[1] Naar de oude beteekenis van 't woord, voor machtigen.

[2] Eene latere lezing van die verzen zie in Van Lenneps Nalezing.

[3] Germanisme voor schittert.

[4] Rijmshalve voor opgetast.

[5] Voor zwaait.

[6] Doodt.

[7] Thans dan.

[8] uitstekend.

[9] krans, verg. boven bladz. 76b, aant. 553.

[10] opmerkende, in aanmerking nemende.

[11] proefstuk.

[12] Germ. voor eens.

[13] Grieksch voor puikbeeld en hier door overkijker vertaald.

[14] Laat het.

[15] Germ. voor voorhoudt, voor de voeten of tegen-werpt.

[16] Zoo lees ik voor heerlijk, dat geen zin geeft.

[17] Voor getroffen, gekwetst.

[18] Thans rij; in Overijsel zegt en zingt men echter nog steeds van "bonte, bonte riege".

[19] Al is hem.

[20] Thans tot kerk (gelijk zake tot zaak) geslonken.

[21] Min gelukkig voor lengte.

[22] houdt in (naar de oorspronkelijke beteekenis van 't woord).

[23] Germ. voor geschiedenissen.

[24] Voor éénheid.

[25] Gelijk reeds herhaaldelijk voor lager.

[26] Germanisme voor kinderspel of iets derg.

[27] In de oorspronkelijke uitgave en die van Heins; de desbeluste lezer kan ze dus daar, of anders in Van Lenneps Nalezing naslaan.

[28] Voor bewonderenswaardige dingen.

[29] afbeeldsel.

[30] Voor gij die, gelijk steeds in 't Hoogd.

[31] Thans liederen en gemoederen (zie reeds vroeger).

[32] molensteen.

[33] Voor ijver of liever naarstigheid, dat eigenlijk hetzelfde woord (neerst voor eernst) is.

[34] in eens.

[35] Van een nachtegaal gesproken, minder natuurlijk.

[36] vrees (verg. 't Hoogd. fürchten).

[37] tak om op te nestelen.

[38] snel.

[39] telkenmale verpoost, rust gij.

[40] volop.

[41] vallende (naar de eigenlijke beteekenis van 't woord).

[42] te gader, zaam.

[43] Thans niets.

[44] Mozaïek werk (niet van Mozes, maar van 't Grieksche museion af te leiden).

[45] verscheiden.

[46] onderrichten.

[47] Versta: Gods geheime stem.

[48] Hij wien.

[49] mededinger.

[50] de rijksgebruiken.

[51] u beradende, bedacht.

[52] Minder gelukkig voor hof-gewelf.

[53] Gallicisme voor doolhof (daar die op Creta, naar 't zeggen, door Dedalus was aangelegd).

[54] noodlot.

[55] Voor Meden- en Perzen-land; verg. boven, bladz. 46, aant. 283.

[56] myter: het suikerbroodachtige hoofddeksel der Meden.

[57] voegt, dat men oudtijds ook vuegt en omgekeerd veugt spelde, gelijk dueght voor deugd, enz.

[58] Israëls Richterstoel.

[59] Hier voor nazitter (op den koningstroon Israëls).

[60] Binnen, midden uit.

[61] Anders oor-ringen.

[62] Doen zij zich inbeelden.

[63] Hier in goeden zin, schrander.

[64] Rijmshalve voor onderdrukker.

[65] doorbrenger.

[66] levend water.

[67] Voor beiden; zie boven bladz. 81, aant. 136.

[68] het eerst van allen.

[69] Zonder zijn leven te ontzien.

[70] minzaam.

[71] Anders lieftallig of eig. lieftalig.

[72] Gallicisme (gelijk het ook thans nog dikwijls gemaakt wordt, als vertaling van ces) voor dier.

[73] voor den dag haalt.

[74] terugnemen.

[75] fopt.

[76] Voor argwanend.

[77] Anders wees.

[78] schraal, karig.

[79] dringt, noopt.

[80] koud: (nam. van bloed, en dus koelbloedig).

[81] ondernemen.

[82] als een ontembare held.

[83] Zoo lees ik, voor 't onzinnige gewonnen.

[84] plataan loof.

[85] lichaams-oefening.

[86] Rijmshalve voor ergens, hier of daar.

[87] omgedraaide (verg. nog ons wiel en wieling).

[88] schiet, vliegt over.

[89] In zijn oorspronkelijke beteekenis, maar blijkbaar grootendeels rijmshalve en als stopwoord: daarna.

[90] Medgezel, krijgsmakker.

[91] merkt op, houdt in 't oog.

[92] al te langdurige natheid.

[93] versmachten.

[94] Rijmshalve voor steelt (tenzij men levensdeelen leze, daar telen hier geen zin geeft).

[95] van maan en zon.

[96] Nam. de wereld.

[97] Thans te bewonderen.

[98] Gelijk steeds, voor lager.

[99] verguldsel (verg. 't Fransche vermeil).

[100] Voor schepterdrager; verg. met Van Lennep, vendrig en bliksemdrig.

[101] Minder gelukkig, in verband met hooren, voor opzichters, beheerders.

[102] deugt niet voor vorst (eig. is als vorst niet te dulden).

[103] verbrokkelen.

[104] bron.

[105] Men ziet hoe onachtzaam Vondel steeds met het enkel- en meerv. van 't werkw., in verband met het steeds meer in onbruik rakende voorn.w. van den tweeden persoon omspringt. Gelijk hij hier steeds (zie bijv. boven scheid en weert in één versregel) meer- en enkelv. dooreen gebruikt, zoo plaatst hij hier het enkelv. van 't voorn.w. bij 't meerv. van 't werkw., en gebruikt 't eerste blijkbaar alleen om den rijm.

[106] verschiet.

[107] Houdt, handhaaft ze.

[108] Thans minder welluidend, en daarom verkeerdelijk daarnaar.

[109] Thans liederen.

[110] uit die vier.

[111] Voor drilt.

[112] Thans vat.

[113] Gallicisme voor stoutmoedig.

[114] Voor onderlegging of nederlaag.

[115] Gallicisme voor beschilderd.

[116] Thans kan.

[117] Voor schitterend van robijnen.

[118] De bekende Goudrivier der oudheid; verg. boven, bl. 30, aant. 25.

[119] Waarschijnlijk met zinspeling op de Engelsche munt der Angelotten (ook elders wel engelen genoemd); eigenlijke Engelen zouden hier geheel te onpas komen.

[120] Geheel verouderd voor zonder (verg. 't Hoogd. ohne).

[121] voordeel.

[122] naauwlijks.

[123] schamelheid, berooidheid (naar de oorspronkelijke beteekenis van 't woord; verg. snoeyen).

[124] Overwinning.

[125] Voor zwellen.

[126] Karmel, in Palestina.

[127] Wel wat plat voor 't afgrazen der achterzij van een Godgewijden berg.

[128] Rijmshalve voor korenveld of -akker.

[129] Voor naauwlettende inspanning.

[130] Germanisme voor vrees.

[131] aarde.

[132] hel.

[133] Germ. voor glans; verg. boven, bl. 81, aant. 115.

[134] Maatshalve voor waren, zouden zijn.

[135] goederen; verg. vroeger.

[136] inzonderheid.

[137] kinderlijk.

[138] Gallicisme voor kudden van Abraham, d. i. Abrahams volk.

[139] vlinder.

[140] verschroei.

[141] Maatshalve voor vorst.

[142] veilig.

[143] Rijmshalve voor doe toenemen of derg.

[144] zonder, zie boven.

[145] temperament; Gallicisme voor de eigenaardigheid.

[146] gesprek, kout.

[147] Door geleerdheid verlicht.

[148] Voor een anders.

[149] Thans tot zon geslonken.

[150] Wansmakelijke voorstelling van den dauw.

[151] Rijmshalve voor beginsel.

[152] voor der teef.

[153] Thans behendig, loos.

[154] bevrijdt, behoedt.

[155] in.

[156] Nam. de metalen.

[157] klimop.

[158] past (d.i. Bacchus).

[159] behendige.

[160] getallen.

[161] nuttige; verg. heilzaam, leerzaam.

[162] vatten.

[163] Een herinnering van den Gasconschen dichter aan zijn vaderland, maar die bij Salomo vrij te onpas komt.

[164] verheldert, verlicht.

[165] stort.

[166] gedraagt hij zich als.

[167] wet, scherpt het.

[168] pleitgedinger.

[169] listen (verg. nog ons parten spelen.)

[170] Thans looze.

[171] Anders zomers (voor jaren.)

[172] besliste als scheidsrechter.

[173] verstikt.

[174] Toen.

[175] Voor bijslaap.

[176] Hier in zijn eigenlijke beteekenis van kreng.

[177] Voor kerk-, d. i. heiligschennis.

[178] ouderdom.