij zult mijnheer Creakle spoedig leeren kennen,” herhaalde de man met het houten been. Later begreep ik, dat hij met zijne zware stem als tolk optrad tegenover de jongens.
Ik stond te beven als een riet en zei dat ik het hoopte, indien hij het verkoos. Gedurende al dien tijd had ik een gevoel alsof mijn oor langzaam in een kool vuur veranderde, zoo hard kneep hij er in.
„Ik zal u eens vertellen wat ik ben,” fluisterde mijnheer Creakle, terwijl hij mijn oor losliet met een kneep tot afscheid, die mij de tranen in de oogen bracht.
„Ik ben een Tartaar.”
„Een Tartaar,” herhaalde de man met het houten been.
„Wanneer ik zeg, dat ik iets doen wil, dan doe ik het,” zei mijnheer Creakle, „en wanneer ik zeg, dat ik iets gedaan wil hebben, dan wil ik het gedaan hebben.”.... „Iets gedaan wil hebben, dan wil ik het gedaan hebben,” herhaalde de man met het houten been.
„Ik heb een vast karakter,” ging mijnheer Creakle voort. „Dat heb ik. Ik doe mijn plicht. Dat doe ik. Mijn eigen vleesch en bloed”—terwijl hij dit zeide keek hij mevrouw Creakle aan—„is mijn eigen vleesch en bloed niet, wanneer het tegen mij opstaat. Dan verloochen ik het. Is die man hier weer geweest?” Deze laatste vraag, werd aan den man met het houten been gedaan.
„Neen,” was het antwoord.
„Neen,” zei mijnheer Creakle. „Hij weet wel beter. Hij kent mij. Laat hem wegblijven. Laat hem wegblijven,” herhaalde mijnheer Creakle, terwijl hij met de hand over de tafel streek en mevrouw Creakle aankeek, „hij kent mij. En nu hebt gij mij ook leeren kennen, jongeheer; gij kunt nu heengaan. Breng hem weg.”
Ik was heel blij, dat ik kon heengaan, want mevrouw en juffrouw Creakle wischten beiden hare oogen af en ik had even goed medelijden met haar als met mij zelven. Ik had echter nog een verzoek op het hart, dat ik niet kon uitstellen, al verwonderde het mij naderhand, dat ik den moed had gehad het te doen.
„Mag ik u iets vragen, mijnheer....”
Mijnheer Creakle fluisterde: „Zoo? Wat dan?” en keek mij aan alsof hij mij met zijne oogen wilde in brand steken.
„Och, mijnheer,” stotterde ik, „ik heb werkelijk zooveel berouw over hetgeen ik gedaan heb, maar zoudt u dit papier niet willen laten wegnemen, vóór de jongens komen....”
Of mijnheer Creakle het meende of dat hij het alleen deed om mij bang te maken, weet ik niet, maar hij sprong van zijn stoel op, zoodat ik hals over kop aftrok, zonder te wachten op het geleide van den man met het houten been en niet omziende voor ik de slaapkamer bereikt had. Toen ik bemerkte, dat ik niet vervolgd werd, begaf ik mij naar bed en lag eenige uren achtereen te beven.
Den volgenden morgen kwam mijnheer Sharp terug. Mijnheer Sharp was de eigenlijke hoofdonderwijzer en stond boven mijnheer Mell. Mijnheer Mell gebruikte de maaltijden met de jongens; mijnheer Sharp met de familie Creakle. Naar het mij voorkwam, zag mijnheer Sharp er zwak en tenger uit; hij had een grooten neus en eene manier om zijn hoofd op zijde te dragen, alsof het hem veel te zwaar was. Er lag een eigenaardige glans over zijn krullend haar, maar de eerste jongen, die terugkwam, vertelde mij terstond, dat mijnheer Sharp een pruik droeg—een half-sleetsche, zooals hij beweerde—en elken Zaterdagnamiddag uitging om zijne pruik te laten opkrullen.
Het was niemand anders dan Tommy Traddles, die mij deze mededeeling deed. Hij was de eerste jongen, die terugkeerde, en maakte zich aan mij bekend door te zeggen, dat ik zijn naam zou vinden op den rechter hoek van de deur boven den grendel. Ik antwoordde: „O, dan zijt gij Traddles?” waarop hij zei: „Juist geraden” en toen moest ik hem alles vertellen van mij zelven en van mijne familie.
Het was eene gelukkige omstandigheid voor mij, dat Traddles het eerst terugkwam. Hij had zooveel plezier in mijn plakkaat, dat hij mij de onaangename taak bespaarde van het verborgen te moeten houden, of het door de jongens een voor een ontdekt te zien. Aan elken jongen, groot, en klein, vertoonde hij het onmiddellijk bij zijne aankomst ongeveer met deze woorden: „Kijk eens hier! Wat een grap!” Gelukkig waren de meeste jongens wat neerslachtig gestemd, zoodat zij mij niet zoo in de maling namen, als ik gevreesd had. Eenige begonnen, wel is waar, als Indianen om mij heen te dansen, en een groot aantal onder hen kon de verzoeking niet weerstaan van te doen of ik een hond was, en van mij te aaien en te streelen, opdat ik hen niet zou bijten, en van „Koest, hond!” te roepen; maar al was dit heel vervelend voor mij, en al kostte het mij eenige tranen, zij waren toch niet zoo uitgelaten als ik verwacht had.
Ik werd echter nog niet als kameraad beschouwd voor J. Steerforth was aangekomen. Voor dezen jongen, die den naam had van zeer knap te zijn, er goed uitzag en ongeveer zes jaar ouder was dan ik, werd ik gebracht als voor een overheidspersoon. Hij ondervroeg mij onder een afdak op de speelplaats over de bijzonderheden van mijn misdrijf, en was daarna wel zoo goed te zeggen, dat het „mooi schande” was mij zoo te straffen, voor welke woorden ik hem eeuwig dankbaar beloofde te blijven.
„Hoeveel geld hebt gij medegebracht, Copperfield?” vroeg hij naast mij loopende, nadat hij zijn oordeel op bovengenoemde wijze had uitgesproken.
Ik vertelde hem, dat ik nog in het bezit was van zeven shillings.
„Gij deedt beter mij die te geven, om ze te bewaren,” zeide hij. „Dat wil zeggen: gij kunt dat doen als gij het goed vindt. Gij behoeft het niet te doen als gij het niet goed vindt.”
Ik haastte mij zijn vriendelijken raad op te volgen en schudde Peggotty's beursje in zijne hand ledig.
„Zoudt gij er nu ook iets van willen uitgeven?” vroeg hij.
„Neen, dank u”, antwoordde ik.
„Gij kunt het, als gij wilt, begrijpt gij?” vervolgde Steerforth. „Gij hebt slechts één woord te spreken.”
„Neen, dank u, mijnheer,” herhaalde ik.
„Misschien zoudt ge wel een paar shillings willen uitgeven voor een flesch bessenwijn; wij kunnen die dan straks op de slaapkamer leegdrinken,” zei Steerforth. „Ik heb gezien, dat gij bij mij op de kamer slaapt.”
Zoo iets was zeker nog nooit bij mij opgekomen, maar ik zei: „Ja, dat zou ik wel willen doen.”
„Heel goed,” hernam Steerforth. „Het zal u zeker wel aangenaam zijn een anderen shilling te besteden aan amandelkoekjes?” voegde hij er bij.
„Ja,” zei ik, „dat zou ik heel aangenaam vinden.”
„En een shilling of zoo aan biscuits en een aan vruchten, hé?” vervolgde Steerforth. „Het moet maar op, Copperfieldje!”
Ik glimlachte omdat hij ook glimlachte, maar ik was toch niet bijzonder in mijn schik.
„Wel,” zij hij, „wij moeten er een zoo goed mogelijk gebruik van maken, dat is alles. Ik zal mijn best voor u doen. Ik kan uitgaan, wanneer ik wil, en zal alles wel binnensmokkelen.” Met deze woorden stak hij al het geld in den zak en zei allervriendelijkst, dat ik er niet de minste moeite mede mocht hebben; hij zou wel zorgen, dat alles in orde kwam.
Steerforth hield zijn woord indien namelijk „in orde” mocht genoemd worden hetgeen ik heimelijk meende, dat volstrekt niet in orde was; ik had het gevoel, dat ik de twee halve kronen mijner moeder op de schromelijkste wijze verkwistte, al had ik het papier, waarin ze gerold waren geweest, als een kostbaar aandenken bewaard. Toen wij op de slaapkamer waren, om naar bed te gaan, had hij de zeven shillings omgezet in allerlei lekkernijen, die hij op mijn bed zette, zeggende: „Ziedaar, kleine Copperfield, het is een koninklijk maal, dat ik u breng.”
Ik kon er niet aan denken de honneurs waar te nemen, terwijl hij er bij was; hij, die zooveel ouder was dan ik; mijne hand beefde bij het denkbeeld. Ik verzocht hem mij de gunst te willen bewijzen van president te zijn en aangezien mijn verzoek door de andere jongens ondersteund werd, gaf hij er gehoor aan en ging op mijn kussen zitten om alles rond te deelen met de grootste onpartijdigheid—dat moet ik zeggen. De bessenwijn ging rond in een klein glaasje zonder voet, dat zijn bijzonder eigendom was. Ik zat aan zijne linkerhand, terwijl de andere jongens om ons heen gegroepeerd waren, op den vloer en op de andere bedden.
Hoe duidelijk zie ik ons daar nog zitten, niet anders dan fluisterend durvende spreken; of liever ik durfde niet anders dan fluisteren, terwijl de anderen hardop spraken. Het licht der maan scheen in onze kamer en teekende het venster, waardoor het binnenviel, verkleind op den grond; terwijl wij in het donker zaten, behalve wanneer Steerforth een lucifer aanstak om iets op onze tafel te zoeken; dan verspreidde zich een blauwachtig schijnsel over ons, dat terstond weder verdween. Een zeker geheimzinnig gevoel, opgewekt door de duisternis om ons heen, door het bleeke maanlicht en het op fluisterenden toon gevoerde gesprek, maakte zich opnieuw van mij meester; naar alles wat zij mij vertelden, luisterde ik met een onbestemd gevoel van diep ontzag en tevens van angst, zoodat ik heimelijk blijde was, dat zij allen om mij heen zaten en—hoewel ik veinsde te lachen—inwendig beefde toen Traddles beweerde, dat er een spook zat in een van de hoeken.
Ik vernam allerlei dingen omtrent de school en wat daartoe behoorde. Ik vernam, dat mijnheer Creakle niet zonder grond beweerde, een Tartaar te zijn, dat hij de strengste en onmeedoogendste meester was, die er bestond; dat hij elken dag om zich heen sloeg, rechts en links, op de jongens inrende en hen onbarmhartig ranselde. Dat hij zelf niets kende dan de wijze, waarop hij het best kon ranselen en—Steerforth verklaarde het—nog dommer was dan de domste jongen; dat hij, vele jaren geleden, een eenvoudig koopman in hop geweest was en een school had opgezet, nadat hij bankroet gemaakt had in de hop en het geld van mevrouw Creakle verdwenen was. En nog veel meer dergelijke verhalen werden mij gedaan; terwijl ik mij verbaasde hoe de jongens ze wisten.
Ik vernam ook dat de man met het houten been Tungay heette en een onhandelbare barbaar was; hij had medegedaan in de hop en was aan de school verbonden, omdat hij, volgens sommige jongens, zijn been gebroken had in dienst van mijnheer Creakle, allerlei oneerlijke handelingen met mijnheer Creakle bedreven had en al diens geheimen kende. Ik vernam, dat Tungay allen, die tot de inrichting behoorden, meesters zoowel als jongens,—mijnheer Creakle uitgezonderd—als zijne natuurlijke vijanden beschouwde en dat zijn eenige genoegen daarin bestond altijd knorrig en kwaadaardig te zijn. Ik vernam dat mijnheer Creakle een zoon had, die geen vriend was geweest van Tungay en die, in de school helpende, zich eens verzet had tegen zijn vader, toen deze eene bijzonder wreede tuchtiging had bedacht; ook zou hij—maar dit wist men niet zeker—zijn opgekomen tegen de wijze, waarop mijnheer Creakle zijne moeder behandelde. Mijnheer Creakle zou hem toen de deur hebben gewezen en mijnheer en mevrouw Creakle zouden na dien tijd steeds in onmin geleefd hebben en nog leven.
Het verwonderlijkste, dat ik echter aangaande mijnheer Creakle vernam, was dat er één jongen op de school was, dien hij het niet waagde ook maar met een hand aan te raken en dat deze jongen J. Steerforth was. Steerforth bevestigde dit verhaal zelf en voegde er bij, dat hij wel eens zou willen zien, dat mijnheer Creakle het probeerde. Toen een van de zachtzinnigste jongens (ik niet) hem vroeg, wat hij dan zou doen, stak hij een lucifer af, opdat wij niet alleen zouden hooren, maar ook zouden zien wat hij doen zou. „Ik zou hem,” zei hij, „een slag geven met de inktflesch tegen het voorhoofd, zoodat hij neerviel als een gedolde stier.” Wij zaten na dit antwoord eenigen tijd sprakeloos en ademloos in het duister.
Ik vernam, dat mijnheer Sharp en mijnheer Mell, volgens het vermoeden van de jongens, erbarmelijk betaald werden en dat, wanneer er warm en koud vleesch op mijnheer Creakle's tafel was, van mijnheer Sharp altijd verwacht werd, dat hij het koude vleesch zou verkiezen; dit werd al weder door J. Steerforth bevestigd, de eenige jongen die wel eens aan mijnheer Creakle's tafel at. Ik vernam, dat mijnheer Sharp's pruik hem niet paste en hij er niet zoo mede behoefde te pronken—„er mee te geuren,” zei een van de jongens—want dat zijn roode haren er van achteren toch onderuit kwamen.
Ik vernam, dat van een jongen, een zoon van een kolenkoopman, de schoolrekening met kolen betaald werd en hij daarom „Wissel- of Ruilhandel” genoemd werd, een naam, dien men in een der rekenboeken gevonden had. Ik vernam, dat het bier aan tafel een middel was om de ouders af te zetten, en dat de pudding niets was dan bedrog. Ik vernam dat men algemeen geloofde, dat juffrouw Creakle verliefd was op Steerforth, en ik moet zeggen, toen ik daar in het donker zijne welluidende stem hoorde en aan zijn knap gezicht, zijne aangename manieren en zijn krullekop dacht, toen achtte ik dit volstrekt niet onwaarschijnlijk. Ik vernam, dat mijnheer Mell over het geheel niet kwaad was, maar dat hij nooit een stuiver op zak had en dat de oude juffrouw Mell, zijne moeder, zoo arm was als Job. Ik dacht toen aan mijn ontbijt in Londen en aan iets, dat geklonken had als „mijn Karel,” maar ik zweeg hierover als een muis; ik herinner mij dat altijd nog met genoegen.
Al deze en nog vele andere verhalen duurden nog voort, toen het souper reeds was afgeloopen. Het grootste gedeelte van de gasten was naar bed gegaan, toen er niets meer te eten en te drinken was; en wij, die half ontkleed waren blijven fluisteren en luisteren, volgden eindelijk hun voorbeeld.
„Goeden nacht, Copperfieldje”, zei Steerforth. „Ik zal voor u zorgen, hoor!”
„Gij zijt wel vriendelijk”, antwoordde ik dankbaar. „Ik ben u zeer verplicht.”
„Hebt gij ook eene zuster?” vroeg hij geeuwende.
„Neen”, antwoordde ik.
„Dat is jammer”, hernam hij. „Indien gij er eene hadt, zou zij zeker een mooi, lief, klein meisje zijn met schitterende oogjes. Ik zou dan wel eens kennis met haar willen maken. Goeden nacht, Copperfieldje.”
„Goeden nacht, mijnheer”, antwoordde ik.
Toen ik te bed lag, moest ik voortdurend aan hem denken, en ik herinner mij, dat ik in bed ging opzitten om hem te zien, zooals hij daar door de maan beschenen in bed lag, met zijn mooi gezicht naar mij toe en den arm onder het hoofd. Hij was in mijne oogen iemand, die veel had in te brengen, en daarom was mijne ziel zoo met hem vervuld. Van de schaduw, die de toekomst over zijn beeld zou werpen, was nog niets te zien. Zijne voetstappen hadden nog geen sporen achtergelaten in den heerlijken tuin, waarin ik dien geheelen nacht in mijne droomen met hem wandelde.