VII. Mijn eerste halfjaar op Salem House.

D

Den volgenden dag begon de school. Ik herinner mij nog zeer goed, welk een indruk het op mij maakte, toen het gegons der stemmen in het schoollokaal plotseling ophield—mijnheer Creakle stond in de deur en keek op ons neer, zooals de reus uit het sprookje op zijn slachtoffers. Tungay stond naast hem, maar behoefde, naar het mij voorkwam, volstrekt niet zoo doordringend „Stilte!” te roepen, want alle jongens zaten zwijgend en onbewegelijk op hunne plaatsen.

Wij zagen mijnheer Creakle spreken en hoorden Tungay het volgende uitbulderen:

„Nu, jongens, zijn wij aan het begin van een nieuw halfjaar. Past op, dat gij uw best doet in dit halfjaar. Leert uwe lessen flink, want ik sla er flink op los. Ik zal niet zwak zijn. Het helpt niet of gij u al wrijft; de striemen blijven toch zichtbaar. En nu, alle jongens aan het werk!”

Toen deze geduchte toespraak geëindigd was en Tungay stampend was heengegaan, kwam mijnheer Creakle naar de plaats, die mij aangewezen was en vertelde mij, dat als ik zoo'n kwade bijter was, hij ook een kwade bijter zijn kon. Hij liet mij toen een Spaansch riet zien en vroeg mij of ik niet dacht, dat dit ook voor tand kon dienen? Was het een scherpe tand, zeg? Was het een oogtand, zeg? Was het er een met een scherpe punt, zeg? Beet hij goed, zeg? Beet hij goed? Bij elke vraag gaf hij mij een slag met het riet, die mij deed krimpen van de pijn; ik was dus al heel spoedig thuis op Salem House—zooals Steerforth later zei—en ook heel spoedig in tranen.

Ik heb niet willen zeggen, dat alleen mij zulk eene onderscheiding te beurt viel, integendeel, aan een groot aantal jongens—vooral aan de kleinsten—werd dezelfde eer bewezen, toen mijnheer Creakle de school rondging. De helft van de jongens zaten, nog voor de les begon, te wrijven en te schreien; en hoeveel er nog gewreven en geschreid hadden voor de dagtaak was afgedaan, durf ik niet neerschrijven, uit vrees, dat men mij van overdrijving zou beschuldigen.

Ik geloof, dat er nooit een man geleefd heeft, die meer van zijn beroep genoot dan mijnheer Creakle. Hij vond het bepaald een genot de jongens te ranselen, zooals een hongerig mensch geniet van een goeden maaltijd. Ik merkte op, dat hij het vooral op dikke jongens gemunt had; zulke jongens schenen een toovermacht op hem uit te oefenen, zoodat hij geen rust scheen te hebben, eer hij hen weder had afgerost. Ik behoorde blijkbaar niet tot de mageren, zooals ik maar al te gevoelig ondervond. Wanneer ik nu nog aan dien „kerel” denk, begint mijn bloed te koken van dezelfde onpartijdige verontwaardiging, die in mij zou opkomen, indien ik alles van hem wist zonder ooit in zijn macht te zijn geweest; maar het kookt over, omdat ik hem heb leeren kennen als een redeloos dier, als iemand, die niet meer recht had op het vertrouwen, dat hij genoot, dan op eene aanstelling als Admiraal van de vloot of Commandant van het leger; in beide betrekkingen zou hij zeker minder onheil gesticht hebben dan in die van opvoeder der jeugd.

En wij, kleine aanbidders van een onbarmhartigen afgod, wij kropen voor hem! Wanneer ik nu aan dit begin van ons eigenlijk leven terugdenk, o hoe komt mijn ziel dan in verzet tegen zulk eene laagheid! Hoe vreeselijk om zoo slaafsch onderworpen te zijn aan zulk een onmensch!

Daar zit ik in gedachten weder aan mijn lessenaar, naar hem opkijkende—ootmoedig naar hem opkijkende, terwijl hij een rekenschrift linieert voor een ander slachtoffer, wiens hand juist kennis heeft gemaakt met dezelfde liniaal en die nu de striemen poogt weg te wrijven met een zakdoek. Ik heb werk genoeg. Het is geen luiheid van mij dat ik hem zit aan te kijken, maar omdat ik in zijne oogen wil lezen wat hij verder doen zal, en of ik zelf het eerstvolgende slachtoffer zijn zal, dan wel een ander. Een geheele rij jongens van mijne grootte staren hem met dezelfde angstige belangstelling aan. Ik vermoed dat hij het wel ziet, al beweert hij het tegendeel. Onder het liniëeren trekt hij allerlei leelijke gezichten en nu valt zijn oog plotseling op onze rij en wij kijken in onze boeken en beven over al onze leden. In het volgende oogenblik zijn onze blikken weder op hem gevestigd. Een ongelukkig slachtoffer, dat zijne thema's niet netjes genoeg heeft geschreven, nadert op zijn bevel. De schuldige stottert eene verontschuldiging en belooft het den volgenden dag beter te zullen doen. Mijnheer Creakle zegt een aardigheid voor hij hem begint te ranselen, en wij—wij lachen! Ellendige kleine slaven, wij lachen, met gezichten zoo bleek als de muur en het hart in de schoenen!

Daar zit ik weder aan mijn lessenaar. Het is een heete, loome zomernamiddag. Er is een gebrom en gegons in de zaal alsof er paardevliegen in plaats van jongens om mij heen zitten. Ik heb nog den nasmaak in den mond van het walgelijk vette, lauwe vleesch—wij hebben eenige uren geleden het middagmaal gebruikt—en mijn hoofd is zoo zwaar als lood. Ik zou wel, ik weet zelf niet wat, willen geven als ik mocht slapen. Terwijl ik elke beweging van mijnheer Creakle met de oogen volg, zit ik te knipoogen als een jonge uil. Op een oogenblik overmant mij de slaap, maar ik blijf hem toch zien liniëeren; daar nadert hij zachtjes en wekt mij met een bloedigen striem over mijn rug.

Nu ben ik op de speelplaats en ofschoon ik hem niet zien kan, oefenen zijne oogen toch macht op mij uit. Het venster van de kamer, waar hij zit te eten—en dat weet ik—vervult die taak, en mijne oogen zijn er voortdurend op gevestigd. Als zijn gelaat daar zichtbaar wordt, neemt het mijne eene smeekende, onderdanige uitdrukking aan. Als hij door het venster kijkt, blijft de onverschrokkenste jongen—Steerforth uitgezonderd—steken in een vreugdekreet of in zijn spel en staart peinzend voor zich uit. Op zekeren dag gooit Traddles—de ongelukkigste jongen van de wereld—een van de ruiten van dat venster in met een bal. Ik huiver nog wanneer ik aan dat vreeselijk oogenblik denk; toen ik het zag gebeuren, onmiddellijk beseffende, dat de bal op mijnheer Creakle's heilig hoofd moest zijn neergekomen!

Arme Traddles! In zijn nauw hemelsblauw buisje, waarin zijne armen op Duitsche worsten geleken, was hij de vroolijkste en ongelukkigste van ons allen. Hij kreeg altijd slaag—ik geloof, dat hij in dit half jaar elken dag slaag kreeg behalve op een Pinkster-Maandag, toen hij alleen maar met de liniaal op beide handen geslagen werd—en zou er altijd aan zijn oom over schrijven, maar deed het nooit.

Na eenige oogenblikken met het hoofd op de lessenaar gelegen te hebben, richtte hij zich weder op, begon te lachen en geraamten te teekenen op zijne lei, nog eer zijne oogen droog waren. In het eerst vroeg ik mij zelven met verbazing af, welke troost Traddles vinden kon in het teekenen van geraamten, ja, zelfs beschouwde ik hem eenigen tijd als een soort kluizenaar, die zich door dit symbool van de sterfelijkheid telkens weder wilde te binnen brengen, dat slaag krijgen toch niet eeuwig kon duren. Nu geloof ik echter, dat hij het alleen deed, omdat ze gemakkelijk te teekenen en er geen gelaatstrekken bij noodig zijn.

Traddles was een beste, edele jongen, die het als een heilige plicht beschouwde van jongens om elkander trouw te blijven. Hij moest daarvoor bij verscheidene gelegenheden zwaar boeten; vooral op zekeren Zondag, toen Steerforth in de kerk gelachen had en de kerkeknecht, meenende, dat Traddles de schuldige was, dezen wegjoeg. Ik zie hem nog wegbrengen, door de geheele gemeente veracht. Nooit heeft hij gezegd wie de dader was, hoewel hij er zwaar voor werd gestraft en zoo lang opgesloten werd, dat hij terugkomende zijn Latijnsch woordenboek geheel met geraamten had overdekt—genoeg voor een kerkhof vol. Hij werd echter beloond, want Steerforth zei, dat Traddles nimmer een lafhartigheid zou kunnen begaan en wij allen voelden, dat hem geen grooter lof kon worden geschonken. Wat mij aangaat, ik zou veel voor hem hebben kunnen verdragen—al was ik niet half zoo dapper en ook veel jonger dan Traddles—om zulk eene belooning te verdienen.

Steerforth naar de kerk te zien wandelen, gearmd met juffrouw Creakle, was een schouwspel, dat ik nooit heb kunnen vergeten. Ik was van oordeel, dat juffrouw Creakle lang zoo mooi niet was als de kleine Emily en ik was ook niet verliefd op haar—ik zou het niet gedurfd hebben—; maar ik vond haar een allerliefst en aantrekkelijk meisje. Wanneer Steerforth met zijn witte broek haar parasol mocht dragen, was ik er trotsch op hem Steerforth te mogen noemen; ik meende, dat zij hem niet alleen moest liefhebben, maar hem moest aanbidden. Mijnheer Sharp en mijnheer Mell waren in mijne oogen achtenswaardige personen, maar zij stonden tot Steerforth in dezelfde verhouding als de sterren tot de zon.

Steerforth ging voort mij te beschermen en bleek een zeer nuttig vriend voor mij te zijn, want geen van de jongens waagde het iemand te plagen, dien hij zijne vriendschap waardig keurde. Hij kon mij niet verdedigen—ten minste hij deed het niet—tegen mijnheer Creakle, die zeer streng voor mij was; maar wanneer ik eens erger mishandeld was dan gewoonlijk, zei hij altijd, dat ik wat van zijn moed moest overnemen en dat hij het niet zou hebben verdragen; ik begreep, dat hij dit zeide om mij aan te moedigen en vond het zeer vriendelijk van hem. Er was ééne goede zijde, maar ook slechts ééne, in mijnheer Creakle's overdreven gestrengheid. Het plakkaat zat hem in den weg, wanneer hij achter de bank doorging, waarop ik zat, en mij in het voorbijgaan wilde afrossen; om deze reden werd het spoedig verwijderd en zag ik het nooit terug.

Eene toevallige omstandigheid versterkte den vriendschapsband tusschen Steerforth en mij op eene wijze, die niet weinig mijne eigenliefde streelde en mij groote voldoening schonk, hoewel er somtijds wel eens onaangenaamheden uit voortvloeiden. Bij zekere gelegenheid, dat hij mij de eer bewees op de speelplaats tegen mij te spreken, waagde ik de opmerking, dat iets of iemand—ik weet het nu niet meer—leek op iets of iemand in Peregrine Pickle. Hij antwoordde niet op deze opmerking, doch toen wij des avonds naar bed gingen, vroeg hij mij of ik dat boek had.

Ik antwoordde, dat ik het niet had en vertelde hem toen ook, wanneer ik dat boek en alle andere boeken, waarvan ik reeds vroeger melding maakte, gelezen had.

„En hebt gij er wat van onthouden?” vroeg Steerforth.

„O, zeker,” antwoordde ik, „ik heb een goed geheugen en zal er zeker wel wat van onthouden hebben.”

„Dan zal ik u eens wat zeggen, kleine Copperfield; gij moet er mij van vertellen. Ik kan 's avonds nooit in slaap komen en word 's morgens altijd veel te vroeg wakker. Wij zullen ze allen een voor een doorloopen. Wij zullen er ware Arabische nachten van maken.”

Ik voelde mij uitermate gestreeld door deze afspraak en wij brachten ons plan reeds denzelfden avond ten uitvoer. Hoe ik mijne uitverkoren schrijvers mishandelde, terwijl ik hunne verhalen trachtte na te vertellen, kan ik nu niet meer zeggen en zou ik ook niet gaarne weten; maar ik beschouwde al hetgeen ik van hen gelezen had, als de zuivere waarheid en voor zoover ik het mij herinneren kan, vertelde ik alles op eenvoudige, ernstige wijze, en deze beide eigenschappen hielpen er mij goed doorheen.

De keerzijde van de medaille was, dat ik 's avonds dikwijls slaperig of niet helder was en dientengevolge weinig lust had om mijn verhaal te beginnen; dan was het eene moeielijke taak, maar zij moest toch afgedaan worden, want Steerforth teleur te stellen kwam zelfs niet in mij op. Ook 's morgens, wanneer ik nog heel gaarne een uurtje zou hebben geslapen, was het verre van aangenaam, gewekt te worden, evenals de sultane Scheherezade, en eene lange geschiedenis te vertellen voor de bel werd geluid, die het sein gaf om op te staan; maar Steerforth bleef op zijn stuk staan en wanneer hij mij dan hielp bij mijne sommen en thema's of mij iets, dat te moeilijk voor mij was, uitlegde, was ik in geenen deele de verliezende partij. Laat ik echter rechtvaardig zijn jegens mij zelven. Ik werd volstrekt niet door zelfzuchtige beweegredenen gedreven, noch door vrees voor hem. Ik bewonderde hem en hield van hem en zijn tevreden gezicht was belooning genoeg voor mij. Ik schatte die belooning zoo hoog, dat ik met weemoed aan al deze beuzelarijen terugdenk. Steerforth was ook steeds bezorgd voor mij en toonde dit bij zekere gelegenheid op in het oog loopende wijze; voor den armen Traddles en de overige jongens was dit eene ware Tantaluskwelling. Al heel spoedig namelijk kwam Peggotty's brief—welk een heerlijke brief was dat!—vergezeld van een koek, eenige sinaasappelen en twee flesschen kruidenwijn. Zooals de plicht het gebood, legde ik dezen schat aan de voeten van Steerforth, met verzoek uitdeeling te houden.

„Ik zal u eens wat vertellen, Copperfieldje,” zei hij; „wij zullen den wijn bewaren om uw keel te smeren wanneer gij aan het vertellen zijt.”

Ik bloosde bij de gedachte aan zulk een zelfzuchtig gebruik en verzocht hem in mijne bescheidenheid, dat denkbeeld te laten varen. Hij zeide echter opgemerkt te hebben dat ik wat schor was—wat schraperig, zei hij eigenlijk—en daarom zou geen droppel op andere wijze gebruikt worden dan hij had besloten. Dientengevolge werden de flesschen in zijn koffer weggesloten, door hem zelven overgegoten in een medicijnfleschje en wanneer ik een hartversterking noodig had, mocht ik er wat van gebruiken door een penneschacht, die door de kurk gestoken was. Ten einde het middel wat krachtiger te maken, kneep hij er nu en dan een sinaasappel in uit of liet hij er pepermunt of gemberkoekjes in smelten en hoewel ik niet kan toegeven, dat door deze bijvoegsels de smaak werd verhoogd, of dat dit mengsel nu bepaald gekozen zou zijn voor eene maagversterking—hetzij des morgens of des avonds—slurpte ik het toch dankbaar op en was zeer gevoelig voor zijne herhaalde oplettendheden voor mij.

Het komt mij nu voor alsof wij maanden aan Peregrine en nog eens maanden aan de overige verhalen besteed hebben. Ik ben overtuigd, dat het nooit haperde, omdat ik uitverteld was en de hoeveelheid wijn was even rekbaar als de stof. Traddles—ik kan nooit aan dien jongen denken zonder een eenigszins vreemdsoortigen aandrang tot lachen, terwijl mij tevens tranen in de oogen komen—trad gewoonlijk op als publiek en deed, alsof hij bij de grappige gedeelten een stuip kreeg van het lachen en alsof de angst hem om het hart sloeg, wanneer het verhaal een akelige wending nam. Meermalen werd ik door zijne hartstochtelijke uitbarstingen afgeleid. Een van zijne grappen bestond in de bewering, dat hij het klappertanden niet kon nalaten, wanneer er sprake was van een Alguazil in verband met de avonturen van Gil Blas en ik herinner mij nog, dat toen Gil Blas den rooverkapitein in Madrid ontmoette, de onverbeterlijke grappenmaker zich uit louter angst—zooals hij beweerde—zoo aanstelde, dat mijnheer Creakle, die op de gang spionneerde, hem hoorde en hem een pak ransel gaf wegens wanordelijk gedrag op de slaapzaal.

Al het romantische en droomerige in mijne natuur werd door dit sprookjes vertellen in het donker in geen geringe mate opgewekt en uit dat oogpunt zal het waarschijnlijk niet in mijn belang zijn geweest. Ik voelde dit toen reeds eenigszins, maar dat ik op onze kamer geliefkoosd werd als een stuk speelgoed, wetende, hoe er over mijn talent als verteller onder de jongens werd gesproken en dat ik, hoewel de jongste, daaraan een zeker aanzien te danken had, dat alles spoorde mij aan om er mede voort te gaan. Het is zeer onwaarschijnlijk, dat in eene school, waar wreedheid aan het roer is, al staat er geen domkop aan het hoofd, veel geleerd zal worden. Ik geloof dat onze jongens in het algemeen dommer waren dan welke andere jongens ook van onzen leeftijd; zij waren steeds bevreesd voor slaag—wanneer zij namelijk een pak gehad hadden—zoodat zij niet in staat waren hunne aandacht aan het leeren te wijden; zij konden dat evenmin met lust en ijver doen, als iemand iets met lust en ijver doen kan, die voortdurend geplaagd en mishandeld wordt en zich ongelukkig gevoelt. Mijne kinderlijke ijdelheid dreef mij echter met de hulp van Steerforth voort en zonder mij voor veel—zoo al voor eenige—straf te vrijwaren, was ik toch gedurende den tijd, dien ik op Salem House doorbracht, eene uitzondering op den algemeenen regel in zoover ik nog eenige, zij het ook weinige, kennis opdeed. Ik werd hierin zooveel mogelijk bijgestaan door mijnheer Mell, die veel van mij toonde te houden, waarvoor ik hem thans nog dankbaar ben. Het deed mij altijd onaangenaam aan, wanneer ik opmerkte, dat Steerforth hem met stelselmatige minachting behandelde en zelden eene gelegenheid liet voorbijgaan, om hem te kwetsen of anderen op te zetten het te doen. Dit kwelde mij langen tijd, te meer, omdat ik reeds heel spoedig aan Steerforth, voor wien ik evenmin een geheim kon bewaren als een koekje of eenig ander tastbaar voorwerp, verteld had, dat Mijnheer Mell mij medegenomen had naar twee oude juffrouwen en wat ik daar beleefd had; ik verkeerde na dien tijd in voortdurenden angst, dat Steerforth het aan het licht zou brengen of er hem een verwijt van maken.

Wij konden niet vermoeden—geen van beiden, durf ik zeggen—toen ik dien morgen mijn ontbijt gebruikte en in de schaduw van de pauwenveeren, bij het liefelijk fluitspel, in slaap viel, welke gevolgen het bezoek van mijn onbeteekenend persoontje in dit hofje hebben zou. Toch zou het onverwachte en in hunne soort zeer ernstige gevolgen hebben.

Op zekeren dag, dat mijnheer Creakle wegens ongesteldheid zijne kamer hield, hetgeen natuurlijk met onverdeelde vreugde werd vernomen, ging het gedurende de morgenuren zeer onstuimig toe in de school. De verademing en de blijdschap waren oorzaak, dat de meeste jongens onhandelbaar waren en hoewel de gevreesde Tungay twee of drie malen op zijn houten been kwam binnenstampen en de namen van eenige belhamels opschreef, maakte dit weinig indruk. Zij wisten immers zeker, dat zij den volgenden dag toch weder afgerost zouden worden, wat zij ook deden of nalieten, en gaven er daarom wijselijk de voorkeur aan, dien dag eens flink den baas te spelen.

Het was eigenlijk maar een halve dag, want het was Zaterdag; maar aangezien het leven op de speelplaats mijnheer Creakle gehinderd zou hebben en het weder niet gunstig was voor eene wandeling, werden wij in de school gehouden en kregen wij wat minder moeilijk werk dan gewoonlijk. Het was ook de dag, dat mijnheer Sharp uitging om zijne pruik te laten opkrullen, zoodat mijnheer Mell, die altijd de onaangenaamste baantjes kreeg, alleen in de school was.

Indien ik het begrip „beer of stier” kon verbinden aan iemand, zoo zachtmoedig als mijnheer Mell, zou ik zeggen, dat hij dien namiddag, toen het tumult het toppunt bereikt had, zeer veel overeenkomst vertoonde met zulk een dier, wanneer het door duizend honden wordt vervolgd en opgejaagd. Ik zie hem nog voor mij, met het gloeiende hoofd in de magere hand, gebogen over het groote boek op zijne schrijftafel en te vergeefs beproevend voort te gaan met zijn vervelend en eentonig werk te midden van een kabaal, dat zelfs den voorzitter van het Lager Huis zou hebben doen duizelen. De jongens zaten geen oogenblik op hunne plaatsen, speelden stuivertje verwisselen in de hoeken van de zaal; daar waren lachende jongens, zingende jongens, pratende jongens, dansende jongens, brullende jongens; daar waren jongens, die met hunne voeten zaten te schuifelen, jongens, die om mijnheer Mell heendraaiden, jongens, die grijnsden, die leelijke gezichten trokken of grimassen maakten achter zijn rug, den spot dreven met zijne armoede, zijne laarzen, zijn jas, zijne moeder, ja met alles, dat hem toebehoorde en—dat zij hadden behooren te eerbiedigen.

„Stilte!” riep mijnheer Mell, terwijl hij plotseling opstond en met zijn boek op de lessenaar sloeg. „Wat moet dat beduiden? Dat is niet uit te staan! Het is om razend te worden! Hoe kunt gij mij dat nu aandoen, jongens?”

Het was mijn boek, waarmede hij op de tafel sloeg, en terwijl ik naast hem stond en den blik volgde, waarmede hij de zaal rondkeek, zag ik dat de jongens ophielden; sommige schenen verrast, andere bevreesd, enkelen gevoelden wellicht spijt.

Steerforth's plaats was aan het andere einde van de lange zaal. Hij leunde met den rug tegen den muur, had de handen in de zakken en toen mijnheer Mell sprak, keek hij hem aan en begon te fluiten.

„Stilte, jongeheer Steerforth!” riep mijnheer Mell.

„Houd zelf je mond,” gaf Steerforth terug, met een kleur als vuur. „Tegen wien spreekt gij?”

„Ga zitten,” zei mijnheer Mell.

„Ga zelf zitten,” antwoordde Steerforth, „en doe je werk.”

Er werd gegiegel en een zacht applaus gehoord, maar mijnheer Mell was zoo bleek geworden, dat er onmiddellijk stilte volgde en een jongen, die achter hem geslopen was om op nieuw zijne moeder na te apen, hield plotseling op en gaf voor dat zijne pen vermaakt moest worden.

„Indien gij meent, Steerforth,” zei mijnheer Mell, „dat ik niet weet welk eene macht gij op iedereen hier oefent”—hij legde, zonder te weten wat hij deed, veronderstel ik, zijne hand op mijn hoofd—„of dat ik niet heb opgemerkt, hoe gij de kleintjes opzet tegen mij, dan vergist gij u.”

„Ik geef mij zelfs de moeite niet om over je te denken,” antwoordde Steerforth op onverschilligen toon; „er is dus van vergissen geen sprake.”

„En zoo gij van uwe bevoorrechte positie in dit huis gebruikt maakt om een fatsoenlijk man te beleedigen,” vervolgde mijnheer Mell met trillende lippen....

„Een wat?.... Waar is die?” vroeg Steerforth.

Op dit oogenblik riep een van allen: „Schaam je, Steerforth! Dat is te erg!” Het was Traddles, wien mijnheer Mell, door hem te verzoeken zijn mond te houden, onmiddellijk uit het veld sloeg.

.... „Iemand te beleedigen, die niet gelukkig is in zijn leven en u nooit iets heeft misdaan; terwijl gij oud en wijs genoeg zijt om de vele redenen te begrijpen, die er zijn om hem niet te beleedigen,” vervolgde mijnheer Mell, terwijl zijne lippen hoe langer hoe heviger begonnen te trillen, „dat is laag en karakterloos. Gij kunt opstaan of blijven zitten, zooals gij verkiest, jongeheer Steerforth. Ga voort, Copperfield.”

Copperfieldje,” zei Steerforth nadertredende, „wacht nog even. Ik zal u eens vooral wat vertellen, mijnheer Mell. Als gij de vrijheid neemt mij laag en karakterloos te noemen of iets van dien aard, zijt gij een onbeschaamde bedelaar. Gij zijt altijd een bedelaar, begrijpt gij, maar als gij dat doet, zijt gij een onbeschaamde bedelaar.”

Ik weet niet of hij mijnheer Mell te lijf wilde of dat mijnheer Mell hem wilde slaan, of dat beiden dat plan hadden. Ik zag echter plotseling de geheele school als het ware versteenen; ik zag mijnheer Creakle midden tusschen ons staan met Tungay aan zijne zij; ik zag mevrouw en juffrouw Creakle met den angst op het gelaat door de geopende deur kijken. Mijnheer Mell stond roerloos met de ellebogen op zijn lessenaar en het gelaat in zijne handen begraven.

„Mijnheer Mell,” zei mijnheer Creakle, terwijl hij hem bij een arm heen en weer schudde—hij sprak nu zoo verstaanbaar, dat Tungay zijne woorden niet behoefde te herhalen—„gij hebt u zelven immers niet vergeten, hoop ik?”

„Neen, mijnheer, neen,” antwoordde mijnheer Mell, terwijl hij hem hoofdschuddend aankeek en in de grootste vertwijfeling in zijne handen wreef. „Neen, mijnheer. Neen. Ik ben mij zelven gebleven, mijnheer. Neen, mijnheer Creakle, ik heb mij zelven niet vergeten.... ik.... ik ben mij zelven gebleven, mijnheer. Ik wilde wel, dat gij wat eerder aan mij gedacht hadt, mijnheer Creakle. Dat..... dat zou vriendelijker geweest zijn, mijnheer, veel vriendelijker en rechtvaardiger ook, mijnheer. Dat zou mij iets bespaard hebben, mijnheer.”

Mijnheer Creakle keek hem strak aan, legde zijne hand op Tungay's schouder, zette den voet op de naastbij zijnde bank en ging op de lessenaar zitten. Na nogmaals mijnheer Mell strak aangekeken te hebben, terwijl deze voortging zenuwachtig in de handen te wrijven, keerde mijnheer Creakle zich tot Steerforth en zeide:

„Nu, jongeheer Steerforth, als hij zich niet verwaardigt mij te vertellen, wat er gebeurd is, doe gij het dan.”

Steerforth was door deze vraag een oogenblik van zijn stuk gebracht; hij keek zijn tegenstander minachtend en toornig aan en bewaarde het stilzwijgen. Ik kon het niet helpen, dat ik op dit oogenblik dacht—ik herinner het mij zeer goed—wat is hij toch een kranige figuur, vergeleken met mijnheer Mell, die daar zoo treurig en hulpeloos tegenover staat.

„Waarom sprak hij over gunstelingen of iets dergelijks?” zei Steerforth eindelijk.

„Gunstelingen?” herhaalde mijnheer Creakle, terwijl de aderen op zijn voorhoofd hevig zwollen. „Wie sprak van gunstelingen?”

„Hij,” zei Steerforth.

„Wat bedoeldet gij daarmede, mijnheer?” vroeg mijnheer Creakle, terwijl hij zich met een toornigen blik naar zijn onderwijzer richtte.

„Ik bedoelde, mijnheer Creakle,” antwoordde mijnheer Mell op zachten toon, „wat ik zeide; dat geen der leerlingen het recht heeft van zijne begunstigde positie gebruik te maken, om mij te beleedigen.”

„U te beleedigen?” riep mijnheer Creakle. „Groote Goedheid! Maar sta mij toe u te vragen, mijnheer—Hoe heet gij ook weer?”—mijnheer Creakle sloeg de armen, met stok en al, over elkander en trok de wenkbrauwen zoo dicht bij elkaar, dat er bijna niets meer van zijne oogen te zien was, „of gij, toen gij van gunstelingen spraakt, den noodigen eerbied hebt bewezen aan mij? Aan mij, mijnheer,” herhaalde hij, zijn hoofd met een ruk voor en weder achterover buigend, „uw patroon, het hoofd van de school?”

„Het was niet oordeelkundig, mijnheer, dat wil ik wel aannemen,” antwoordde mijnheer Mell. „Ik zou het niet gedaan hebben, indien ik kalm gebleven was.”

Nu viel Steerforth in.

„Hij heeft ook gezegd, dat ik laag was en hij heeft gezegd, dat ik karakterloos was en toen noemde ik hem een bedelaar. Als ik kalm was geweest, zou ik hem wellicht geen bedelaar hebben genoemd. Ik deed het en ben nu bereid de gevolgen te dragen.”

Zonder te vermoeden welke gevolgen hij zou te dragen hebben, rees hij door dit kloeke gezegde zoo mogelijk nog meer in mijne achting. Ook op de andere jongens maakten zijne woorden indruk; er kwam eenige opschudding onder hen, hoewel niemand een woord durfde spreken.

„Het verbaast mij, Steerforth, al doet uwe oprechtheid u eer aan,” zei mijnheer Creakle,..... „u zeer zeker eer aan—het verbaast mij, Steerforth, dat moet ik zeggen, dat gij iemand, die aan Salem House verbonden is en door mij betaald wordt, zulk een bijnaam kunt geven.”

Steerforth lachte even.

„Dat is geen antwoord, jongeheer,” zei mijnheer Creakle, „dat is geen antwoord op mijne opmerking. Ik verwacht eene nadere verklaring van u, Steerforth.”

Mocht mijnheer Mell er zooeven nietig hebben uitgezien tegenover den knappen Steerforth, het is onmogelijk te zeggen, hoe nietig mijnheer Creakle thans in mijne oogen was geworden.

„Laat het hem ontkennen als hij kan,” zei Steerforth.

„Ontkennen dat hij een bedelaar is?” riep mijnheer Creakle. „Waar gaat hij dan bedelen?”

„Indien hij zelf al geen bedelaar is, dan is toch een zeer nauwe bloedverwant van hem een bedelaar,” antwoordde Steerforth. „Dat is hetzelfde.”

Hij glimlachte tegen mij en mijnheer Mell klopte mij vriendelijk op den schouder. Ik keek op met een blos op het gelaat en schaamte in het hart, doch mijnheer Mell's oogen waren op Steerforth gericht. Hij ging voort mij vriendelijk op den schouder te kloppen, maar bleef Steerforth aankijken.

„Indien gij wenscht, dat ik mij rechtvaardigen zal, mijnheer Creakle,” zei Steerforth, „dat ik zeggen zal wat ik bedoel.... wat ik te zeggen heb, is dat zijne moeder van aalmoezen leeft in een hofje.”

Mijnheer Mell bleef hem aankijken en mij op den schouder kloppen en zei, als ik het goed vernam, fluisterend tot zich zelven. „Dat dacht ik wel.”

Mijnheer Creakle keerde zich tot zijn ondermeester met een streng gelaat en gemaakt beleefden toon:

„Gij hoort wat deze jongeheer zegt, mijnheer Mell. Heb de goedheid hem in het bijzijn van de geheele school te logenstraffen.”

„Hij zegt de waarheid, mijnheer, ik behoef hem niet te logenstraffen,” sprak mijnheer Mell te midden van eene doodsche stilte. „Het is de zuivere waarheid.”

„Wil dan zoo goed zijn te verklaren”, vervolgde mijnheer Creakle, terwijl hij zijn hoofd op zijde hield en zijne oogen door hunne kassen rolden, „of ik daarvan tot op dit oogenblik iets geweten heb?”

„Ik geloof niet rechtstreeks”, antwoordde mijnheer Mell.

„Hoe, weet gij dat niet?” zei mijnheer Creakle. „Weet gij dat niet, man?”

„Ik vermoed, dat gij mijne omstandigheden nooit voor schitterend hebt gehouden”, antwoordde mijnheer Mell. „Gij weet hoe mijne positie is en altijd hier is geweest.”

„En ik vermoed”, zei mijnheer Creakle, terwijl de aderen op zijn voorhoofd hoe langer hoe dikker werden, „dat gij hier nooit op uwe plaats zijt geweest en deze school voor een liefdadigheidsinrichting hebt aangezien. Wij zullen scheiden, mijnheer Mell—hoe eerder hoe beter.”

„Niet beter dan terstond,” antwoordde mijnheer Mell, zich oprichtende.

„Zeer juist, mijnheer!” zei mijnheer Creakle.

„Ik zal afscheid van u nemen, mijnheer Creakle, en van u allen!” zei mijnheer Mell, terwijl hij de geheele school rondkeek en mij nogmaals vriendelijk op den schouder klopte. „En u, James Steerforth, kan ik niets beters toewenschen dan dat gij u nog eens zult schamen over hetgeen gij heden hebt gedaan. Op het oogenblik zou ik liever alles anders in u willen zien dan een vriend van mij of van iemand in wien ik belang stel.”

Nogmaals klopte hij mij op den schouder, nam toen zijne fluit en eenige boeken uit de schrijftafel, waarin hij den sleutel achterliet voor zijn opvolger, en verliet de school met zijn eigendom onder den arm. Mijnheer Creakle hield toen met Tungay's mond een toespraak, waarin hij Steerforth bedankte, dat hij—misschien met wat al te veel ijver—den goeden naam en het fatsoen van Salem House had opgehouden, en die hij besloot met Steerforth de hand te schudden, terwijl wij driemaal „hoezee!” riepen; ik wist niet goed waarom, maar onderstelde, dat het voor Steerforth was, zoodat ik met vuur meeschreeuwde, hoewel ik volstrekt niet vroolijk gestemd was. Daarop werd Traddles afgerost, omdat mijnheer Creakle tranen op zijn gezicht ontdekte en hij geen hoezee riep, waarna mijnheer Creakle terug ging naar de sofa of het bed, waarop hij gelegen had.

Wij waren nu aan ons zelve overgelaten en ik herinner mij zeer goed, dat wij elkander eenigszins verlegen aankeken. Wat mij zelven aangaat, ik voelde zooveel zelfverwijt en wroeging over hetgeen er was voorgevallen, dat alleen de vrees voor Steerforth mijne tranen terug hield. Ik zag, dat hij telkens naar mij keek, en vreesde dat hij het onkameraadschappelijk of, ons verschil in leeftijd in aanmerking genomen, ongepast zou vinden, indien ik toonde, dat ik bedroefd was over het voorgevallene. Op Traddles was hij zeer boos en hij verklaarde blijde te zijn, dat Traddles een pak slaag had gehad.

Arme Traddles! Hij was het tijdperk van met het hoofd op de lessenaar te liggen reeds voorbij en troostte zich als gewoonlijk met het teekenen van geraamten.

„Ik geef er niets om, maar mijnheer Mell is gemeen behandeld!” riep hij.

„Wie heeft hem gemeen behandeld, jongejuffrouw?” vroeg Steerforth.

„Wie? Gij!”

„Wat heb ik dan gedaan?”

„Wat gij gedaan hebt?” vroeg Traddles. „Gij hebt hem beleedigd en hem zijne betrekking doen verliezen.”

„Beleedigd!” herhaalde Steerforth op minachtenden toon. „Hij zal dat wel spoedig te boven komen, dat verzeker ik u. Hij is niet zoo teergevoelig als gij, juffrouw Traddles. En zijne betrekking was toch al niet zoo bijzonder schitterend—vindt gij wel? En dacht gij niet, dat ik naar huis zal schrijven en zorgen dat hem wat geld gezonden wordt?”

Wij vonden dit denkbeeld zeer edel van Steerforth, wiens moeder eene rijke weduwe was en, zooals ik reeds vertelde, alles deed wat hij vroeg. Wij waren blijde, dat Traddles op zulk eene wijze den mond gesnoerd werd en verhieven Steerforth hemelhoog, vooral toen hij ons vertelde, zooals hij zich wel verwaardigde te doen, dat hetgeen hij had gedaan, alleen om ons, tot ons bestwil was gedaan en dat hij meende recht te hebben op onze dankbaarheid door zoo onbaatzuchtig te handelen. Toen het avond was en ik in het duister zat te vertellen, meende ik echter voortdurend het klagende geluid van mijnheer Mell's fluit te hooren, en toen Steerforth, die vermoeid was, niet meer luisterde en ik in mijn eigen bed lag, verbeeldde ik mij telkens, dat hij ergens in mijne nabijheid heel treurig zat te spelen en voelde ik mij diep ongelukkig.

Al heel spoedig echter had het verdriet over mijnheer Mell plaats gemaakt voor bewondering van Steerforth, die geheel vrijwillig en zonder boeken—het kwam mij voor, dat hij alles van buiten kende—eenige lessen waarnam tot er een nieuwe onderwijzer was gevonden. Deze kwam van een gymnasium en werd, voor hij in functie trad, uitgenoodigd om in den familiekring het middagmaal te gebruiken, ten einde aan Steerforth te worden voorgesteld. Steerforth roemde hem zeer en vertelde ons, dat hij een kraan was. Zonder duidelijk te begrijpen wat Steerforth daarmee bedoelde, keek ik toch reeds hoog tegen hem op en twijfelde er niet aan of hij moest wel zeer knap zijn; hij trok zich echter veel minder van mij aan—niet dat hij mij had moeten begunstigen—dan mijnheer Mell gedaan had.

Er gebeurde in dit eerste halfjaar nog iets buiten het gewone schoolleven, dat om verscheidene redenen een indruk op mij maakte voor het leven.

Op zekeren namiddag, terwijl er in de school eene treurige verwarring heerschte en mijnheer Creakle duchtig van zijn rietje gebruik maakte, kwam Tungay binnen en riep met zijne gewone forsche stem: „Bezoek voor Copperfield!”

Er werden eenige woorden gewisseld tusschen hem en mijnheer Creakle aangaande den aard van het bezoek en over de kamer, waarin de bezoekers ontvangen moesten worden; daarna werd mij, die, volgens de gewoonte in dergelijke gevallen, was opgestaan en van verbazing en verlegenheid een kleur had gekregen, bevolen de achtertrap op te gaan en een schoon boordje om te doen eer ik mij naar de eetzaal begaf. Ik gehoorzaamde werktuigelijk aan dit bevel, maar was zoo gejaagd en zenuwachtig als ik mij zelven nooit had gezien; toen ik den knop van de eetkamerdeur reeds in de hand had en de gedachte in mij opkwam, dat het misschien mijne moeder kon zijn—ik had aan niemand dan aan mijnheer en juffrouw Murdstone gedacht—trok ik de hand terug en moest ik eerst uitsnikken voor ik binnenging.

In het eerste oogenblik zag ik niemand, maar aangezien ik eene drukking tegen de deur voelde, keek ik eens rond en ziet, daar stonden tot mijne niet geringe verbazing baas Peggotty en Ham, buigingen makende met de hoeden in de hand en elkander tegen den muur drukkende. Ik kon het niet helpen, dat ik lachte, maar het was veel meer uit pleizier van hen terug te zien dan om de dwaze vertooning, die zij maakten. Wij schudden elkander op de meest kameraadschappelijke wijze de hand en ik lachte en lachte, tot ik mijn zakdoek te voorschijn moest halen om mijne oogen af te wisschen.

Baas Peggotty, die gedurende dit bezoek geen oogenblik den mond sloot, scheen zeer aangedaan, toen hij mij dit zag doen en stiet Ham met den elleboog aan, om iets te zeggen.

„Wees maar vroolijk, jongeheer Davy!” zei Ham met zijn gewoon onnoozel lachje. „Wel, wel, wat zijt gij groot geworden!”

„Ben ik groot geworden?” vroeg ik, mijne oogen afdrogend. Ik schreide niet om iets of om een reden, maar het terugzien van oude vrienden deed mij zonder twijfel zoo aan—anders begrijp ik het niet.

„Groot geworden, jongeheer Davy? Of hij groot geworden is!” zei Ham.

„Of hij groot geworden is!” herhaalde baas Peggotty.

Zij lachten beiden, zoodat ik ook weder moest lachen en toen lachten wij alle drie, totdat ik weder op het punt was om in tranen uit te barsten.

„Weet gij ook hoe mijne mama het maakt, baas Peggotty?” vroeg ik. „En hoe mijne oude, lieve, lieve Peggotty het maakt?”

„Opperbest,” antwoordde baas Peggotty.

„En de kleine Emily en juffrouw Gummidge?”

„Opperbest,” herhaalde baas Peggotty.

Nu volgde er een oogenblik stilte. Ten einde daaraan een einde te maken haalde baas Peggotty twee reusachtige kreeften, een groote krab en een zak van zeildoek vol versche garnalen te voorschijn en stapelde die op Ham's armen op.

„Gij ziet,” zei baas Peggotty, „wij hebben goed onthouden, dat gij veel van een lekker hapje houdt, en daarom waren wij zoo vrij dit voor u mede te brengen. Ons oudje heeft ze gekookt. Juffrouw Gummidge heeft ze gekookt. Ja,” herhaalde hij zachtjes, bij het onderwerp blijvende, omdat hij op het oogenblik geen ander bij de hand had, „ja, juffrouw Gummidge heeft ze gekookt.”

Ik betuigde hun mijn dank en nadat baas Peggotty eerst Ham had aangekeken, die met zijn schaapachtig gezicht maar stond te grinniken, zonder een enkele maal eene poging te doen om zijn oom te helpen, zei hij:

„Wind en getij waren gunstig, ziet gij, en daarom zijn wij met een van onze Yarmouther loggers naar Gravesend gekomen. Mijne zuster schreef mij den naam van deze plaats en dat, als ik eens te Gravesend kwam, ik hierheen moest gaan en vragen hoe jongeheer Davy het maakt en hare groeten doen en hem gezondheid wenschen en zeggen, dat allen het opperbest maken. De kleine Emily, ziet ge, zal nu, als ik terugkom, aan mijne zuster schrijven, dat ik u gezien heb en dat gij het ook opperbest maakt—zoo gaat het als in een molentje rond.”

Ik moest een oogenblik nadenken, eer ik deze vergelijking van baas Peggotty begreep. Ik bedankte hem toen hartelijk en zeide, ongetwijfeld met eene kleur als vuur, dat kleine Emily zeker veel veranderd en grooter geworden zou zijn, sinds wij schelpen zochten aan het strand?

„O, zij is al haast een groote meid, dat is ze,” antwoordde baas Peggotty. „Vraag dat maar aan Ham.”

Ham's gezicht straalde van genoegen boven den zak met garnalen, terwijl hij toestemmend knikte.

„Zij krijgt een gezichtje!” zei baas Peggotty en zijn eigen gezicht straalde daarbij van louter vreugde.

„En zij leert zoo goed!” zei Ham.

„En zij schrijft zoo mooi!” vulde baas Peggotty aan. „De letters zijn zoo zwart als gitten en zoo groot, dat gij ze in de verte al kunt lezen.”

Het was een waar genot te zien met welk een geestdrift baas Peggotty bezield werd, als hij over zijn aangenomen dochtertje sprak. Terwijl ik dit schrijf, staat hij weder voor mij met zijn ruw en harig gezicht, waarop niets dan liefde en trots te lezen zijn, een gezicht, dat ik onmogelijk beschrijven kan. Zijne eerlijke oogen schitteren en flikkeren, alsof daar binnen iets in beweging wordt gebracht. Zijne ademhaling gaat sneller dan gewoonlijk en zijne groote, slappe handen schijnen elkaar onwillekeurig te vinden en worden gevouwen; terwijl hij in het volgend oogenblik, als om den ernst van zijne woorden ingang te doen vinden, den rechterarm oplicht, die in de oogen van een dwergje, zooals ik, een voorhamer gelijkt.

Ham gaf hem in opgewondenheid over de kleine Emily niets toe. Ik geloof, dat zij nog veel meer van haar verteld zouden hebben, als Steerforth niet onverwacht was binnengekomen, die, mij in gesprek vindende met twee vreemde mannen, het liedje, dat hij zong, afbrak en zeide: „Ik wist niet, dat gij hier waart”—het was niet de gewoonte bezoekers in de eetkamer te ontvangen—en ons voorbijstapte bij het verlaten van de kamer.

Of ik het deed uit trots op zulk een vriend als Steerforth dan wel uit verlangen om hem te verklaren, hoe ik aan zulke vrienden kwam als baas Peggotty en Ham, daarvan ben ik niet zeker, maar ik riep hem terug. Ik zei—Goede Hemel, hoe is het mogelijk, dat mij dit na zulk een langen tijd nog zoo helder voor den geest staat!—„Ga niet heen, Steerforth, als 't u blieft. Hier zijn twee Yarmouther visschers, goede, vriendelijke menschen, familie van het meisje, dat mij als kind verzorgd heeft; zij zijn van Gravesend gekomen om mij op te zoeken.”

„Wel, wel,” zei Steerforth. „Ik ben blijde u te zien. Hoe vaart gij?” Hij was zoo ongedwongen in zijne manieren, zoo vroolijk en luchtig zonder eenige aanmatiging, dat hij de menschen terstond voor zich innam. Ik geloof nog, dat hij door zijne houding, zijne levendigheid, zijne welluidende stem, zijn knap gelaat en zijne slanke gestalte en misschien ook door een zekere aangeboren aantrekkingskracht, zooals weinig menschen bezitten, eene toovermacht op hen uitoefende, waarvoor men uit natuurlijke zwakheid zwichten moest. Ik kon mijne oogen niet van hem afhouden, toen ik zag hoe ingenomen zij met hem waren en hoe zij in een oogenblik hunne harten voor hem openden.

„Gij moet ook in dien brief aan huis laten zetten, baas Peggotty,” zei ik, „dat mijnheer Steerforth zoo vriendelijk voor mij is en dat ik niet zou weten, hoe ik het hier stellen moest, indien hij er niet was.”

„Gekheid!” zei Steerforth lachend. „Gij moet zulke dwaasheden niet vertellen.”

„En als mijnheer Steerforth ooit in Norfolk of Suffolk komt, terwijl ik daar ben, baas Peggotty,” vervolgde ik, „kunt gij er op rekenen, dat ik hem medebreng naar Yarmouth. Hij moet uw huis eens zien. Gij hebt nooit zulk een aardig huis gezien, Steerforth. Het is van een schip gemaakt!”

„Van een schip gemaakt?” vroeg Steerforth. „Dan is het juist een huis voor zulk een onverschrokken zeeman.”

„Ja, ja, dat is het, mijnheer, dat is het,” zei Ham grinnikend. „Gij hebt gelijk, mijnheer. Jongeheer Davy, die mijnheer heeft gelijk. Een onverschrokken zeeman! Ha, ha, ha! Dat is hij ook, zeker, dat is hij ook!”

Baas Peggotty was niet minder ingenomen met dit compliment dan zijn neef, maar zijne bescheidenheid verbood hem het op even luidruchtige wijze te toonen.

„Wel, jongeheer,” antwoordde hij buigend en lachend, terwijl hij de uiteinden van zijne das wegmoffelde. „Ik dank u, ik dank u. Ik doe op mijne manier mijn best, mijnheer.”

„Men kan niet meer doen dan zijn best, mijnheer Peggotty,” antwoordde Steerforth. Hij had den naam reeds opgevangen.

„Ik ben er zeker van, dat gij ook uw best doet, jongeheer,” zei baas Peggotty, zijn hoofd schuddend—„en meer kan men niet doen. Ik ben u zeer verplicht voor uwe vriendelijke ontvangst, jongeheer. Ik ben wat ruw, jongeheer, maar ik meen het goed—ten minste, ik doe mijn best, begrijpt gij? Aan mijn huis is niet veel te zien, maar het staat voor u open, wanneer gij eens met jongeheer Davy wilt komen om het te zien. Ik ben een echte plakker,” vervolgde hij, waarmede hij bedoelde, dat hij maar niet kon wegkomen; want na elk gezegde had hij daarmede een begin gemaakt, maar was telkens weder teruggekomen; „maar ik wensch u beiden gezondheid en voorspoed!”

Ham herhaalde dezen wensch en wij namen op de hartelijkste wijze afscheid. Ik kwam dien avond in groote verzoeking om Steerforth het een en ander van de lieve, kleine Emily te vertellen, maar ik was te beschroomd om haar naam te noemen en te bevreesd, dat hij mij zou uitlachen. Ik herinner mij nog, dat ik langen tijd en met een gevoel van onrust nadacht over baas Peggotty's gezegde, dat zij bijna een volwassen meisje was, maar kwam toch tot het besluit, dat dit gekheid was.

Wij brachten de versnapering, die baas Peggotty meegebracht en zelf dien naam gegeven had, onopgemerkt naar onze kamer en dien avond was er groot souper. Voor Traddles had dit echter onaangename gevolgen; hij was te ongelukkig om, zooals alle anderen, goed door zulk een souper heen te komen. Des nachts werd hij ziek tengevolge van de krab en na volgens Demple, wiens vader apotheker was, genoeg drankjes en pillen te hebben geslikt om een paard te vergeven, kreeg hij een pak slaag met mijnheer Creakle's rietje en zes hoofdstukken uit het Grieksche testament over te schrijven, omdat hij weigerde de namen te noemen van zijne mededischgenooten.

Het overige gedeelte van het halfjaar is in mijne herinnering een mengelmoes van dagelijks terugkeerende rietslagen en ellende; van het heengaan van den zomer en het wisselende jaargetij; van de kille ochtenden, wanneer de bel ons uit het bed luidde en de koude, donkere avonden, wanneer wij er weer in geluid werden; van de slecht verlichte en karig verwarmde zaal, waar de avondschool werd gehouden, en van de morgenuren op school, waarin wij allen zaten te bibberen; van de geregelde afwisseling tusschen gekookt ossenvleesch en gebraden ossenvleesch, van propjes klei, die met den weidschen naam van boterhammen betiteld werden, van gekookt schapenvleesch en gebraden schapenvleesch; van boeken met ezelsooren, gebarsten leien, met tranen doortrokken schrijfboeken, stokslagen, afstraffingen met de liniaal, haarsnijden, regenachtige Zondagen, vette poddingen, alles in een atmospheer, waarvan inkt het hoofdbestanddeel uitmaakte.

Ik herinner mij echter nog zeer goed, hoe het verwijderd vooruitzicht op de vacantie, eerst zoo ver af, langzamerhand begon in te krimpen; hoe wij van maanden op weken en van weken op dagen kwamen en hoe bang ik was, dat ik niet zou gaan. Hoe Steerforth mij uit den brand hielp door mij te zeggen, dat ik zeker gaan zou en hoe bevreesd ik was, dat ik voor dien tijd mijn been nog zou breken. Hoe de dag van vertrek naderde, eerst over drie weken, dan over veertien dagen, eindelijk de volgende week, over-overmorgen, overmorgen, morgen, van avond—toen zat ik weder in den omnibus naar Yarmouth, op weg naar huis.

Ik deed menig dutje in den Yarmouther omnibus en werd door tallooze droomen over al deze dingen bezig gehouden; maar als ik nu en dan wakker werd, was hetgeen ik uit het raampje zag niet meer de speelplaats van Salem House en de geluiden, die ik opving, waren niet meer de slagen op den rug van dien armen Traddles, maar die van de zweep op de ruggen der paarden.