Den loomen ezel klaagt mistroostig en verslagen,
Dat hij most, door de stad, ooft, moes, en wort'len dragen,
En van de lekkers
[472] zijn bespot en ook bejouwd:
"Watte' ooren heeft dit dier!" beschimpt zijn en bespouwd.
Hij biddet
[473] Jupiter, dat hij hem wil verhooren,
En voor dees hovenier een beter meester sporen
[474],
Daar hij geruster leeft; zijn beed' hem wordt vergund:
Hij krijgt een tichler
[475] weêr, die d'ander wijd uitmunt
[476]
In 's arbeids zwaren last. Hij smeekt om hulp de Goden,
Om eenen andren baas, die hem redd' uit dees nooden,
Krijgt een zeemtouwer, die hem zoo bezwaart met last,
Dat voor onwilligheid hem knuppels zijn gepast;
Bedenkt in zijnen zin: was ik niet gek vol zotheid,
Dat ik mij zelven streel
[477] (door mijn te plompen botheid)
Dat licht vernieuwen baart veranderen van staat;
Ik heb het goê veracht, 't naklagen is te laat.
Dit is 't oprechte beeld van ongestade
[478] menschen,
Die, nimmermeer vernoegd, altijd naar beter wenschen,
Geen ongemak gewoon, en, eer men daar op let,
Zij willen alle tijd van 't een op 't ander bed;
Verkrijgen dan haar wil, en van het kwaad in kwader
Vervallen voort, en voort: bedenken zich dan nader;
En prijzen in haar zin, het geen zij t' onbedacht
Eerst hadden wispeltuur versmeten en veracht.
Verwerpt geen oude schoên, leert uw geluk verdragen:
't Zijn sterke beenen, die de weelde konnen dragen.