O, Schotsche koning[438]! 't zelfde ik van u spreek lofzaam[439]:
't Wijdrennende gerucht van uw gevlerkte faam
De zee mij kruisen dede en, van de grens van Spanjen,
Bezoeken avontuurs[440] de kust van uw Bretanjen.
Wat zag ik, och, maar och! wat zag ik niet, goê God!
O, werelds wonderwerk! o koning! uitgelot[441]
Van d' Hemel tot iets groots! o, roem van vorstenhoven!
'k Zag zooveel, dat mijn ziel mijn oog niet kost[442] gelooven:
Een grijze brein, die 't hoofd eens jongelings beslaat,
Mans' moedigheid, bedekt met vrouwelijk gelaat,
Een rijp verstand, een geest snel, wakker, en dierweerdig[443],
Een redeneering, die diepzinnig is en veerdig;
In éénen geest Virgiel en Cicero[444] gestoofd,
En 's Hemels gaven al gegoten in één hoofd.
Volherdt, o goed[445] monarch! wilt eere op eere laden,
En, effen[446] als uw lof is minder als uw daden,
Maakt, dat uw voorzaat zij gevorderd door uw daân,
Dat uwe aanstaande daân verleên te boven gaan;
U zelf beheerscht, en wijs godvruchtig, vroom, ten lesten
't Geurig getuignis van mijn veerzen wilt bevesten[447]!