Warschau, 11 Juli

Met heel veel moeite, en na er èn het ministerie van buitenlandsche zaken èn den amerikaanschen gezant in gekend te hebben, heb ik dan eindelijk mijn tolk het land uit gekregen; hij is naar Weenen vertrokken. Waarom doe je toch zooveel moeite voor een Jood? vroeg een poolsche autoriteit mij. De man scheen niet te begrijpen, dat, daar ik hem het land had binnengebracht, ik mij ook zedelijk verplicht voelde te zorgen dat hij er weer uit kwam, en ik kon het niet op mij nemen, mijn tolk in een der gevangenkampen te zien opnemen, die de poolsche bladen zelf als nog erger dan de hel voorstellen.

Ik besloot dus alleen Rusland in te trekken, en ging daarom naar den staf om mijn pas af te laten stempelen. Nadat men mij daar 14 dagen lang verzekerd had: tegen u hebben wij niets, gij kunt gerust naar Rusland doorgaan, begon men nu ik alleen was plotseling uit een ander vaatje te tappen.

Nu heette het dat mijn pas niet in orde was.

Ik natuurlijk naar buitenlandsche zaken. Och wat, zeiden ze daar, uw papieren zijn volkomen in orde.

Toen ik bij den staf terugkwam, bevestigde die dat de zaak in orde was; den volgenden avond om 6 uur kon ik de toestemming halen.

Toen ik op dat uur in het bureau van den generalen staf verscheen, werd ik alleronaangenaamst verrast. In plaats van dat men mij mijn passen gaf, kreeg ik bescheid, dat men naar Nederland getelegrafeerd had, en dat ik om zoo te zeggen gevangen was, en dat men bovendien eenige stukken die ik voor het consulaat in Moskou bij mij had, in beslag nam.

Zoo, mijnheeren, zeide ik verontwaardigd, is dat jullie manier van optreden. Veertien dagen houdt ge mij hier vast, zegt niets, en nu begint ge over telegrafeeren te spreken en te beweren, dat mijn papieren niet in orde zijn.

Dit gesprek ging door bemiddeling van een officier, die zoo vriendelijk was mij te helpen, want de man met wien ik te doen had (n.b. van den inlichtingendienst) sprak alleen poolsch.

Ik protesteerde heftig, maar het hielp niets, men nam mijn papieren in beslag en gaf mij een briefje, waarop stond dat ik Warschau niet mocht verlaten, en in geen ander hotel, dan waar ik logeerde, mijn intrek mocht nemen.

Dat was natuurlijk een wraakneming voor mijn hulp, aan een Jood bewezen. Men kan in Nederland nu nagaan, wat een Jood zelf hier voor rechtspositie heeft, als een vreemdeling, van de beste papieren voorzien, zonder een enkel recht is. Want de minister van buitenlandsche zaken en zijn secretaris, de heer Perlowski, verklaarden beiden, dat ik weliswaar volkomen in mijn recht was, maar dat zij tegenover den generalen staf volkomen machteloos stonden.

Ik zat ondertusschen niet stil en telegrafeerde naar Den Haag, naar Berlijn, naar Weenen, de dichtstbijzijnde gezantschappen, wendde mij tot den amerikaanschen gezant, tot het ministerie van buitenlandsche zaken en schreef bovendien nog aan den staf zelf.

Verder bracht ik een bezoek aan de redactie van de Warschausche Kurier, een der grootste bladen. De redacteur, die mij te woord stond, was zeer collegiaal, gaf mij groot gelijk en beloofde mij de zaak dadelijk ter hand te nemen.

Met den consul ging ik den volgenden dag persoonlijk bij den generalen staf protesteeren.

Het poolsche ministerie van buitenlandsche zaken maakte mij excuses en beloofde alles in 't werk te stellen om de zaak in orde te brengen.

Vanmiddag kreeg ik dan eindelijk bericht, dat de zaak in orde was.

Edoch, excuses, ho maar; laat ik er echter bijvoegen, dat ik deze toch niet aangenomen zou hebben, en dat ik hierbij openlijk protesteer tegen de handelwijze, waarvan ik in een beschaafd land als Polen wil zijn, het slachtoffer ben geworden.

Hoe ver de heeren van den staf het hier in 't lezen gebracht hebben, blijkt wel hieruit, dat ze maar hardnekkig blijven beweren, dat geen mijner papieren in Den Haag is uitgereikt, terwijl er dat in drie talen op staat.

Maar bovendien, veertien dagen lang heeft men geen bezwaren gemaakt.

Bij deze gelegenheid heb ik van verschillende zijden gemerkt, dat de Polen zelf heel weinig met deze militaire dictatuur ingenomen zijn, maar ze zijn volkomen machteloos.

*
*    *




OP WEG NAAR RUSLAND

Bogdanof, 15 Juli

Bogdanof moet men zoeken halverwege Lida en Molodetsjno, bezuiden Wilna. Wellicht zal men het op de kaart eerder vinden dan in loco, want als er — nog uit den tijd der duitsche bezetting — geen reusachtig bord stond met letters als koeien: "Dorf Bogdanow", dan zou men nauwelijks gelooven dat hier een dorp lag.

Ik vertoef hier dan ook slechts omdat de spoorweg niet verder gaat en ik de verdere 80 KM. naar Molodetsjno in een wagen moet afleggen. Gisteren ben ik hier aangekomen uit Lida, het poolsche hoofdkwartier, waar ik de noodige papieren voor het passeeren van de grens had gehaald.

Ik reisde met een goederentrein (de eenige treinen die rijden) waarin één wagen derde klasse liep, die ik met eenige soldaten deelde. Mijn reisgenooten legden groote belangstelling voor mij aan den dag en daar enkele soldaten duitsch spraken, was weldra een gesprek aangeknoopt. Toen zij hoorden dat ik een Nederlander was deden zij mij tal van vragen, meest over de prijzen van de levensmiddelen en over de mogelijkheid van een spoedigen vrede. Een van hen vertaalde het gesprokene dan voor zijn makkers in het poolsch.

De soldaten waren zeer voorkomend jegens mij; ik moest van hun brood meeëten en zelfs wilden ze mij uit hun veldflesschen laten drinken. Ook zongen ze poolsche liederen voor mij. Toen wij Iaat in den avond te Bogdanof aankwamen en ik besluiteloos in den kletsenden regen op het perron stond, daar ik nergens een huis zag, had ik het weer aan mijn reismakkers te danken dat ik dien nacht onder dak kwam. Kom maar mee, zeiden ze, onze luitenant zal u wel willen ontvangen.

Zoo trokken we naar hun kwartier, een veldhospitaal dat op eenigen afstand van het station lag. Hier werd ik vriendelijk ontvangen door drie officieren van gezondheid, allen voormalige Oostenrijkers, die dadelijk bereid waren mij op te nemen en mij 't beste voorzetten wat zij te eten en te drinken hadden.

Tot Iaat in den nacht zijn we bijeengebleven; zij vertelden mij over den oorlog in het Oosten, ik hun over den vrede in Nederland.

Toen zij hoorden, dat ik over Minsk naar Moskou wilde, verklaarden zij eenstemmig die reis voor onmogelijk. "Het poolsche leger gaat nu op Minsk los en wij hopen het binnen enkele dagen te veroveren. Onze vliegers hebben de spoorwegverbinding Moskou— Minsk al vernield, om het zenden van hulptroepen uit het oosten te verhinderen."

Dit was een minder aangename tijding. Als er geen spoorwegverbinding meer met Moskou bestond, loonde het natuurlijk de moeite niet naar Minsk te gaan.

Een mijner gastheeren ried mij over Odessa te gaan, maar die omweg was me toch wel wat groot en bovendien leken de pas-moeilijkheden onoverkomelijk.

Gelukkig hoorde ik vandaag dat er nog een betere weg open is, t.w. over Molodetsjno—Polosk. Ik vertrek dus morgen naar Molodetsjno en zal vandaar verder zien te komen. Mijn papieren zijn, voor het poolsche gebied, volkomen in orde, maar het zal nog wel moeite kosten het front over te komen. Ik moet den poolschen commandant zien te bewegen, mij iemand mee te geven om mij met de russische voorposten te verstaan. Als ik eenmaal door het front heen ben, zal het wel gaan.

Vandaag heb ik eens in de omgeving van het veldhospitaal rondgekeken. Overal ziet men hier in den omtrek nog de sporen van den grooten oorlog: wegen, stations, lazaretten, door de Duitschers gebouwd en nu verlaten.

De economische toestand op het land is verre van rooskleurig; de bevolking lijdt honger. Vanochtend ontmoette ik een bedelaar, die mij iets vroeg. Ik dacht, dat hij een aalmoes wilde hebben en gaf hem, daar ik geen klein geld had, een twee-markstuk. Dat wilde hij echter niet aannemen. Ik riep er een soldaat bij, die duitsch sprak, en liet hem den man vragen waar hij dan om bedelde. Het bleek, dat hij brood wilde; aan geld had hij niets, hij kon er toch niets voor koopen.

*
*    *




EEN ONDERHOUD MET TSJITSJERIN

Ik ben op 11 Augustus door den russischen minister van buitenlandsche zaken ontvangen. Hij was zoo vriendelijk mij een interview toe te staan. De minister ontving mij in zijn werkkamer, een vrij groot, eenvoudig gemeubeld vertrek en hij zat achter een met papieren en telegrammen bedekte tafel. Ik vroeg hem of er z.i. een vrede mogelijk zou zijn, waarbij aan den eenen kant een sovjet-Rusland zou staan en aan den anderen het oude Europa. Theoretisch ja, oordeelde de minister; hij meende zich te kunnen voorstellen, dat een proletarisch Rusland met kapitalistische staten zou kunnen samenleven en handelen. Slechts voegde hij er bij: zelfs wanneer wij ons dan van alle propaganda, enz. verre zouden houden, dan zullen de kapitalistische regeeringen het toch onverdraaglijk vinden, dat alleen het feit, dat wij er zijn, op de arbeiders van West-Europa als een voorbeeld werkt.

Minister Tsjitsjerin maakte dan in den loop van ons onderhoud de opmerking, dat Rusland gaarne weer handelsbetrekkingen met West-Europa wil aanknoopen.

Verder over den vrede sprekend, vroeg ik of er niet twee soorten oorlog waren, die nu tot een eind gebracht moeten worden, n.l. de oorlog met Koltsjak en Denikin, met de tsaristische tegenrevolutie, en die met Polen en Litauen. De minister antwoordde: Polen voert den oorlog niet direct met ons, maar met sovjet-Litauen, den staat waar wij bevriend mee zijn. Want er is een rood en een burgerlijk Litauen, die met elkaar strijden, en tegelijkertijd strijden beiden tegen Polen. Met sovjet-Litauen is ook Wit-Rusland verbonden. Hierbij, zoo ging de minister voort, moet ik opmerken, dat Litauen en Wit-Rusland, evenals Letland, Estland en de Oekraine, door ons terstond als zelfstandige sovjet-republieken erkend en als bevriende mogendheden beschouwd werden, bij welke wij vertegenwoordigers hebben. Daar wij gelijke belangen hebben, hebben wij een militair verbond met hen gesloten. Ik moet er hierbij echter den nadruk op leggen, dat wij deze staten noch gevormd, noch veroverd hebben, dat zij hun revolutie op eigen houtje hebben gemaakt en dat wij pas later ons verbond met hen hebben aangegaan.

Ik vroeg toen, of, wijl Rusland zichzelf steeds een federatieve republiek noemt, er reeds een federatief lichaam bestaat, en tot hoever die republiek zich zal uitbreiden.

Neen — luidde het antwoord — de vertegenwoordigers van de centrale uitvoerende comités van de verschillende sovjet-republieken, vormen een voorloopige vergadering, die thans in Moskou bijeen is, om gemakkelijker te kunnen onderhandelen.

Wat de aziatische volken betreft, moet ik opmerken, dat wij alle vroegere verdragen van de Tsaristische regeering met Perzië, China, Mongolië, enz. hebben prijsgegeven, en dat wij het recht van zelfbeschikking van al die landen hebben erkend.

Door deze vraag kwamen wij vanzelf op het belangrijke punt der economische noodzakelijkheid die er ook voor sovjet-Rusland bestaat, om ijsvrije havens te krijgen. Deze quaestie is, naar het mij — interviewer — voorkomt, de belangrijkste van de geheele vredesvraag, want het is en blijft waar, dat Rusland havens noodig heeft. Maar aan den anderen kant hebben die havens weer Rusland noodig als achterland. Ik vroeg dan ook aan den minister of hij zou toestemmen in vredesvoorwaarden, die Rusland van de zee zouden afsnijden.

Ja — luidde het antwoord — welke voorwaarden wij zullen stellen als het tot een conferentie komt, kan ik thans niet zeggen. Het lijdt geen twijfel, dat de Letten zelf bolsjewistisch gezind zijn en dat, zoodra de buitenlandsche bezetting uit Letland vertrekt, het land weer bolsjewistisch zal zijn. Economisch hebben wij elkaar noodig. Riga zoomede de Oekraine hebben in economisch opzicht de verbinding met ons noodig, evengoed als wij die zelf noodig hebben.

Zal — vroeg ik verder — de oorlog nog lang duren?

Ja, dat moet u aan de entente en aan de Japanners vragen. Wij zijn steeds te allen tijde tot den vrede bereid. De vorming van ons leger heeft ons groote moeite gekost en de aanvallers hebben ook in den beginne eenige successen behaald. Maar zoo spoedig wij een voldoende macht tegen hen in het veld zonden, viel het leger van onze vijanden uit elkander, zooals dit b.v. het geval is geweest met de strijdmacht van Koltsjak, die thans reeds tot ver in Siberië is teruggeweken, bij welken terugtocht zijn leger tot totale desorganisatie vervallen is. Hetzelfde zal met Denikin gebeuren.

Thans wilde ik van den minister weten, wat hij over West-Europa dacht: of het daar tot een omwenteling zooals in Rusland zou komen, en of die omwenteling zich in eens zou voltrekken of wel zou geschieden in verscheiden elkaar opvolgende vormen. Maar op die vraag ontving ik geen beslist antwoord, want de minister zeide, dat het moeilijk was, daaromtrent voorspellingen te doen. Wel geloofde hij, dat zoowel in Frankrijk als in Engeland zooveel gistingskiemen verzameld waren, dat een hardhandige, revolutionnaire uitbarsting moeilijk zou kunnen worden vermeden. Hij geloofde niet, dat het den regeeringen zou kunnen gelukken de haar gestelde, reusachtige problemen tot oplossing te brengen en de arbeiders tevreden te stellen.

Ten slotte vroeg ik nog iets, dat op een geheel ander gebied betrekking had, en het antwoord op die vraag luidde 'zeer geruststellend: "alle schilderijen, ook   die in de Ermitage,  zijn goed bewaard gebleven."

De vraag of het wel waar was, dat de vrouw in Rusland was "gecommuniseerd" heb ik enkel meegedeeld; want het antwoord daarop wist ik al. De sovjets hebben eenvoudig het burgerlijke huwelijk ingevoerd, verder niets. Ook de Kerk heeft men volkomen gerespecteerd; enkel heeft men de ondersteuning van den Staat aan de Kerk afgeschaft en volledige gewetensvrijheid ingevoerd. De kerken als particuliere vereeniging en het kerkelijk gezag van den Patriarch zijn volkomen onaangetast gebleven.

*
*    *




EEN BEZOEK AAN BOLSJEWISTISCH RUSLAND

Berlijn, 30 Augustus, 1919

Nu ik weer in Berlijn terug ben en in een zindelijke hotelkamer zit te werken, nu ik mij weer vrij kan bewegen zonder steeds gevolgd te worden, komt het mij als een droom voor. Ik moet er nog aan wennen dat ik weer een vrij mensch ben, dat die drukkende last is weggevallen en dan, dat alles hier zoo zindelijk is, dat ik weer eens rustig kan slapen. Want dat is eigenlijk bij alle moeilijkheden die ik op mijn tocht heb ondervonden, van 14 Juli af, toen ik Warschau verliet, het allerergste geweest, het ongedierte, eerst in Polen, later in Rusland.

Het was nu en dan om gek te worden, luizen, vlooien en wormen. In al die weken heb ik, behalve in het regeeringshotel te Moskou, dat zeer zindelijk was, bijna geen nacht rustig geslapen, en dat maakte dat ik op het laatst bijna geheel op mijn zenuwen moest leven.

Tot mijn groot leedwezen heb ik thans gemerkt, dat mijn brieven uit Molodetsjno en Wileika Nederland niet bereikt hebben, en dat het laatste levensteeken, dat men van mij ontving, de brief uit Bogdonow was.

Nadat ik telegrafisch mijn hoofdindrukken uit Rusland heb weergegeven, wil ik thans een geregeld verhaal doen van de reis naar Moskou, en welke moeilijkheden ik allereerst in Polen te overwinnen had om door het front te komen, want de poolsche commandanten van het front, hoewel zeer vriendelijk en beleefd, en gehoorzamend aan het bevel uit Warschau om mij te helpen naar Rusland te komen, maakten toch vele bezwaren, waarbij kwam dat zij, wetend dat ik naar het vijandige kamp toog, natuurlijk zeer achterdochtig waren, en mij zoo weinig mogelijk vertelden van hun operaties.

Na een paar dagen ging het echter al beter en kregen ze wat meer vertrouwen in me, zoodat ik nu in staat ben, u een vrij geregeld verhaal te doen van de poolsche operaties in Wit-Rusland, die eindigden met de verovering van Minsk.

Het tragische toeval wil, dat daar waar een paar jaar te voren de millioenenlegers der Russen en Duitschers elkaar bekampten, thans een soort guerrillaoorlog gevoerd wordt met evenveel honderdtallen soldaten als er vroeger millioenen stonden.

Van een gesloten front was dan ook nergens sprake, behalve aan de hoofdverkeerswegen, maar dat was nu voor mij het moeilijke, dat ik er juist daar moest trachten door te komen, omdat langs de landwegen de moeilijkheden te groot waren, voornamelijk ook door het groote aantal roovers, en, verbaas u niet al te veel lezer, door de wolven, die voor den eenzamen reiziger een groot gevaar opleveren. In de buurt van Molodetsjno zijn in den afgeloopen zomer ongeveer 60 personen, meest kinderen, door wolven gedood.

Zij komen op het oogenblik tot in Oost-Pruisen.

In Molodetsjno was de staf van de poolsche troepenmacht, die van het noorden tegen Minsk opereerde, ingekwartierd. Als flinke dekking voor de operaties, was er een front bij Wileika, een 20 KM. voorbij Molodetsjno aan de spoorlijn Molodetsjno-Polisk, terwijl de tegen Minsk opereerende troepen bij Krosne stonden, aan de spoorlijn Wilna-Minsk; daartusschen doorkruisten alleen cavalerie-patrouilles het terrein, terwijl daar bij de bolsjewiki de z.g.n. groene garde optrad. Deze wordt gevormd door boeren en deserteurs van het roode leger, die roovend en plunderend rondtrekken, en zoowel tegen de Polen als de Russen vechten.

Voor mij bestond dus alleen de gelegenheid te trachten of bij Krosne of bij Wileika door het front te komen.

Ten einde het wat gemakkelijker voor mij te maken, stuurde de poolsche generaal in beide richtingen een parlementair naar den vijand, om mijn komst aan te kondigen en vrijen doortocht te vragen.

Bij Krosne antwoordden de Bolsjewiki, dat ze orders uit Moskou zouden aanvragen en bij Wileika kwam heelemaal geen antwoord.

Aangezien mijn positie niet zeer aangenaam was, gelet op het allervuilste kwartier dat men mij bij den dorpsgeestelijke had aangewezen, en dat n.b. nog het beste was, besloot ik toen het met of zonder antwoord maar bij Wileika te probeeren.

Nauw was ik daar echter aangekomen of de bolsjewiki deden een hevigen aanval, en de Polen moesten in allerijl terugtrekken, zoodat ik gedwongen was mee te vluchten. Wel had ik er nog een oogenblik over gedacht, om mij gevangen te geven, maar men ried mij zulks sterk af, omdat ik, de taal niet machtig zijnde, alle kans zou hebben voor een spion gehouden te worden.

In mijn wagentje, dat ik voor deze gelegenheid gehuurd had, een eenvoudig boerenkarretje zonder veeren, een z.g.n. panjewagen, met een klein maar zeer sterk litausch paard, vluchtte ik alzoo in het holst van den nacht in de richting van Molodetsjno.

Dat was dus een verkeken kans en toen besloot ik mijn geluk te beproeven in de richting van Krosne. Van dezen tocht af heb ik mijn dagboek-aanteekeningen kunnen bewaren, en zoo kan ik u thans een geregelder verslag geven.

*
*    *




MIJN DAGBOEK

I

Krosne, 28 Juli

Vanmorgen ben ik hier aangekomen, weer in mijn kleine wagentje hier heen gehobbeld, met mijn beide koffers.

De spoorlijn functionneert wel, maar heel slecht, zoodat ik wel per wagen moest gaan langs den grooten russischen heirweg Wilna—Molodetsjno—Minsk. Een groote, breede laan met prachtige boomen; er is echter geen spoor van verharding; een paar karresporen, naast elkaar. Dat is wat men in Rusland, onder den Czaar, verstond onder een weg 1e klasse. Dergelijke wegen dicht bij de duitsche grens werden niet verhard.

Krosne, zelf een nest, een met onmogelijke keien bestraat marktplein, waaromheen wat houten huizen, bijna alle bouwvallig, twee kerkjes, een orthodox en een katholiek, een station, en dat is alles. De commandant, als zoovele poolsche officieren, zeer jong nog, voor den oorlog gymnasiumleeraar, in den oorlog bij het poolsche legioen in oostenrijkschen dienst opgeklommen tot overste, ontvangt mij wel heel vriendelijk, maar geeft mij met een raadselachtig lachje toch te kennen, dat ik nog een paar dagen zal moeten wachten. Het is n.l. lang niet rustig aan het front.

Ik word ingekwartierd bij den apotheker en gelukkig heeft deze zooiets als een leeren divan; daarop kan ten minste geslapen worden.

De man heeft het bolsjewistische bewind in volle glorie meegemaakt; de Polen hebben het dorp n.l. eerst voor twee weken veroverd.

Nu, vroeg ik hem, hoe heb je het gehad. Ellendig, was het antwoord in gebroken duitsch; ik zelf ben sociaal-democraat, reactionnair ben ik dus heusch niet, maar zooiets, het is niets anders dan een terreur; je mag alleen doen wat ze je voorschrijven; een eigen meening is niet geoorloofd, en dan die geweldige duurte. De loonen zijn wel 10 maal zoo hoog als onder den czaar, maar de prijzen wel 100 maal.

's Avonds op straat, een luchtje scheppend, het is verbazend warm geweest, kom ik een paar artillerie-officieren tegen. Wij maken een praatje, het blijken gewezen actieve oostenrijksche officieren; direct halen ze me in hun kwartier binnen met de overbekende oostenrijksche gastvrijheid; er wordt thee gezet, en als ik het doel van mijn reis vertel, zeggen ze uit één mond: maar man, wat doe je dan hier. We vallen vannacht de Russen aan. Hier kom je er nooit door, maar weet je wat, als wij morgen voorwaarts rukken, kun je van ons wel een paard krijgen, en geef je bagage dan maar mee op onze bagagekar.

Inderdaad, als ik 's nachts bij een kaars nog wat zit te lezen, begint niet ver van het dorp 't kanongebulder; er zijn niet veel meer dan 12 kanonnen van poolschen kant, maar wat kunnen die met elkaar een leven maken; daar tusschen door 't geweer- en mitrailleurvuur: Ik zit er een tijd lang naar te luisteren, blijkbaar bieden de bolsjewiki hardnekkigen tegenstand, want naar het geluid te hooren, schiet de aanval niet hard op.

*
*    *




Aan het poolsch-bolsjewistische front

II

Radoskowitsj, 29 Juli

Vanochtend in Krosne uit een lichten slaap ontwakend, hoorde ik plotseling van alle kanten in het dorp schieten.

Daar zal je het hebben, dacht ik bij mij zelf, de aanval is mislukt, en inplaats dat de Polen voorwaarts gaan doen de Russen het.

Een oogenblik was ik besluiteloos wat te doen; toen klonk boven het geweervuur uit 't geronk van een vliegtuigmotor, nog voor ik echter iets had kunnen doen, een paar keren heftig suizen, een paar doffe slagen niet ver van mijn kwartier af en niet dicht bij ook.

Het schieten hield ineens op en alles bleef stil, terwijl het motorgeronk steeds zwakker werd.

Ik had dus een vliegeraanval meegemaakt. Het was nog erg vroeg, en daarom besloot ik maar niet te gaan kijken; van slapen zou evenwel niets meer komen, want een oogenblik later kwam een ordonnans mij mededeelen, dat de artillerieofficieren over een uur opbraken en dat een paard voor mij gezadeld werd. Dat liet ik mij geen tweemaal zeggen en zoo werd ik weer ineens oorlogscorrespondent. Het was een heerlijk gevoel weer eens een paard tusschen de knieën te hebben en zoo draafde ik achter den artilleriecommandant mee naar voren, over het slagveld van dien nacht, en onderweg vernam ik, dat de Polen voor Radoskowitsj stonden, dat zij vermoedelijk wel heel snel zouden bezetten. We draafden langs ontzettend lange treincolonnes, overmatig lang voor zoo'n betrekkelijk kleine troepenmacht. En toen vertelde de overste mij, dat de Polen, tot dusver met goede, duitsche en oostenrijksche, geweren uitgerust, door de Entente gedwongen waren slechte fransche geweren te nemen omdat zij voor de duitsche wapenen geen munitie konden krijgen. Zoodat zij thans gedwongen waren, tijdens den strijd hun troepen van een andere bewapening te voorzien. In het poolsche leger was men dan ook over de Entente heelemaal niet erg te spreken.

Het was een prachtige rit. Het landschap in deze streken is buitengewoon mooi, zacht golvend, en veel groene weiden afwisselend met donkere dennenbosschen. Het trof mij, dat in deze streken de boeren overal nieuwe huizen bouwen. De verklaring bleek heel eenvoudig. Aangezien in het bolsjewistische Rusland de grond zoogenaamd gecommuniseerd is, houdt het groot-grondbezit, dat hier zeer aanzienlijk was, op. De boeren vatten nu de communisatie zoo op, dat ieder voor zich zooveel land in beslag neemt als hij maar krijgen kan, en de bosschen leveren hem kosteloos materiaal voor zijn huis. Het model is echter overal hetzelfde. Een groote steenen oven in het midden en daaromheen drie kamertjes. De oven heeft den vorm van een liggende L. Op het lange deel kan de heele familie zoowat slapen.

Hoe meer wij Radoskowitsj naderden, hoe sterker het geweervuur werd. Maar een ons tegemoetkomende gewonde vertelde, dat het dorp reeds genomen was. En een oogenblik later lag het ook voor ons, en reed ik met de poolsche troepen het dorp binnen. Ik vond het daarom zoo belangwekkend omdat ik nu kon constateeren of het waar was, dat de Polen bij het nemen van een dorp altijd een pogrom op touw zetten, gelijk men mij van joodsche zijde verzekerd had. Er gebeurde echter niets van dat alles en het was weer net als bij Riga: de bevolking haalde de overwinnaars met vreugde binnen, den hemel dankend dat ze van de bolsjewiki verlost waren. Op het marktplein was 't een drukte van belang. Eigenlijk net 'n manoeuvretafereel.

Daar stond de generaal met zijn staf en zijn escorte: een eskadron poolsche lanciers, met hun vroolijk wapperende vaantjes; een batterij veldartillerie de paarden drenkend, voorbij marcheerende treincolonnes daartusschendoor, de straatjeugd en natuurlijk de Joden van het dorp trachtend zaken te doen en sigaretten en eieren te koop aanbiedend voor een "behoorlijken prijs" van M. 5 per stuk. Alleen een veldhospitaal met de daarvoor liggende gewonden wees op den ernst van den toestand. Ik vernam nu ook, dat de strijd nogal bloedig geweest was en de Polen vrij zware verliezen hadden geleden. De generaal keek eenigszins vreemd op toen hij mij daar zag verschijnen en zijn eerste opwelling was dan ook om mij terug te sturen. Maar gelukkig kon ik hem bepraten en ik kreeg zelfs van hem gedaan, dat hij mij toestond naar de voorposten te gaan om te trachten toch naar de bolsjewiki te komen.

Molodetsjno, 1 Augustus 1919

Oeff! ! ! Dat zijn een paar dagen van emotie geweest! Nadat ik den 29sten 's avonds in Radoskowitsj een vrij goed kwartier had gehad bij den dokter ('t was alleen wat koud, want alle ruiten waren kapot) toog ik met toestemming van den commandant den volgenden morgen met een treincolonne naar voren om eindelijk te trachten door het front te komen. De Polen stonden ongeveer op tien kilometer voor Minsk en konden er eigenlijk al lang binnen zijn, wanneer dienzelfden avond geen bevel van de Entente was gekomen, om de operaties stop te zetten. Van poolsche zijde verklaarde men dit als volgt: de Polen willen nl. de Beresina als oostgrens hebben en dus feitelijk heel Wit-Rusland bezetten. Maar nu schijnt de Entente bepaalde beloften aan Denikin gedaan te hebben, tengevolge waarvan zij weliswaar graag zag, dat de bolsjewiki terug werden geworpen, maar dit toch liever niet door de Polen liet doen. Maar, zeiden de Polen, ze kunnen ons een paar dagen ophouden, per slot van rekening kunnen ons èn de Entente èn Denikin gestolen worden. Voor mij was dit in elk geval een mooie gelegenheid om te trachten naar Minsk te komen. Alleen had ik natuurlijk weer pech, want de bolsjewiki, bemerkend dat de Polen halt hielden, vielen daarop zelf weer aan en hadden daarbij eenig, zij het ook kortstondig succes, dat mij echter sterk in mijn bewegingen belemmerde.

Want toen ik bij de poolsche voorposten aankwam, op een kilometer van den vijand, bleek het onmogelijk door de linies te gaan. Er werd te veel geschoten. De bataljonscommandant verzekerde mij dat het den volgenden dag wel rustiger zou zijn. "Blijf nu maar vannacht hier slapen — zeide hij — dan zal het morgenochtend wel lukken." Zoo werd ik dien nacht ingekwartierd in Sloboda, 'n heel uitgestrekt dorp van ongeveer twee kilometer lang, en vrij dicht achter het front. In plaats echter dat het geweervuur minder werd, werd het steeds sterker. Ik woonde ongeveer in het midden van het dorp, had me voor een behoorlijken prijs wat eten laten klaarmaken, wat aardappelen, brood en gekookte melk, en zat nu bij een kaarsje te lezen, want van slapen was in deze woning geen sprake, om de u nu zoo langzamerhand wel bekende reden. Zoo luisterde ik ook naar het vuren, dat almaar heftiger werd. Het begon te dagen, toen ik buiten haastig hoorde loopen. Ik ging eens kijken en ik zag toen tot mijn groote verbazing, dat het andere eind van het dorp al in brand stond. Wat nu te doen?

Aangezien het nog vrij donker was, besloot ik maar kalm te blijven waar ik was en eerst den dag af te wachten. Het gevecht nam aan alle kanten toe en zoo nu en dan viel zelfs een projectiel in de dorpsstraat. Nauwelijks was de zon doorgebroken en wilde ik de zaak eens gaan bekijken, toen een voorbijsnellend poolsch officier mij in het duitsch toeriep "maak dat je weg komt, het dorp is bijna omsingeld. Alleen de weg naar Radoskowitsj is nog vrij." Daar stond ik nu voor het moeilijke geval. Wat nu te doen? Blijven en mij gevangen laten nemen of niet? Ik weifelde een oogenblik heel sterk, maar per slot van rekening durfde ik het toch niet aan. Daarbij kwam, dat ik nu overal de poolsche troepen zag terugtrekken en de eigenaardige uit alle krijgskundige leerboeken bekende fatale invloed der terugtrekkende massa zich ook bij mij deed gevoelen; dus trok ik, zoo snel als ik kon, met mijn bagage op mijn rug, met de troepen mee. Maar mijn bagage was me toch te zwaar. Ik hield het niet uit en juist wilde ik alles wegwerpen, toen ik nog net bijtijds een wagentje snapte waarop ik mezelf en mijn bagage plaatste. In draf kwam een veldbatterij voorbij, de mannen in hun hemd, zonder hoofddeksels, vuil, met gejaagde gezichten: op een der caissons lag een doode, die nog in allerijl was meegesleept.

De commandant reed naar mij toe en riep: "nou kameraad, dat was nog net bijtijds. Ik heb alles achter moeten laten. Maar geef me jouw revolver, jij hebt er toch niks aan als je gevangen genomen wordt. 't Is zelfs beter dat je er dan geen hebt." Daar was veel waars in en zoo reikte ik hem mijn browning. Hij vroeg me nog even "waar moet ik hem terug bezorgen als ik het overleef?" Ik dacht snel na: "nederlandsche consul in Warschau." En weg was hij. De koetsier was gelukkig nogal handig, want het eischte eenige kennis van zaken, om onder de vrij hevig geworden granaatkartets-regen zoo gedekt mogelijk door het terrein te komen. Maar plotseling stootte ik op den bataljonscommandant, die heel rustig aan den kant van den weg zat, en mij toeriep: "haast je maar niet, de bolsjewiki trekken al weer terug." Ziezo, dat had ik tenminste al weer meegemaakt, maar de kans om naar Minsk te komen, bleek toch verkeken. Mijn gemoedstoestand was niet van de beste: niet geslapen, moe, hongerig; ik dacht er eigenlijk sterk over om de zaak maar op te geven. Het ergste was, dat ik er eigenlijk heelemaal geen gat meer in zag en als een droevig beeld der wanhoop zat ik daar aan den weg naast den commandant. Toen ik hem mijn nood klaagde, antwoordde hij: "weet je wat je doet, ga zoo gauw mogelijk naar Wileika, ik weet toevallig, dat het daar een paar dagen rustig zal blijven." Ik volgde dien raad en keerde in mijn wagentje terug naar Molodetsjno, vanwaar ik nu zou trachten morgen of overmorgen door het front te komen.

*
*    *




Door het bolsjewistische front

III

Slavino, 3 Augustus

Gistermorgen nog zeide de poolsche commandant in Wileika tegen mij: "m'n goeie man, ga maar gerust naar Warschau terug. Je komt er toch niet door, en als je erdoor komt, word je doodgeschoten." Intusschen ben ik erdoor en voorloopig ten minste nog niet doodgeschoten. Integendeel heeft men mij tot dusver heel vriendelijk ontvangen. Gisterenmorgen vroeg reed ik in een wagentje naar de poolsche voorposten, waar een mij bekend poolsch officier commandant was, en we besloten samen, dat het maar gewaagd moest worden. Er werd een boerenjongen uitgestuurd met een briefje en een witte vlag om onze komst aan te kondigen en een voerman gezocht om me door het front te brengen. Bijna was de geheele tocht nog in het water gevallen, want opeens barstte een geweldig mitrailleur- en geweervuur los, dat echter spoedig weer bedaarde en veroorzaakt bleek te zijn door mijn terugkeerenden parlementair, die vergeten had de witte vlag zichtbaar in de hoogte te steken. Toch was het van dit oogenblik niet meer rustig en het bleek dat ongeveer 1 KM. van de plaats waar ik erover wilde, de bolsjewiki aan 't aanvallen waren. Om dat te keeren kreeg mijn luitenant bevel ook aan te vallen en daarom zei hij tegen mij: "amice, maak nu gauw dat je erover komt; ik zal 15 minuten wachten, maar dan moet ik ook van leer trekken."

Haastig pakte ik m'n bagage bij elkaar, bond m'n helaas niet al te schoonen zakdoek aan een boomtak en reed erop los, nadat mijn voerman met het oog op het schieten nogmaals zijn tarief verhoogd had.

't Was een mooie, warme zomermiddag. Het landschap lag licht golvend, met heel veel zwaar hout, alleen vlak voor de stelling een klein open vlaktetje met een paar armzalige hindernissen.

Ik zat op mijn koffers in het wagentje, mijn witte vlag boven het hoofd, en om vijf minuten over drieën passeerde ik de poolsche linie, terwijl de commandant die me tot zoover gebracht had, me nog nariep: "over tien minuten ben je weer uitgeplunderd bij ons terug."

Het was, terwijl ik daar zoo alleen voortreed, en door Niemandsland trok, toch wel een eenigszins eigenaardig gevoel, een mengeling van angst en nieuwsgierigheid, omtrent het lot dat me te wachten stond. Na ongeveer tien minuten stonden er plotseling drie mannen midden op den weg voor me. Ik schrok even, want ze hadden geen witte vlag bij zich en ik zwaaide dapper mijn zakdoekje, en maakte aanstalten om als ze hun geweer op mochten heffen, m'n wagen en bagage kalm in den steek te laten en hard terug te loopen. Zulks bleek echter niet noodig. De drie bolsjewiki bekeken mij nieuwsgierig, ik gaf hun een hand, presenteerde hun sigaretten en zei m'n twee uit het hoofd geleerde zinnetjes op "Ik ken geen russisch; breng mij naar den commandant."

Ik was heelemaal niet gerust, dat ze niet even zouden gaan debatteeren of ik wel toegelaten zou kunnen worden, want ik dacht aan het aanvalsplan van den poolschen commandant, maar gelukkig ging alles heel vlot en tien minuten later stond ik in een boerenwoning voor den russischen bevelhebber. Deze verstond enkele woorden duitsch, en gaf me te verstaan, dat hij me zoo snel mogelijk naar achteren zou laten brengen en dat hij het te druk had om zich met mij te bemoeien. Ondertusschen werd ik aangestaard door de bolsjewistische soldaten, echte Slaventypen met lange, blonde haren, de meesten nog in de oude tsaristische uniform, met op de borst het onderscheidingsteeken van het roode leger, n.l. de vijfpuntige roode ster, waarin een gekruiste sikkel en hamer met daaromheen een zilveren lauwerkrans. Ik had de voorzorg genomen, een goeden voorraad sigaretten mee te nemen en verdeelde deze direct onder de soldaten, 't geen blijkbaar in goede aarde viel. In dat opzicht onderscheidden ze zich niet van hun poolsche vijanden.

Ik kreeg weer een soldaat mee en werd weer meer naar achteren gevoerd. Zoodoende kwam ik bij den bataljons-commandant terecht, die ook alweer in een boerenwoning te midden zijner soldaten en een alleronbeschrijflijksten hoop vuiligheid troonde. De menschen waren allervriendelijkst, dat moet ik zeggen, noodigden mij uit plaats te nemen, waaraan ik vol innerlijke wanhoop, wegens de legerscharen ongedierte, voldeed. Ik kreeg thee, de commandant mijn sigaretten, en intusschen werd mijn pas bekeken. Van de discipline kreeg ik een hoogst eigenaardig idee, want wat de commandant ook zei, de soldaten, die buiten zaten, kwamen me allemaal bekijken, zoodat het kleine boerenkamertje overvol menschen was. Ze bekeken over den schouder van den commandant m'n pas en toen ze m'n sigaaraansteker gezien hadden, moesten ze hem allemaal bekijken. Kortom, een joviale geschiedenis, maar van een militair standpunt bezien een bende. Eindelijk werd het den commandant toch te kras en, geholpen door zijn adjudant, ontruimde hij op eenigszins hardhandige wijze het lokaal, — waarbij ik het sterke vermoeden kreeg dat deze majoor onderofficier in het leger van den Tsaar was geweest, — en begon toen met z'n adjudant een rapport op te stellen. Dat scheen hun nogal eenige moeite te kosten, maar na eenigen tijd waren ze er toch in geslaagd eenige foliovellen vol te pennen. Er werd weer een ordonnans geroepen, er kwam weer een wagentje voor en wederom trok ik verder.

Ditmaal reed ik een uur lang door een dicht dennebosch en ik was blij, met het oog op de wolven, dat mijn geleider tenminste goed gewapend was. Het regimentscommando, waarheen ik nu gebracht werd, bleek gevestigd in een baanwachtershuis. De scènes van het bataljonscommando herhaalden zich ook hier en ik kon bij de verzamelde soldaten een groote, ofschoon niet onwelwillende belangstelling in mijn persoon constateeren. Ik kon bij het verhoor door den regimentscommandant door de open ramen naar buiten kijken en toen verscheen er plotseling op de spoorlijn een gepantserde trein, die vlak tegenover het baanwachtershuis halt hield. Daaruit stapte, gelijk mij de commandant mededeelde, de politieke commissaris der divisie, die beslissen zou, of ik door mocht gaan of niet; in het roode leger staat n.l. naast elken commandant een politieke commissaris, die zijn gangen controleert en zijn bevelen moet goedkeuren, voordat ze uitgevoerd worden. Het spreekt natuurlijk vanzelf, dat de commissarissen eigenlijk de eenige menschen zijn, die wat in de melk te brokken hebben. En zoo moest thans de commissaris van de divisie over mijn lot beslissen. Er werd druk getelefoneerd, weer groote vellen papier vol geschreven en het resultaat was, dat ik met den commissaris in den gepantserden trein naar het noorden toog. Dat was een prachtige tocht. Ik zat boven op de locomotief, want in den trein was het te warm. Ik zat me zelf daar te verkneukelen, dat het mij gelukt was tot zoover door te dringen. Het was ondertusschen vrij laat geworden en al spoedig begon de duisternis te vallen en werd de tocht fantastisch. Daar de locomotief met hout gestookt werd, sloegen groote roode vlammen uit den schoorsteen, die een eigenaardig licht wierpen op de vierkante sombere massa der gepantserde wagens, die met groote vaart langs den spoorweg reden, waar geen enkel licht-signaal brandde. Iedereen hing dan ook buiten den wagen om uit te kijken. Plotseling hield de trein halt en bleken we naast een anderen trein te staan, de commandotrein, waarin de divisiecommandant verblijf hield. Ik werd natuurlijk bij den divisie-commandant gebracht, maar deze bleek net rapport te houden, zoodat ik even moest wachten. Op tafel lag een groote kaart, waarop de poolsche linies aangegeven waren, en ik kon heel duidelijk zien dat ze hier en daar volkomen onjuist waren geteekend; zoo ontbrak elke aanduiding van een flankmarsch, dien de Polen bezig waren van uit Wilna te ondernemen. Het toeval wilde, dat op het rapport eenige berichten voorkwamen, die juist handelden over die poolsche beweging. Het scheen vrij onverwacht te komen en niet iedereen geloofde daaraan, en vermakelijk was het voor mij, den buitenstaander, dat allen zich in het gesprek mengden, en den armen divisiecommandant overstelpten met op- en aanmerkingen. Daar werd me duidelijk, hoe het mogelijk was dat duizend Polen zesduizend bolsjewiki hebben verslagen. Hier kreeg ik een groot papier, waarop in het russisch geschreven scheen te staan, dat ik permissie had om naar Smolensk te trekken. Maar aangezien de trein eerst den volgenden dag vertrok, werd me een bed in den trein aangewezen, waar ik kon slapen.

Hetgeen ik nu ga vertellen, geldt voor alle russische spoorwegcoupé's, en om niet te eentonig te worden, zal ik het maar niet steeds herhalen. Toen ik vijf minuten even rustig een sigaret zat te rooken liepen de wandluizen over mijn kleeren. U kunt begrijpen, wat er van slapen onder dergelijke omstandigheden kon komen. Men bracht mij een vrij behoorlijk maal: aardappelen met vleesch en een homp brood, van het soort zooals ik het in heel Rusland heb aangetroffen, en dat, ofschoon het nog tien keer slechter is dan ons oorlogsbrood, in den vrijen handel 50 roebel per pond kost. Ik gevoel me hier verplicht, even een kleine uiteenzetting te geven over het russische geld. In de eerste plaats is de oude Tsaarroebel, die in het buitenland 'n ietwat hoogeren koers heeft dan de mark, in omloop. Ofschoon al het russische geld dezelfde waarde heeft, willen de boeren toch alleen met Tsaarroebels betaald worden. Daarnaast heeft men het tijdens de eerste revolutie uitgegeven Doema-geld in biljetten van 1000 en 250 roebel, die de helft van den Tsaarroebel waard zijn, en voorts Kerensky-biljetten van 20 en 40 roebel, die als naamkaartjes aan elkaar gedrukt zijn, zoodat je ongeveer met meters geld betaalt. De boeren, die zeer veel geld verdiend hebben in den laatsten tijd, berekenen de Kerensky's bij het gewicht. Het door de sovjetregeering in omloop gebrachte geld, eensdeels uit bankbiljetten, anderdeels uit overgedrukte postzegels bestaande, heeft in het buitenland in het geheel geen waarde, maar wordt in Rusland in de groote steden overal aangenomen. Terwijl ik in mijn coupé zat af te wachten wat er verder met me gebeuren zou, kwam er een commissaris bij me, die uitstekend duitsch sprak, en vroeg me wat ik nu eigenlijk in Rusland kwam doen. Hij begon vreeselijk op de sovjet-regeering te schelden, zoodat ik direct dacht: "o, dat is een valstrik, om me er in te laten loopen." Ik antwoordde dus "u bent hier commissaris en dan begrijp ik niet, dat u u zoo over de regeering uitlaat." Toen fluisterde hij mij toe "wacht maar eens, en kijk eens wat hier gebeurt. We mogen geen eigen meening hebben, moeten maar alles goedvinden, wat zij in Moskou bevelen, persvrijheid bestaat er niet, het volk wil vrede en brood en het krijgt geen van beide." Ik vond het geheel eigenlijk heel lastig, want ik wist natuurlijk heelemaal niet, wat die man eigenlijk voor had. Daar hij echter lang niet de eenige was, die zich zoo uitliet, en ik later veel meer van dergelijke klachten kreeg, geloof ik bij nader inzicht wel, dat hij het oprecht meende.

De commissaris, die mij gebracht had, bleek in denzelfden coupé te wonen als ik. Hij verstond helaas geen duitsch. Het was een heel vriendelijke man, die mij buitengewoon aardig behandelde, gewezen arbeider uit Petersburg, voor wien Trotzky en Lenin halve goden waren en die de russische kranten van a tot z spelde, en onvoorwaardelijk geloofde wat er in stond. In het gesprek, dat ik, door middel van een tolk, met hem voerde, gaf hij onomwonden toe, dat de russische sovjetregeering alleen te redden was, als er in Europa ook revolutie kwam.