423 Zie Notulen van Gouverneur en Raden van dezelfde datums. ↑
424 Notulen van Gouv. en Raden, 10 Maart 1774 en 6 April 1774. ↑
425 Notulen van Gouverneur en Raden, 7 April 1774. ↑
426 Volgens de schrijvers der Historische proeve—zie 1e deel, bladz. 163—werden er in 1786 slechts 80 à 90 eigenaars van plantaadjes in Suriname gevonden, terwijl het getal plantaadjes over de 500 bedroeg. Journaal van Nepveu, 1776. “Er heerscht hier tegenwoordig zoo groote armoede, dat veele blanken, die men ’t niet aan zoude sien, sig met een drooge bananne moeten behelpen.” Journaal van Nepveu, 5 Januarij 1779. Twee Raden van Policie hadden hunne betrekking nedergelegd: “het is zeer moeijelijk goede sujetten te verkrijgen, want diegenen, die er nog capabel en goed voor zouden weezen, sitten zoo ellendig in hunne affaires, dat men se desweegens niet op de nominatie brengen durft.” ↑
428 Historische proeve, 1e deel, bladz. 164 en 169. ↑
429 Reeds gaven wij hiervan eenige bewijzen bij de beschrijving der regering van Mauricius, van Spörche en Crommelin. Wij zouden die tot een groot aantal kunnen vermeerderen, zie o. a. Notulen, van Gouv. en Raden, 15 September 1769, 15 en 20 Februarij 1770 en 28 Nov. 1772, Journaal van Nepveu, 28 Junij 1770, Notulen van Gouverneur en Raden, 1775, enz. enz. enz.—doch wij zouden hierdoor te uitvoerig worden. ↑
430 Dit werd echter door de directeuren der Sociëteit tegengehouden. ↑
431 Notulen van Gouverneur en Raden, 6 December 1770 en 1773. Journaal van Nepveu, 8 Junij 1773. ↑
432 Notulen van Gouverneur en Raden, 12 Mei 1772. ↑
433 Notulen van Gouverneur en Raden, 28 Feb. 1774. De gegijzelde moest aan den kastelein voor kosten betalen:
| de eerste 14 dagen | ƒ | 3 | per dag; |
| de tweede id. | ƒ,, | 2 | id. |
| en verder id. | ƒ,, | 1 | id. |
434 Notulen van Gouverneur en Raden, 25 Aug. 1772. ↑
435 Notulen van Gouverneur en Raden, 21 Feb. 1774. ↑
436 Notulen van Gouverneur en Raden, 16 en 17 Mei 1774. ↑
437 Notulen van Gouverneur en Raden, 21 Mei 1774. ↑
438 Journaal van Nepveu, 10 Aug. 1774. Notulen van Gouverneur en Raden, 12 Aug. 1774. ↑
439 In Februarij 1764 had zekere C. P. van Brabant verzocht tot den huwelijken staat te worden aangeteekend met eene Elisabeth Samson, eene rijke vrije negerin, waarschijnlijk dezelfde of eene bloedverwante der meer genoemde dame. Het Hof had toen zwarigheid gemaakt dit toe te staan, omdat in de beschrijving van Suriname, door J. D. Herlein in 1718 uitgegeven, staat, dat ten tijde van van Sommelsdijk „soodanig huwelijk by placaten zoude syn geprohibiteerd—omdat zulks toegelaten wordende op dezelve vrije blanke vrouwen met vrije neegers soude trouwen, hetwelk van seer nadeelige gevolgen voor deese colonie konde sijn.” Die zaak maakte veel éclat. Het advies der heeren directeuren van de sociëteit werd hierover door het Hof ingewonnen en Elisabeth Samson diende hun een rekwest in. Het definitief antwoord hierop kwam eerst in Augustus 1767. Directeuren vermeenden, dat er geen termen bestonden om dit huwelijk te verhinderen. De zwarte dame huwde toen met zekere H. D. Zobre. (Zie Notulen van Gouv. en Raden, 13 Feb. 1764 en 17 Aug. 1767). Tegen het ongebonden in ontucht met negerinnen leven vond men geen bezwaar, wel in eene echtelijke verbindtenis. ↑
440 Journaal van Nepveu, 19 Feb. 1773. ↑
441 Notulen van Gouverneur en Raden, 16 Feb. 1774. ↑
442 Historische proeve 1e deel, bladz. 181. ↑
443 Journaal van Nepveu, 18 en 22 Julij en 4 Aug. 1769. ↑
444 Journaal van Nepveu, 5 Junij 1770.
Directeuren hadden reeds vroeger in 1768 zekeren timmerman, J. M. Augerstein, een octrooi van 6 jaren verleend tot het maken van een bijzonder soort van molens. Op het schenden van dat verleend octrooi was eene boete van ƒ 6000. gesteld. ↑
445 Wij konden hiervan uit de officieele stukken een lang relaas geven, maar het zou eene gedurige herhaling zijn van zelfde feiten, die wij reeds van tijd tot tijd mededeelden. ↑
446 Notulen van Gouverneur en Raden, 14 Feb. 1770.
De versterking der militaire posten was zeer noodig—want zij, die van weinig manschappen voorzien waren, werden door de Marrons overvallen en verstrooid. ↑
447 Over het daarstellen van dit Cordon komen wij weder later terug. ↑
448 Notulen van Gouverneur en Raden, 6 December 1770 en 22 Mei 1772. ↑
449 Notulen, Gouv. en Raden, 6 Mei 1772 en 18 Februarij 1773. ↑
450 Volgens Notulen van Gouv. en Raden, 3 Mei 1773 en 4 Junij 1773, blijkt, dat, sedert men had opgehouden aan de soldaten dram te geven, ziekte en sterfte onder hen zeer toenamen, waarom men besloot hun op nieuw een rantsoen sterke drank te verschaffen. Het slechte water moest alzoo gecorrigeerd worden. ↑
451 Notulen van Gouverneur en Raden, 25 April 1772. Op 9 buiten posten alleen lagen 145 soldaten. ↑
452 De premiën op het dooden of vangen van weggeloopen slaven gesteld, zouden evenzeer door hen genoten worden. ↑
453 Journaal van Nepveu, 15 Julij 1772, Notulen van Gouverneur en Raden, 15 Julij 1772. Twee der 116 slaven voor het vrijcorps werden door de eigenaars het land ten geschenke gegeven; de overige 114 werden gezamenlijk gewaardeerd op ƒ 143,400. Die som was enorm hoog, daar de minste op ƒ 800 geschat was terwijl o. a. bekwame timmernegers tot den prijs van ƒ 2400, ja ƒ 3400 werden gebragt. ↑
454 Notulen van Gouverneur en Raden, 3 Aug. 1773 en 26 Aug. 1773, 8 slaven werden geschat op ƒ 10,000 en 190 dito op ƒ 227,955. ↑
455 Somwijlen werd voor een tijd het opperbevel aan een, hooger in rang staande, officier opgedragen: zoo voerde o. a. de kapitein luitenant Frederici en, na zijn overgang tot de Staatsche troepen, een tijd lang de kapitein Stoelman over hen het bevel. ↑
456 Op deze muts stond het volgnummer van hun corps; later bekwamen zij eene groene montering. ↑
457 Notulen van Gouverneur en Raden, 22 Mei 1777. Deze uitspraak is ontleend aan eene door den Raad Fiscaal ingeleverde memorie van het Hof van Policie, waarbij hij opkwam tegen de klagten door sommige leden, over de wanordelijkheid der slaven en het slechte toezigt door het Fiscalaat daaromtrent geoefend. ↑
458 Men vindt in de Notulen enkele gevallen van leden van het vrijcorps, die, om verzuim in de dienst, weder tot den staat der slavernij werden terug gebragt. Notulen van Gouverneur en Raden, van 9 Aug. 1773, enz. ↑
459 Meermalen werd ook door hen verzoek gedaan om uit de krijgsdienst te worden ontslagen en werd hun dit verzoek toegestaan, mits betalende de som, waarvoor zij door het land waren overgenomen, o. a. volgens Notulen van Gouverneur en Raden van 13 Februarij 1777, 3 personen, een voor f 800–, een voor f 1000–, een voor f 1200 enz. enz. ↑
460 Ook hiervan worden verscheidene bijzonderheden in de Notulen gevonden. ↑
461 De obligatiën waren verdeeld als volgt:
| 100 ps. à | ƒ | 1000— | ƒ | 100,000— |
| 200 ps.,,à,, | ƒ,, | 500— | ƒ,, | 100,000— |
| 250 ps.,,à,, | ƒ,, | 400— | ƒ,, | 100,000— |
| 250 ps.,,à,, | ƒ,, | 200— | ƒ,, | 50,000— |
| 500 ps.,,à,, | ƒ,, | 100— | ƒ,, | 50,000— |
| te zamen | ƒ | 400,000— |
(Zie Notulen van Gouverneur en Raden van 8 Februarij 1774). ↑
462 Notulen van Gouverneur en Raden van 18 October 1773, en 20 Mei 1774, enz. ↑
463 Notulen van Gouverneur en Raden van 30 Augustus 1774. ↑
464 Notulen van Gouverneur en Raden, 30 Januarij en 5 Februarij 1773. ↑
465 Teenstra. De Landbouw in de kolonie Suriname, 1e. deel, bladz. 43. ↑
466 Journaal van Nepveu, 20 Februarij 1771. ↑
467 Notulen van Gouverneur en Raden, 20 Dec. 1770. Journaal van Nepveu, 10 Januarij 1771. Zie ook bladzijde 319. ↑
468 Notulen van Gouverneur en Raden, 14 Maart 1771. Journaal van Nepveu, 14 Maart 1771. ↑
469 Notulen van Gouverneur en Raden, 11 Junij, 6 Julij, 16 Sept. 1771, enz. Journaal van Nepveu, 10 Junij, 3 en 5 Julij 1771, enz. ↑
470 Notulen van Gouverneur en Raden, 11 Junij, 6 Julij 1771, enz. ↑
471 Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Januarij 1771. “Meer en meer loopen de slaven weg, nemen hunne geweren mede en voegen zich bij de bende van Baron. Idem 29 Junij 1772. De wegloopers hebben de Plantaadje Poelwijk afgeloopen en o. a. 21 geweren en eene groote hoeveelheid kruid medegenomen.” Het Hof besloot: om te bevelen, dat de geweren, welke de slaven op de plantaadjes bezitten, naar Paramaribo moesten worden opgezonden, daar men de slaven niet meer vertrouwen kon. ↑
472 Notulen van Gouverneur en Raden, 17 Julij 1772. 16 Aug., enz. Journaal van Nepveu. ↑
473 Stedman, reize naar Suriname, 1e deel, bladz. 117 en 18. ↑
474 Ook Stedman verhaalt deze en andere bijzonderheden, die wij echter, soms bijna woordelijk, overnemen, uit het uitnemend geschreven boekske: “Een Levensteeken op een dooden veld, door J. Herman de Ridder, bladz. 12–17. ↑
475 J. Herman de Ridder, Een levensteeken op een dooden veld, bladz. 16–17. ↑
476 Notulen van Gouverneur en Raden, 24 Sept. 1771. Journaal van Nepveu, 22 Sept. 1771. ↑
477 Notulen van Gouverneur en Raden, 13 October 1771. Journaal van Nepveu, 13 October 1771. ↑
478 Zie Notulen van Gouverneur en Raden van November, December 1771, enz. enz. ↑
479 Journaal van Nepveu, 22 October 1771. ↑
480 Journaal van Nepveu, 16 November 1771. ↑
481 Notulen van Gouverneur en Raden, 7 December 1771, 27 Julij 1772 en Journaal van Nepveu, 7 December 1771. ↑
482 Journaal van Nepveu, 1 Januarij, 27 Januarij en 4 Junij 1772. Notulen van Gouverneur en Raden, 17 Julij en 16 Augustus 1772, enz. ↑
483 Journaal van Nepveu, 19 Januarij 1772. Die neger ontvlugtte later uit de boeijen. ↑
484 Notulen van Gouverneur en Raden, 4 Mei 1772. Stedman, Reize naar Suriname, 1e deel, bladz. 113, enz. ↑
485 Journaal van Nepveu, 15 Junij 1772. ↑
486 Notulen van Gouverneur en Raden, 9 Julij 1771. Journaal van Nepveu, 9 Julij 1771. ↑
487 Journaal van Nepveu, 10 Aug. 1772. Notulen van Gouverneur en Raden, 10 Aug. 1772. ↑
488 Notulen van Gouverneur en Raden, 25 Sept. 1772. Journaal van Nepveu, 25 Sept. 1777. ↑
489 Journaal van Nepveu, 27 Sept. 1772. ↑
490 Journaal van Nepveu, 26 Sept. 1772. ↑
491 Journaal van Nepveu, 7 Oct. 1772. ↑
492 Journaal van Nepveu, 26 Oct. 1772. ↑
493 Journaal van Nepveu, 2 en 9 Dec. 1772. ↑
494 Journaal van Nepveu, 11 Dec. 1772. ↑
495 Journaal van Nepveu 27 Dec. 1772. ↑
496 Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Januarij 1773. ↑
497 Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Januarij, 31 Januarij en 5 en 9 Febr. 1773. Journaal van Nepveu, 27 Januarij en 2, 4, 8 en 9 Febr. 1773. ↑
498 Journaal van Nepveu, 19 Julij 1773. Fourgeoud wenschte zijn volk naar de buitenposten te zenden: “alsoo se aan Paramaribo door Debauches vry meer onbequaam en buyten staat raakten: klaagende dat se genoegsaam alle aan Venus-siekte laboreerenden.” ↑
499 Notulen van Gouverneur en Raden, 1 Maart 1773. ↑
500 Notulen van Gouverneur en Raden, 4 Maart 1773. ↑
501 Journaal van Nepveu, 6 April 1773. ↑
502 Men vindt in de Notulen van Gouverneur en Raden van 4 Maart 1773 eene door de posthouders bij de beide stammen opgemaakte begrooting van het aantal en de sterkte der Saramaccaansche en der Aukaansche bevredigde boschnegers. De eerstgenoemden woonden in 12 dorpen, die 3, 6, 7 en 12 uren van elkander en 12 dagen reizens van Paramaribo verwijderd lagen. Onder hen waren 600 strijdbare mannen. De Aukaners bewoonden 12 dorpen en onder hen waren mede ruim 600 weerbare mannen. ↑
503 Notulen van Gouverneur en Raden, 10 April 1773. ↑
504 Notulen van Gouverneur en Raden, 19 en 20 April en 3 Mei 1773, enz. ↑
505 Notulen van Gouverneur en Raden, 4 en 8 Junij 1773. ↑
506 Notulen van Gouverneur en Raden, 28 Mei 1773. ↑
507 Journaal van Nepveu, 8 Junij 1773. Stedman. Reizen naar Surinamen, 1e deel, bladz. 153 en 154. ↑
508 Notulen van Gouverneur en Raden, 15 Junij 1773. Journaal van Nepveu, 14 Junij 1773. ↑
509 Notulen van Gouverneur en Raden, 15 Junij 1773. Stedman, 1e. deel, bladz. 155 en 56, 304 enz. ↑
510 Notulen van Gouverneur en Raden, 16 Junij 1773. ↑
511 Journaal van Nepveu, 17 Junij 1773. ↑
512 Notulen van Gouverneur en Raden, 18 Junij 1773. ↑
513 Notulen van Gouverneur en Raden, 30 Aug. 1773. ↑
514 Notulen van Gouverneur en Raden, 30 Junij 1772. ↑
515 Stedman, 1ste deel blz. 303. ↑
516 Notulen van Gouverneur en Raden, 16 Sept. 1773. Journaal van Nepveu, 12 Sept., 18 en 30 Oct. 1773. ↑
517 Notulen van Gouverneur en Raden, 6 Nov., 13 Dec. 1773 en 16 Januarij 1774. Journaal van Nepveu, 18 en 30 Oct. 1773 en 17 Januarij 1774. ↑
518 Stedman, reize naar Surinamen, 1e deel, bladz. 249 en 50. ↑
519 Stedman, reize naar Surinamen, 1e deel, bladz. 250 en 51. ↑
520 Dergelijke hutten werden van de dikste takken der Manicola-boom gebouwd; met een sabel of bijl vormde men sommigen tot hoekpalen, anderen tot latten of riggels; de bladeren dienden tot dak; de Nebis of het boschtouw om een en ander zamen te hechten. ↑
521 Gedurig vindt men in het Journaal van Nepveu scherpe aanmerkingen over de dwaasheid van Fourgeoud, “die door in de regentijd in het bosch te gaan, nutteloos menschenlevens verspilt.” Journaal van Nepveu, 1 Junij 1775, enz. enz. enz. ↑
522 Journaal van Nepveu, 6 Januarij, 30 Januarij, 1 Februarij, 2 Februarij, 6 Februarij 1775 enz. ↑
523 Journaal van Nepveu, 30 Januarij en 10 Februarij 1775. ↑
524 Stedman zinspeelt hier op een voorval, dat veel overeenkomst had met dat, hetgeen de afdeeling onder de Luitenant Leppert was overkomen. ↑
525 Deze Matakys, ook trompetters genaamd, wijl zij even als dat instrument gedraaid zijn, verheffen zich uit den grond tot eene onmetelijke lengte, en zoo digt in elkander, dat geen hond er door kruipen kan, en bij het overstappen of overspringen verwart men er gedurig met den voet in. ↑
526 Fourgeoud had in het eerst weinig met dit vrijkorps op, doch erkende later het groote nut, dat zij in de boschtogten bewezen. Stedman acht een Negersoldaat in de bosschen van Guiana meer waard dan zes Europeanen. ↑
527 De namen van de dorpen der Marrons waren: Boucou (tot stof vervallen), Gado Saby (God alleen kent my), Corsary (kom zoo gij durft), Tessy sy (Ruik er aan), Mely my (Ontrust mij), Boussy cray (De bosschen schrijen), Me Salasy (Ik zal genomen worden), Kebry my (Verberg mij); behalve deze zinrijke namen waren er ook van de ligging enz. afgeleid, als: Quammy Condre, naar den naam van een opperhoofd Quammy, Pynenburg, naar de Pyn of Latanus-boomen, die dit dorp van voren omringden, Caro Condre, van de menigte korenvelden, Reizy Condre, van de menigte daarbij gelegen rijstvelden enz. ↑
528 Stedman, reizen naar Suriname, 3e deel, bladz. 1–51. ↑
529 Notulen van Gouverneur en Raden, 21 Dec. 1775, 26 Februarij, 8 Maart, 19 Aug., 27 Aug. 1776 enz. ↑
530 Notulen van Gouverneur en Raden, 28 Oct. 1776 enz. ↑
531 Journaal van Nepveu, 26 Julij 1776. Nepveu voegt na deze mededeeling er het volgende bij:
“Zij moesten hoezee roepen, maar hadden er niet veel lust in. Door een soopje en vooral ook met de stok werden sommigen hiertoe gebragt. Volgens naauwkeurige berekening is het corps staaten troepen 366 hoofden, alle medegerekent: 80 man zijn ziek en 100 man zijn afgekeurt, die teruggezonden zullen worden, zoodat er omstreeks 200 man overblijven; welk getal van weynig influenzie kan weesen, daar men, om een goede coup te doen, het beste volk der sociëteits-troupen hiermede moet vereenigen, terwijl door die vrugtelooze tochten in de bosschen geen volk genoeg tot dekking der plantaadjes overblijft en alzoo het langer verblijf der staaten-troepen meer na- als voordeel geeft. ↑
532 Journaal van Nepveu, 6 December 1776. Notulen van Gouverneur en Raden, 16 Dec. 1775. ↑
533 Notulen van Gouverneur en Raden, 7 Dec. 1772. ↑
534 Notulen van Gouverneur en Raden, 5 Mei 1777. Zie verder Notulen, 23 Dec. 1776, 13 en 31 Januarij, 4 Februarij en 9 Mei 1776 enz. ↑
535 Notulen van Gouverneur en Raden, 9 Mei 1777. ↑
536 Notulen van Gouverneur en Raden, 4 Februarij 1777. ↑
537 Journaal van Nepveu, 1 April 1777. Slechts een gedeelte, niet het geheele aantal der troepen, zooals Sypensteyn abusivelijk op bladz. 40 vermeldt—waren scheep gegaan. Fourgeoud ook bleef tot April 1778 in de kolonie. ↑
538 Journaal van Nepveu, 16 en 18 Julij, 13 Aug. 1777 enz. ↑
539 Notulen van Gouverneur en Raden, 24 Julij, 6 Aug. en 18 Aug. 1777 enz. ↑
540 Notulen van Gouverneur en Raden, 26 Julij 1777. ↑
541 Notulen van Gouverneur en Raden, 18 Februarij 1778. ↑
542 Notulen van Gouverneur en Raden, van 1 Januarij 1778. ↑
543 Stedman, reize naar Suriname, 4e deel, bladz. 47. ↑
544 Journaal van Nepveu, 1 April 1778. Notulen van Gouverneur en Raden, 4 April 1779. ↑
545 Fourgeoud overleed kort na zijne terugkomst in Holland, en werd met alle krijgseer in den Haag begraven. ↑
546 Notulen van Gouverneur en Raden, 2 December 1777. ↑
547 Notulen van Gouverneur en Raden, 2 December 1777. ↑
548 Notulen van Gouverneur en Raden, 2 December 1777. ↑
549 Notulen van Gouverneur en Raden, 8 December 1777. ↑
550 Notulen van Gouverneur en Raden, 9 Febr. 1778. ↑
551 Journaal van Nepveu, 4 Junij 1778. ↑
552 Journaal van Nepveu, 17 April en 28 Septemb. 1779, enz. ↑
553 Journaal van Nepveu, 13 Junij 1778. ↑
554 Journaal van Nepveu, 17 Junij 1778. ↑
555 Journaal van Nepveu, 4 Junij, 21 Julij, 14 Octob., 27 Decemb. 1778, enz. ↑
556 Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Februarij 1779. ↑
557 Sypesteyn, Beschrijving van Suriname, bladz. 41. ↑
558 Notulen van Gouverneur en Raden, 28 Febr. 1779. Journaal van Texier, 28 Febr. 1779. ↑
559 Sypesteyn, Beschrijving van Suriname, bladz. 41. ↑
560 Notulen van Gouverneur en Raden, 12 Nov. 1779. Journaal van Texier, 12 Nov. 1779. ↑
561 Journaal van Texier, 19 Junij, 23 Julij, 31 Augustus, 25 October, 10 November 1779, enz., enz., enz. ↑
562 Notulen van Gouverneur en Raden, 27 December 1779. ↑
563 Journaal van Texier, 12 October, 31 October, 24 December 1779, enz. ↑
564 Journaal van Texier, 31 October 1779. ↑
565 Journaal van Texier, 18 Januarij 1780. ↑
566 Journaal van Texier, 6 Januarij 1781. ↑
567 Journaal van Texier, 15 Maart 1781. ↑
568 Journaal van Texier, 2 September 1779. ↑
569 Journaal van Texier, 3 September 1779. ↑
570 Journaal van Texier, 23 October 1779. ↑
571 Journaal van Texier, 3 September 1779. ↑
572 Journaal van Texier, 25 Junij en 5 Julij 1779. ↑
573 Journaal van Texier, 22 en 29 Maart, 11 Julij 1779, 6 Febr., 10 Maart 1780, enz., enz. ↑