De verovering van Riga heeft het letsche vraagstuk in een acuut stadium gebracht, en vooral de vraag: wat zal de Entente nu doen? houdt de gemoederen hier druk bezig.
Het is anders een eigenaardig leven hier. Vandaag loop ik even buiten de stad en daar schieten ze mij eensklaps vijf kogels om de ooren. Ja, zeide mij daarop iemand aan wien ik het vertelde, daar moet je hier maar aan zien te wennen; we hebben op die manier een stuk of drie dooden of gewonden per week.
's Middags loop ik in de hoofdstraat, en daar schiet plotseling een heer, die ongenoegen scheen te hebben met een ander, er lustig met een revolver op los, en treft daarbij, dat is nog het wonderlijkst van de heele geschiedenis, niemand.
Van avond staat er in de libausche courant, dat het kurhaus aan het strand, met het oog op 't treurige voorval, dat de heer X. den heer Z. een paar dagen geleden tijdens het concert heeft doodgeschoten, en mede om de kolenbesparing, een uur eerder gesloten zal worden.
Het verband tusschen die schietpartij, de kolenbesparing en de vroegere sluiting is mij wel niet geheel duidelijk, maar het geheel werpt toch wel een typischen kijk op het leven hier.
Toch is er geen gebrek aan besturende lichamen. Hier is in de eerste plaats generaal Von der Goltz, de commandant van de duitsche troepen, en gouverneur van de stad. Aangezien hij de eenige is die over een behoorlijke strijdmacht beschikt, heeft hij vermoedelijk wel het gezag in handen, in zooverre hij niet wordt belemmerd door een der drie ententemissies.
Dan hebben wij de nieuwe regeering, het kabinet-Needra, dat decreten uitvaardigt waaraan geen mensch zich stoort, en zijn macht tracht te ontleenen aan de letsche troepen, die geen soldij krijgen en daarom ook verder niets uitvoeren.
Verder hebben wij één schip in de haven, d.w.z. een koopvaarder (oorlogsschepen zijn er genoeg) en daarop troont de door den staatsgreep van 16 April door de Balten afgezette minister-president Ulman. Hij durft er niet afkomen, uit angst aan land te worden gevangen genomen en daarom blijft hij rustig aan boord onder bescherming van de oorlogsbodems der Entente.
Men mompelt in de stad, dat hij bezig is aan een zeer radicaal program omtrent de verdeeling van het grootgrondbezit, waarbij hij de bosschen reeds aan de Engelschen verkocht zou hebben.
Men ziet hier ontbreekt alleen nog de prins Von Wied, om er een grootsche herhaling van Albanië te kunnen geven.
Dan zijn er drie entente-missies: een engelsche, die Ulman schijnt te steunen, een amerikaansche, die de nieuwe regeering niet ongunstig gezind is, en nog een fransche, die in mooie pakjes over straat loopt. Wij zouden haast de hoofdzaak nog vergeten: de Balten en de Letten, die elkaar ook weer niet al te best kunnen zetten, en dit alles te zamen heet "Latvija", zooals op de postzegels staat. Men heeft bij de voortschrijdende balkaniseering van Oost-Europa niet vergeten, dat ook de Zuid-Amerikaansche republieken in vele opzichten de navolging waard zijn, en zoo komen er steeds weer nieuwe series postzegels uit.
Minister Needra heeft wel een zeer zware taak, nog vermeerderd doordat hij nu en dan gedwongen is onvrijwillig vacantie te nemen. Hij was laatst n.l. op een gegeven morgen verdwenen, en bleek opgelicht door eenige letsche officieren. Het gelukte hem echter, zij het ook in zijn hemd, te ontkomen en daarop herriep hij onmiddellijk de acte van afstand die men hem gedwongen had te teekenen.
De heer Needra beschouwt het als zijn voornaamste taak het bolsjewisme te bestrijden. Van hem ging dan ook de krachtige druk uit om Riga te bevrijden. Verder tracht hij, naar het schijnt niet zonder eenig succes, een compromis met de baltische baronnen te sluiten om tot een betere verdeeling van den grond te geraken. Om daarmee een begin te maken heeft de regeering aan de rijksduitsche onderdanen, die in de baltische landweer dienst nemen, onder voorwaarde dat zij zich als Letten laten naturaliseeren, tachtig morgen land beloofd, ten einde op die wijze tot de schepping van een kleinen boerenstand te komen.
Voor den strijd tegen het bolsjewisme heeft de regeering op het oogenblik de beschikking over de duitsche troepen, de baltische landweer, die v.n.l. uit duitsche Letten is samengesteld, en de letsche troepen. Het gedeelte van deze laatste, dat aan het front staat, schijnt uitstekend te vechten; de letsche troepen, tot dusver in Libau, schijnen te veel verpolitiekt te zijn.
Hoe goed de inheemsche troepen ook vechten, hun aantal is veel te gering om het alleen tegen de bolsjewistische troepen te kunnen opnemen, en daarom is men hier zeer benieuwd hoe lang de Duitschers nog zullen blijven. Want niet alleen dat de Duitschers de bolsjewiki aan het front tegenhouden, ook in Libau zelf zijn zij uiterst noodig om daar de regeering te handhaven.
Het is dezer dagen door een toeval aan het licht gekomen, dat het laatste offensief der bolsjewiki, dat door de verovering van Riga gestuit werd, ondersteund had moeten worden door een opstand der libausche bevolking.
Men heeft het complot nog bijtijds ontdekt en toen een grooten voorraad wapens en ontplofbare stoffen, waaronder veel handgranaten, in het centrum van de stad verborgen gevonden.
Trekken de Duitschers zich uit Letland terug, dan is het ook na een paar dagen weer in de handen der bolsjewiki.
De Engelschen denken er anders over. Ik had dezer dagen een onderhoud met een der leden van de engelsche missie, die meende dat het alleen een kwestie van voedsel was en dat de duitsche troepen best gemist konden worden. Waarop ik hem antwoordde: wanneer er dan tenminste engelsche troepen voor in de plaats komen. Dit schijnt echter niet de bedoeling van de Engelschen te zijn.
Merkwaardig is wel dat de Amerikanen den laatsten tijd tegenover de Duitschers een heel andere houding hebben aangenomen en ook het kabinet Needra schijnen te steunen.
Achter dit alles ligt echter een strijd van groote tragiek verborgen, de strijd n.l. van de duitsche Letten voor het behoud hunner cultuur, die eigenlijk de eenige cultuur van het land is. Want de Letten zelf zijn altijd overheerscht, en hebben nooit iets beteekend. Het waren alleen uitstekende soldaten onder het tsarenrijk, zooals nu nog de geregelde letsche regimenten de garde van Trotzky vormen.
Het is merkwaardig hoe weinig de Russen zelf hier hebben achtergelaten; men bespeurt nergens meer de teekenen der russische heerschappij, ook in Riga niet, dat een geheel duitsche stad is. Er worden hier dan ook maar twee talen gesproken, duitsch en letsch. Nu moeten het intellect en de middenstand, die beide duitsch zijn, en de meerderheid der duitsche Letten vormen, echter lijden onder den haat der bevolking tegen de grootgrondbezitters, de baltische baronnen.
Wel heeft in den laatsten tijd het gedeelte der Letten, dat zich eveneens door het bolsjewisme bedreigd voelt, zich bij de Balten aangesloten, maar tezamen zijn ook die niet sterk genoeg om de in de laatste jaren krachtig uit Rusland met bolsjewistische propaganda bewerkte bevolking in toom te houden. Het is dan ook mijn vaste overtuiging, dat op het oogenblik, waarop de Duitschers weggaan, het geheele land bolsjewistisch zal worden.
Ondertusschen is men druk bezig, het heele land van den druk der letsche sovjet-regeering te bevrijden en binnen korten tijd zal dat over het geheele land wel gelukt zijn.
Maar wat nu?
De regeering verplaatst binnenkort haar zetel naar Riga en zal van daar uit het land verder regeeren, wanneer zij er in slaagt zich staande te houden.
Doch ook in dit geval geloof ik niet aan de toekomst van dit land, omdat het uitsluitend een kustgebied is, en zijn vroegeren bloei ontleende aan de gunstige ligging der havens Libau en Riga, met het geheel westelijke Rusland als achterland.
Bekijkt men de kaart, dan ziet men, dat Litauen in het noorden zoover vooruitspringt, dat Letland in twee deelen wordt gesplitst, door een kleine kuststrook verbonden, waar juist Riga ligt.
Het land is dan ook onafscheidelijk met Litauen, dat nochtans weer een geheel andere cultuur heeft, verbonden.
In de aan Duitschland voorgelegde vredesvoorwaarden moet het Memel afstaan en dit is gedaan om Litauen, dat, hoewel het niet geheel poolsch, daaraan toch door tal van banden gehecht zal worden, een eigen haven, al dan niet onder contrôle der entente, te verschaffen.
Dit zou natuurlijk voor Libau en Riga zeer ongunstig zijn. Men ziet dit in letsche kringen ook wel in, en vandaar, dat men er de hoop heeft gevestigd op een niet-bolsjewistisch Rusland.
Een deel der baltische baronnen ziet dan ook met vreugde den steun, dien de Russen van het oude regime bij den strijd tegen het bolsjewisme bieden.
Het meest schijnt men te hopen op een federatief Rusland, waarin dan Letland als bondsstaat zou worden opgenomen en waartoe dan natuurlijk Litauen zelf ook zou moeten behooren.
Ik heb maar enkele stemmen gehoord, die een nauwere aansluiting bij Duitschland bepleitten.
Het is echter voor Duitschland van veel belang, dat het land niet bolsjewistisch wordt, want dat zou den ondergang der duitsche cultuur beteekenen en Duitschland berooven van een kolonisatiegebied, dat het, nu het zijn koloniën misschien zal verliezen, voornamelijk voor zijn middenstand niet zal kunnen ontberen.
Intusschen zit ik hier gevangen, want in Oost-Pruisen staken de spoorwegen en dientengevolge komen ook hier geen treinen aan en kan ik niet weg.
Ik behoef mij echter niet te vervelen, want er zijn eenige theaters en tingeltangels, terwijl ook het badleven aan het strand, nu het weer wat beter wordt, heel aardig is.
Het leven is echter duur, te meer, omdat alles berekend wordt in Oost-roebels, waarvan de koers vastgesteld is op twee mark.
Na tien uur mag tengevolge van den staat van beleg niemand zich meer op straat vertoonen. Ten einde nu toch het bezoek aan theaters, enz. mogelijk te maken gelden de toegangsbewijzen tevens als nachtpermissie.
Als paddestoelen zijn zij hier in Oost-Europa uit den grond verrezen, de nieuwe staatjes, Estland, Letland en Litauen.
Van Letland heb ik u 't een en ander medegedeeld en thans wil ik 't hebben over Litauen, waar ik op 't oogenblik vertoef en nog wel in de tijdelijke hoofdstad en zetel der regeering, sinds Wilna door de Polen is ingenomen.
Hoe lang Litauen als staat met een eigen regeering bestaat, weet ik niet precies, ik geloof een maand of zeven, maar in dien tijd heeft het reeds vier regeeringswisselingen gehad en al dien tijd met het in wording zijnde leger naar twee kanten front moeten maken, n.l. tegen de bolsjewieken en tegen de Polen.
Litauen heeft wel is waar een eigen taal, maar het is er mee als met het letsch; voordat van een onafhankelijk Litauen gesproken werd, was het niet meer dan een boerendialect, terwijl in de steden russisch en poolsch gesproken werd.
Het intellect is hier dan ook niet, zooals in Letland, duitsch, maar poolsch, en ook de grootgrondbezitters zijn Polen, waarnaast men echter een vrij talrijken kleinen boerenstand aantreft. Dit en ook het ietwat liberaler optreden der poolsche magnaten maakt, dat de tegenstellingen minder scherp zijn dan in Letland, en Litauen is dan ook veel minder bolsjewistisch gezind.
Het groot aantal joden (in Kowno zijn zij zoo talrijk, dat het jiddisch er als een der erkende talen is toegelaten) helpt de tegenstellingen verzwakken, daar de joden hun eigen politiek voeren. Aan den anderen kant toch ook weer niet, omdat zij een voortdurende neiging hebben met de meerderheid mee te gaan.
Litauen, zonder Polen, Joden of Russen, kan slechts op heel weinig intellectueelen bogen, vandaar dat men bij de vorming van een nationaal ministerie op de grootste moeilijkheden stuitte, want men had ternauwernood genoeg krachten beschikbaar om het aantal zetels te bezetten.
Maar dan die regeeringswisselingen, zult ge vragen?
Dat is ook heel merkwaardig.
Men zou met een kleine variant op een bekend Simplicissimus-aardigheidje over Montenegro, kunnen zeggen: de Litauers leven, zooals bekend is, van regeeringswisselingen; daar er echter in geheel Litauen maar materiaal voor één regeering is, blijven dezelfde mannen steeds aan 't roer.
In tegenstelling met de Letten die protestant zijn, zijn de Litauers voor het meerendeel katholiek, waarnaast men nog een vrij groot aantal orthodoxen aantreft.
Aangezien de priesters echter voor een groot deel Polen zijn, hebben zij niet dien invloed als in Polen zelf, hoewel men toch met hun invloed rekening moet houden.
De poolsche grondbezitters missen het scherpe, hoekige karakter der Balten, maar ook het heroïsche, want terwijl deze laatste met het zwaard in de vuist hun rechten verdedigen, wonen de Polen rustig in Warschau, wachten daar betere dagen af en maken alleen een kolossale propaganda om Litauen bij Polen in te lijven.
Dat lijkt echter niet in de plannen der entente te liggen, die ook hier hun missies heen hebben gezonden, en met behulp der plaatselijke pers een geweldige campagne tegen de Duitschers, de eigenlijke stichters van den staat, begonnen zijn.
Men zal zich afvragen, wat de Duitschers eigenlijk nog in Litauen doen, waar ze niet, zooals in Letland, hun eigen kultuur helpen verdedigen, en dan is het antwoord: ze houden den jongen staat op de been en helpen het litausch leger organiseeren.
Trokken de Duitschers weg dan zou het noordelijk deel onmiddellijk door de bolsjewiki, en de rest door de Polen worden bezet.
Bovendien is het voor de Duitschers van groot belang, dat Litauen niet poolsch wordt, aangezien Rusland dan meer binnen hun bereik blijft, en zoodoende het plan der entente om Duitschland door een groot Polen geheel van Rusland af te scheiden, niet uitvoerbaar zal zijn.
De Entente wil Litauen noch aan Polen noch aan de Duitschers geven, doch deze politiek van halfheid maakt dat de Polen zich in het geheel niet storen aan hetgeen er in Parijs besloten wordt en kalm hun gang gaan.
Dat ze daarmee echter te veel hooi op hun vork laden is duidelijk. De Litauers zijn wel is waar niet zeer gevaarlijke tegenstanders, maar het aantal vijanden van den jongen poolschen staat groeit met den dag: Duitschers, Bolsjewiki, Tjecho-Slowaken, Ukrainers, enz. Daarbij komt dan nog, dat de bolsjewiki een kolossale propaganda in het poolsche leger maken, waaraan de Polen zelf hard meewerken doordat ze de duitsche krijgsgevangenen uit Rusland, en de russische uit Duitschland, die bij hen de grens over trekken, naar Warschau voeren, en naar men beweert voor een gedeelte in hun leger aanwerven.
De gevangenen zijn de beste propagandisten die de sovjetregeering heeft, en ik denk dat dat wel een der redenen zal zijn, waarom de duitsche regeering de Polen in dezen, zonder al te veel protest, maar kalm hun gang laat gaan, want daardoor raken zij ze kwijt en hebben hun vijanden er last van.
Ondertusschen moet de gevolmachtigde voor Litauen, dat is een soort gezant, trachten de vraag op te lossen wat Duitschland nu eigenlijk is, een bezettende mogendheid of de leverancier van een hulpkorps. Men schijnt in deze een modus vivendi te hebben gevonden in het begrip "bevriende mogendheid".
Ondertusschen een bevriende mogendheid die er de lakens uitdeelt.
De Litauers gaan echter bijzonder onafhankelijk doen door een eigen paspoort-centrale op te richten, met het gevolg natuurlijk dat de arme reizigers er de dupe van worden, aangezien zij thans een dubbel visum noodig hebben, een van de Duitschers en een van de Litauers.
Het litausche leger in statu nascendi vertoont het beeld, dat men in 't oosten overal kan aantreffen, n.l. bijna geen troepen maar wel een groot aantal keurig gekleede officieren, die den geheelen dag in de koffiehuizen doorbrengen.
Wanneer men dan ook in 't vaderland een litausch legerbericht leest, b.v., zooals laatst, dat Uzjani door de litausche troepen bezet is, dan wil dat zeggen, dat de Duitschers Uzjani veroverd hebben en de Litauers er den volgenden dag zijn binnengerukt, nadat alle gevaar geweken was.
De Duitschers doen werkelijk hun best er van te maken wat er van te maken is, maar het gebrek aan intellectueelen is bij de kadervorming het groote bezwaar en de Polen denken er natuurlijk niet aan zich bij het litausche leger te laten inlijven.
Het zal dus wel een tijdje duren voor men met recht van een litausch leger kan spreken.
Kowno zelf is een vrij groote stad, in een heel mooi dal, door groene heuvels omgeven, gelegen.
Er zijn een paar hoofdstraten, met een eigenaardige bestrating, daar de Duitschers overal flinke trottoirs hebben aangelegd, aangezien in den winter de modder en sneeuw het verkeer anders geheel onmogelijk zouden maken.
Men vraagt zich met verbazing af, hoe het mogelijk is, dat Kowno vroeger tot de groote russische steden gerekend werd, als men de kleine, voor 't meerendeel houten huizen ziet, en verder de geweldige armoede, die 't grootste deel van de stad ten toon spreidt, en die niet het gevolg van den wereldoorlog schijnt te zijn.
Het geheel is typisch russisch. Vooral ook de kleine voertuigjes met de gebaarde koetsiers en de kleine op vreemde wijze ingespannen paardjes.
Voor reizigers die naar Rusland willen, is Kowno een belangrijke pleisterplaats, vanwaar men dan door de linies moet trachten Dunaburg te bereiken, waar de spoorlijn naar Moskou begint.
De Polen zijn echter druk bezig een poging te doen deze sterke vesting te veroveren, en dan wordt het moeilijker, omdat dan de heele reisroute veranderd wordt en over het naaste groote russische station Minsk, dat van uit Duitschland veel moeilijker te bereiken is, gaat loopen.
Aan het front is de toestand zeer eigenaardig; in de vesting Dunaburg vechten Duitschers en Polen naast elkaar tegen de bolsjewiki; in het zuiden echter staan ze tegenover elkaar. Alles wijst er op, dat de poolsche troepen het vaste plan hebben tot de bezetting van geheel Litauen over te gaan.
Daar zij tegenover Duitschland hetzelfde voornemen koesteren, vraagt men zich met verbazing af waar dat heen moet, en, gelijk ik ook reeds telegrafeerde, ziet de toekomst van Oost-Europa, en daarmee van ons geheele werelddeel, er inderdaad zeer somber uit.
Ik tracht mij steeds voor te stellen, dat ik alleen en uitsluitend voor mijn pleizier op reis ben, en dikwijls gaat dat ook heel goed, maar zoo nu en dan wordt het toch wel lastig, vooral als de derde klasse coupé, waarin geen ruit meer heel is, overvol is met menschen, die in alle mogelijke houdingen tegen elkaar geleund trachten te slapen.
Zoo'n heelen nacht in zittende houding door te brengen op een harde bank, terwijl je je bijna niet bewegen kunt, maakt dat men zich den volgenden morgen als geradbraakt voelt, en dan komt daarbij, dat alle waschgelegenheid ontbreekt en men tot zijn schrik gaat ontdekken, dat alle middelen, waarmee de kleeren volgedrenkt zijn, niet geholpen hebben en een bezoek aan de "Entläusungs"-inrichting toch noodzakelijk zal blijken.
Het is echter ook alweer een zaak van wennen, en ik heb de gelukkige eigenschap altijd te kunnen slapen, hetgeen in deze dagen op reis naar het oosten niet genoeg te waardeeren is.
Over afstanden krijgt men wel een ander idee dan bij ons thuis, waar we nu eenmaal niet langer dan zeven uur in een trein kunnen zitten. Tweehonderd kilometer noemt men hier vlakbij, een treinreis van drie dagen is een kleinigheid, een reis van vierentwintig uur is heelemaal niets.
Heeft men zich daar eenmaal ingedacht, en dat is noodzakelijk, dan gaat alles ook vanzelf, en dat is maar goed ook, want naast de reismoeilijkheden zijn er nog zooveel andere van heel wat meer beteekenis te overwinnen, dat alles er bij in het niet verdwijnt.
Er is nu bijna vijf jaar oorlog in Europa, bij ons te lande is men het al weer haast vergeten, maar hier in het Oosten, waar we nog in de oude, toch alweer voor een serie nieuwe oorlogen staan, herinnert alles er aan. Langer dan vierentwintig uur van te voren een plan maken gaat niet, want dan is de militaire en politieke toestand alweer zooveel veranderd, dat niets meer klopt.
Ik wil naar Rusland, naar Moskou. Dat is te doen; het allereerste wat noodig is, is passen en geld.
Goed, ik ga een paar dagen naar Berlijn, verschaf mij de noodige passen, met al de noodige visa, krijg geld gestuurd, huur een tolk en wij gaan op reis, om te beginnen terug naar Kowno.
Mijn tolk, een brave jonge man, die uitstekend poolsch en russisch spreekt, wil zijn vrouw, een Russische, naar Rusland brengen, nu bewijzen wij elkaar een dienst: ik zal hem door de linies, hij moet me in Rusland verder helpen.
Het jonge paar, dat voor deze gelegenheid geheel in mijn dienst komt, zij als secretaresse, hij als tolk, zal met mij de reis van Berlijn uit maken.
Daar begint het al: terwijl ik, mijn Pappenheimers en de reisgelegenheid kennend, niet anders mee heb dan een leeren jekker, een overjas, een rugzak en een handkoffer, hebben de brave echtelieden ongeveer een taxi vol bagage bij zich.
Ik kijk natuurlijk direct bedenkelijk, maar zwicht voor de gevaarlijkste aller elementen, n.l. vrouwentranen, die opwellen als ik drie-vierde wil achterlaten.
Gelukkig helpen de spoorwegbeambten goed mee, en toen wij gisteren in Kowno aankwamen, was juist de helft al zoek, tot mijn heimelijk genoegen natuurlijk.
Zij zijn echter wijs geworden en houden hier op 't oogenblik uitverkoop.
Nu moeten wij zien hoe wij hier vandaan komen, en liefst zoo spoedig mogelijk, want het oorlogsgevaar komt met den dag dichterbij.
De Oost- en West-Pruisische pers geeft hoofdartikelen, die aan duidelijkheid niets te wenschen laten, en de poolsche troepen worden met den dag roeriger.
Ik reken dan ook met alle mogelijkheden; er is dan ook nu geen terug meer mogelijk, voorwaarts dus!
In groote lijnen staat mijn plan vast. Moskou is het einddoel, hoe ik vandaar terug kom weet ik nog niet; dit is ook niet vooruit te zeggen.
Het eenige wat te doen is, is de kaart van het land kennen, iedereen, die in Rusland geweest is, ieder ambtelijk bureau, waar ze ook maar iets weten, uithooren.
Elken dag bestudeer ik de kaart, lees alle mogelijke bladen, mijn notitieboekje is bijna vol.
Ik moet weten, hoe de stemming in Rusland is tegenover vreemdelingen, hoe de treinverbindingen zijn, of Dunaburg een betere verbinding met Moskou heeft dan Minsk. Welke waarde de Kerenskyroebel op het oogenblik heeft. Wat zijn de plannen der Duitschers Wat doet de Entente? Wat de Polen?
Zoo groeit een plan; het wordt gewijzigd, nog eens gewijzigd, dan staat het vast. De reis zal gaan over Wildomir—Dunaburg. Voor Dunaburg staan de bolsjewiki, daar moet ik er door zien te komen.
Dan ineens komt het bericht: over Dunaburg is het onmogelijk te reizen, want de Litauers en Polen vallen aan.
Waarschijnlijk; nooit krijg je een zéker bericht; dus er op uit om te vernemen wat er van waar is.
Zoo is het mij heden ook gegaan; alles was klaar om over Dunaburg te reizen, en nu komt het bericht: Dunaburg wordt dezer dagen aangevallen.
Den geheelen middag ben ik er op uit geweest om te onderzoeken wat er waar aan is, en het resultaat is, dat het in elk geval onraadzaam zal zijn dezen weg te nemen.
Nu moet een ander plan gemaakt worden; de kaart wijst aan over Wilna-Minsk; nu er weer op uit om te onderzoeken of het mogelijk zal zijn, eerst door de duitsch-poolsche, dan door de poolsch-russische linies te geraken.
Dat geeft weer heel wat arbeid — de weg moet verkend, de noodige visa verschaft, poolsch geld gewisseld, geïnformeerd worden hoe ik gaan moet, per trein of per wagen, en dan komt weer het voornaamste: de militaire en politieke toestand.
Wanneer zal de poolsch-duitsche oorlog uitbreken, hoe zal het front daar loopen, wat doen de bolsjewiki Daar tusschen door hoor je duizend en een nieuwtjes, die soms gelijkluidend, soms geheel tegenstrijdig zijn, en dan moet er geschift, gecombineerd worden, en dan nog eens een of andere autoriteit die het weten kan geïnterviewd, en dan eindelijk besluit ik, weer eens een telegram naar Nederland te zenden.
Men zal vragen: maar wat heeft het voor iemand in Kowno voor beteekenis of Koltsjak verslagen is of niet, wat beteekent het voor hem of de tsaar al dan niet dood is.
Toch zijn dit uiterst gewichtige zaken. Is Koltsjak verslagen, wat ik thans als zeker moet aannemen, dan moet er rekening mee gehouden worden, dat er binnen drie weken russische versterkingen naar het westfront komen en dat dus ongeveer binnen een maand Russische aanvallen te verwachten zijn.
Leeft de tsaar, zoo is de kans op reactie in Rusland veel grooter, hetgeen natuurlijk voor een buitenlander van zeer veel beteekenis is.
Zoo ben ik den ganschen dag druk bezig en schiet er bijna geen tijd over om eens rustig een brief te schrijven en eens indrukken te geven van deze typisch russisch-oostersche omgeving.
Misschien krijg ik er den tijd voor, want hoewel ik het plan heb overmorgen naar Wilna te trekken, ben ik in een ernstig conflict geraakt met de litausche autoriteiten.
Mijn pas is n.l. niet voorzien van een litausch visum, dat bij een gezantschap in Berlijn te verkrijgen schijnt te zijn. Nu was het echter niemand in Berlijn bekend, dat daar een litausche vertegenwoordiger zijn tenten heeft opgeslagen. Men weigerde mij daarom hedenmorgen een permissie te geven om door het front te komen en stuurde mij, volgens het in het heele Oosten bekende recept, van het kastje naar den muur.
Ik heb de noodige ervaring op dit gebied, en al sigaretten aanbiedende kwam ik toch langzaam voorwaarts, totdat ik ontdekte dat de helft van het beambtendom niet lezen of schrijven kon.
Toen werd de zaak lastiger en aangezien de heeren niet erg vast in de geografie bleken te zijn, was ook het feit dat ik Hollander was voor hen van weinig beteekenis. Een toeval bracht mij echter in contact met den litauschen opperbevelhebber.
Ik heb onder niemand minder dan mannen als Bennett Burleigh, Ludovic Naudeon, Barzini en anderen geleerd, hoe men als journalist de rechten van de pers verdedigen moet en heb dan ook dien generaal behoorlijk de waarheid gezegd; ik ben wat de Duitschers zouden noemen "saugrob" geworden en heb mij vervolgens direct beklaagd bij den duitschen gezant en bij de entente-missies, om neutraal te blijven.
De heeren Litauers zullen moeten leeren dat er ergens in Rotterdam een wereldblad verschijnt, welks vertegenwoordigers verlangen behoorlijk behandeld te worden.
Ik heb heden den minister-president laten aanzeggen dat ik hem morgen spreken wil, en dan zullen we hem eens behoorlijk à faire nemen.
Het is te hopen dat de man kan lezen, hetgeen hoogst vermoedelijk van alle ministers niet gezegd kan worden.
Het is hier erger dan ik ooit beleefd heb, niettegenstaande ik, sinds ik den minister van buitenlandsche zaken van een Baltenland eens achter een toonbank in een soort snoepwinkeltje aantrof, niet gauw meer verbaasd sta.
Een duitsch boekje over Litauen begint dan ook met de opmerking: na de Albaneezen zijn de Litauers het domste volk ter wereld.
Hetgeen m.i. beslist onjuist is; de Albanees is n.l. volstrekt niet dom, de Litauer echter zeer, ook in zijn politiek, want hij maakt het de Duitschers zeer onaangenaam, terwijl hij het tegelijkertijd ook bij de Entente verbruit.
De gelegenheid om die twee tegen elkaar uit te spelen, gebruikt hij absoluut niet, vandaar dat de Polen zeer wel gewonnen spel zullen hebben, en het land kalmweg inrekenen, hetgeen wel niet in de lijn der Amerikanen en Engelschen schijnt te liggen, maar den Franschen niet onwelgevallig zal zijn.
Ik maakte heden kennis met den chef der fransche missie, die uiterst vriendelijk en voorkomend was, maar die uitnemend de kunst verstond om even charmant als gesloten te blijven, terwijl ik hem juist graag eens aan 't praten had gehad over de poolsche plannen.
Het is echter wel merkwaardig, hoe verschillend de opvattingen bij de Duitschers en bij de entente zijn omtrent de militaire kracht der Russen.
De Duitschers meenen dat de bolsjewiki een zeer goed en sterk leger hebben, dat alle aanvallers de baas zal blijven; de entente denkt er blijkbaar juist anders over.
M.i. is er meer kans dat de Duitschers gelijk hebben en schijnt het niet uitgesloten dat van dien kant nog allerlei verrassingen te wachten zijn.
Zooeven ben ik in Wilna aangekomen, na een tocht van 75 KM., gedeeltelijk per wagen, gedeeltelijk te voet afgelegd, en thans haast ik mij om nog voordat hier 't licht wordt uitgedraaid mijn ervaringen te boek te stellen, in de hoop dat deze brief aankomt, want morgen vroeg gaat de man, die mij hierheen bracht, weer terug, en neemt dan dit schrijven mee. Wanneer het dus in Rotterdam zal aankomen, zal mij voorloopig wel een raadsel blijven, geheel afgesneden als ik hier van elke verbinding ben. Ik moet er dus maar op vertrouwen, dat mijn bode dezen brief niet verliest en hem al dan niet opzettelijk niet vergeet te posten.
Het is nu eenmaal het lot van den correspondent in deze streken, dat hij nooit weet of al zijn geschrijf wel ooit de redactie bereikt.
Mijn plan om over Dunaburg Rusland binnen te trekken moest ik op het allerlaatste oogenblik opgeven, aangezien de Litauers bezig zijn een poging te wagen om het te veroveren, en daarom schoot mij niets anders over dan te trachten over Wilna naar Minsk te komen. Hetgeen al dadelijk dit bezwaar had, dat ik nu twee maal een front moest passeeren, n.l. te het duitsch-litausch-poolsche en 2e het poolsch-bolsjewistische.
Vanmorgen om vier uur gingen wij er dus op uit, mijn dolmetscher met zijn vrouw, nog altijd belast en beladen met veel te veel bagage, en ondergeteekende met een minimum dat tegelijkertijd het maximum van zijn draagvermogen is.
De trein bracht ons naar Koschedory, waar we voor 't laatst de duitsche linie passeerden, hetgeen zonder eenig bezwaar gebeurde, omdat het front veel meer naar voren ligt en bezet is door Litauers.
Nu kwam het er op aan een voerman te vinden, genegen om ons door de linies naar Wilna te brengen.
Gelukkig bleek er eenige concurrentie, zoodat dank zij mede het pingeltalent van mijn dolmetscher de brave "panje" aannam om mijn heele gezelschap met bagage en al voor 1000 roebel te vervoeren.
Het daarvoor bestemde vehikel was niets anders dan een eenvoudig panje-wagentje, zooals ze hier zeggen, op vier wielen, zonder veeren natuurlijk en met een klein, maar ongelooflijk taai paardje bespannen.
Wat het natuurschoon betreft was het een van de mooiste tochten die ik ooit gemaakt heb, maar mijn verwachting dat het een van de meest romantische zou zijn — denk maar eens aan, dwars door twee elkaar vijandelijke linies — werd niet verwezenlijkt, om de eenvoudige reden dat de linies om te beginnen al ontbraken; alleen de hoofdwegen zijn door enkele posten afgezet.
Toen we dan ook het punt, in mijn gedachten reeds het fatale punt, naderden, bleken de vijandelijke voorposten op 10 M. van elkaar, langs den weg, in de zon te zitten knikkebollen.
Wij werden eerst door de Litauers aangehouden, daarna, om zoo te zeggen, een seconde later door de Polen, lieten onze passen zien, deelden, om het nazien der bagage te voorkomen, eenige cigaretten uit, en de gevaarlijke tocht dwars door de linies was volbracht en we sjokten en hotsten nog 30 KM. verder door naar Wilna.
De moeilijkheid ligt ook volstrekt niet in het passeeren der fronten, maar veel meer is het kunnen vertoonen van de juiste visa op je paspoort.
Want dat is eigenlijk de heele zaak, het visum, zoowel van de eene partij als van de andere, en dat is lang niet gemakkelijk, vooral in deze streken die vroeger onder russisch bewind stonden, en die, als erfenis, een geweldige dosis bureaucratisme hebben overgenomen.
Dat is voor mij een vaststaand feit geworden: elk normaal ontwikkeld persoon, die langer dan vijf jaar ambtenaar is, is niet heelemaal normaal meer, en wanneer hij dan nog aan een pascentrale werkt, is zijn toestand hopeloos.
Spreek mij niet tegen. Ik heb in zes weken tijd 87 visa op mijn passen verzameld, en meen dus over eenige ervaring te kunnen beschikken.
Het meest dramatisch moment had dus een eenigszins alledaagsch verloop, en hoewel 't mij aan den eenen kant speet, was ik toch ook maar weer blij dat het zoo afliep.
Intusschen ben ik geradbraakt, door een heelen dag door te brengen op een wagentje zonder veeren, in de gloeiende zon, op deze meer dan ellendige wegen, waarbij dan, en dat was per slot van rekening nog maar gelukkig, heele einden geloopen moesten worden, tegen de hellingen op, want het terrein in deze streken is zeer heuvelachtig.
Zooals ik boven reeds schreef, is het een buitengewoon mooi landschap, maar zeer eenzaam; de enkele dorpjes, die men tegenkomt, uit een paar verspreide, armelijke houten woninkjes bestaande, maken een triestigen indruk.
Overal langs den weg vindt men soldatenkerkhofjes; sommige zijn al oud, ze dateeren van 1915. Dit was in 't begin van den wereldoorlog; dat zijn we nu bijna weer vergeten.
Tegen het donker bereikten wij Wilna, en of het daardoor komt, maar de stad, die anders schitterend mooi op en tegen een paar heuvels gelegen is, maakte een uiterst triestigen en verwaarloosden indruk.
Er zijn zoo van die oogenblikken, zelfs wanneer je veel gereisd hebt, dat er een melancholieke stemming over je komt als je met niemand spreken kunt die je verstaat; je hebt een heelen dag niet gegeten, en bent moe, en dan kom je daarbij een stad als Wilna binnen, in zooverre niet typisch russisch, aangezien er veel hooge en steenen huisjes zijn, maar voor de rest toch ook al weer geheel aziatisch, het meer dan middeleeuwsche plaveisel, de vele joden met lange baarden en kaftans, het stof, de vuilnis op straat enz. enz.
Maar als je eenmaal weer eens goed gegeten hebt, in een goed verlicht lokaal, met veel menschen, vooral officieren, om je heen, dan verandert de stemming toch al weer gauw en wordt besloten den brief toch maar voor het naar bed gaan te schrijven, ten einde hem nog bijtijds den volgenden morgen weg te sturen.
Goedkoop is het leven hier anders ook niet; mijn middagmaal, zij het ook het eenige dat ik heden genoot, was wel is waar goed maar kostte toch alweer 100 roebel. Toen ik af wilde rekenen werd het me geel en groen voor de oogen, want de kellner gaf me van zooveel landen zooveel verschillend geld terug, dat ik er geen steek meer van begreep.
De vriendelijke poolsche luitenant hielp me er mee, en met mijn reeds opgedane ervaring in deze richting kan ik u thans een verhandeling geven over den roebel. Er zijn in Rusland drie soorten: de oude roebel van voor de revolutie, d.i. de czaren-roebel; daarvan is de waarde iets meer dan een mark; dan heeft men het doemageld, dat wel in Rusland voor hetzelfde moet gelden als de czaren-roebel, maar toch maar de helft van dezen waard is. Daarnaast staat de door het duitsche gouvernement uitgegeven z.g.n. Oostroebel, die een gedwongen koers van twee mark heeft en merkwaardigerwijze daarvoor in Polen ook wordt aangenomen, en dan is er nog de Kerenskyroebel; dien kan men bij het pond krijgen, of zoo men wil bij de el, want hij is als naamkaartje gedrukt en heeft practisch geen waarde meer.
Het is vanmorgen prachtig weer en in een heel wat betere stemming dan gisteravond ontwaakte ik; ik kon tot mijn genoegen constateeren dat mijn hotelkamer alleen door mij bewoond werd, en dat is in deze streken zeer veel waard.
Het schijnt vandaag een poolsche feestdag te zijn; processies trekken door de straten, en troepen soldaten met volle muziek aan het hoofd.
Deze laatsten maakten een zeer goeden indruk, en waren op het eerste gezicht niet van Duitschers te onderscheiden, aangezien zij ook allen den bekenden duitschen helm dragen.
Wilna schijnt op 't oogenblik een sterk garnizoen te hebben en men ziet veel officieren, vooral uhlanen, langs de straten flaneeren.
Of het aan mij ligt weet ik natuurlijk niet, maar het geheel maakt op mij een zeer Napoleontischen indruk, de wijze waarop de officieren hun lange kromme sabels dragen, hun eigenaardige hoofddeksels, hun geheele optreden enz.
Het zou ook niet zoo verwonderlijk zijn, want de laatste keer, dat ze zoo ongeveer onafhankelijk waren dateert ook uit die dagen.
Met passen is men hier bijzonder streng en daarnaast zeer antisemitisch. Mijn Dolmetscher, die een half joodje is, zat vanochtend dan al direct vanwege deze reden in 't arrest, waaruit ik hem niet dan met veel moeite kon bevrijden. Gelukkig is hij voor 't oogenblik weer vrij, maar nu zijn ze bezig zijn heele bagage te onderzoeken.
Het gebeurt in de kamer vlak naast mij, en ik ga er nu en dan eens even bij kijken; met de grootste minutieusheid wordt alles onderzocht, maar vinden zullen ze wel niets, want de enkele dingen die verdacht zouden kunnen zijn, zitten in mijn koffer, en die wordt niet onderzocht.
Thans help ik mijn braven Dolmetscher en over een paar dagen moet hij 't in Rusland mij doen.
Vandaag is het hier feestdag, een katholiek-nationale feestdag, en zijn dus alle bureaux gesloten, zoodat er niet aan mijn passen gewerkt kan worden, en nu wil ik deze gelegenheid gebruiken om u eenigszins met de geschiedenis van Litauen vertrouwd te maken. Schrik echter maar niet, ik zal niet in geleerde bespiegelingen vervallen, maar onderweg kort ik mij meest den tijd, en vooral de lange avonden, met het bestudeeren van al de boeken die ik machtig kan worden en die mij behulpzaam kunnen zijn bij mijn, zij het ook zeer oppervlakkige, studie van land en volk.
Dat is wel noodig, want zij hebben er hier een handje van om in het verleden te leven, waar een normaal mensch van om zou vallen. Ik ken dat echter; dat kunnen ze in Bulgarije en Servië precies zoo. Ook daar kan een Bulgaar je met het ernstigste gezicht van de wereld verzekeren, dat deze of gene stad eigenlijk bulgaarsch moest wezen, omdat in het jaar 1200 Tsaar zooveel die stad op de Serviërs veroverd had; en precies zoo doen ze hier.
Toen ik het laatst met een Litauer over de grenzen van Litauen had, kwam hij met een kaart aanzetten waarop het litausche rijk in het jaar 1200 afgebeeld was, en op grond daarvan wilde hij o.a. Koningsbergen eigenlijk tot Litauen rekenen.
Of men wil of niet, men moet hier wel eenigszins van de geschiedenis van het land op de hoogte zijn, omdat deze bij de tegenwoordige generatie nog zoo'n groote rol speelt.
Ik laat mij de hoofdartikelen uit de poolsche pers door mijn dolmetscher vertalen en telkens vindt men daarin toespelingen op de geschiedenis.
Nu moet het mij van 't hart, dat men hier wel wat al te hard van stapel loopt, en het jonggeboren Polen al te veel naar het verre verleden wijst, aangezien het heel Polen van voor de eerste deeling terug wil. Nu kan men m.i. 150 jaar wereldhistorie wel niet absoluut negeeren, en ook is het waar dat de Polen alle recht hebben op een onafhankelijk nationaal bestaan, — zij hebben er genoeg voor geleden —, maar ik vind in de duitsche argumenten, die wijzen op hun 150-jarigen cultureelen arbeid in Posen, Silezië en Oost- en West-Pruisen, ook veel waars en het is wel zeer hard om hun dit gebied nu toch maar weer ineens af te nemen.
Helaas, de mogelijkheid om tot een compromis te komen is daarom zoo gering, omdat de fransche missies hier overal met alle mogelijke middelen een zeer krachtige anti-duitsche campagne voeren, en niet zonder succes.
Wilna, de eigenlijke hoofdstad van Litauen, met ongeveer 200,000 inwoners, heeft al heel wat meegemaakt. Duitschers, Franschen, Zweden, Tartaren, Polen, Russen hebben er op hun beurt den scepter gezwaaid. Zoo was het voor 100 jaren het hoofdkwartier van Napoleon toen hij zijn tocht naar Rusland begon.
Wij hebben, en dat is bij den tegenwoordigen politieken toestand nog altijd van groot belang, met drie verschillende volken te doen, n.l. de Litauers, de Wit-Roetenen en de Polen, waarvan alleen de laatsten, niet alleen door hun overwegend aantal maar ook door hun kultuur, in aanmerking komen tot het vormen van een zelfstandigen staat.
Bij de Litauers en Wit-Roetenen is het nationale bewustzijn eerst in de laatste jaren wat wakker geworden, door den druk der russische regeering.
In het verleden heeft Litauen wel is waar een groote rol gespeeld, maar die tijden zijn voorbij.
In de middeleeuwen bestond het russische rijk uit drie groote slavische volksgroepen — de groot-Russen, die in het centrum woonden — de klein-Russen, die in de Oekraine thuis hoorden en nog hooren en de Wit-Roetenen in het Westen.
De litausche vorsten slaagden er in om de Wit-Roetenen aan hun gezag te onderwerpen en zoo een tijd lang een groot rijk te vormen, dat zich echter niet lang staande hield; de Wit-Roetenen kwamen onder russische overheersching. Litauen werd in 't eerst door een gemeenschappelijken koning met Polen verbonden, en ongeveer 1500 werd het geheel een met Polen.
Van 1500 af tot de derde deeling van Polen in 1795 was Litauen poolsch en men kan dus gerust zeggen, dat, daar het litausch eigenlijk niet veel meer dan een boerendialect is, een unie met Polen de meest voor de hand liggende oplossing zou zijn, te meer, daar de cultuur geheel en al poolsch is.
Er is weliswaar in Litauen een strooming, die voor de onafhankelijkheid is, maar m.i. zal die op den duur toch niet krachtig genoeg blijken.
De groote moeilijkheid bij de oplossing van het Oost-Europeesche probleem ligt m.i. voor het grootste gedeelte hierin, dat de entente elke oplossing, die Duitschland gelegenheid zou geven contact met Rusland te krijgen, wil vermijden.
Men heeft, dit is duidelijk voelbaar, in Parijs dezelfde fouten gemaakt, die men in 1815 op het Weener Congres en in 1878 op het Berlijner Congres beging.
Daardoor is ook alle mogelijkheid op een vreedzame oplossing in de toekomst uitgesloten.
Men treft hier dan ook niemand aan, die aan den volkerenbond gelooft, en de poolsche stafofficier die mij op de kaart de poolsche eischen aanwees, ging daarbij ook van de onderstelling uit dat Polen naar twee zijden in de toekomst front zal moeten maken, n.l. tegen Rusland en Duitschland.
Uit strategische overwegingen willen de Polen dan ook het land der Wit-Roetenen, d.i. dus het oostelijk deel van Rusland, bij hun land inlijven opdat o.a. Wilna niet te dicht bij de russische grens gelegen zal zijn.
Geheel ongelijk kan men hun daarbij niet geven en de vredesvrienden die op ontwapening rekenden, zullen dan ook zeer onthutst zijn, als zij de legerplannen der poolsche regeering vernemen.
Over het algemeen kan men dan ook zeggen dat met de tegenwoordige constellatie in Oost-Europa de wereldvrede verder verwijderd is dan ooit.
Over het conflict der Oekrainers en Polen ben ik nog niet voldoende georiënteerd; ik hoop u daarover een volgende maal te kunnen schrijven, evenals over de binnenlandsche politiek.
Een bijzonder gedeelte daarvan is wel het joodsche vraagstuk.
De geschiedenis geeft ook al weer antwoord op de vraag, hoe komen hier in 't Oosten toch zooveel Joden? In Wilna zijn er zoowat 100.000 op de 200.000 inwoners. Ze zijn in de middeleeuwen niet uit Rusland, zooals ik altijd gedacht had, hierheen getrokken, maar van uit Duitschland, waar men ze met geweld gedwongen heeft naar het oosten te trekken.
Door alle eeuwen heen hebben ze hun eigen karakter zeer sterk bewaard en zelfs een eigen taal behouden, een mengsel van duitsch en hebreeuwsch, dat met hebreeuwsche letters geschreven wordt.
Door de russische wetten, die hen verboden zich met akkerbouw in te laten, werden ze wel gedwongen zich alleen tot den handel te beperken en vormden zij daardoor een intermediair tusschen de groot-grondbezitters en de landbouwers.
Ze hebben echter de eigenschap met de meerderheid mee te gaan, en zoo daar een haat tegen de groot-grondbezitters of tegen de overheerschende Russen ontstond, leden zij mede daaronder en waren per slot van rekening bij geen der partijen gezien, hetgeen hen nog meer in hun isolement dreef.
Toch worden de Joden in Polen niet direct gehaat, en komen de moeilijkheden m.i. op het oogenblik daaruit voort, dat zij niet meegaan met het laaiende nationaliteitsgevoel der Polen en zich als natie met hun eigen taal en rechten in Polen erkend wenschen te zien, en daar willen de Polen niets van weten.
Daarbij komt nog iets: de Polen bekijken het bolsjewisme minder van den sociaal-economischen kant, dan wel als een zuiver nationaal-russische beweging en wel speciaal als een semitisch aziatische. Waardoor zij in elken Jood eigenlijk min of meer een bolsjewist zien.
De Polen, die ik ontmoette, weerlegden met nadruk dat er pogroms plaats gehad zouden hebben. Ik kan er niet over oordeelen, omdat ik er niets van gezien heb. Wel heb ik bij de Amerikanen een eenigszins anti-poolsche stemming ontdekt, die haar oorzaak vindt in deze beweerde pogroms.
Nu zeggen de Polen weer, dat dit uitvindsels zijn van een joodsch-amerikaansch comité, dat in de Amerikaansche pers een campagne tegen de Polen voert.
Ook heb ik al gehoord, dat men de Duitschers van deze agitatie beschuldigt, zooals trouwens de entente Duitschland beschuldigt de voedster van het bolsjewisme te zijn.
Een Engelschman zeide mij nog voor eenige dagen: bolsjewism does not exist, it is nothing but something made in Germany.
Trouwens, het heele doen der entente is mij een raadsel. Men spreekt ervan Koltsjak te erkennen, en wat zeggen de Polen openlijk?: Koltsjak, c'est du blague.
Verder nemen de Polen het bolsjewisme echter in 't geheel niet au serieux, hetgeen hun m.i. nog wel eens een bittere ontgoocheling zou kunnen bezorgen.
Wel nemen zij zeer sterke anti-bolsjewistische maatregelen, maar of dat alles helpt?