Mijn voorlaatsten brief zond ik uit Wilna op dezelfde wijze als ik in Polen gekomen ben, n.l. met den panje (boer) die mij er door de linies bracht.
Ik heb natuurlijk geen flauw idee of deze brief wel ooit Nederland zal bereiken, en daarom vertel ik u nog even, dat ik van uit Kovno, gedeeltelijk te voet, gedeeltelijk met een wagen, behouden in Wilna, en daarmede in Polen, aankwam, met het doel van uit Wilna door het poolsche front naar Minsk te gaan, van waaruit een directe treinverbinding met Moskou bestaat. Het lot besliste echter anders en zoo schrijf ik u nu van uit Warschau, de hoofdstad van het nieuwe poolsche rijk, waar ik gisteravond na een avontuurlijke reis door het noordoostelijke deel van Polen aankwam. De poolsche militaire autoriteiten wilden mij n.l. wel alleen doorlaten, maar niet met mijn dolmetscher, en aangezien ik geen woord russisch versta besloot ik eerst naar Warschau te trekken om daar voor mijn reisgezelschap de permissie, om met mij Rusland binnen te trekken, te gaan halen. Aangezien ik toch het plan had hierheen te komen, zij het ook op de terugreis, hindert het mij niet erg, en op een zoo lange reis komt het per slot van rekening op een paar dagen meer of minder niet aan. Ik heb bovendien van hieruit nog weer eens gelegenheid een paar brieven naar patria te sturen, en ook dit is op zichzelf al weer heel wat waard. Zij zullen echter een heelen omweg moeten maken, aangezien ik zal trachten ze per koerier naar onzen gezant in Weenen te sturen, met het verzoek, ze wel verder te willen doen transporteeren. De weg Warschau—Krakau—Weenen is n.l. op het oogenblik de eenige verbinding die Polen met de buitenwereld heeft, aangezien het feitelijk aan alle kanten meer of minder oorlog heeft.
In mijn vorigen brief deelde ik u reeds mede, dat Wilna geen bijzonder mooie stad is, en bij nadere beschouwing viel het nog eer tegen dan mee. Wel is het een typische stad, met zijn vele kerken en synagogen, want ook hier wonen naast de zeer katholieke bevolking een groot aantal joden. De commandant van Wilna, een gewezen oostenrijksch officier, ontving mij heel vriendelijk, maar deelde mij direct mede, dat hij mij geen permissie kon geven om door het front te trekken, aangezien alleen de commandant van het heele oostelijke front in Lida mij die kon geven. Deze commandant bleek de voormalige oostenrijksche militaire-attaché in Rome, graaf Sceptyzhi, te zijn dien ik daar in 1913 toevallig ontmoet had; dat kon dus al niet mooier; en zoo besloot ik naar Lida te vertrekken. Daartoe had ik echter een groot aantal papieren noodig en het bleek een heele last, die machtig te worden, te meer aangezien mijn dolmetscher een Jood is en de Joden in Polen niet bepaald populair zijn. Op mijn gang door al die bureaux deed ik de ontdekking, dat de Polen een leelijk ding van de Russen hebben overgenomen, n.l. een geweldige bureaucratie, met de daarbij behoorende orientalische achterdochtigheid. Gedeeltelijk vindt men die beide in het leger terug, maar ook slechts gedeeltelijk, n.l. voor zoover het uit Russen, d.w.z. Polen die vroeger in Rusland gediend hebben, is samengesteld. Rusland, onder den Tsaar, werd geheel centraal geregeerd; geen enkel ambtenaar in de provincies was in staat zelfstandig een beslissing te nemen, altijd moest te St. Petersburg om advies gevraagd worden. Dat had natuurlijk het gevolg, dat alle ambtenaren niet meer dan werktuigen werden, met geen greintje zelfstandigheid. Precies zoo is het op 't oogenblik in Polen.
In het leger treft men, naast de vroeger in russischen dienst gediend hebbende officieren, veel Oostenrijkers, voornamelijk onder de stafofficieren en generaals, en zelfs een vrij groot aantal gewezen duitsche reserveofficieren uit Posen aan. Het is dus wel een merkwaardig amalgama, met voor 't oog dit resultaat, dat er geweldig stram gediend wordt; een stramheid, die men vroeger zelfs tevergeefs in Berlijn of Weenen gezocht zou hebben. Het merkwaardigste vond ik wel, dat de officieren der fransche missie deze stramheid overgenomen hebben en men kan hier fransche luitenants de hakken tegen elkaar hooren slaan op een wijze waarop ieder Pruis trotsch zou zijn. Ook de soldaten maken een vrij goeden indruk. Alleen zijn zij over het algemeen zeer jong. Ik zag n.l. vrij veel jongens van misschien 14 of 15 jaar als soldaat rondloopen. Ofschoon het bolsjewistische Rusland hier zoo dichtbij is, beweren de officieren dat het op hun soldaten totaal geen vat zal hebben. Hetgeen ik zoo vrij ben te betwijfelen, en ik vraag mijzelf af, of niet het nemen van zulke jonge soldaten een maatregel is, om alleen nog niet besmette elementen in het leger op te nemen.
Tegen bolsjewistische propaganda worden verder drastische maatregelen genomen, en in Wilna was dan ook op iedere twintig inwoners er een in 't gevang gestopt, en daarmede stemt het nieuwe Polen met het oude Rusland wonderwel overeen: je komt er heel makkelijk in 't gevang, maar uiterst moeilijk weer uit. Ook mijn dolmetscher werd al spoedig in het hok gezet, maar ik slaagde er in hem weer op vrije voeten te krijgen, en zelfs lukte het mij hem mee te krijgen naar het hoofdkwartier in Lida. Ik kreeg z.g.n. om mij de reis te vergemakkelijken een gendarm mee; inderdaad bleek zulks echter gedaan om ons beter in de gaten te houden. Ik vond het echter heel makkelijk, want nu had ik den heelen tijd een kruier bij mij, aangezien ik mijn braven bewaker met mijn koffers liet sjouwen, hetgeen hij voor een handvol sigaretten met genoegen deed. 's Middags om vier uur zou de trein naar het zuiden vertrekken, maar om zeven uur eerst vertrokken we, aangezien de locomotief defect was geraakt. De Hollanders hebben in ons brave vaderland geen idee, hoe de oorlog eigenlijk in Europa heeft huis gehouden hier in 't Oosten, waar de beschaving er toch altijd maar als een vernis op gelegen heeft, merkt men het echter geweldig. Niet alleen aan de hotels, die vuil en verwaarloosd zijn, met kapotte tapijten, vervallen muren en trappen, met van ongedierte wemelende bedden, ook niet alleen op de straat, aan de huizen met opschriften, waarvan de helft der letters weggevallen is, het in jaren niet onderhouden plaveisel, de in lompen gehulde bedelaars, meest verminkte soldaten, maar het ergste bespeurt men het op de stations en in de treinen. Geen enkele locomotief, die meer heel is, 1ste en 2de klasse wagens ziet men niet meer, alleen vervuilde 3de en 4de klasse wagens, gedeeltelijk zonder ruitjes; de wachtkamers, met allerlei opschriften, nog uit den oorlogstijd dateerend, onbeschrijfelijk vuil, alleen hier en daar een enkel meubel, een buffet, dat nog aan vroegere betere dagen herinnert. De reis van Wilna naar Lida, die vroeger niet meer dan twee uur geduurd zal hebben, duurde thans ruim zeven uur, nadat de locomotief, die met hout gestookt werd, onderweg nog een paar maal defect was geraakt. Het was dan ook twee uur in den nacht toen wij in het poolsche hoofdkwartier, niet veel meer dan een groot dorp, bestaande uit houten huizen te midden van tuinen gelegen, behouden aankwamen, en het werd drie uur alvorens wij een onderdak kregen.
Het was dan ook je onderdak wel; ik moest me tevreden stellen met een matras op den vloer van een gelagkamer van een joodsch herbergje, waar ze n.b. 20 mark voor vroegen.
Nu wat betreft het aantal wansen en luizen, dat er in die kleine ruimte opgehoopt bleek, om van de vlooien nog maar niet eens te spreken, was het logies, als het per ongedierte berekend werd, zijn geld ten volle waard. Ik ben dan ook maar niet gaan slapen, en bestudeerde de rest van den nacht een meegebrachte russische geschiedenis. Den volgenden morgen zou ik echter met het meest verstokte bureaucratisme kennis maken. De officier voor wien we gevoerd werden verstond n.l. alleen russisch en poolsch, en op mijn verzoek om bij den chef van den staf toegelaten te worden, kon hij niet beslissen, aangezien hij daartoe permissie aan zijn chef moest vragen, en deze chef was natuurlijk afwezig. Toen ik zoo drie uur gewacht had gaf ik er den brui van, en stapte regelrecht naar het bureau van den chef van den staf, waar het mij lukte binnen te dringen. De chef van den staf, een gewezen oostenrijksch officier, was, toen hij mijn verhaal aangehoord had, dadelijk zoo buitengewoon vriendelijk, dat het mij moeite kostte, om mijn protest op den toon voor te dragen zooals ik mij dat had voorgenomen, maar het besef van hetgeen ik aan de waardigheid van de N.R.C. verschuldigd ben, deed mij toch den juisten toon vinden om de heeren onder het oog te brengen dat ik mij een dergelijke behandeling als tot nu toe, niet liet welgevallen. Op slag veranderde dan ook alles. Ik werd direct bij den generaal geroepen, die zich mijner ook dadelijk herinnerde. Ik kreeg direct een uitnoodiging om in het officierscasino te komen etc. Er werd een speciaal kwartier voor mij aangewezen en zoo was ik op eens weer het heertje. Helaas bleek ook de generaal onmachtig om mijn dolmetscher vergunning te geven de linies te passeeren, en schoot er niets anders over of alleen naar Rusland te gaan of eerst naar Warschau en daar de papieren in orde te laten brengen; ik besloot tot het laatste. Een der adjudanten van den generaal, die uitstekend engelsch sprak, was zoo vriendelijk mij 's avonds in zijn kamer op de thee te noodigen en wij bespraken natuurlijk den politieken toestand van het oogenblik. Voor mij was het daarom zoo interessant omdat ik voor eenige dagen in het duitsche hoofdkwartier in Kovno met de duitsche officieren een dergelijk gesprek gehad had. Zooals in Kovno overal kaarten hangen met de opstelling der poolsche troepen, hingen ze hier natuurlijk met die der Duitschers en ik kon dus een vergelijking maken. Ik kon niet onder stoelen of banken steken, dat ik voor de wederzijdsche spionnage een bijzonder respect had, want de gegevens der beide partijen klopten buitengewoon goed.
Het was toch wel vermakelijk zoo kort na elkaar de beide vijandelijke hoofdkwartieren te bezoeken. Had ik echter bij de Duitschers den indruk gekregen dat zij de bolsjewistische troepen zeer au serieux namen, bij de Polen vond ik het tegendeel. De wijze waarop de poolsche officier zich echter over zijn eigen leger uitliet, gaf mij wel den indruk, dat hij de krachten van zijn herboren vaderland eenigszins overschatte.
Men moet niet vergeten dat Polen, behalve een front tegen de bolsjewisten, ook nog met de Oekrainers en de Duitschers te doen heeft. Ik herhaalde hier in 't poolsche hoofdkwartier hetgeen ik reeds aan de N.R.Ct. telegrafeerde, n.l. dat het mijn overtuiging is, dat de Pruisen zich niet, zonder meer, bij het vredesverdrag zullen neerleggen. Goed, zeide de poolsche officier, maar dan komt de entente. Waarop ik weer zei ja, en dan komen de bolsjewisten. Het interesseert mij dus wel zeer wat de komende dagen zullen brengen, en daarom ben ik toch maar blij naar Warschau te zijn gegaan; daar hoor ik tenminste weer iets van hetgeen in de wereld voorvalt, en krijg ik weer eens een behoorlijk bed om te slapen.
Warschau doet sterk aan Boedapest en Weenen denken. Zei men niet van Oostenrijk's hoofdstad, dat daar de Orient aanving? Zoo is het ook hier. De Polen spreken ook, als voelden zij het zelf, van het Westen als van Europa. Toch willen ze het niet weten, dat Polen eigenlijk op de scheiding leeft, willen een west-europeeschen staat, en nog wel een groote mogendheid worden. Een Pool, getrouwd met een hollandsche, die vrij goed hollandsch spreekt, protesteerde met vuur tegen mijn bewering, dat Polen een russisch karakter zou hebben, maar hij moest toch toegeven dat het bureaucratisch gevaar echt russisch is, en toen ik hem vertelde, hoe ik dezer dagen een energiek hollandsch koopman ontmoette, die hier een milioenenzaak kwam afsluiten met het gouvernement, en toen den raad kreeg, een der hooge ambtenaren eenvoudig een douceur te geven, zij het ook in den vorm van procenten, moest hij mij wel gelijk geven. Toch moet men eerbied hebben voor het taaie nationale karakter der Polen, die niettegenstaande 150 jaren vreemde overheersching er in geslaagd zijn hun nationaliteit zoo ongerept te bewaren. Geen beter bewijs dan Warschau, waar met de Russen ook tegelijkertijd alle teekenen hunner overheersching verdwenen zijn. Het is een zuiver poolsche stad, waar niets u herinnert aan de eeuwenlange vreemde overheersching. Alles is er poolsch, de opschriften op de huizen, in de winkels, de monumenten, de straatnamen, enz. enz. Het is voor mij, die geen poolsch spreekt, onmogelijk naar een theater te gaan, want nergens wordt ook zelfs maar een internationaal programma opgevoerd. Dat sterke nationalisme is mede een van de voornaamste redenen, dat de Joden hier zoo verbazend onpopulair zijn, al wordt mij van alle kanten hartstochtelijk verzekerd, dat er geen pogroms plaats gehad hebben. De Joden zijn n.l. lang niet genoeg patriottisch en willen in Polen veel te veel een staat in den staat vormen, met eigen taal, het jiddisch, en eigen zeden en rechtspraak. Van verschillende zijden heb ik vernomen hoe in de laatste dagen de fransche officieren der troepen van Haller, evenals in de tijden van Peter den Groote, den Joden hun baarden met geweld afknippen. Er verscheen dan ook een proclamatie in het fransch en het engelsch, voor die soldaten der troepen van Haller die geen poolsch verstaan, waarin de regeering hun verzocht de Joden ongemoeid te laten. Er schijnt dus wel iets van aan te zijn.
Het leven is hier, ten minste voor de betere klassen, heel anders dan in het Westen; men dineert hier tusschen 2 en 4 's middags, om eerst laat te soupeeren, terwijl de café's en lekkernijen-winkels den geheelen dag druk bezocht zijn. In deze millioenenstad merkt men heel weinig, dat het land feitelijk aan drie zijden in oorlog is, en ofschoon zij, die Warschau voor den oorlog gekend hebben, zeggen, dat het sterk achteruit gegaan is, bespeurt men toch nog altijd een grooten drang naar luxe. Ik dineerde gisteren in Hotel Bristol. Een groote, mooie zaal, een strijkje, veel officieren, entente en Polen, de laatste groot, slank, dikwijls blond, met knappe, sprekende gelaatstrekken en heel, héél mooie vrouwen. Dat moet trouwens gezegd, de Poolsche vrouwen zijn over het algemeen mooi; men ziet hier in Polen meer schoonheden dan in menige andere europeesche groote stad.
De spijskaart is rijk voorzien, vergeleken met hetgeen ik tot dusver meemaakte, en niet al te duur. Voor 50 mark eet men hier behoorlijk; alleen de wijnen zijn niet te betalen. In tegenstelling met deze luxe is echter de ellende der overige bevolking groot en wordt er ondanks het ijverige werken van het American Relief Fund toch nog heel wat honger geleden. De tegenstellingen zijn over het algemeen echter groot, de betere Polen zijn meerendeels zeer talentvol: hoe menig kunstenaar hebben zij niet op muzikaal, letterkundig en kunstgebied; daartegenover is het volk dom en onontwikkeld, voornamelijk door gebrek aan goed onderwijs. Vormen in West-Europa de Joden een groot deel der intellectueele kringen, hier hooren zij grootendeels tot de paupers.
Er is nog veel te doen, veel op te bouwen in dit herboren koninkrijk, dat op het oogenblik in den eersten roes der vreugde over de pas verkregen onafhankelijkheid en den vrede van Versailles leeft. Kinderlijk, naïef blij zijn ze, en in hun blijde vreugde zien zij niet de gevaren die hen van alle kanten op het oogenblik bedreigen, vergeten onder meer dat de Duitschers in Oost-Pruisen volstrekt niet gezind schijnen hun land voetstoots prijs te geven, en dat hun militaire macht nog zeer gering is. Men rekent echter op de entente; die zal alles wel in orde brengen.
Over het bolsjewisme halen ze hun schouders op terwijl de Oekrainers hun troepen juist een gevoelige nederlaag bezorgd hebben. Van Koltsjak moeten ze hier echter niets hebben en dat heeft zijn gegronde redenen. Er zijn hier n.l. eenige honderden gevluchte russische officieren, en toen eenige maanden geleden Koltsjak een paar overwinningen behaalde, kwamen deze in een vergadering bij elkaar en hielden redevoeringen, waarin onder meer gezegd werd: wanneer eerst de Tsaar maar weer eens op den troon zit, zullen wij Polen wel weer klein krijgen. Dat vonden de Polen, en m.i. terecht, natuurlijk heelemaal niet prettig. Het lastige van het geval is, dat ook in het vredesverdrag van Versailles over de poolsche oostgrens heelemaal nog niet gesproken wordt; dat moet dus allemaal nog geregeld worden. Zoo moet dus alles, naar binnen en naar buiten, opgebouwd en geregeld worden. Het groote gevaar is en blijft de bureaucratie, die werkelijk angstwekkend is. Ik heb er dezer dagen meer dan genoeg van genoten en ben nog steeds bezig voor mijn tolk een pas naar Rusland te krijgen en nog steeds is dit niet gelukt en word ik van het eene bureau naar het andere gestuurd. Ik had echter slechter uit kunnen zijn en heb nu de gelegenheid deze mooie en oude stad op mijn gemak te bekijken.
Er zijn hier heel mooie oude en typische buurten, waarvan de schilderachtigheid nog door het voorkomen der bevolking, voor een deel Joden met lange baarden, gehuld in zwarte kaftans, verhoogd wordt. Tijdens de russische overheersching was het niet mogelijk de stad behoorlijk uit te breiden, omdat ze ingesloten was door een omwalling met forten, en men was daardoor gedwongen in de hoogte te bouwen; vandaar dat men er heel veel huizen aantreft met zeven en meer verdiepingen. Maar ook in de oude stad vindt men wel veel hooge oude huizen, en daartusschen in weer kleinere renaissance-gevels, hetgeen dikwijls een heel schilderachtige groepeering geeft; en dan is er de mooi breede Weichsel. Musea zijn er bijna geheel niet, al is men thans bezig een nationaal museum in te richten. De Russen duldden dergelijke inrichtingen, die te veel een nationaal poolsch karakter gehad zouden hebben, niet.
Ik bezocht gisteren een schilderijententoonstelling, en het trof mij, hoevelen er een historische gebeurtenis afbeelden, hoewel er daarnaast toch ook een groot aantal, waaronder zeer veel impressionistische, moderne, waren met een sterk naar voren komend eigen karakter. Over de literatuur kan ik niet oordeelen; alleen heb ik wel ontdekt, dat Sienkewitz, de schrijver van Quo Vadis, hoewel hij door de intellectueelen volstrekt niet tot de groote schrijvers gerekend wordt, hier zeer populair is, en niet als schrijver van den wereldbekenden Nero-roman, maar als auteur van een serie historische romans, bij ons echter minder bekend.
Het heeft mij getroffen, hoeveel apotheken hier zijn en hoe modern zij zijn ingericht, en ik meen dat te moeten verklaren uit het feit, dat de apotheker hier, zooals dat in Holland in sommige plaatsen de drogist nog wel is, de rol van huisdokter vervult.
Polen gaat er prat op een der oudste parlementen te bezitten, al heeft deze Poolsche Landdag nu niet bepaald een buitengewone reputatie. In de hoop, dat hij zijn vroegere reputatie niet zal handhaven, heeft men thans voor eenige maanden een Landdag gekozen met algemeen, direct, geheim en evenredig kiesrecht voor mannen en vrouwen boven 20 jaar. Het aantal leden is nog niet vastgesteld kunnen worden, omdat men nog niet precies de grenzen van het land kent. Op het oogenblik zijn er, geloof ik, een goede 180.
De parlementaire geschiedenis sedert de duitsche revolutie is wel merkwaardig. Tijdens het duitsche gouvernement had men hier den "regentschapsraad", die direct bij het terugtrekken der duitsche troepen in het noorden en Centrum en der Oostenrijkers in het zuiden het bewind aan een socialistische regeering overdroeg. Deze regeering stond direct voor de moeilijkheid, alles te moeten organiseeren en voorbereiden. Als militaire macht had men het poolsche legioen, dat onmiddellijk versterkt werd door een volksweer, die direct al het door de centralen achtergelaten legermateriaal in beslag nam en eveneens het rollend spoorwegmaterieel. De door deze socialistische regeering geënsceneerde verkiezingen brachten haar echter een groote nederlaag, en de meerderheid in het parlement kregen de nationale democraten, in coalitie met eenige kleinere partijen, terwijl de socialisten niet veel meer dan 30 stemmen kregen; en ook de Joden, die eigen vertegenwoordigers kozen, haalden er niet veel meer. Daarop werd de tegenwoordige regeering gevormd, die zich haastte eenige door de socialisten genomen maatregelen in te trekken, zooals o.a. het afschaffen van den adel, en het doen verdwijnen van de kroon op den kop van den poolschen adelaar. Dit laatste is een typisch poolsche kwestie. Het oude embleem der Polen, dat tijdens de overheersching een soort heilige vereering genoot en in 't geheim door elken Pool bewaard werd, was nl. een gekroonde adelaar. Deze kroon hadden de socialisten direct willen doen verdwijnen, maar daarbij vergrepen zij zich aan een nationaal gedenkteeken en daarvan wilden de Polen niets weten, zoodat nu overal weer de gekroonde adelaar in volle glorie prijkt. De socialisten waren de felle tegenstanders van den overigens zeer populairen Paderewsky, en om hen nu niet al te veel voor het hoofd te stooten, werd deze niet tot staatspresident, maar tot minister-president gekozen. De meerderheid in den landdag schijnt wel monarchaal te zijn, maar toch uit practische overwegingen, o.a. het ontbreken van een goeden candidaat, voor de republiek gestemd te hebben.
Als unicum mag wel medegedeeld, dat de militaire ontwerpen door den landdag met algemeene stemmen werden aangenomen.
Nu moet ik er weer eens over gaan zitten denken hoe ik dezen brief weg krijg en moet ik mij tevens weer eens beklagen over de nederlandsche posterijen. Terwijl de zwitsersche post hier geregeld aankomt, is er in de laatste zes maanden geen brief uit Nederland aangekomen. Er bestaat toch een verbinding Zwitserland-Nederland. Dat men toch de brieven voor Warschau langs dien weg stuurde en besefte, dat de verbinding tusschen Berlijn en Warschau verbroken is.
De aanwezigheid van enkele Hollanders, die zich hier ophouden om zaken te doen, brengt mij er vandaag toe eens een brief over economische zaken te schrijven, aangezien het mij van belang lijkt er de aandacht van ondernemende nederlandsche kooplui op te vestigen, dat er hier op 't oogenblik nog wel zaken te doen zouden zijn.
Ik ben daarom naar het ministerie van buitenlandsche zaken gewandeld, en heb een interview verzocht met den minister van buitenlandsche zaken ad interim, hetgeen mij direct werd toegestaan.
Z.E. was zoo vriendelijk, toen hij het doel van mijn komst vernomen had, mij in de gelegenheid te stellen kennis te maken met een paar hoofden van afdeelingen, die mij alle gewenschte inlichtingen konden verschaffen.
Voorop dient te worden gesteld, dat men in Polen heel graag zaken met Nederland wil doen, maar dat de groote moeilijkheid schuilt in de betaling met het oog op het groote verschil in valuta.
Polen is op het oogenblik wel een unicum onder de europeesche staten, want hoewel het door den vrede van Versailles een land van tusschen de 25 en 30 millioen inwoners is geworden, heeft het om zoo te zeggen geen staatsschuld.
Misschien dat het een klein deel der duitsche, russische en oostenrijksche schuld mee zal krijgen, doch op het oogenblik is daaromtrent nog niets bepaald, en is de eenige schuld de een paar maanden geleden geplaatste binnenlandsche leening, terwijl met Frankrijk en Amerika onderhandeld wordt over een buitenlandsche.
Op het oogenblik staat de regeering echter voor de volgende moeilijkheid, dat er nl. vier soorten geld in omloop zijn, nl. tsarenroebels, duitsche en poolsche marken, die denzelfden koers hebben, en oostenrijksche kronen.
Al dit papiergeld heeft een zeer lagen koers, en nu is men bezig de uitgifte van nieuw geld voor te bereiden. Men wil nl. een poolschen gulden invoeren, en dien de waarde van den franschen franc geven, en daarmede dan het vreemde geld vervangen. Men hoopt dit binnen twee maanden te kunnen bewerkstelligen.
De binnenlandsche leening heeft opgebracht 380 millioen mark, 480 millioen kronen en 240 millioen roebel. Met het resultaat der inschrijvingen was men hier zeer tevreden, maar Polen heeft natuurlijk veel meer geld noodig, zoowel om zijn papier gelduitgifte te dekken als om krediet in het buitenland mogelijk te maken. Vandaar dat men, vooral ook met het oog op handelsbetrekkingen met ons land, hoopt er in te kunnen slagen, een poolsche leening in Nederland te plaatsen. Men zal ons land te meer noodig hebben omdat men groote kanalisatieplannen heeft, en heel goed weet dat voor de uitvoering daarvan de Nederlanders de meest aangewezen personen zijn.
Nu de Weichsel de hoofd-verkeersader zal worden, moet het tot dusver niet gekanaliseerde stuk, n.l. dat door het vroegere russische gebied loopt, ook bevaarbaar worden gemaakt. De staat is niet van plan dit zelf te doen, maar zal een inschrijving daartoe openen, terwijl te zelfder tijd een groot aantal baggermachines en vaartuigen voor de binnenscheepvaart in het buitenland gekocht zullen worden. Bovendien heeft men nog verschillende plannen tot het doen graven van kanalen; o.a. een om het industriegebied met de Weichsel te verbinden. Dit lijkt mij voor de nederlandsche aannemers van belang. Het is echter zaak den loop der gebeurtenissen niet af te wachten, want de fransche, engelsche en amerikaansche missies hebben allen handelsattachés meegebracht, die ijverig in de weer zijn de buit voor hun land binnen te slepen. Lukt het den Nederlanders, hier goede contracten af te sluiten, dan is het niet onmogelijk dat wij er in zullen slagen ook kolen uit Polen te betrekken, hetgeen voor ons m.i. van groot belang is gelet op de moeilijkheden, die wij zullen hebben in de toekomst aan voldoende brandstof te komen.
De poolsche industrie, die vóór den oorlog van groot belang was, is door den oorlog om zoo te zeggen geheel ten gronde gericht, en Polen, dat vroeger aanzienlijke hoeveelheden suiker uitvoerde, heeft daaraan thans groot gebrek en kon, doordat zijn raffinaderijen meerendeels vernield zijn, daarin voorloopig ook geen verandering brengen. Dit brengt natuurlijk mede dat onze industrie, gelet op de gemakkelijke verbinding van onze havens met Danzig, hier een ruim arbeidsveld zou kunnen vinden; maar men moet wel degelijk met de concurrentie der Entente rekening houden.
Polen is voor het overgroote deel verder een landbouwland, en dat maakt, dat het zich vermoedelijk wel van de in den oorlog geleden schade zal herstellen. Alleen lijkt het mij, zoo oppervlakkig gezien, dat men hier op landbouwkundig gebied nog zeer veel van ons kon leeren. De Polen zijn zoo diligent geweest een zaakgelastigde met handelsattaché naar Den Haag te sturen. De minister van buitenlandsche zaken zeide mij, dat men hier met verlangen op een nederlandsch vertegenwoordiger wacht. Het ware in elk geval zeer wenschelijk, dat men zoo spoedig mogelijk een handelsman hierheen zond, om de mogelijkheden voor onzen handel en onze industrie te bestudeeren, en den nederlandschen kooplui met raad en daad ter zijde te staan.
De wanhoop van een nederlandsch koopman, die hier bezig is voor millioenen te verkoopen maar niet weet hoe hij zijn waren betaald kan krijgen, doet mij den wensch van de poolsche regeering om in Nederland een krediet te krijgen, hier nog eens extra vermelden. Als tegenprestatie wil de regeering dan gaarne de kanalisatie en wat daarmee samenhangt aan nederlandsche leveranciers gunnen. De poolsche staat kan bovendien voldoende waarborgen geven, aangezien hij heel groote staatseigendommen in den vorm van landgoederen bezit, en ook het spoorwegnet is niet geheel zonder belang, circa 12,000 KM. Aan hout is hier bovendien geen gebrek en het transport is bijna geheel te water mogelijk, 't geen natuurlijk een groot voordeel is.
In een memorie, die ik van het ministerie ontving, legt dit er den nadruk op dat de gemakkelijke scheepvaartverbinding en het geheel ontbreken van een eigen handelsvloot, Polen wel dwingt verbinding te zoeken met een land als Nederland, dat een krachtige handelsvloot heeft. Verder ziet men hier reikhalzend uit naar onze koloniale producten, als cacao, thee, peper en tabak enz. Men hoopt verder dat het poolsche graan met het amerikaansche zal kunnen concurreeren. Wanneer de vrede eenmaal werkelijkheid geworden zal zijn, is Warschau bovendien, door zijn centrale ligging in Europa, het aangewezen punt waar west en oost elkaar zullen ontmoeten en daarom is het mede van belang, dat wij hier vasten voet krijgen, temeer omdat Polen er zelf veel voor voelt met neutralen goede betrekkingen aan te knoopen, aangezien het heel goed beseft, dat de vriendschap met de groote mogendheden altijd haar gevaarlijke zijde blijft behouden.
Laat ik eindigen met mede te deelen, dat men over Zwitserland—Weenen—Krakau—Warschau, binnen 5 dagen hier kan zijn en dat het dus niet noodig is, de moeilijke frontreis te maken.
Het is voor een correspondent de eerste plicht objectief te blijven, en toch is dat het moeilijkste van alles, want vooral in een jongen staat als Polen tracht men hem van alle kanten met propaganda te bewerken. Het is met de objectiviteit precies zoo gesteld als met de neutraliteit; is men werkelijk objectief, ziet men de dingen zooals ze werkelijk zijn, en niet zooals een der partijen ze graag ziet, dan heeft men al spoedig kans het bij allen te verbruien.
Zoo ook hier in de Joden- en pogromkwestie.
Het is mij dezer dagen al vaak gebeurd, dat ik op straat door een joodje werd aangesproken met de vraag "wil meneer bijzonderheden over een pogrom?"
Zoo ook vanmorgen weer, in het hotel; daar werd ik plotseling aan mijn jas getrokken, en een heer van onmiskenbaar semitisch voorkomen sprak me in het nederlandsch aan. "Heb ik mijnheer niet eens gezien in Amsterdam, bent u geen correspondent van de Rotterdammer?"
"Ja," zeide ik hoogst verbaasd. Maar de portier, die blijkbaar iets van het gesprek verstaan had, liet 's mans verdere rede in duigen vallen, doordien hij er plotseling tusschen kwam met de woorden: "niets van gelooven mijnheer, hij heeft net geïnformeerd wie u was en nou doet ie net alsof hij u van vroeger kent."
"Nou, wat zou dat," antwoordde toen de ander, "mijnheer ziet toch dat ik hollandsch ken. Ik heb twee jaren in Scheveningen gewoond; kan ik u niet eens alleen spreken?"
Ik was natuurlijk dadelijk daartoe bereid, en het kwam zooals ik reeds vermoed had: "wilt u niet eens schrijven over de pogroms?"
"Hoor eens," zeide ik toen, "ik beschrijf alleen wat ik zelf gezien heb, of u moet me een paar menschen brengen — die ik als geloofwaardig kan aannemen — die mij zeggen kunnen dat ze het zelf gezien hebben."
Ja, dat kon hij niet, maar het was toch heusch waar.
"Jawel," antwoordde ik, "en de Polen zeggen dat het heusch niet waar is, wie moet ik nu gelooven?"
Zoo is het inderdaad. Het schijnt dat men, vooral in de engelsche en amerikaansche pers, veel over pogroms schrijft; maar ik moet bekennen dat ik er zelf nog niets van gezien heb, en ook nog niemand gesproken heb die er bij geweest is.
Ik kan dus nog altijd niet verklaren of er al dan niet pogroms zijn voorgekomen. In Warschau zelf is dat, naar ik vrij zeker meen te weten, niet het geval. Anders had ik er zeker wel iets van ooggetuigen over gehoord.
Dat men hier overigens op de Joden zeer gebeten is, heb ik u in een mijner vorige brieven al medegedeeld, en ik heb daar persoonlijk den last van, dat men mijn tolk nog altijd maar geen vergunning wil geven om me naar Rusland te vergezellen. Ik heb mij voor een paar dagen nogmaals schriftelijk tot het ministerie van buitenlandsche zaken gewend, en men heeft mij thans verzekerd, dat ik Maandag of Dinsdag uitsluitsel krijg.
Het wordt zoo langzamerhand tijd ook. Niet dat ik hier niet goed zit, maar ik wil verder, en hier is voor mij op het oogenblik niet veel te doen.
De poolsche regeering zit op het oogenblik niet op rozen, en het teekenen van het vredesverdrag in Versailles heeft hier dan ook geen aanleiding gegeven tot buitengewone feestelijkheden. Geen wonder trouwens; ten eerste geeft de buitenlandsche politiek nog altijd reden tot bezorgdheid, en bovendien is de binnenlandsche toestand ook niet al te geruststellend.
Eergisteren heeft nog een zeer bloedige botsing tusschen stakende arbeiders en de militaire macht plaats gehad, waarom wij gisteren den geheelen dag zonder electrisch licht, trams en kranten gezeten hebben, aangezien een groot deel der arbeiders uit protest staakte.
Er zijn, al merkt men er als vreemdeling weinig van, in den laatsten tijd bijzonder veel stakingen geweest; zoo is er nu een zeer ernstige der arbeiders in de militaire werkplaatsen. Voor een land, dat naar zooveel zijden moet vechten, is dat natuurlijk een zeer lastige geschiedenis. Men is hier volstrekt nog niet gerust, te meer, daar men zich met eenige angst afvraagt, wat er in de oostelijke duitsche provincies gebeuren zal.
Naar mijn meening is de stemming dan ook wel eenigszins omgeslagen en neemt men tegenover den militairen toestand een minder optimistisch standpunt in dan een paar weken geleden.
Men moet niet vergeten, dat de poolsche oostgrens nog volstrekt niet is vastgesteld, en dat b.v. het oekrainsche vraagstuk nog niet eens besproken, laat staan opgelost is.
Is het al moeilijk dergelijke kwesties in normale tijden op te lossen, hoeveel te meer in deze omstandigheden na vijf jaar oorlog, en bij de geweldige ellende. Want er wordt hier in Polen nog honger geleden, heel erg zelfs.
Vanmorgen zag ik in een van de buitenwijken een paar vrouwen bezig uit een mesthoop de nog eenigszins eetbare restjes te zoeken, en de ontzettende lange rijen voor de broodwinkels spreken eveneens een duidelijke taal. Of die echter voldoende begrepen wordt? Zeker, er is hier van alles te krijgen, veel meer dan te Berlijn, maar vraag dan ook niet wat voor prijzen daarvoor moeten betaald worden.
Schreef ik gisteravond nog, dat ik hoop had, Maandag of Dinsdag uitsluitsel te krijgen of mijn tolk mee mocht naar Rusland, vanochtend werd ik onaangenaam verrast door het bericht van buitenlandsche zaken, dat de generale staf in geen geval den doortocht kon toestaan.
De generale staf gaf als voornaamste reden op, dat nooit iemand door het front gelaten wordt. Dat nu is een officieele leugen; dagelijks staan hier de couranten vol met verhalen van personen die van of naar Moskou gaan. Er is zelfs een soort koeriersdienst; voor 25 mark kan men een brief naar Rusland gebracht krijgen. Elken dag kan men advertenties vinden als deze: "Ik vertrek van de week naar Rusland en neem brieven mee."
Men kan mij niet wijs maken, dat dit allemaal zou gebeuren, zonder dat de generale staf het ook weet. Die leest toch ook couranten.
Het is niet de schuld van het ministerie van buitenlandsche zaken; daar is men welwillend genoeg geweest, maar uitsluitend van den generalen staf.
Ja, zeide de minister tot mij, wij civiele autoriteiten kunnen niet tegen het militaire element op.
Thans ben ik wel gedwongen alleen te gaan. Het wachten is nu voorbij, en ik moet thans zorgen zoo spoedig mogelijk over de grens te komen, in de hoop dat ik in het land der bolsjewiki zal worden toegelaten.
Mijn stemming tegenover de poolsche autoriteiten is op 't oogenblik niet van de beste, en ik moet hier dan ook openlijk protesteeren tegen de meer dan russische wijze waarop men hier vreemdelingen behandelt.
Een hier aanwezig Hollander, die het visum van den poolschen vertegenwoordiger in den Haag, den heer Wlodek, voor heen- en terugreis bezit, kwam mij gisteren ook al woedend mededeelen, dat de politie hem gezegd had, zich van dit visum niets aan te trekken; hij moest maar zoo lang wachten als de politie goed vond.
De wijze waarop ik hier tegengewerkt ben, is ook typeerend en dat alleen omdat mijn tolk een Jood is.
Nu ben ik bang, dat men hem tijdens mijn afwezigheid het leven zeer lastig zal maken en daarom zal ik probeeren hem naar Weenen te krijgen.
Heden lunchte ik met een amerikaansch journalist, die mijn oordeel over de bureaucratie ten volle deelde, en nu ben ik besloten morgen mijn nood eens te gaan klagen bij den amerikaanschen gezant, en hem te verzoeken zoo noodig een wakend oog over mijn tolk te houden, opdat men hem het leven niet lastig make.
Als dagbladcorrespondent is men nu eenmaal verplicht brieven aan zijn courant te sturen, en maak je dan ook elken dag behoorlijk je aanteekeningen om dan een paar maal in de week eenige brieven te schrijven. Dan zijn ze klaar, en begint telkenmale opnieuw de moeilijkheid hoe krijg ik ze weg. Steeds ben ik er op uit een middel te verzinnen, om ze zoo spoedig mogelijk weg te krijgen, en het ellendige is en blijft dat je nooit weet, hoe lang ze onderweg zijn en of ze hun bestemming wel bereiken. Van uit Polen is het wel bijzonder moeilijk op het oogenblik, en ik ben thans dan ook nog altijd in de onwetendheid, of de redactie er wel een heeft ontvangen. Temeer klemt dit voor mij, nu ik op weg ben naar Rusland, van waaruit het nog veel moeilijker, zoo niet geheel ondoenlijk, zal zijn om ook maar iets weg te krijgen. Telegrafeeren helpt al niet veel, want op een telegram naar Weenen, dat ik voor vijf dagen wegzond, en waarin ik dringend om antwoord verzocht, heb ik nog steeds niets gehoord. Een telegram uit Nederland afgezonden 27 Juni, bereikte mij eerst den 7en Juli, dat was dus ongeveer een halve week onderweg. Intusschen zet ik mijn strijd met de poolsche bureaucratie voort en ik heb mij thans maar voorgenomen vandaag niet over de Polen te schrijven, ten einde mijn bittere stemming tegen de poolsche regeering niet op het heele volk te koelen.
Een ding is al beslist, mijn tolk en zijn vrouw mogen niet mee naar Rusland, en ik ben thans bezig te zorgen, dat zij ongehinderd naar Weenen kunnen reizen. Mijn tolk is nl. in Polen geboren, maar heeft de oostenrijksche nationaliteit aangenomen; dat nemen ze hem hier geweldig kwalijk en dan voornamelijk het feit, dat hij een Jood is.
Nu bestaat er hier bij het geheele volk een geweldige haat tegen de Joden. Ik heb het er in bijna al mijn brieven over gehad, doch gij moet mij dat maar vergeven, want het joodsche vraagstuk is zoo ingrijpend in het heele poolsche leven, dat men er dagelijks mee in aanraking komt. De haat tegen de Joden is begrijpelijk; het volk ziet in hen woekeraars, de regeerende klasse bolsjewisten; aan den anderen kant moet men ook weer niet vergeten, dat de Joden het hier wel heel moeilijk hebben, en dat er al heel weinig gedaan is om hen uit hun ellendige toestanden naar voren te halen. Ik heb er in elk geval veel last van gehad, en omdat ik het met de autoriteiten niet eens kon worden, die mij van het kastje naar den muur stuurden, heb ik mij vandaag tot onzen consul en tot den amerikaanschen gezant gewend met een officieel protest.
Het volgende deed bij mij de deur dicht: gistermiddag beloofde mij de secretaris van den minister van buitenlandsche zaken dat mijn tolk en zijn vrouw hun pas om elf uur aan het ministerie kunnen afhalen. Goed, wij er hedenmorgen heen, precies om 11 uur. O, zegt men, als u gaat naar het politiebureau, daar liggen ze klaar. Op het politiebureau: een brutale meneer, die zegt met de zaak niets te maken te hebben. Maar mijnheer, zeg ik, het ministerie van buitenlandsche zaken stuurt mij naar u toe. Geen antwoord. Ik herhaal mijn opmerking; geen resultaat, daarop sla ik met de vuist op tafel en begin te eischen.
De politiemijnheer wordt onmiddellijk klein en verzekert mij, dat de passen bij de gendarmerie liggen. Daarop dus naar de gendarmerie, waar men ons mededeelt: de passen zijn klaar, u kunt ze direct krijgen, als u even wilt wachten. Wij wachten, 5 minuten, 10 minuten, een half uur, een uur, anderhalf uur. Toen werd het mij weer te kras. Ik vroeg nog eens, eerst weer heel beleefd: mijnheer, ik zit hier nu anderhalf uur op de pas voor mijn dolmetscher te wachten, het ministerie heeft mij beloofd, dat ik hem om 12 uur zou krijgen, het is nu half drie en nog heb ik hem niet. De mijnheer, met een broodje in zijn mond, keek dom en haalde de schouders op. Daarop begon ik op een anderen toon, en wat antwoordde hij toen, zijn broodje uit den mond nemend "ik geef niet om het ministerie en als je je niet kalm houdt, laat ik je arresteeren!" Dat liet ik mij niet zeggen en ik begon toen eerst recht; het heele gendarmerie-bureau stond op stelten. Wat, mij arresteeren, probeer dat eens, enz. enz. Alle chefs kwamen toeloopen, maar ik ken mijn Pappenheimers hier en heb goede longen en ik ging dus rustig door met opspelen tot ze allemaal heel klein waren geworden en heel beleefd excuses begonnen te stamelen. "Ze maakten wèl hun excuses, maar ze wisten niet wie ik was (n.b. een leugen, ik ben er al tien keer geweest) en ze zouden hun best doen" enz. enz.
Mijn pas heb ik echter nog altijd niet.
Nu wordt de correspondentie met buitenlandsche zaken weer geopend, heel ijverig copieer ik weer de brieven van Clemenceau aan Von Haniel, maar ondertusschen is de amerikaansche gezant ook van het geval op de hoogte. Deze ontving mij werkelijk buitengewoon vriendelijk en beaamde mijn klachten. Ook hij oordeelde lang niet malsch over de poolsche bureaucratie. Toen ik vertelde, dat ik met opspelen nog het meest bereikt had, begon de gezant te lachen en zeide: ja, dat is de wijze, waarop je met deze poolsche Russen dient om te springen. Trouwens, al de Amerikanen, die ik hier sprak, zijn het volkomen met mij eens en toonen zich dan ook volstrekt niet tevreden met den gang van zaken. Er schijnt dan ook sprake van te zijn, dat de groote mogendheden het bewind voorloopig in handen zullen nemen, om wat orde op de zaken te stellen. Laat ik er echter direct bijvoegen, dat het departement van buitenlandsche zaken, al werkt het niet bijzonder vlug, de vriendelijkheid zelve is geweest; het is echter volkomen machteloos tegenover den generalen staf, de politie en de gendarmerie.
Ik krijg den indruk, dat op het oogenblik, gebruik makende van den oorlogstoestand, de militairen in gemeenschap met de groot-grondbezitters een reactionnaire politiek voeren. Hetgeen m.i. groote gevaren meebrengt voor den jongen staat. Ook de politiek tegenover het bolsjewisme is zeer eigenaardig, ofschoon typisch voor alle aan Rusland grenzende landen, die ik tot dusver bezocht. Het onderscheid, dat men n.l. op het oogenblik maakt tusschen bolsjewieken en bolsjewistisch verdachten is niet heel groot, en verdacht te zijn van bolsjewistische sympathie kan al maken, dat men in een zeer onaangename positie komt.
Voor hen, die in Rusland gedwongen werden om bolsjewistisch soldaat te spelen, is het niet heel pleizierig om gevangen genomen te worden. Het kost hun dan heel veel moeite om te bewijzen, dat zij slechts gedwongen aan de beweging deelnamen. Maar ook voor heel veel arbeiders in Polen zelf is het onpleizierig. Men brengt de menschen, door zoo op te treden, in een heel moeilijk parket, en dwingt ze feitelijk om bolsjewiek te worden.
In het parlement is het, naar men weet, tot een botsing gekomen tusschen de rechter- en de linkerzijde, waarbij deze, onder het zingen van revolutionnaire liederen en onder het gejuich der tribune, de zaal verlaten heeft. Beide partijen verschillen maar weinig in zetelsterkte, wat een zeer remmenden invloed op de parlementaire werkzaamheid uitoefent. De oorzaak moet gezocht worden in het tegenhouden van de beperking van het groot-grondbezit door de rechterzijde. Men tracht op het oogenblik tot een compromis te komen. De rechterzijde wil als maximum de eigenaars bijna vijf maal zooveel laten houden als de linkerzijde, die uit socialisten en boeren is samengesteld. De plannen van deze lijken zeer radicaal, maar men heeft er buiten Polen over 't algemeen geen begrip van, hoe geweldig groot sommige bezittingen zijn.
Er zijn landeigenaars, die meer grond bezitten dan ons halve koninkrijk beslaat. Voor een goede sociale ontwikkeling acht men het noodzakelijk om een deel van deze goederen tegen schadevergoeding te onteigenen en zoodoende te komen tot een onafhankelijken, krachtigen boerenstand, wat voor een agrarisch land als Polen een eerste vereischte is. Men moet niet vergeten, dat hier en daar op het platteland nog middeleeuwsche toestanden heerschen. De op het oogenblik voorgestelde regeling is voor Polen wellicht vrij radicaal, maar wordt zij niet ingevoerd, dan staat den landeigenaars het gevaar te wachten, dat bij een verschuiving der meerderheid naar links, die bij de volgende verkiezingen al verwacht wordt, een totale verdeeling zal plaats hebben, zonder dat er schadevergoeding voor gegeven wordt. Een hardnekkig verzet der meerderheid zou, ook met het oog op de bolsjewistische propaganda, zeer gevaarlijk zijn. Tevens moet er bij in 't oog gehouden worden, dat de landbouw hier nog zeer achterlijk is, en dat de boeren in 't algemeen nog zeer onontwikkeld zijn en dus voor een propaganda, die hun direct veel land belooft zeer ontvankelijk.
Hoe het met het onderwijs staat weet ik niet, maar zoo ontwikkeld als de betere standen zijn, zoo dom is geloof ik over het algemeen het volk. Ik heb tenminste heel wat soldaten ontmoet, die mij mijn pas vroegen en die ondersteboven bekeken, totdat zij mijn portret zagen en ontdekten dat zij het papier andersom moesten bekijken, waaruit ik de m.i. niet al te gewaagde conclusie trok, dat deze lieden niet lezen kunnen. Het eind was dan ook gewoonlijk dat ze om een sigaret vroegen, en mij verder ongehinderd lieten doorgaan.
Ik ben vannacht op jacht geweest, en heb een rijken buit binnengehaald; niet minder dan negen stuks. Hoewel mijn hotel tot een der beste van Warschau gerekend kan worden, en ik uit voorzichtigheid den grond goed bestrooid had met insectenpoeder, bleek gisterenavond de muur naast mijn bed door eenige eskadrons wandcavalerie als excercitieterrein gebruikt te worden. Van vandaag af staat mijn bed dan ook midden in de kamer en ik heb een nieuwen voorraad insectenpoeder ingeslagen.