EL-SCHADDAÏ ONTVANGT TIJDING VAN MENSCHZIEL.
Ook ging de boodschapper voort: „Benevens dit alles heeft de nieuwe koning, of liever oproerige tiran, over de eens zoo beroemde maar nu in ellende verzinkende stad Menschziel, een burgemeester en een griffier op eigen hand aangesteld. Als burgemeester benoemde hij Zinnelijke lust, en als griffier Godvergeter, twee van de allergeringsten uit de stad Menschziel.” Deze betrouwbare getuige ging al voort en verhaalde welk nieuw soort van adeldom Diábolus had ingesteld, en dat deze verscheidene sterke forten of kasteelen in Menschziel had gebouwd. Hij vertelde, wat ik bijna vergeten had, dat Diábolus de stad in de wapens had geroepen en hen in den wapenhandel geoefend om des te beter El-Schaddaï, hunnen Koning, weerstand te kunnen bieden, wanneer hij haar kwam opeischen.
Deze berichtgever deed zijn verhaal niet in het geheim, maar voor het volle hof, voor den Koning, zijn Zoon, zijn hoogen Raad, hoofdofficieren en edelen, waar deze allen tegenwoordig waren om naar hem te luisteren. En als gij nu eens gezien hadt, welk een indruk het hooren van deze tijdingen op hen maakte, dan zoudt gij u verwonderd hebben over de smart, de droefenis, de verslagenheid van geest, die hen allen aangreep bij de gedachte, dat dit vermaarde Menschziel nu genomen was. Alleen de Koning en zijn Zoon voorzagen dit alles reeds sedert lang, ja zelfs hadden zij reeds voldoende voorzien in hetgeen noodig was om Menschziel weder te herstellen, al hadden zij er ook nog met niemand over gesproken. Echter zij wilden ook deelnemen in de algemeene droefheid over het verlies van Menschziel en spraken hun leedgevoel zeer duidelijk uit. De Koning zeide openlijk, dat het hem smartte aan zijn hart, Gen. 6 : 5, 6. en gij kunt er op rekenen, dat het met zijn Zoon niet anders was gesteld. Daardoor werden nu allen overtuigd, dat zij groote liefde en groot medelijden voor de vermaarde stad Menschziel voelden. Daarop gingen de Koning en zijn Zoon in hunne binnenkamer, waar zij altijd samen raadpleegden over hetgeen zij voornemens waren te doen. Zij hadden daar vroeger reeds afgesproken, dat indien zij al toelieten, dat Menschziel in der tijd verloren ging, het toch voorzeker zou worden heroverd; en wel heroverd langs zulk eenen weg, dat beiden de Koning en zijn Zoon daarbij eeuwige roem en heerlijkheid behalen zouden. Waarom dan ook na deze beraadslaging, de Zoon van El-Schaddaï, — een uitnemend persoon vol liefde, en die altijd groot medelijden aan den dag legde met hen, welke in droefenis verkeerden, maar die een doodelijken haat in zijn binnenste koesterde tegen Diábolus, omdat deze het op zijn kroon en waardigheid toelegde, — waarom dan ook, zeg ik, deze Zoon van El-Schaddaï, na zijnen Vader er de hand op te hebben gegeven, beloofde, dat hij zijn dienaar wilde zijn in het herwinnen van Menschziel, daarin vastberaden te werk zou gaan en zich daarover later niet te zullen berouwen. De hoofdzaak van dit raadsbesluit kwam hierop neder, dat op een bepaalden tijd, door beiden vastgesteld, de Zoon des Konings eene reis zou doen in de landstreek Heelal, en dat Hij daar langs een weg van gerechtigheid en waarheid, door voor de zonden en dwaasheden van Menschziel te boeten, het fondament zou leggen voor hare volkomen verlossing uit de macht van Diábolus en zijne onderdrukking.
Bovendien besloot Immanuel op een bepaalden tijd een oorlog te beginnen tegen den reus Diábolus omdat hij bezit genomen had van de stad Menschziel, en dat hij door de kracht zijner hand hem uit zijne sterkten, waar hij zich genesteld had, zou uitdrijven en die tot zijne woonplaats maken.
Dit alles nu besloten zijnde zoo werd bevel gegeven aan de Opperste Secretarie van het hof om een verslag op te stellen van hetgeen bepaald was, en te zorgen, dat dit zou worden publiek gemaakt in alle hoeken van het koninkrijk des Heelals. Een klein uittreksel uit den inhoud van dit geschrift, kunt gij, als gij wilt, hier lezen:
„Laat allen, die het aangaat, nu weten, dat de Zoon van El-Schaddaï, den grooten Koning, door een verbond met zijn Vader zich heeft verplicht zijn Menschziel tot hem weder te brengen; ja uit kracht van zijne grenzelooze liefde wil hij haar zelfs in veel gelukzaliger toestand brengen dan waarin zij ooit verkeerd heeft eer Diábolus haar veroverde.”
De papieren werden bovendien op verschillende plaatsen aangeplakt tot geen geringe ergernis van Diábolus, „want nu”, dacht hij, „zal ik worden aangevallen en mijne bezitting mij worden ontnomen.”
WACHTEN AAN DE POORTEN VAN MENSCHZIEL.
Maar toen dit plan en voornemen in het paleis van den Koning en zijn Zoon werd vernomen, wie kan vertellen hoe de hoogedele hoofdlieden en edele vorsten, die daar waren, dat opnamen! Eerst fluisterden zij het tot elkander en daarna begon het door het geheele paleis te weerklinken, terwijl allen het glorierijke voornemen en het heerlijke verbond van den Koning en zijn Zoon ten gunste van het ellendige Menschziel bewonderden! Ja, de hovelingen konden nauwelijks iets voor hunnen Koning verrichten of zij vlochten daarin eenig bericht aangaande de groote liefde des Konings en zijns Zoons voor de vermaarde en ongelukkige stad Menschziel.
Evenmin konden deze raadsheeren, kapiteins en vorsten zich vergenoegen met deze tijding aan het hof te laten blijven berusten, zij maakten dat, zelfs eer het officieele verslag daarvan volkomen in orde was, die goede tijding reeds overal verteld werd in het landschap Heelal. Daardoor kwam zij dan ook, zooals ik reeds zeide, ter ooren van Diábolus tot zijne niet geringe verlegenheid; want gij kunt wel begrijpen, dat het hooren van zulke voornemens en plannen tegen hem, hem verschrikken moest. Na er eenigen tijd over te hebben nagedacht, verzon hij de vier volgende zaken.
Eerstens. Dat dit nieuws, deze goede tijdingen namelijk, zoo eenigszins mogelijk voor de ooren van Menschziel zouden verborgen gehouden worden; „want”, zeide hij, „als zij eens tot de wetenschap kwamen, dat El-Schaddaï, hun vroegere koning, en Immanuel zijn Zoon het goede voor de stad Menschziel zoeken, wat zou daar dan anders voor mij uit kunnen voortvloeien dan dat zij tegen mij opstaan en onder zijne heerschappij terugkeeren?”
Om nu dit voornemen te vervullen vernieuwde hij zijne vleierij jegens den heer Vastewil en gaf hem ook strengen last en bevel om toch dag en nacht wacht te houden bij al de poorten van de stad, maar vooral bij de Oorpoort en de Oogpoort, „want ik hoor”, zeide hij, „van een besluit, dat ons allen tot verraders verklaart en dat Menschziel tot zijne eerste slavernij terugkeeren moet. Ik hoop, dat het maar verzinseltjes zijn; maar toch mag zulk eene tijding in geenendeele in Menschziel bekend worden, opdat het volk niet verontrust worde. Ik vermoed, Mijnheer, dat het ook voor u geen welkome tijding wezen kan, en ik ben zeker dat zij het voor mij niet is; en daarom denk ik het wijs en van het uiterste belang al zulke rumoeren den kop in te nijpen vóor zij ons volk in de war brengen. Daarom begeer ik, Mijnheer, dat gij in deze zaak zult handelen zooals ik zeg. Laat ons iederen dag sterke wachten zetten aan elke poort van de stad. Houd ook aan en onderzoek al degenen, die gij bemerkt, dat van verre tot ons komen om handel te drijven, en laat ze onder geen voorwendsel in Menschziel worden toegelaten tenzij gij wel overtuigd zijt, dat zij ons uitmuntend gouvernement gunstig zijn gestemd. Ook beveel ik,” ging Diábolus voort, „dat er voortdurend spionnen de stad op en neer wandelen, met macht en last om alles te onderdrukken wat zij eenigszins in ons nadeel bemerken te zijn, en wat El-Schaddaï en Immanuel zou kunnen begunstigen.”
Dit werd alles overeenkomstig zijn bevel gedaan; de heer Vastewil gehoorzaamde zijn heer en meester en volgde gewillig het bevel op, en met allen vlijt waartoe hij in staat was, hield hij alles buiten en onderdrukte elke tijding voor Menschziel aangaande deze dingen.
Ten tweede. Dit gedaan zijnde legde Diábolus, opdat hij Menschziel zoo onneembaar maken zou als hij maar kon, aan al het volk der stad een nieuwen eed op en maakte met hen een verschrikkelijk verbond, te weten, dat zij nooit hem of zijne regeering zouden verlaten, noch bedriegen, noch zijne wetten zoeken te veranderen; maar dat zij hem als hun wettigen koning zouden erkennen, getrouw blijven en verdedigen tegen een iegelijk, die nu of voortaan door eenig voorwendsel, wet of instelling, hoe dan ook, op de stad Menschziel aanspraak maken zou. Hij dacht hierbij, naar het scheen, dat El-Schaddaï geene macht had om hen te ontslaan van dit verbond met den dood en dit voorzichtig verdrag Jes. 28 : 15. met de hel. En die onnoozele stad Menschziel had op dit alles niets tegen, zag geen gevaar, in dit monsterverbond, maar als ware het een splintertje geweest in den bek van een walvisch, slikte zij het door zonder eenigen schroom. Was zij er wel eenigszins door ontroerd? O, neen, integendeel, zij roemden op hunne getrouwheid aan den tiran, hun voorgewenden koning, zwerende, dat zij nooit zouden wankelen, nooit hun ouden heer voor een nieuwen verruilen. Aldus kluisterde Diábolus het arme Menschziel vast.
Ten derde. De jalousie, die zich nooit sterk genoeg waant, dreef hem aan tot nog meerdere heldendaden, en dat was om Menschziel, zoo mogelijk, nog meer tot uitspattingen aan te hitsen. Hij liet dan zekeren heer Vuil, een verachtelijk, wulpsch en beestachtig persoon, geschriften opstellen en die boven de poorten van het kasteel plaatsen, waarbij hij verlof gaf aan al zijne getrouwe aanhangers en zonen in Menschziel om alles vrijelijk te volbrengen wat hunne zinnelijke lusten streelen kon, en dat niemand hen daarin kon verhinderen of tegenstaan op straffe van zich het ongenoegen van hunnen vorst op den hals te halen.
Dit deed hij om deze navolgende redenen:
1e. Dat de stad Menschziel daardoor al zwakker en zwakker worden zou en des te meer ongeschikt om als de tijdingen kwamen, die van hare verlossing getuigden, daaraan geloof te slaan of daarop te hopen, omdat men algemeen denkt: hoe grooter zondaar des te minder kans op barmhartigheid.
2e. De tweede reden was, dat als misschien Immanuel, de Zoon des grooten Konings, hunne verschrikkelijke en afschuwelijke handelingen zag, hij berouw mocht krijgen, dat hij een verbond had aangegaan om zulk volk te verlossen, en er van mocht afzien het uit te voeren. Want hij wist, dat El-Schaddaï heilig is en dat ook zijn Zoon Immanuel heilig is, ja hij wist dit bij ondervinding, want om zijne eigen zonden was Diábolus uit de hoogste sfeeren verjaagd. Weshalve hij zeer rationeel tot dit besluit kwam, dat wegens hare gruwelijke zonde het ook zoo gaan zou met Menschziel. Toch nog vreezende, dat ook dit touw breken zou bedacht hij nog iets anders.
DIÁBOLUS ROEPT MENSCHZIEL TE WAPEN.
3e. Hij wilde verder alle gemoederen in Menschziel doordringen van het denkbeeld, dat El-Schaddaï een leger aangeworven had om de stad te verderven. Dit deed hij om alle tijdingen, die tot haar komen mochten aangaande eene voorgenomen verlossing krachteloos te maken, „want”, dacht hij, „als ik dit gerucht maar eerst in omloop breng, zullen alle daarna komende tijdingen, die hun oor bereiken, daardoor verslonden worden; want wat anders zal Menschziel zeggen wanneer zij hoort, dat zij verlost moet worden, dan dat de eigenlijke bedoeling van El-Schaddaï is haar te vernielen?” Tot dat einde riep hij de gansche burgerschap op het marktplein bijeen, en daar sprak hij haar met een bedriegelijke tong aldus aan:
„Mijne heeren en goede vrienden, gij allen zijt, zooals gij weet, mijne wettige onderdanen en lieden der beroemde stad Menschziel. Gij weet, van den eersten dag af, dat ik onder u verkeerde tot op dit oogenblik, hoe ik mij in uw midden heb gedragen, en welke vrijheden en groote voorrechten gij onder mijne regeering hebt genoten, naar ik hoop tot uwe en mijne eer en niet minder tot uw en mijn genot. Welnu, beroemde stad Menschziel, er loopt daarbuiten een gerucht, dat de stad kan verontrusten en dat mij om uwentwil leed doet, want ik ontving daar juist door de post van den heer Lucifer, die altijd goed op de hoogte is van alles, een brief, waarin staat, dat uw oude heer en koning El-schaddaï een leger werft om tegen u op te trekken, ten einde u met wortel en tak uit te roeien. En dit is nu de oorzaak, o Menschziel, dat ik u heb opgeroepen om te raadplegen wat in dezen nood het best zij te doen. Wat mij zelf betreft, ik ben maar alleen en kan mij gemakkelijk uit de voeten maken, als ik mijn eigen welzijn zocht en mijn Menschziel in het gevaar alleen wilde laten, maar mijn hart is innig aan u verbonden, en zoo onwillig ben ik om u te verlaten, dat ik met u wil staan en vallen, wat mij dan ook overkomen moge. Wat zegt gij, o geliefde Menschziel! Wilt gij nu uw ouden vriend verlaten of hem bijstaan?” Toen riepen zij allen als een eenig man en uit éenen mond: „Sterven moet wie u ontrouw wordt!”
Toen zeide Diábolus weder: „Het is tevergeefs voor ons op genade te hopen; want deze koning weet van geen kwartier geven. Ja, misschien zal hij, als hij pas tot ons komt, over eene dusgenaamde barmhartigheid spreken, opdat hij daardoor des te eer en des te gemakkelijker zich meester make van de stad Menschziel. Wat hij nu daarover zal believen te zeggen, geloof er geen letter of tittel of jota van; want al zulke taal dient maar om ons te verschalken en dan ons de slachtoffers van zijne armzalige zegepraal te maken, terwijl wij daar liggen te wentelen in ons bloed. Daarom is het mijn plan, dat wij hem tegenstaan tot den laatsten man toe, en hem in geen enkel opzicht gelooven; want door die deur dreigt het gevaar binnen te sluipen. Maar zullen wij ons aldus door dit gevlei om hals laten brengen? Ik hoop toch, dat gij te veel weet van de regelen der staatkunde om u zoo jammerlijk onder het juk te laten brengen.”
„Maar onderstelt nu eens, dat als hij eenmaal de stad in handen kreeg, hij sommigen van ons spaarde, dat hij enkele onderdanen in het leven liet, wat zal dat u baten, die opperhoofden zijt in deze stad, in het bijzonder u, die ik zoo hoog verheven heb, en die uwen adelstand verdiend hebt door innige gehechtheid aan mij? En stel nogmaals, dat hij sommigen uwer kwartier gave, houdt u er toch van verzekerd, dat hij u een slavernij zal brengen, evenals die u vroeger gekneld hield of erger dan die, en wat hebt gij dan aan uw leven? Zult gij het bij hem zoo prettig en aangenaam hebben als tegenwoordig bij mij? Neen, neen, gij zult gebonden worden door wetten, die u zullen knellen, en gij zult genoodzaakt worden te doen wat gij nu haat en verafschuwt. Ik ben voor u als gij voor mij zijt; en het is beter dapper en met eere te sneuvelen dan als jammerlijke slaven te leven. Maar dit zeg ik u, dat een slavenleven nog te goed geacht zal worden voor Menschziel, als de stad valt. Bloed, bloed, niets anders dan bloed! dat roept iedere toon uit El-Schaddaï’s trompet, die van verre weerklinkt. Eilieve, neemt het ter harte; ik hoor, dat hij komt. Op, staat in de wapens; waar gij nu nog eenige rust hebt, zoo wil ik u nog eenige krijgslisten leeren. Ik heb eene wapenrusting voor u, die geschikt is om u van top tot teen te harnassen. Zoodoende kunt gij niet gekwetst worden door wat hij ook tegen u begint, als gij deze wapenrusting maar stevig aangespt. Komt daartoe in mijn kasteel, gij zijt er welkom, en harnast u tegen den oorlog. Daar is een helm, een borstharnas, zwaard en schild, die maken zullen dat gij als mannen vechten kunt.”
„Daar hebt gij eerst mijn helm of hoofdbedekking, het is de hoop, dat het nog wel goed afloopen zal of dat gij eindelijk nog wel goed zult doen welk leven gij ook tot dusverre leefdet. Deze helm is in het bezit van allen, die voorgeven, dat zij toch vrede hebben al wandelen zij ook in de goddeloosheid hunner harten om de dronkenen Deut. 29 : 19. te doen tot de dorstigen. Dat is een beproefd stuk wapen, en al wie het bezit en het vast kan houden, wordt al dien tijd door geen pijl, spies of zwaard gewond. Zet dat hoofdbedeksel op en gij kunt menigen stoot weerstaan, geliefd Menschziel.”
„Mijn borstwapen is een ijzeren borstharnas. Ik heb het in mijn eigen land gesmeed Openb. 9 : 9. en al mijne soldaten zijn daarmede gewapend. Om het u duidelijk te zeggen, het bestaat uit een hard hart, een hart zoo hard als ijzer en zoo ongevoelig, ongevoelig als een steen. Doet ge dat aan dan zal de barmhartigheid u niet verteederen noch het oordeel u verschrikken. Daarom is het zoo hoog noodig voor allen, die El-Schaddaï haten, en onder mijne banieren willen strijden.”
„Mijn zwaard is eene tong, die in het
Ps. 57 : 5;
64 : 4.
Jac. 3 : 6. helsche vuur gescherpt is,
en die maar niets liever
doet dan kwaad spreken van El-Schaddaï,
zijn Zoon, zijn wegen en zijn volk. Gebruikt
dit zwaard, het is beproefd wel duizendmaal,
de duizenden verdubbeld. Wie het
bezit, vast houdt en er dat gebruik van
maakt, dat ik begeer, kan nooit door mijn
vijand overwonnen worden.”
„Mijn schild is ongeloof, of wilt ge het liever noemen: in twijfel trekken van de waarheid des woords, van alle oordeel, dat El-Schaddaï uitspreekt over goddelooze menschen. Gebruikt dit schild: daar heeft hij al menigen aanval op gedaan en somtijds, is het, wel is waar, verbrijzeld; maar toch staat geschreven in het boek der oorlogen van Immanuel tegen mijne dienaren, dat hij belet werd menig goed werk te doen ter zake van hun ongeloof. Welnu, dit zeer machtige wapen te handhaven valt zeer gemakkelijk, men heeft dan maar geloof te weigeren aan alles wat waar is op welke wijze het ook wordt bewezen of betuigd. Spreekt hij van oordeel, let er niet op; spreekt hij van barmhartigheid, geeft er niet om; — of hij al belooft, ja zelfs zweert, dat hij Menschziel goed wil doen wanneer het tot hem wederkeert, laat hem maar praten, trekt de waarheid van al wat hij zegt in twijfel; want op die wijze hanteert gij het schild des ongeloofs voortreffelijk, zooals al mijne getrouwe dienaren doen, en wie anders handelt heeft mij niet lief, dien reken ik mijn vijand.”
„Bovendien”, zeide Diábolus verder, „heb ik nog een uitmuntend wapen, dat bestaat uit een doffen, onverschilligen en gebedloozen geest, die spot met alle roepen om genade. O, Menschziel, maak daar ook gebruik van. Wat, roepen om genade! Doe dat nooit als gij de mijne wezen wilt! Ik weet dat gij dappere mannen zijt, en nu ben ik ook zeker, dat ik u gekleed heb in beproefde wapenen. Waarom zoudt gij dan nog tot El-Schaddaï om genade roepen? Laat dat verre van u zijn! Benevens dit alles heb ik nog mokers, vuurbranders, vuurpijlen, dood en verderf, al te maal goed wapentuig en dat een uitmuntende uitwerking zal doen.”
Nadat hij aldus zijne mannen met eene wapenrusting en allerlei geweer had voorzien, sprak hij hen wederom aan met woorden als deze: „Bedenkt nu, dat ik uw rechtmatige koning ben en dat gij mij een eed gezworen en met mij in een verbond getreden zijt om mij en mijne zaak getrouw te blijven. Ik zeg u: bedenkt dit en beschouwt u als flinke en dappere mannen van Menschziel. Bedenkt ook al de vriendelijkheid, die ik u voortdurend heb betoond, en dat ik u zonder dat gij mij het verzoekt allerlei uitwendige dingen heb geschonken. Daarom eischen die voorrechten, goedgunstigheden, voordeelen en eereposten, waarmede ik u begiftigd heb, ook een rechtmatige vergelding van uwe hand, o mijne mannen van Menschziel, gij mannen als leeuwen! Wanneer was de tijd geschikter dan thans om dit te toonen, waar anderen mijne heerschappij over u gaan betwisten? Nog éen woord en ik eindig. Kunnen wij nu maar staande blijven en dezen schok doorstaan, dan twijfel ik niet of de geheele wereld is binnen kort in ons bezit. Komt die dag, o mijne getrouwen, dan maak ik u allen koningen, vorsten en opperhoofden; welke gelukkige dagen zullen wij dan beleven!”
Diábolus op deze wijze zijne knechten en vasallen in Menschziel tegen hunnen wettigen koning, den goeden El-Schaddaï gewapend en in het harnas gejaagd hebbende, ging over tot het verdubbelen zijner wachten aan de stadspoorten, en trok zichzelven terug in het kasteel, dat zijn bijzondere sterkte was. Zijne vasallen, ten einde hunne toegenegenheid en voorgewenden (ofschoon laaghartigen) moed te toonen, oefenden zich dagelijks in den wapenhandel en onderwezen elkander daarin; zij daagden hunne vijanden uit en zongen den lof van hunnen tiran. Hierdoor toonden zij wat mannen zij zouden wezen als het eens zóo hoog liep, dat het kwam tot een werkelijken oorlog tusschen El-Schaddaï en hunnen koning.
ZNu was al dien tijd de goede koning, koning El-Schaddaï, bezig voorbereidselen te maken om een leger te zenden ten einde Menschziel te herwinnen en van de tirannie van hun voorgewenden koning Diábolus te verlossen; maar het dacht hem goed dit leger niet dadelijk te geven in de hand van den dapperen Immanuel, zijn Zoon, maar van sommigen zijner dienaren, om eerst door hen den geest van Menschziel te onderzoeken of zij wellicht zóo tot de gehoorzaamheid aan hunnen koning zouden worden teruggebracht. Dit leger bestond uit meer dan veertig duizend, al te maal getrouwe manschappen, want zij kwamen uit des konings eigen hof en waren zijne uitgelezenen.
Zij kwamen op Menschziel aan onder het geleide van vier dappere generaals, die ieder hoofdman over tien duizend waren. Hier zijn hunne namen en titels. De naam des eersten was kapitein Boanerges, de naam des tweeden kapitein Overtuiging, de naam des derden was kapitein Oordeel en de naam des vierden kapitein Strafoefening. Deze waren de hoofdlieden, die op Menschziel werden afgezonden.
Dit viertal werd nu, zooals gezegd is, vooruitgezonden om den eersten aanval te doen; want de koning was gewoon in al zijne oorlogen deze vier in den voortocht te stellen; zij waren dan ook zeer stout en forsch, mannen, juist geschikt om het ijs te breken, en zich een weg te banen langs de snede van hun zwaard, terwijl al hunne manschappen hun daarin geleken.
Aan ieder van deze hoofdlieden gaf de Koning eene banier, opdat hij deze zou ontplooien, wegens de eerlijkheid zijner zaak en het recht, dat hij op Menschziel had.
Eerst werden dan aan kapitein Boanerges, want hij was het opperhoofd, tienduizend manschappen gegeven. Zijn vaandeldrager was vaandrig Donder; hij droeg de zwarte kleur en zijn onderscheidingsteeken was drie brandende donderbussen.
De tweede hoofdman was kapitein Overtuiging. Ook aan hem werden tienduizend manschappen toevertrouwd. De naam van zijn vaandeldrager was Droefheid; hij droeg de bleeke kleur en zijn wapenschild prijkte met een opengeslagen wetboek, waaruit vuurvlammen spatten.
De derde hoofdman was kapitein Oordeel, en onder hem ook tienduizend manschappen. De naam van zijn vaandrig was Vreeze; hij droeg de roode kleur, en op zijn wapenschild stond een vurige brandende oven.
De vierde hoofdman was kapitein Strafoefening; ook hij gebood over tienduizend man. Zijn vaandrig heette Gerechtigheid. Zijne kleuren waren eveneens rood, maar op zijn banier prijkte een onvruchtbare boom met een bijl aan den wortel.
Op zekeren dag hield koning El-Schaddaï over deze vier hoofdlieden en hun legertros, soldaten en onderofficieren eene wapenschouwing; riep hen allen bij hunne namen op, en onderrichtte hen in hetgeen zij voor hunnen koning moesten gaan uitvoeren.
Toen de koning zijne krachten gemonsterd had, deelde hij aan elk der kapiteins hunne bijzondere lastgeving mede, en maande hen aan ten aanhoore van al hunne heirscharen, om getrouw en moedig op hun post te staan om die lastgeving uit te voeren. Die lastgeving was voor ieder hunner in hoofdzaak dezelfde; wat vorm, naam, titel, plaats en rang der kapiteins betrof, daarin waren maar zeer kleine afwisselingen. Ik zal u hier een verslag geven van hetgeen hun lastbrief in hoofdzaak inhield.
DE KAPITEINS VAN EL-SCHADDAÏ.
De last van den grooten Koning El-Schaddaï, Koning van Menschziel, aan zijn welvertrouwden en edelen hoofdman, den Kapitein Boanerges, voor zijne oorlogsverklaring aan de stad Menschziel.
„O, gij Boanerges, een mijner dappere en donderende aanvoerders over tienduizenden mijner edele en moedige dienaren, ga heen in mijnen naam, in deze uwe kracht, naar het ellendige Menschziel. Als gij daar komt biedt haar dan eerst vredesvoorwaarden aan. Gebied haar dat zij, het juk der tirannie van dien goddeloozen Diábolus afschuddende, tot mij, haar wettigen Vorst en Heer, terugkeere. Gebied haar tevens, dat zij zich reinige van alles wat hem behoort in de stad Menschziel. Maar zie vooral toe, dat gij goede waarborgen hebt aangaande de oprechtheid van hare gehoorzaamheid. Wanneer zij zich in waarheid onderwerpt, doe gij dan alles wat in uw vermogen is om een vesting voor mij op te richten in de vermaarde stad Menschziel; en veroorzaak niet het minste leed aan den geringsten inwoner, die daarin leeft en zich voor mij wil verootmoedigen; maar behandel dien integendeel als uwen vriend en broeder. 1 Thess. 2 : 7-11. Al dezulken heb ik lief en ze zullen mij dierbaar wezen. O, zegt het hem, dat ik ter bestemder tijd tot hen zal komen en doet het hun weten, dat ik genadig ben.
„Maar wanneer zij, niettegenstaande uwe opeisching en uw bevel, weerstand biedt, tegen u opstaat en rebelleert, dan gebied ik u, dat gij gebruik maakt van al uwe wijsheid, kracht, macht en sterkte, om haar weder tot mij te brengen door eenen sterken arm. Vaarwel.”
Zoo ziet gij hier den inhoud van hun lastbrief; want, zooals ik tevoren zeide, ze waren allen eenerlei voor de overige kapiteins.
Weshalve zij, allen en een iegelijk, zijn gezag hebbende ontvangen uit huns konings hand, en dag en plaats van hun aantreden bepaald zijnde, verschenen in zulk een wapendosch als aan hun ambt en roeping paste. Na een nieuw onderhoud met El-Schaddaï, trokken zij voorwaarts met vliegende vaandels om tegen de vermaarde stad Menschziel op te trekken. Kapitein Boanerges bestuurde de voorhoede, kapitein Overtuiging en kapitein Oordeel vormden den middentocht en kapitein Strafoefening bracht de achterhoede mede. Zij hadden een grooten Efez. 2 : 13, 17. weg af te leggen, want de stad Menschziel lag zeer ver van het hof van El-Schaddaï verwijderd en zij marcheerden door landen en gewesten van vele volken, niemand last of nadeel doende, maar overal zegenend waar zij kwamen. Ook leefden zij op ’s konings kosten langs al den weg dien zij gingen.
Zóo vele dagen gereisd hebbende, kwamen zij ten laatste in het gezicht van Menschziel, en toen zij haar zagen konden de kapiteins zich in het eerst niet onthouden den jammerlijken staat der stad te beweenen, want zij bemerkten hoe zij aan den wil van Diábolus was onderworpen en reeds gewoon in zijne wegen en inzettingen te wandelen.
Om kort te gaan, de kapiteins sloegen zich voor de stad neder, en trokken toen op naar de Oorpoort, want dat was de plaats, waar men gehoor kreeg. Hunne tenten opgeslagen hebbende en zich daar legerend maakten zij zich tot den aanval gereed.
De lieden der stad voor het eerst zulk een prachtig leger, dat zoo goed ingericht was, onder zulk eene uitmuntende discipline stond, en in zoo schitterende wapenrusting zijn vliegende vaandels ontplooide, bemerkende, konden niet anders doen dan onmiddellijk hunne woningen verlaten om het aan te staren. Maar de listige vos Diábolus, die bang was, dat zijn volk bij dit gezicht op een plotselinge opeisching der stad de poorten zou openen en de kapiteins binnenlaten, kwam in alle haast uit zijn kasteel en liet hen terugtrekken naar het midden der stad, waar hij deze leugenachtige en bedriegelijke redevoering tot hen hield:
„Mijneheeren,” zeide hij; „ofschoon gij mijn getrouwe en veel geliefde vrienden zijt, kan ik toch niet nalaten u eene kleine bestraffing te geven wegens uwe onvoorzichtige handelwijze, daar gij uit uwe woningen zijt gegaan om te kijken naar dat groote en machtige leger, dat sedert gisteren zich hier heeft vertoond en een beleg gaat beginnen tegen de vermaarde stad Menschziel. Weet gij wel wie ze zijn, vanwaar ze komen en wat hun oogmerk is met onze goede stad? Zij zijn het, van wie ik u reeds lang geleden heb verteld, dat zij komen zouden om deze stad te vernielen, en tegen wie ik u van top tot teen gewapend heb, en deze groote sterkten heb opgericht. Waarom hebt gij dan niet veel eer zelfs bij hunne eerste verschijning het uitgeschreeuwd, de vuurbakens aangestoken en de geheele stad in alarm gebracht, opdat wij allen in staat van verdediging geraakten en hen met groote verachting en tegenweer ontvangen hadden? Dan hadt gij u mannen getoond naar mijn hart, terwijl door hetgeen gij gedaan Hebt, gij mij bijna bevreesd gemaakt hebt — ik zeg bijna bevreesd — dat wanneer wij en zij eens vlak tegenover elkander komen te staan, ik bij u gebrek aan moed zal ontdekken om het tegen dien vijand uit te houden. Waarvoor heb ik bevolen dat er patrouilles zouden rondloopen en dat gij uwe wachten aan de poort verdubbelen zoudt? Waarom heb ik getracht u zoo hard te maken als ijzer, en uwe harten als een stuk van een molensteen? Was dat, naar uwe meening, opdat gij u als vrouwen aanstellen zoudt, en dat gij als een troep onnoozelen naar uwe doodvijanden zoudt gaan staan kijken? Foei, foei, stelt u in staat van tegenweer, roert de trom, loopt samen als dappere krijgers, opdat uwe vijanden mogen weten, dat gij mannen zijt en dat zij nog heel wat te doen zullen hebben eer zij deze stad Menschziel in hun bezit krijgen.”
DIÁBOLUS BESTRAFT MENSCHZIEL.
„Ik zal nu ophouden met u te bestraffen en niet meer op u schelden, maar dan eisch ik ook, dat ik voortaan zulke dingen niet meer zie. Laat voortaan niemand uwer, zonder eerst bevel van mij ontvangen te hebben, het wagen zijn hoofd over den muur te steken. Gij hebt mij nu gehoord, doet wat ik u bevolen heb en dan zal ik veilig in uw midden blijven wonen, en zorg voor u dragen als voor mijzelven in alles wat onze veiligheid en heerlijkheid bevorderen kan. Vaarwel!”
Nu werden de mannen van Menschziel zeer ontroerd; ’t was of eene panische schrik hen allen had bevangen; zij draafden maar onophoudelijk door de straten van Menschziel, luid roepende: „Help! Help! Deze mannen, die de wereld in oproer gebracht hebben, zijn ook hier gekomen.” Niemand hunner kon zich voortaan meer rustig houden, maar voortdurend riepen en schreeuwden zij als mannen, die van hun zinnen beroofd waren: „De verwoesters van onzen vrede en van ons volk zijn hier gekomen!” Dit hoorde Diábolus. „Ha!” zeide hij bij zichzelven, „zoo gaat het goed; zoo wilde ik het hebben; nu toonen zij dat zij aan hun vorst gehecht zijn! Houd u maar zoo,” riep hij, „en laat ze dan de stad eens innemen als ze kunnen!”
Eer nu ’s konings leger drie dagen voor Menschziel had gelegen, beval kapitein Boanerges zijn trompetter naar de Oorpoort te gaan, en daar in naam van den grooten El-Schaddaï de stad Menschziel op te eischen om gehoor te geven aan de boodschap, die hij in zijns Meesters naam tot haar bracht. De trompetter, wiens naam was: „Ziet toe hoe gij hoort” ging heen zooals hem geboden was naar de Oorpoort en blies daar op zijne trompet om gehoor, maar er was niemand, die voor den dag kwam of eenig antwoord gaf, of uitkeek, want zoo had Diábolus het geboden.
Zoo keerde dan de trompetter tot zijn kapitein terug en vertelde hem wat hij gedaan had en hoe hij was gevaren, waarover de kapitein zeer bedroefd was, maar hij verzocht den trompetter naar zijne tent te gaan.
Weder zond kapitein Boanerges zijn trompetter naar de Oorpoort om daar gehoor te verzoeken; maar ze hielden zich weder stil, kwamen niet voor den dag, noch wilden hem eenig antwoord geven, zoo nauwkeurig volgden zij het bevel van Diábolus hunnen koning op.
Toen hielden de kapiteins en de andere veldoversten een krijgsraad om samen te overleggen wat verder te doen zij om Menschziel te bemachtigen; en nadat zij met elkander beraadslaagd hadden wat de inhoud van hun lastbrief hun in dezen gebood, zoo kwamen zij tot het besluit om door de hand van den voornoemden trompetter nog eenmaal te zenden, en voor de derde keer dezelfde oproeping te laten hooren. Maar zou deze opnieuw geweigerd worden of de stad zich voortdurend stil houden, dan bepaalden zij, en verzochten den trompetter dit ook aan de onwilligen mede te deelen, dat zij alle middelen, die in hunne macht stonden, zouden aanwenden Luk. 14 : 23. om de ongehoorzamen met geweld onder het gezag van hunnen koning te doen bukken.
Zoo gebood dan kapitein Boanerges zijn trompetter weder naar de Oorpoort te gaan, en in naam van den grooten koning El-Schaddaï een luide sommatie te doen hooren om zonder dralen bij de Oorpoort te verschijnen ten einde aldaar gehoor te verleenen aan ’s konings voortreffelijkste kapiteins. De trompetter ging heen en deed wat hem bevolen was. Bij de Oorpoort blies hij op zijne trompet en deed eene Jes. 58 : 1. derde oproeping aan Menschziel hooren. Hij zeide bovendien, dat indien zij weigerden aldus te doen, de kapiteins van zijn vorst met een krachtigen arm op hen zouden aanvallen en hen met geweld dwingen tot gehoorzaamheid.
Toen stond de heer Vastewil op, hij, die gouverneur van de stad was, wij herkennen hem als dien afvallige over wien vroeger is gesproken, en die de poorten bewaakte. Met ruwe en trotsche woorden vraagde hij aan den trompetter wie hij was, vanwaar hij kwam, en wat wel de oorzaak zijn mocht, dat hij zulk een geweldig leven aan de poort maakte, zulke onverdragelijke woorden tot Menschziel sprekende.
De trompetter antwoordde: „Ik ben een dienaar van den edelen kapitein Boanerges, generaal van het leger des grooten konings El-Schaddaï, tegen wien gij en de gansche stad Menschziel gerebelleerd hebt en uwe hand hebt opgeheven. Mijn meester, de kapitein, heeft een speciale boodschap voor deze stad, en tot u, als een van hare burgers; eene boodschap, die gij rustig zult moeten aanhooren of anders moet gij maar afwachten wat er komt.”
Toen zeide de heer Vastewil: „Ik zal uwe woorden aan mijnen heer bekendmaken, en zal daarna hooren wat hij zegt.”
Maar de trompetter antwoordde: „Onze boodschap is niet bestemd voor den reus Diábolus, maar voor de ellendige stad Menschziel; ook zullen wij er volstrekt niet op letten welk antwoord door hem wordt gegeven, noch door een ander in zijne plaats. Wij zijn naar deze stad gezonden om haar van onder zijn wreede tirannie te verlossen, en haar over te halen zich, zooals zij in vorige tijden deed, te onderwerpen aan den allervoortreffelijksten koning El-Schaddaï.”
Toen zeide de heer Vastewil: „Ik zal uwe boodschap aan de stad overbrengen.”
Toen riep de trompetter: „Heerschap, bedrieg ons toch niet, want door dat te doen fopt gij uzelven het meest.” Hij voegde daar nog bij: „Wij zijn besloten, als gij u niet langs een vreedzamen weg onderwerpt, u den oorlog aan te doen en door geweld ten onder te brengen.” En ten bewijze, dat ik u thans de waarheid zeg, zal het u een teeken zijn, dat gij de witte vlag met hare vurige brandende donderkogels morgen ochtend op den heuvel zult zien wapperen tot verachting van uwen vorst en tot een teeken van onderwerping aan uwen Heer en wettigen Koning.”
KAPITEIN STRAFOEFENING.
Zoo keerde dan de heer Vastewil van de wallen terug, en de trompetter kwam in het kamp. Toen deze laatste in het kamp was teruggekeerd, kwamen al de kapiteins en officieren samen om van hem te weten te komen of hij gehoor bekomen had en wat de uitwerking van zijne boodschap was. De trompetter begon aldus: „Toen ik mijne trompet geblazen had en luid tot de stad om gehoor geroepen kwam de heer Vastewil, gouverneur der stad en bewaarder der poorten, voor den dag bij den klank mijner trompet en gluurde over den muur. Hij vraagde mij wie ik was, vanwaar ik kwam en waarom ik zooveel leven maakte. Zoo deelde ik hem mijne boodschap mede, op wiens gezag en in wiens naam ik sprak. Daarop ging hij eindelijk van mij af, zeggende: ik zal het aan de lieden der stad mededeelen.”
Alsnu sprak de dappere Boanerges: „Laat ons nu een wijle stil op onze hoede liggen en zien wat deze oproermakers doen zullen.”
Toen de tijd nu daar was, dat Menschziel aan den dapperen Boanerges en zijne medgezellen antwoord geven moest, werd bevolen, dat alle krijgslieden van het gansche leger van El-Schaddaï als een eenig man in de wapens zouden staan en zich gereed houden om, mocht de stad hooren, haar onmiddellijk in genade te ontvangen, en zoo niet, dan haar te dwingen tot onderwerping. Daar bliezen de trompetters door het gansche leger opdat alle krijgers gereed zouden wezen voor het werk van dien dag. Maar toen zij, die binnen de stad Menschziel waren, het geluid der trompetten vernamen in het legerkamp van El-Schaddaï, en daaruit opmaakten dat dit met geen ander doel geschiedde dan op de stad storm te loopen, geraakten zij in groote ontsteltenis des harten. Maar nadat zij zich weer een weinig hersteld hadden, maakten ook zij toebereidselen tot den oorlog om zich te verdedigen als die storm begon.
In het uiterste oogenblik wilde nu Boanerges hun antwoord vernemen en zond zijn Zach. 7 : 11. trompetter uit om Menschziel op te roepen tot het hooren der boodschap van El-Schaddaï. Deze ging uit en blies, en de mannen der stad kwamen voor den dag, maar maakten de Oorpoort zoo stijf vast als zij maar konden. Toen zij nu allen den muur beklommen hadden, begeerde kapitein Boanerges den burgemeester te zien, maar de heer Ongeloof was toen burgemeester, want hij was aangesteld in de plaats van Vleeschelijke Lust. Zoo kwam dan Ongeloof voor den dag en plaatste zich op den muur, maar toen kapitein Boanerges hem gezien had, riep hij uit: „Dat is hij niet. Waar is de heer Verstand, de oude burgemeester der stad Menschziel? Aan hem wilde ik mijne boodschap bekendmaken.”
Toen sprak de reus, (want Diábolus was ook meêgekomen) tot den kapitein: „Heer hoofdman, gij hebt de vrijpostigheid gebruikt om Menschziel viermaal op te roepen tot onderwerping aan uwen koning, uit wiens naam en op wiens gezag, dat weet ik niet en daar wil ik ook niet over twisten. Maar ik vraag u wat de reden is van al dit rumoer, of wie gij wel zijt als gij uzelven kent?”
Kapitein Boanerges, wiens kleuren zwart waren en wiens vaandel drie brandende donderbussen vertoonde, sloeg geen acht op den reus of op zijne woorden, maar richtte zich tot de stad Menschziel. „Laat het onder u bekend zijn”, zoo sprak hij, „o, ongelukkig en oproerig Menschziel, dat de genadigste van alle koningen, de groote Vorst El-Schaddaï, mijn Meester, mij tot u gezonden heeft met eene boodschap” (en dit zeggende liet hij aan het volk zijn grooten bezegelden lastbrief zien) „om u onder zijn gezag terug te brengen. Hij heeft mij bevolen, ingeval gij naar mijne roepstem wilt hooren, mij jegens u te gedragen alsof gij mijne vrienden en broeders waart; maar hij heeft evenzeer geboden, dat indien gij na de oproeping tot onderwerping, nog volhardt met uwe rebellie, wij trachten moeten ons met geweld van u meester te maken.”
Toen stond kapitein Overtuiging op, en
sprak (hij was het, die de bleeke kleuren
droeg en een wijd geopend wetboek in zijne
vlag had). Hoor, o Menschziel! Gij, o
Menschziel, waart eens beroemd wegens uwe
onschuld, maar nu zijt gij Rom 3 : 10, 19-23;
16 : 17, 18.
ontaard door leugen en bedrog.
Gij hebt gehoord wat mijn broeder,
kapitein Boanerges, gezegd heeft, en gij zult
wijs wezen en het zal een geluk voor u
zijn, als gij de vredesvoorwaarden aanneemt,
die u aangeboden zijn, en dat nog
wel door eenen tegen wien gij hebt gerebelleerd,
een die de macht Ps. 50 : 21, 22.
heeft u te verpletteren, want zulk een is
El-Schaddaï onze koning. Wie kan bestaan
voor zijnen toorn? Als gij zeggen wildet,
dat gij niet gezondigd hebt noch oproerig
tegen onzen koning gehandeld, dan zou
uw gansche gedrag sedert den dag, dat gij
zijn dienst verlaten hebt (en dat was reeds
het begin van uwe zonde) tegen u getuigen.
Wat beduidde dan toch uw luisterend oor
naar den tiran, en waartoe hebt gij hem tot
koning aangenomen? Waarom hebt gij de
wetten van El-Schaddaï verworpen en zijt
gehoorzaam geweest aan Diábolus? Ja, wat
beduidt dit dan, dat gij de wapens hebt
opgevat en de poorten gesloten voor ons,
den getrouwe dienaren van uwen koning?
Laat u dan raden en neemt Luk. 12 : 58, 59.
mijns broeders uitnoodiging aan, en laat
den tijd van genade niet voorbijgaan, maar
onderhandelt spoedig met uwe tegenpartij.
Ach, Menschziel! Laat toch niet toe, dat
gij van de genade vervallen zoudt en in
duizend ellenden geraken door het vleiend
gesnap van Diábolus! Misschien zal die
aartsleugenaar en bedrieger nog trachten u
te doen gelooven, dat wij ons eigen voordeel
zoeken in dezen onzen dienst; maar
weet, dat het alleen gehoorzaamheid aan
onzen Koning en liefde tot uw geluk is,
dat ons tot deze onderneming heeft gebracht.
„Verder zeg ik u, o, Menschziel, merk toch eens op of het niet een wonderbare genade is, dat El-Schaddaï 2 Cor. 5 : 18-21. zich zoo diep vernedert als hij doet: waar hij nu door ons als tusschenpersonen tot u spreekt in den weg van onderhandeling en der liefelijke overtuiging, opdat gij u aan hem zoudt onderwerpen. Heeft hij u zoo noodig als wij er zeker van zijn, dat gij hem behoeft? Neen, neen; maar hij is genadig, en wil niet dat Menschziel sterve, maar tot hem wederkeere en leve.”
DE REDE VAN ONGELOOF.
Toen stond kapitein Oordeel op, die de roode kleuren droeg en die op zijn vaandel had een brandenden oven. Hij sprak aldus: „O, gij inwoners van Menschziel, die zoolang in opstand en verraad geleefd hebt tegen koning El-Schaddaï, weet, dat wij heden niet uit onszelven op deze plaats komen, en met eene boodschap, die wij zelf hebben bedacht of om onszelven op u te wreeken; het is de koning, mijn Meester, die ons gezonden heeft om u tot zijne gehoorzaamheid weder te brengen. Weigert gij langs een vreedzamen weg, dan zijn wij verplicht u daartoe te dwingen. Denkt nooit bij uzelven, noch duldt dat de tiran Diábolus u overhale om te denken, dat onze koning niet in staat is u neder te werpen en u onder zijne voeten te leggen; want Hij is de formeerder van alle dingen en als Hij de bergen aanraakt rooken zij. Ook zal de poort van ’s konings barmhartigheid niet altijd open staan, want de dag, die branden zal als een oven, staat voor de deur, ja, hij haast om te komen en sluimert niet.
„O, Menschziel, is het gering in uwe
oogen, dat onze koning u genade laat aanbieden
en dat na zoo vele waarschuwingen?
Ja, hij steekt nog zijn gouden schepter u
toe, en wil nog zijn toorn niet tegen u
loslaten; zult gij hem tergen tot hij dat
Job. 36 : 17, 18.
Ps. 9 : 8. doet? Zoo ja, let dan op
hetgeen ik zeg: voor u is
die poort niet eeuwig open. Als gij zegt:
„Gij zult Hem niet aanschouwen, daar is
nochtans gerichte voor zijn aangezicht, wacht
gij dan op Hem; ja omdat er grimmigheid
bij Hem is, wacht u, dat Hij u misschien
niet als met éen klop wegstoote, zoodat
u een groot rantsoen daar niet van af
zou kunnen brengen.” Zou Hij uwen rijkdom
achten, dat gij niet in benauwheid zoudt
zijn, of eenige versterking van kracht? Neen,
neen, geen goud of rijkdom of geweld. Hij
Jes. 66 : 15. heeft zijn troon bereid ten gerichte,
want ziet de Heere zal met vuur
komen, en zijne wagenen zijn als een wervelwind,
om met grimmigheid zijnen toorn
hiertoe te wenden, en zijne scheldingen met
vuurvlammen. Zie derhalve toe, o Menschziel,
opdat niet, nadat gij het oordeel de
goddeloozen vervuld hebt, hij kome en u
aangrijpe met oordeel en gerichten.”
Terwijl kapitein Oordeel zijne toespraak tot Menschziel hield werd door sommigen opgemerkt, dat Diábolus sidderde, maar hij ging met zijne aanspraak voort en sprak: „O, gij ellendige Menschziel, wilt gij nog uwe poorten niet openzetten om ons te ontvangen, de afgezanten van uwen koning, en die er zich in verheugen zouden als zij u zagen leven? Zal uw hart bestaan en zullen uwe handen het uithouden in den dag, dat hij met u in het gezicht Ezech. 22 : 14. zal treden? Ik zeg, kunt gij het verdragen als gij gedwongen zult worden uit te drinken, als ware het zoete wijn, die zee van toorn, welke de koning voor Diábolus en zijne engelen bereid heeft? Bedenk deze dingen en doe dat bijtijds.”
Toen stond op de vierde kapitein, de edele hoofdman Strafoefening, en sprak: „O, gij stad Menschziel! eertijds beroemd, maar nu gelijk aan een onvruchtbare tak; eenmaal het vermaak van den Allerhoogste, maar nu een hol van Diábolus, hoor ook Matth. 3 : 7-10. naar mij en luister naar de woorden, die ik spreken zal in den naam van den grooten El-Schaddaï. Zie, de bijl ligt reeds aan den wortel der boomen: alle boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.
„Gij, o stad Menschziel, zijt tot dusverre zulk een onvruchtbare boom geweest, gij droegt niets dan doornen en distelen. Uw kwade vruchten toonen het duidelijk, dat gij geen goede boom zijt, Deut. 32 : 32. uwe druiven zijn druiven van gal, hunne beziën zijn bitter. Gij hebt tegen uwen koning gerebelleerd, en o wee! de kracht en macht van El-Schaddaï zijn de bijl, die aan uwen wortel is neergelegd. Wat zegt gij? Wilt gij omkeeren? Ik herhaal het: zeg mij eer de eerste slag valt: wilt gij wederkeeren? Onze bijl moet eerst bij den wortel worden gelegd vóor hij nog aan den wortel raakt: eerst moet ik dien bijl bij uwen wortel leggen bij wijze van waarschuwing voor hij aan den wortel raakt als eene strafoefening. En daartusschen in wordt de tijd, u tot bekeering gegund, begrensd — dit is al de tijd, dien gij nog hebt. Wat wilt gij doen? Wilt gij u overgeven of zal ik slaan? Als ik mijn bijl laat vallen, Menschziel, dan gaat gij onder, want ik heb in last niet slechts den bijl bij den boom neer te leggen, maar ook toe te slaan, niets zal dit vonnis kunnen voorkomen dan uwe overgave aan onzen koning. Wat zal er dan anders van u worden, o Menschziel, indien genade het niet verhindert, dan dat gij uitgehouwen en in het vuur geworpen wordt?