1 De Kok, Vaderlandsch Woordenboek, 2de deel, bl. 96 enz. 

2 Pistorius—zie: de Kok, Vaderlandsch Woordenboek, 2de deel, blz. 100–101. 

3 Van Schaick, Geschiedenis der Herv. kerk in Suriname en West-Indië, eerste jaarg. bladz. 82. 

4 Van Sypesteyn spreekt dit voorval in zijne bijlage blz. 234 tegen, met te vermelden, dat zijne echtgenoote Margaretha du Puij de St. André Montraz eerst in het jaar 1693, dus vijf jaren na zijnen dood, overleed; maar daar de andere schrijvers dit mede niet ontkennen, zoo denk ik, dat hier geene sprake is van eene wettige vrouw, maar van een bijwijf, gelijk ik ook als zoodanig vermeld heb. 

5 Hartsinck, 2de deel, blz 650. 

6 Hartsinck, 2de deel, bladz. 648 en Sypesteyn, Historische proeve. 

7 Zie nader: de Kok, Vaderlandsch woordenboek, 2de deel, bladz. 90 enz. 

8 Zij was Marguerite du Puys de St. André Montbrun, oudste dochter van Alexandre, Marquis de St. André Montbrun, luitenant-generaal, de beroemde verdediger van Candia, en van Louise Madelaine de la Nocle. Zij kwam nimmer in Suriname en overleed te ’s Gravenhage 1695. 

9 Een en ander van dit berigt wegens de Refugiés is ontleend aan een opstel in het Tijdschrift, West-Indië, 13de jaargang, blz. 109 enz. Van den hier genoemden predikaat Dalbas wordt in Surinaamsche berigten niets aangetroffen. Als eerste Waalsche predikant in Suriname wordt volgens Sypesteyn, Mauricius, enz. genoemd Jean Briffault, gekomen in 1690, overl. in 1696; Pierre Terson, gek. 1696, overl. 1697; Pierre Saurin 1697–1707 enz. Wij veronderstellen, dat Dalbas met de uitgewekenen is mede gekomen, maar niet geregeld als predikant aangesteld of erkend is geworden. 

10 Deze bezending had eene moeijelijke reis gehad; door een zeeschuimer aan boord geklampt, waren zij door hem op hunne bede wel in het leven gespaard, maar toch van geld, gereedschappen en al wat waarde had, beroofd, op zijn oud vaartuig, (hij nam dat, waarop zij zich bevonden voor zich) met een weinig spijs, aan zee en winden prijs gegeven, hoewel zij toch gelukkiglijk in Suriname aankwamen; doch men begrijpt ligtelijk in welken toestand. 

11 Het voornaamste aangaande het hier omtrent de Labadisten in Suriname medegedeelde, is ontleend aan het belangrijke werk van H. van Berkum. Sneek, 1851, 2de deel, blz. 132 enz. 

12 Pistorius, blz. 102. 

13 Sypesteyn, blz. 16. 

14 Historische proeve, 1e. deel, blz. 42, 43. 

15 Historische proeve, 2de deel, blz. 42 enz. 

16 H. J. Koenen. Geschiedenis der Joden in Nederland, bladz. 293 enz. 

17 Hartsinck, 2de deel, blz. 647, 648. 

18 Deze publicatie vindt men in zijn geheel bij Sypesteyn, Geschiedenis van Suriname, blz. 240. 

19 Men vergat hierbij zeker Ds. Baselius, die in 1668 als zoodanig was aangesteld en eerst in 1689 overleed. 

20 Teenstra. De landbouw in de kolonie Suriname, 1e. deel, blz. 31. 

21 Hartsinck, 2de deel, blz. 648. Teenstra, 1e. deel, blz. 33. 

22 Teenstra. De landbouw in de kolonie Suriname, 2de deel, blz. 33. 

23 Hartsinck, 2de deel, blz. 648. 

24 Teenstra. De landbouw, 2de deel, blz. 32. 

25 Teenstra. De landbouw, 2de deel, blz. 32. 

26 Teenstra. De landbouw, 2de deel, blz. 32. 

27 Teenstra. De landbouw, 2de deel, blz. 34. 

28 N. G. Kampen. Bezittingen der Nederlanders buiten Europa, 2de deel, blz. 288. 

29 Pistorius, blz. 102. 

30 Hartsinck, 2de deel, blz. 631. 

31 Hartsinck, 2de deel, blz. 651. 

32 Hartsinck, 2de deel, blz. 672. 

33 Hartsinck, 2de deel, blz. 672. 

34 Sypesteyn, blz. 21. 

35 Sypesteyn, blz. 21 en 22. 

36 Zie H. J. Koenen, Geschiedenis der Joden in Nederland. Mr. Is. da Costa, Israël en de Volken. Historische proeve, Hartsinck. 

37 Hartsinck, 2de deel, blz. 674. 

38 Hartsinck, 2de deel, blz. 673, 674. 

39 Hartsinck, 2de deel, blz. 675. 

40 Hartsinck, 2de deel, blz. 674–679. Teenstra, De landbouw, blz. 37. Sypesteyn blz. 23. 

41 Historische proeve. 

42 Hartsinck, 2de deel, blz. 680. 

43 Sypesteyn, blz. 24. 

44 Hartsinck, 2de deel, blz. 706, 894. Teenstra, De landbouw, 1e. deel, blz. 38. Historische proeve blz. 82. Sypesteyn, blz. 24, 25. 

45 Zie Historische proeve, 1e. deel, blz. 82. 

46 Hartsinck, 2de deel, blz. 682. 

47 Sypesteyn, blz. 25. 

48 De geheele uitvoerige beschrijving van den inval van Cassard vindt men bij Hartsinck van blz. 700–722. 

49 Ondertusschen had Cassard in November door een gedeelte van zijn eskader onder den Baron de Mouans, de kolonie Berbice zoodanig gebrandschat, dat de eigenaars de heeren van Peere, Zeeuwsche kooplieden, de aldaar afgegeven wissels niet wilden betalen en de kolonie liever den Franschen overlieten; waarop in 1714 eene overeenkomst tusschen de reeders en eene Amsterdamsche maatschappij (van Hoorn en Comp.) tot stand kwam, waarbij aan dezen tegen betaling der wissels, den eigendom van Berbice verbleef. In 1713 brandschatte Cassard het eiland Curaçao. (Sypesteyn blz. 26). 

50 Hartsinck, 2de deel, blz. 719. 

51 Hartsinck, 2de deel, blz. 714. 

52 Hartsinck, 2de deel, blz. 718. 

53 Hartsinck, 2de deel, blz. 722 deelt dit uitvoerig mede. 

54 Van Kampen, De Nederlanders buiten Europa, 2de deel, blz. 419 veronderstelt de mogelijkheid, dat familie-betrekkingen tusschen de aristocratische regering in Nederland, na den dood van Willem III, en den gouverneur van Suriname invloed uitoefenden op de ongunstige beschikking voor de kolonisten, iets dat mij echter minder waarschijnlijk voorkomt. 

55 Hartsinck, 2e deel, blz. 727, 728 enz. 

56 Sypesteyn, blz. 30. 

57 Redevoering van Mr. C. Ph. Vlier, Surinaamsche almanak 1833, blz. 278. 

58 Sypesteyn, Mr. Jan Jacob Mauricius, gouverneur-generaal van Suriname in 1742–1751. 

59 Sypesteyn, blz. 27. 

60 Teenstra, De landbouw in Suriname, 1e deel, blz. 40. 

61 Historische proeve, 1e deel, blz. 98. 

62 Historische proeve, 1e. deel, blz. 98. 

63 West-Indië 2de jaargang, blz. 28, 29. Sypesteyn

64 Sypesteyn en Hartsinck. 

65 West-Indië, 2de jaargang, blz. 23. Sypesteyn

66 Hartsinck, 2de deel, blz. 741. Historische proeve, 1e. deel, blz. 94. Sypesteyn, blz. 29. West-Indië, 2de jaarg. blz. 294, 295. 

67 Historische proeve, 1e. deel, blz. 95. 

68 Historische proeve, 1e. deel, blz. 95. 

69 Historische proeve, 1e. deel, blz. 95. West-Indië, 2de jaarg. blz. 150. 

70 Hartsinck, blz. 741. Historische proeve, blz. 94. Sypesteyn, blz. 29. 

71 Hartsinck, 2de deel, blz. 742. 

72 Hartsinck, 2de deel, blz. 742. 

73 Hartsinck, 2de deel, blz. 743. 

74 Hartsinck, 2de deel, blz. 744–754, alwaar het geheele octrooi medegedeeld wordt. 

75 G. B. v. d. Bosch, Reizen in Suriname, blz. 49. 

76 In het Journaal van Gouverneur Mauricius, worden nu en dan bijzonderheden over de bergwerkers medegedeeld; onderlinge twisten tusschen de hoofden en de ondergeschikten waren ook hier aan de orde van den dag. 

77 In de journalen der gouverneurs als Mauricius, von Spörche, Crommelin enz., welke op het rijks archief berusten, vindt men verscheidene keeren van de Paltzers en later de Zwitsers, melding gemaakt, dan alles komt in de hoofdzaak overeen met het hier vermelde. 

78 Hartsinck, 2de deel, blz. 740. 

79 Octrooi van 1682, artikel 5. 

80 Sommige verkoopers van slaven scheidden met voordacht de mannen van hunne vrouwen, de moeders van hare kinderen, om daardoor de koopers te noodzaken, die daartoe behoorden, ten duurste te koopen om niet geëxposeerd te zijn, de reeds gekochten door wanhoop te verliezen; tegen welke kwade praktijken o. a. door Mauricius besluiten werden uitgevaardigd; zie journaal van Mauricius, 3 Junij 1743. 

81 Hartsinck, 2de deel, blz. 899. 

82 Zie hierover W. Bosman, Naauwkeurige beschrijving van de Guinesche Goud-, tand- en slavenkust, enz. 1704.—Deze schrijver heeft vele jaren in Guinea doorgebragt en als raad en opperhoofdman op het kasteel St. George d’Elmina, was hij wel in staat om, na grondig onderzoek, een gevestigd oordeel daaromtrent uit te brengen. 

83 W. Bosman, 2de deel, blz. 146. 

84 Hartsinck, 2e deel, blz. 901. 

85 W. Bosman, 2de deel, blz. 147. 

86 Als een voorbeeld uit vele dergelijke gevallen diene de volgende mededeeling uit het dagboek van jhr. J. J. Mauricius, gouverneur van Suriname: “11 Februarij 1751, voor den mond der rivier is gearriveerd kapt. Johan Gerritse, voerende ’t schip Middelburgs Welvaren van Guinea, gedestineerd naar Berbice. Hij heeft het ongeluk gehad, toen hij met syn schip 2 à 3 dagen van de Afrikaansche kust is geweest, dat de slaaven een opstand hebben begonnen en op ’t scheepsvolk syn aangevallen, weshalve sy genoodsaakt syn geweest, om daaronder te moeten schieten. De tegenweer der slaaven is so hevig en langdurende geweest, dat van ruim 260 maar 30 stuks syn overgebleeven, doch hy heeft by geluk geen één man van syn volk verlooren.” 

87 Stedman, Reize naar Suriname, 1e deel, blz. 275 enz. 

88 Lans, die in onzen tijd door het Ned. Gouvernement naar Suriname is gezonden, om den suikercultuur na te gaan en zoo mogelijk hierin verbeteringen te brengen, getuigt in zijne brochure o. a. hetzelfde. 

89 Zie over de geneeskundige behandeling zelfs in lateren tijd het zeer belangrijke werkje van F. A. Kahn, M.D., Ridder der orde van den Ned. Leeuw, Chirur. en Chef der W.-I. troepen en hospitalen te Suriname, mitsgaders stadsdokter en physicus aldaar.—Beschouwing van den toestand der Surinaamsche plantagie-slaven. 

90 Teenstra zegt in zijn werk: “De negerslaven in de kolonie Suriname,” van de kleurlingen blz. 85 het volgende. “Van alle slaven zijn de kleurlingslaven het ongelukkigste; deze door blanken en zwarten als een tusschenras beschouwde wezens, worden van beide kanten veracht en verstooten. In voeding en kleeding heeft een kleurling het niet beter dan een negerslaaf; hij is zwakker en ziekelijker, en toch vordert men even veel en even zwaar werk van hem, terwijl de snerpende zweep hem op de dunne huid gevoeliger treft dan een neger, en ofschoon onder de negers werkende, zal hij hun vertrouwen nimmer deelachtig worden. 

91 Hartsinck, 2de deel, blz. 646. »Van Sommelsdijk bepaalde, dat voortaan niemand zijne slaven meer zou mogen verminken of met den dood straffen—er bleef dus nog al eenige ruimte over.” 

92 Teenstra, de Negerslaven in de kolonie Suriname, blz. 379. 

93 Hartsinck, 2de deel, blz. 916. 

94 Hartsinck, 2de deel, blz. 916. Bij zwaarder misdrijven moest de meester een schriftelijk verhaal van het wanbedrijf van den slaaf in handen van den Raad-Fiscaal stellen, om naar bevinding daarvan te kunnen handelen (des noods) met kennis van twee raden, die ten onderzoek gecommitteerd werden. In de notulen van “Gouverneur en Raden van Suriname” van 19 November 1711 komt o. a. eene bepaling voor, om hierin een zekeren regel te brengen, daar tot dien tijd toe “vele irregularitijten syn gepleegt met d’een op meerder hoeken van straaten te geesselen als andere” en werden de zeven hoeken der straten, waar geesseling of het toedienen eener Spaansche bok geschieden moest, nader aangewezen. 

95 Volgens rapport, na gedane huiszoeking door den Raad Fiscaal, had zij binnen korten tijd, 4 à 5 maanden, 6 harer negers gedood en was reeds zij voor lang door de onmenschelijke behandeling harer slaven bekend, waarvan zij “eene menigte om het leven heeft doen brengen, op tirannique en barbaarse manieren.” Notulen Gouverneur en Raaden 24 December 1745. 

96 Stedman, Reizen in Suriname. 

97 Uit de rapporten, door den Raad Fiscaal aan het Hof van Policie ingeleverd, wordt deze geringachting van den doodstraf, zelfs in den gruwelijksten vorm, door de slaven, meermalen vermeld. Notulen enz. 

98 Volgens resolutie van 8 December 1686 was anders toch bepaald, dat negers, door de justitie gestraft wordende, aan de eigenaars uit de kas der modique lasten moesten betaald worden—doch zoo het om moord was, werd de schade den meester niet vergoed. 

99 Niettegenstaande dit besluit van 27 Aug. 1744, waarbij het voorstel van Mauricius werd afgewezen, is men er later op terug gekomen, en heeft het, eenigzins gewijzigd, meermalen in praktijk gebragt. Zie o. a. Notulen van 18 Dec. 1745—24 Dec. 1745—4, 7, 28 Februarij 1746 enz.—waaruit blijkt, dat verscheidene negers en negerinnen zijn veroordeeld, om gegeeseld, op het voorhoofd gebrandmerkt, de tong uit- en de ooren afgesneden te worden, en daarna in den ketting strafwerk te verrigten. 

100 Hartsinck, 2de deel, blz. 917.—Deze bepalingen werden meermalen vernieuwd en strenger gemaakt, en ook tegen het bezoeken der smokkelkroegen door slaven waren strenge bepalingen; gelijk uit verscheidene sententiën, door het hof van policie geslagen, blijkt. 

101 Hartsinck, 2de deel, blz. 755. 

102 Historische proeve, 1e. deel, blz. 99. 

103 Van Kampen, Bezittingen der Nederlanders buiten Europa, 2de deel, blz. 420. 

104 Van Kampen. De Nederl. buiten Europa. 2de deel, blz. 421. 

105 Surinaamsch placcaatboek, 7 Julij 1685. 

106 Surinaamsch placcaatboek, 10 Julij 1687. 

107 Surinaamsch placcaatboek, 8 Nov. 1698. 

108 Surinaamsch placcaatboek, 20 Feb. 1717 tot 18 Mei 1718. 

109 Notulen Gouverneur en Raden, 7 Dec. 1742. 

110 Surinaamsch placcaatboek, 24 April 1726 tot 7 Dec. 1742.—Resolutie, 13 Dec. 1742. 

111 Hartsinck. 2de deel, blz. 757. 

112 Van Kampen. De Nederlanders buiten Europa. 2de deel, blz. 423. Hartsinck, 2de deel, blz. 759. 

113 H. J. Koenen. Geschiedenis der Joden in Nederland, blz. 297. 

114 Zie notulen Gouverneur en Raden, 20 Mei 1730. 

115 Schadelijk wild? 

116 Zie notulen Gouverneur en Raden, 4 Aug. 1730 en Hartsinck enz. 

117 Notulen, 14 Dec. 1730. Hartsinck, 2de deel, blz. 764 enz. 

118 Stedman. Reizen naar Suriname. 2de deel, blz. 150, gewaagt mede van eene dergelijke strafoefening, welke een ooggetuige hem medegedeeld had, waarbij de aldus gefolterde echter geene klagt uitte, ja zelfs in dien toestand een neger, die onder de galg gegeeseld werd en bitterlijk kermde, deze uiting van smart verweet, hem toeroepende: “Zijt gij een man, gij gedraagt u als een kind.” Stedman verhaalt verder, dat genoemde neger drie dagen lang geleefd had, en dat eindelijk de schildwacht, die bij hem op post stond, medelijden met zijne folteringen kreeg en er een einde aan maakte, door hem met de kolf van zijn snaphaan een slag op het hoofd te geven. 

119 Hartsinck, 2de deel, blz. 763–765. Luzac, Hollandsch rijkdom, 2de deel, blz. 173–179. Van Kampen, de Nederlanders buiten Europa, 3de deel, blz. 114 enz. Notulen van Gouverneur en Raden. 

120 Van Kampen, de Nederlanders buiten Europa, 3de deel, blz. 117. Notulen van Gouverneur en Raden, 1738. 

121 De kosten van iederen togt werden op ongeveer ƒ 100,000 begroot. 

122 Over Mauricius enz. zie het volgende hoofdstuk. 

123 Behalve het commando onder Creutz werden te gelijker tijd nog twee andere expeditiën tegen de boschnegers uitgezonden, als eene onder Mamre van 60 blanken en 272 slaven, en eene onder Goede van 8 blanken en 28 slaven. 

124 Hartsinck, 2de deel, blz. 768–771. 

125 Mauricius schrijft in zijn dagboek den 7den Julij 1750, daar hij eenen dergelijken mislukten togt vermeldt, o. a. “Tijding gekregen, dat de post in Tempate is uit geweest om de wegloopers te vervolgen, dat se ook het spoor gevonden hebben, doch door de sware regens hebben moeten wederkeeren, zeer afgemat en ziek, dewijl se tot de keel toe door de zwampen hebben moeten gaan. NB. Zoo de heeren Amsterdamsche onderteekenaars” (hij zinspeelt hier op zijne tegenpartij, die zich tegen den vrede aankantte) “maar één drie dagen een dergelijken tocht geliefden bij te woonen, zouden se een iedee krijgen, hoe gemakkelijk ’t hier is de wegloopers uit te roeijen.” 

126 Hartsinck, 2de deel, blz. 776.—Notulen van Gouverneur en Raden. Journaal van Mauricius, waarin meermalen gewag van deze zaak wordt gemaakt. 

127 Zie volgende hoofdstuk. 

128 Zoutwater-negers zijn die welke uit Afrika aangevoerd zijn; de afstammelingen van hen, die in de kolonie geboren zijn, worden Creolen-Negers genaamd. 

129 Deze slaven waren, na hun meester doodgeslagen te hebben, gevlugt, Notulen Gouverneur en Raden, 1 Maart 1748. 

130 Zie over de familie Araby het latere gedeelte dezer geschiedenis, dat meer over de zendingszaak handelt. 

131 De ondervinding toch had geleerd, dat met vrucht weinig tegen de boschnegers kon verrigt worden, en alzoo besloot men nu tot datgene, hetwelk reeds 10 jaren vroeger door Mauricius was voorgesteld maar toen door de meesten verworpen was. 

132 Deze Quako was slaaf bij eene Jodin geweest, die hem, niettegenstaande hij getrouw en arbeidzaam was, steeds hard behandelde; lang had hij dit verduurd, maar toen zij hem uit een vreemden gril neus en ooren wilde doen afsnijden, had hij de vlugt genomen en zich bij de boschnegers gevoegd. 

133 Een der commissarissen, de heer Zobre, was ongesteld geworden. 

134 Zie Journaal van den Gouverneur, 19, 20, 26, 27 October, 7, 8, 11 December 1760. 

135 Journaal van den Gouverneur, Sept. 1761. 

136 Bij Hartsinck vindt men de togten tegen de negers en de met hen gesloten verdragen vrij uitvoerig vermeld, 2de deel, blz. 755–813, verder bij van Kampen “de Nederlanders buiten Europa”, 3de deel, blz. 110–135: Stedman, Reizen in Suriname, 1ste deel, blz. 78–96 en verder in Teenstra, Sypesteyn en onderscheidene andere geschriften, en in de notulen van Gouverneur en Raden, terwijl in de Journalen der Gouverneurs hiervan mede dikwijls melding wordt gemaakt, gelijk wij reeds hier en daar aangegeven hebben. 

137 Sypensteyn verhaalt daarvan in zijn werk »Mr. Jan Jacob Mauricius, Gouverneur-Generaal van 1742 tot 1751” dat hij reeds op zijn zesde jaar eene predikatie hield; op zijn achtste Latijnsche verzen maakte; op zijn twaalfde een heldendicht uitgaf; op zijn dertiende, student werd, en nog vóór zijn zestiende, tot doctor in de beide regten werd bevorderd.—Wij kennen de bron, waaruit Sypensteyn putte, niet en deelen deze bijzonderheden slechts op zijn gezag mede,—volgens het oordeel van kenners zijn zijne gedichten, op lateren leeftijd gemaakt, van weinig poëtische waarde. 

138 Sypensteyn, Jan Jacob Mauricius enz. bladz. 11–15. 

139 In het voorberigt van het octrooi door de Algemeene Staten, waarbij Suriname in handen en onder directie van de bewindhebbers van de Generale Nederlandsche Geoctroyeerde West-Indische Compagnie viel, wordt ten eerste haar hetzelfde regt als zij op al hare conquesten had verleend; en ten tweede bepaald, dat de gemelde Compagnie ten eeuwigen dage niet bevoegd zal zijn, of vermogen eenige de minste verandering te brengen in datgene, hetwelk bij de Articulen van voorn. octroy in 1682, gelimiteerd staat. 

140 Zie bladz. 84

141 Zie Hartsinck, bladz. 889. 

142 Zie notificatie 11 Mei 1742. 

143 Later in 1749 door de oprigting van een kas tegen de wegloopers verviel deze heffing. 

144 De beschrijving van de onderscheidene collegiën, kantoren, benevens de vermelding der onderscheidene ambtenaren, is voornamelijk aan Hartsinck ontleend, (zie 2e deel, bladz. 873–890), en komt volkomen met het deswege in de officieele bescheiden vermeldde overeen. 

145 Deze algemeene oproepingen waarvan wij ook in het 2de hoofdstuk 3de tijdvak spraken, moet men wel onderscheiden van de proeve van kolonisatie met Duitschers en Zwitsers.—Zie het zelfde hoofdstuk. 

146 Zie o. a. Teenstra, de Negerslaven en bladz. 37—waar geklaagd wordt, dat eigenaars en administrateurs van plantaadjes de Duitschers boven anderen voorthelpen en de eerste posten der regering soms bij voorkeur aan hen opgedragen worden. 

147 Hartsinck, 2e deel, blz. 876. 

148 Historische proeve. H. J. Koenen, geschiedenis der Joden in Nederland. Is. da Costa, Israël en de volken. 

149 Recueil echte stukken 2e. dl., blz. 183. 

150 Teenstra deelt in “de Negerslaven” op blz. 43—en een ongenoemde schrijver in een werkje “Suriname in deszelfs tegenwoordigen toestand,” bladz. 48, hierover verscheidene bijzonderheden van lateren tijd mede, welke grootendeels overeenkomen met het hier vermelde. 

151 Journaal van Mauricius, 29 Jan. 1748. 

152 Amerikaansch Voyagiën, door Adriaan van Berkel, uitgegeven tot Amsterdam bij Johan ten Hoorn, 1695. 

153 Beschrijvinge van de volkplantinge Zuriname, door J. D. H. L., te Leeuwarden bij Meindert Injema, Boekdrukker en verkooper, vooraan in de St. Jakobsstraat, 1718 blz. 46. 

154 Recueil echte stukken bl. 518. 

155 Notulen, 23 Mei 1746. 

156 Notulen, 11 Junij 1748. 

157 De Hoogduitsche Joden maakten gebruik van een gesticht dat door de Portugesche Joodsche gemeente in 1719 was daargesteld, maar in 1744 bij besluit der geoctroyeerde sociëteit aan hen was afgestaan, en, bij de aanwas dier gemeente, aanmerkelijk vergroot werd. 

158 Om den lezer eenigermate een denkbeeld te geven van de uiterlijke gedaante der stad, hopen wij een paar platen te geven, waarin Paramaribo in twee onderscheidene tijdperken zal worden voorgesteld.