[64]Thans verschuldigde.
[65]Figuurlijk voor zedelijke misdaad.
[66]Venus.
[67]Den berg in Kl.-Azië.
[68]Gelijk men thans nog wel van 't licht van lamp, kaars, of blaker zegt, voor verdooft, verdonkert.
[69]Thans tot graag zaamgetrokken.
[70]aan 't slot.
[71]daarvan, van dien val.
[72]wacht.
[73]zich gedrongen vond.
[74]Latinisme voor en na 't omkomen van G. en O.
[75]Voor Romeinsche.
[76]IJveraars.
[77]jonkvrouw.
[78]Germanisme voor gunst.
[79]bovenstad.
[80]In zijn oorspronkelijke beteekenis van glansrijke, eervolle.
[81]verdicht.
[82]De latere lezing, zie bij Van Lennep I, bl. 60 der Nalezing.
[83]open, bloot, klaarlijk.
[84]Romeinsche.
[85]Thans niets.
[86]Te vergeefs; verg. vroeger.
[87]huivert voor.
[88]hartsbenaauwing.
[89]afwisschen; verg. vroeger.
[90]altoos door.
[91]Thans slechts in den verlengden vorm vochtig gebruikelijk.
[92]gerepte.
[93]zoo als.
[94]Thans toch.
[95]Thans bang of angstig.
[96]Voor aangrijnsde.
[97]smartvoller.
[98]Rijmshalve voor geweken.
[99]Thans naar.
[100]Voor helpt het.
[101]ademt gij.
[102]Versta: Nu 't bouwvallig Israël vernield is.
[103]doet pleisteren, verpozen.
[105]Thans Griekenland; verg. vroeger.
[106]vergolden, betaald.
[107]prikkelend tergt.
[108]Germanisme voor mijn of 't enkelv. vader.
[109]mijmert.
[110]Anders adelaar.
[111]bewegen (eig. doen wijken; zie vroeger).
[112]doodsbleek.
[113]overschouwt.
[114]rooven.
[115]brandt.
[116]Voor smette.
[117]merken, teekenen, herinneringen.
[118]Thans verouderde tweeden naamvals vorm.
[119]Versta: haar kans.
[120]Peleus' zoon Achilles.
[121]week.
[122]één, zaamgegroeid met.
[123]even.
[124]Voor neêrgestorte.
[125]geprangd, overstelpt.
[126]te zamen.
[127]gedrongen, geperst.
[128]evenaart.
[129]Versta: Als wij weigren het te doen.
[130]Versta: wij, wier.
[131]Voor pijlspits.
[132]redebeleid, gronden.
[133]u ontzien.
[134]Voor legerhoofd, in 't algemeen.
[135]Nam. aan ons.
[136]vergruizen, te morsel stooten.
[137]Voor soldij.
[138]eerloof.
[139]bevlekte.
[140]Anders bralt.
[142]Nam. het oude Gallië.
[143]Britten (verg. 't Fransche Bretons).
[144]behoeft.
[145]Die van Rome.
[146]te gader.
[147]Voor verbinden in 't algemeen.
[148]Rijmshalve voor verdeeld.
[149]Zegt den vrede op; verg. vroeger.
[150]hals.
[151]Gelijk reeds herhaaldelijk voor nederlaag.
[152]om niet.
[153]Thans wordt.
[154]overpeinzen.
[155]pijl.
[156]neêrzijgen.
[157]Rijmshalve voor schertsen.
[158]Spreek uit Jacinthen en verg. Hiob voor Job.
[159]Voor schittert; zie vroeger.
[160]Versta: zoodat.
[161]Maatshalve voor gebleven.
[162]'t algemeene best.
[163]knoke-, kneukel-been.
[164]Voor nek (verg. 't Hoogd. Nacken).
[165]Dat van Remus nam., naar de oude legende.
[166]glansrijke.
[167]Thans vergood.
[168]wat zich in 't ondermaansche beweegt en wemelt.
[169]Voor jubel of derg.
[170]heldhaftig, als helden.
[171]schimpt.
[172]smalend.
[173]verte.
[174]zoo.
[175]eerst, vroeger.
[176]Voor gij, die; zie vroeger.
[177]eerekroon voor 't muurbestormen.
[178]Voor opklimmen.
[179]Staat, wijkt ter zij.
[180]Thans afgepaalde, afgeperkte, daar tuin niet meer voor de omheining, maar 't omheinde zelf gebezigd wordt.
[181]welkome bedrijf.
[182]vooruit, voor u heen.
[183](met olie) ingesmeerd.
[184]zuil.
[185]Verouderd voor stof, aard; ik lees zoo voor mond, waaraan V. L. te vergeefs beproeft een gezonden zin te hechten.
[186]Voor wapenen.
[187]Latinisme (Occidens) voor Westen.
[188]Komen, werken op (verg. ons goed of deugd doen).
[189]aan alle zijden.
[190]Voor zon.
[191]Voor begoochelt, bedriegt.
[192]zienlijke, zichtbare.
[194]opbindt, voor verheft, opschroeft.
[195]Anders in.
[196]Germ. voor vaatwerk.
[197]dag aan dag.
[198]Zoo lees ik voor het.
[199]door nachtwaken afgebeulde.
[200]begeeft u.
[201]krengen; verg. vroeger.
[202]Eig. kast; hier voor schuilplaats.
[203]vonken (verg. 't werkw. glinsteren).
[204]Gelijk reeds meer, voor blusschen (dat eig. hetzelfde is, met voorgevoegd be-).
[205]Rijmshalve voor de cypresse, thans cypres.
[206]leyen (verg. 't Fransche écaille), van 't schilferen zoo genoemd.
[207]blussche.
[208]Later in fornuzen en fornuizen verbasterd (verg. 't Fransche fournaise).
[209]schroeyen.
[210]altaar, outer.
[211]bestemd.
[212]Thans oogst.
[213]Ach, wee mij.
[214]Thans verouderd voor zingt gij (verg. echter ons kweelen, d. i. kwedelen).
[215]hier voor herinneren.
[216]gevleid.
[217]toen.
[218]voor Libiaansche.
[219]spijst.
[220]om beurten.
[221]Anders gallerij, gaanderij.
[222]voor men.
[223]Deed het er niets toe.
[224]onvoldaan.
[225]Anders spitten (verg. beden en bidden).
[226]Versta: gij, die.
[227]gebraden beetjens.
[228]Rijmshalve voor lekkertjens.
[229]kloekhartiger.
[230]Thans verouderde dubbele ontkenning.
[231]Gelijk reeds herhaaldelijk, voor wij en gij, die.
[232]ronddraait (naar de vroegere meening).
[233]Naar den Griekschen tongval, voor Jeruzalem.
[234]Voor blootleggen.
[235]Voor torens.
[236]toespreekt.
[237](Eig. lansknechten), soldaten.
[238]Latin. (naar V. L.'s juiste opmerking) voor blij gelaat.
[239]Thans, minder welluidend, naar.
[240]in 't recht van den oorlog.
[241]kloekste, wakkerste.
[242]avancement of bevordering, gelijk men thans zou zeggen.
[243]boogschutters.
[244]bestemd.
[245]Thans telkens.