*
*    *




Naar Smolensk

IV

Polosk, 5 Augustus 1919

Gisteravond ben ik onder geleide van een jeugdigen sovjetcommissaris hierheen gekomen en ben verplicht in dit ellendige nest bijna een geheelen dag te wachten om den trein naar Smolensk te kunnen krijgen. Op de groote route Dunaburg—Polosk—Witebsk—Smolensk—Moskou gaat maar een trein per dag, met een gemiddelde snelheid van 20 Kilometer per uur. Zooals men weet is de russische spoorbreedte grooter dan in West-Europa. Dat maakt, dat de spoorwegwagens ook breeder zijn en daardoor meer comfortabel. Hoewel de wagens op het oogenblik verbazend vuil en verwaarloosd zijn, kan men toch nog heel goed zien, dat in het Tsarenrijk voor den oorlog het reizen zeer gemakkelijk geweest moet zijn, voornamelijk doordat er met het oog op de lange trajecten voor iederen reiziger, tot zelfs in de derde klas door het opklappen der zitplaatsen, een ligplaats was. Op het oogenblik is daar geen sprake meer van. Integendeel, het woord overvol is nog te zwak om aan te geven, hoeveel menschen er met een trein meereizen, ze hangen er zelfs tegen aan als bijenzwermen. In iederen trein is een gereserveerde 1e of 2e klas wagen, bestemd voor commissarissen en militaire autoriteiten. Heeft een gewoon sterveling ongeveer zes papieren noodig om te kunnen reizen, de gelukkigen die in zoo een gereserveerden wagen mogen plaatsnemen, hebben zich tenminste van tien paperassen moeten voorzien.

Voor gewone burgers is het reizen dan ook bijna onmogelijk. De fout zit hem niet in het gebrek aan wagens, want op elk station staan er honderden doelloos door het gebrek aan bruikbare locomotieven. Alles wordt op het oogenblik met hout gestookt en dientengevolge kan het gebeuren, dat de trein plotseling halt houdt en de machinist met een bijl het bosch ingaat om wat brandstof te halen. Men heeft voor mij getelegrafeerd om te zorgen, dat ik overal een gereserveerden coupé zou krijgen. Men is dus wel zeer vriendelijk, maar gisteravond moest ik wel met den mij begeleidenden commissaris in de derde klas plaats nemen, omdat er geen andere wagens waren. Om het mij nu toch makkelijk te maken, werd een ligplaats voor mij gereserveerd en daartoe een achttal andere menschen van hun plaats verjaagd, die ook heel goedmoedig op zij gingen.

Ook mijn commissaris, een jongen van achttien jaar, zorgde ervoor, dat hij het zoo makkelijk mogelijk kreeg. Ik vond het pijnlijk en wilde mij met een bescheidener plaats tevreden stellen, doch de commissaris zeide: "laat dat stomme volk nu maar op zij gaan, ik wil slapen." Nou, dacht ik bij mij zelf, ik kan merken, dat ik hier in een democratisch land ben; maar het zou nog mooier worden. Op een gegeven oogenblik werden twee gewonden binnengedragen, een met een zware beenwond, de andere aan den hals gewond. Toen wilde ik toch niet blijven liggen en bood een gedeelte van mijn bank aan de gewonden aan. Dit wekte de woede van den commissaris op, die dat absoluut onnoodig vond, en dan ook kalm bleef liggen, zonder er aan te denken, het den gewonden ook maar iets gemakkelijker te maken. Ik geloof niet, dat een ander volk dan het goedmoedige russische een dergelijke behandeling verdragen zou hebben. Typeerend lijkt mij deze scène echter wel. Het volk, dat zich jarenlang door de ambtenaren van den Tsaar heeft laten trappen, kromt zich thans geduldig onder het juk der communisten. Dat het begint te gisten, meen ik niettemin te mogen opmaken uit het volgende: vanochtend ontmoette ik toevallig in de wachtkamer van het station een paar soldaten van het roode leger, die vroeger in Amerika geweest waren. Het leek mij een welkome gelegenheid om eens iets naders te hooren. En dat bleek het ook inderdaad. "Ja," zeiden die mannen tegen me, "het is niets gedaan tegenwoordig, ze hebben ons vrede en brood beloofd. En waarvoor vechten wij eigenlijk? Omdat wij engelsch met u praten, kunnen wij het nu eens zeggen. Want er zijn hier zoo veel spionnen, dat als we onder kameraden zijn, wij nooit iets durven zeggen, uit vrees verraden te worden. De helft deserteert dan ook." Het gesprek duurde echter niet lang, want mijn commissaris kwam al spoedig tusschenbeide, daar hij niet kon velen dat ik een taal sprak, die hij niet verstond, aangezien hij alleen maar het duitsch machtig was.

De russische stations zijn wel aardig ingericht. Overal staan groote gemetselde ketels, waar warm water te krijgen is. Iedereen heeft een keteltje bij zich, waarin hij dan zijn thee zet, waarbuiten een Rus blijkbaar niet kan. Doordat Rusland vrijwel van Siberië is afgesneden heerscht groot gebrek aan thee, waaraan men is tegemoet gekomen, door het op groote schaal vervaardigen van kunstthee, een eigenaardig product van mij onbekende samenstelling, dat echter niet slecht smaakt en werkelijk eenigszins aan thee doet denken. Op de kleinere stationnetjes (de trein stopt overal) is alles te krijgen, aangezien de boeren daar met hun waren komen aandragen. Zoo kan men er bijv. eieren koopen voor 40 roebel het stuk.

Polosk heeft een eenigszins europeesch karakter, daar de huizen van steen zijn, en de straten wel met een liniaal getrokken lijken. Het is een leelijke stad, die niets schilderachtigs heeft, en geweldig verwaarloosd is. Overal ziet men nog sporen van de duitsche bezetting. Is hier en daar het plaveisel belangrijk verbeterd, is een brug behoorlijk hersteld, dan kan men er zeker van zijn dat daar duitsche pioniers gewerkt hebben. De bolsjewiki zelf doen niets. Nu hebben ze ook weinig gelegenheid en het gebrek aan materialen is zoo groot, dat ze hier zelfs het dubbel spoor opbreken om aan wat rails te komen, teneinde elders herstellingen te kunnen uitvoeren. De halve bevolking bestaat uit Joden, die allen duitsch spreken. Vandaar dat het nu en dan net is, alsof je in een duitsche stad loopt. Het communisme regeert hier nog niet met zijn volle strengheid, want terwijl overal elders in Centraal-Rusland de winkels gesloten zijn en vervangen door regeerings-verkoophuizen, waar alleen op kaarten gekocht kan worden, zijn hier de zaken nog geopend en zelfs heb ik nog een restaurant ontdekt. Mijn begeleider vond het blijkbaar van zelf sprekend, dat ik hem het middagmaal aanbood en zoo aten we met ons beiden een vrij behoorlijke biefstuk met gebakken aardappelen voor de somma van 48 roebel. Het aardigste was dat de joodsche waardin, ons duitsch hoorend praten, zich in het gesprek mengde en zeide: "zijn de heeren Duitschers? Wanneer komen de Duitschers nu weer terug? Dat was een goede tijd toen de Duitschers hier waren." Ik had inwendig pleizier om het gezicht van den commissaris. Ik heb hem voor de aardigheid zijn levensgeschiedenis laten vertellen. Bij het uitbreken van den oorlog was hij op het joodsche gymnasium in Nisjni Nowgorod en was toen op den leeftijd van 14 jaar politiek agitator geworden. Hij vertelde met buitengewone geestdrift hoe hij het land doorgetrokken was en dat het toch veel aardiger was redevoeringen te houden, dan op de schoolbanken te zitten. En nu had hij het al gebracht tot politiek commissaris van een divisie.

Hij vertelde er bij, dat zoo een snelle promotie volstrekt geen uitzondering was, want zijn broer bijv., die pas 15 jaar was, had reeds dezelfde functie.

Gelijk ik later ontdekte, vormt deze soort jongens een van de hechtste steunpilaren der sovjetmacht. De russische studenten zijn altijd min of meer de revolutionnaire voorhoede geweest; in plaats zich met sport bezig te houden, zooals in West-Europa, gaan de leerlingen der gymnasia en de studenten op in de politiek. Zij beschouwen het als een schande, aan sport te doen. Vandaar dat de lichamelijke ontwikkeling van de jeugd beneden alle peil is. Ik heb er heel wat ontmoet op mijn reis en mijn indruk is, dat het absoluut uit hun evenwicht gebrachte jongelieden zijn. Van democratie is bij hen geen spoor te vinden. Ze achten zich zoo ver boven de gewone massa verheven, dat ik mij met verbazing steeds afvroeg: is dat nu een communistisch land? Geestig vond ik dat zij de geweldige strenge censuur op de pers altijd verdedigen met de opmerking: "ja, maar, de groote massa is zoo dom, die kun je niet alles in handen geven." Ik zou den heer Wijnkoop wel eens willen zien, als men bij ons onder dat motto de Tribune verbood. Komt men met commissarissen in Centraal-Rusland, voorzitters van sovjetraden en dergelijke lui in aanraking, dan voegen zij er gewoonlijk nog wel een argument aan toe, n.l. dat de niet-communistische pers, ook de sociaal-democratische, te veel van het kapitalisme afhankelijk is om onpartijdig te zijn, maar voor het overige zijn hun argumenten precies dezelfde waarmee de index verdedigd wordt. Vannacht om 2 uur gaat de trein naar Smolensk. Dan zal het nog wel licht zijn, want wij hebben hier een allermerkwaardigste tijdbepaling, die vier en een half uur verschilt van de Midden-Europeesche, zoodat middernacht in Rusland samenvalt met half acht gewone tijd. Nu begrijp ik ook, waarom indertijd bij de verovering van Riga iedereen mij vroeg, hoe laat het er toch was.

*
*    *




Op weg naar Moskou

V

Smolensk, 7 Augustus

Het gaat langzaam maar toch vrij zeker in de richting van Moskou. Ik begin mij eenigszins ongerust te maken over mijn vrijheid, aangezien men mij, nadat ik gisteren den heelen dag vrij heb mogen rondloopen, vandaag aangezegd heeft, dat ik geïsoleerd zou worden. Ik vroeg natuurlijk, wat dat zeggen wilde, geïsoleerd, en of dat hetzelfde beteekende als gearresteerd. Neen, was het antwoord, wij willen alleen zorgen dat u met niemand in aanraking komt. U mag u vrij op straat bewegen, maar alleen onder geleide van een onzer soldaten. Verder heeft men mij mijn papieren afgenomen en mij zeer streng, ofschoon niet onheusch gevisiteerd. Ja, ik kan wel zeggen dat men mij met de meeste voorkomendheid behandeld heeft. Er heerscht hier groote neerslachtigheid, tengevolge van het bericht, dat in Hongarije Bela Khun ten val is gebracht. Gelijk ik later ontdekte, had de regeering het volk wijsgemaakt, dat een radenregeering in Boedapest een overwinning van het sovjetsysteem in Europa beteekende. Om het weer eenigszins goed te maken bevatten de bladen nu geweldige berichten over sovjetrepublieken in Canada en Ierland. Als men de hoofdartikels leest, die ik me altijd laat vertalen, krijgt men den indruk, dat eigenlijk heel Europa al uit sovjetrepublieken bestaat.

Aan propaganda laat de regeering het dus niet ontbreken. Overal zijn, dikwijls heel artistiek uitgevoerde, plakkaten aangebracht, met drastische teekeningen en kernachtige opschriften. Zoo ziet men bijv. overal een gewapenden arbeider, die vrouw en kind beschermt, met er onder: "Arbeiders treedt in het roode leger". Of wel een gezicht op St. Petersburg met er onder: "Arbeiders redt het roode Petrograd" enz., teveel om op te noemen. Alleen wil ik nog vermelden, dat men het vooral op Koltsjak gemunt heeft, die afgebeeld wordt met een kroon op het hoofd, een knoet in de hand en gezeten in een wagentje, dat getrokken wordt door een officier, een boer en een burger, terwijl hij over het lijk van een arbeider heen rijdt.

Smolensk, thans vuil en verwaarloosd, is een typisch russische stad. Zij ligt op een paar heuvels, waardoor de straten verbazend hellen. Er zijn enkele straten met europeesche huizen en plaveisel, maar voor de rest zijn het meerendeels houten huizen, waartusschen door een zeer groot aantal kerken.

Op het centrum ligt nog de zeer goed onderhouden vestingmuur uit den Napoleontischen tijd. Van dien muur geniet men een prachtig uitzicht over de stad en omgeving. Het trof mij, dat het op straat vrij druk was, hoewel de electrische trams al wekenlang niet meer functionneeren. De vrouwen en meisjes zijn dikwijls zeer elegant gekleed, vooral de vriendinnetjes der commissarissen zien er heel aardig uit. De meeste vrouwen dragen het haar kort geknipt, hetgeen de donkeren wel flatteert, maar de blonden misstaat. Het schijnt echter minder mode, dan wel het gevolg van de geweldige typhusepidemie, die het vorige jaar geheerscht heeft. Ik mag niet nalaten op de credit-zijde der sovjet-regeering te vermelden, dat ze erin geslaagd is zoowel de geweldige typhus- als de choleraepidemie die hier van den winter geheerscht hebben, door zeer drastische maatregelen te onderdrukken. Ook in St. Petersburg, waar de ziekte nog niet geheel verdwenen is, schijnt de toestand toch minder erg te zijn, dan men in de buitenlandsche pers voorgesteld ziet. De mannenkleeding, al ziet men nu en dan wel enkele elegante dandies, is voor het grootste gedeelte nationaal; velen dragen de russische blouse met den riem om het midden. Verder wordt heel veel uniform gedragen, al behoort de drager volstrekt niet tot het leger. Ook eereteekenen ziet men weer, want Trotzky heeft zich genoodzaakt gezien, een dapperheidskruis in te voeren.

Ik ben hier ingekwartierd naast het politiebureau bij een weduwe van een advocaat, wier man en zoon, gelijk ik van een bediende hoorde, onder haar oogen doodgeschoten zijn. Hij vertelde mij er echter bij, dat dergelijke dingen niet meer gebeuren en dat op het oogenblik volkomen orde heerscht. Alleen het geheime comité tot bestrijding der tegenrevolutie, spionnage en sabotage, treedt zeer draconisch op.

Het arresteert en vonnist in het geheim als een ouderwetsch veemgericht; zelfs hooge commissarissen zijn er niet veilig voor. Het is het lichaam, dat op het oogenblik de terreur uitoefent en alle macht in handen heeft. Merkwaardiger wijze zijn het bijna uitsluitend Letten, die ertoe behooren. Wat de Kozakken voor den Tsaar waren, zijn de Letten voor Sovjet. De Groot-Russen zooals ik ze heb leeren kennen, zijn een aardig, gewillig en gemoedelijk volk, dat zich heel gemakkelijk Iaat regeeren. De Letten daarentegen zijn achterdochtig en wreed, en maken een ongunstigen indruk.

Men heeft het er in het buitenland zooveel over dat de meerderheid der communisten Joden zijn. Dit is niet geheel en al juist, hoewel niet te loochenen valt, dat een groot deel der commissarissen joodsch zijn. Dit komt echter meer doordat de joden nu eenmaal opportunisten zijn, zij gaan mee, tenminste voor een groot deel, met de partij die regeert. Op het oogenblik zijn de communisten baas in Rusland en daarvan profiteeren zij. Valt echter het sovjetbewind, zooals ik het in Riga heb meegemaakt, dan zijn zij de eersten, die den overwinnaar met gejuich begroeten. Iemand heeft mij eens gezegd: "wanneer de tegenrevolutie in Rusland uitbreekt, dan zal het uitdraaien op een groot pogrom." Dat is best mogelijk, maar ik geloof toch meer dat, als werkelijk de sovjetregeering het niet langer kan houden, een groot deel der Joden de eersten zullen zijn om naar de andere zijde over te loopen. Want hoe kort ik ook in Rusland ben, ik heb wel ontdekt dat er een algemeene ontevredenheid heerscht, al geloof ik nog niet aan een tegenrevolutie, omdat het volk te apathisch is. In de stations bijv. moeten de menschen wel drie uur wachten tot zij een plaatsje krijgen, maar heel geduldig staan zij in de rij en laten zich goedig door de militie, zooals tegenwoordig de gendarmerie heet, met kolfstooten op hun plaats houden. Zonder eenig gemor laten zij zich trappen. Ik heb altijd gedacht dat het woord "nitsjewo" een boekenuitdrukking was. Maar het ligt werkelijk in ieders mond bestorven. Ik wachtte vandaag op mijn commissaris, die mij gezegd had dat hij direct zou komen. De bediende, van wien ik u boven reeds sprak; die zag dat ik ongeduldig werd, nadat ik drie uur had gewacht, merkte op: "ja, hij heeft wel gezegd, ik kom direct, maar dat beteekent, dat hij nog wel eens terug komt. Dat is hier de gewoonte, nitsjewo." Dat kwam er zoo geweldig apathisch uit, dat ik begon te lachen.

De oude man ging in vrij goed duitsch voort: "ik ben eigenlijk bloemist en boomkweeker van mijn vak en was tuinman van den ouden heer hier, die er ook heel veel van hield. Ik ben vroeger ook in Holland geweest, in Hillegom en Boskoop, maar nu heeft de arme weduwe een worstmakerij. Ze moet toch leven en nu maak ik al net zoo goed worst als ik vroeger rozen gekweekt heb. Ze praten nu zooveel over revolutie, maar de menschen zijn immers hetzelfde gebleven en de russische boerenarbeider, die bijna niet lezen kan en nooit nagedacht heeft, dien kan men toch niet in een jaar tot West-Europeaan maken." 's Middags na het eten sprak ik de oude dame in het fransch aan, na dat ik mij vergewist had, dat mijn bewakingscommissaris deze taal niet machtig was en bedankte haar hartelijk voor de vriendelijke wijze, waarop zij mij aan haar tafel ontvangen had. Zeer verrast antwoordde zij: "u bent dus geen bolsjewiek? Maar hoe durft u zich dan in het hol van den leeuw wagen? Als ik u een goeden raad mag geven, vertrek dan zoo spoedig mogelijk weer." Dien middag had ik ook nog een onderhoud met een invloedrijk commissaris, die den veelzeggenden naam Potemkyn droeg. Ik had hem te spreken gevraagd, omdat ik eens wou weten, wat men nu eigenlijk met mij voor had, en of ik ook ten allen tijde weer permissie zou kunnen krijgen om Rusland te verlaten. Hij verzekerde mij, dat, wanneer ik mij ten minste van alle contrarevolutionaire pogingen onthield, ik ten allen tijde weer terug zou mogen. We kwamen toen verder over het communisme te spreken en hij erkende, dat de boeren zoo weinig communistisch waren en bijna allen bourgeois neigingen hadden. Ik dacht bij mij zelf: 90 pct. van de bevolking hier zijn boeren, dan is dus het aantal communisten wel bijzonder gering. Ja, zei Potemkyn verder, maar juist die eigenschap van den russischen boer, om kleinbezitter te willen zijn, maakt dat de landbevolking op het oogenblik niets van contra-revolutie wil weten, omdat zij vreest, dat met het Tsarisme het groot-grondbezit ook weer terug zal komen en zij haar land dus weer kwijt zou raken. Mij is later nog sterker gebleken, dat deze opmerking eigenlijk de kern van de zaak raakt. Het is den boeren volkomen onverschillig wie regeert, wanneer zij maar met rust gelaten worden. Dat ziet Lenin op het oogenblik ook volkomen in, vandaar dat hij geheel van taktiek veranderd is, de boeren geheel met vrede laat, en zich verkneukelt, dat de entente de reactie steunt en zoodoende de boeren bang maakt, dat zij tengevolge van een overwinning van Koltsjak en Denikin hun landbezit weer zouden kwijt raken. Het tijdperk van het groot-grondbezit in Rusland is mijns inziens voorbij, en ik geloof zeker, dat een aan duidelijkheid niets te wenschen overlatende verklaring der entente in deze richting, het lot der sovjet-regeering zou bezegelen.

Geheel Oost-Europa is agrarisch en de groote omwenteling die daar heeft plaats gehad, de grootste na de afschaffing der lijfeigenschap, is dat het groot-grondbezit verdwenen is. En het is wel opmerkelijk dat zij, die door dik en dun het communisme hebben willen invoeren, niets anders bereikt hebben dan een verkleinburgerlijking der groote massa. Daarom kan ik met zekerheid zeggen, dat in deze streken voor het communisme en het socialisme geen plaats is. Zeker niet op het platte land, en het is wel typisch dat de sovjetmacht, de macht der communisten, zich op het oogenblik staande houdt door tegen de boeren te zeggen: "als wij verdwijnen, zijn jullie je land kwijt."

Vanmiddag kreeg ik een nieuwen bewaker, een Oostenrijker, die als koerier van Lenin de verstandhouding met Bela Khun onderhouden had. Hij vertelde mij dat hij al drie maal van Boedapest naar Moskou was gereisd, steeds op een andere wijze.

"Hoe kom je er dan door?" vroeg ik hem.

"Och," zei hij, "dat is heel eenvoudig ik spreek oekrainsch, russisch en poolsch, en zoo ben ik er overal door gekomen. En dan moet u niet vergeten, dat het er bij mij op geld niet aankomt."

Het bleek een heel onderhoudende baas, die mij al zijn papieren liet zien, waaronder ook een brief van Lenin, dat men hem met alle mogelijke voorkomendheid moest behandelen en dat hij alle rechten had van een lid van het Uitvoerend Bewind. Hij was het ook die mij vertelde dat de kinderen van den Tsaar nog leefden en in de buurt van Moskou geïnterneerd waren, maar dat de Tsaar en zijn vrouw doodgeschoten waren. De regeering tracht het geheim te houden teneinde aan de tegenrevolutie geen steun te geven. Ik heb later geprobeerd om bevestiging van dit verhaal te krijgen en mijn indruk is dat men er over het algemeen geloof aan hecht. Zelfs heb ik erbij hooren vertellen, dat de grootvorstin Tatiana een gewezen oostenrijksch krijgsgevangen officier zou hebben getrouwd. Of die geruchten waarheid bevatten, laat ik natuurlijk in het midden.

Strasser, zoo heette mijn bewaker, die graag een borreltje lustte, had daar een heelen voorraad van. Hij vertelde mij, dat men in Rusland net zooveel drank kon krijgen als men maar hebben wilde, wanneer men maar flink betaalde.

Wij — Strasser en ik — zijn te Smolensk ook naar een concert geweest in den Stadstuin en daar had ik nu toch heusch moeite te gelooven, dat ik in Rusland was. Wel liepen er veel tawaris rond (tawaris beteekent kameraad en is op het oogenblik in Rusland de gewone aanspraak in de plaats van mijnheer, maar veelal worden er de eigenlijke communisten mee bedoeld), maar voor het overige was het publiek zooals op elk europeesch corso: veel elegante vrouwen, dandies en een enkele demi-mondaine. Consumptie was echter niet veel te krijgen. Alleen thee zonder suiker en dan een zeer verdachte limonade. Ik voel mij gedrongen hier een loflied te zingen op de russische samovar. Aangezien ik nooit water drink in het buitenland, en zeker niet in Rusland, heb ik er alleen thee gedronken. Eigenlijk is de samovar een combinatie van theestoof en trekpot, van beneden heeft men een soort vaas door houtskool verhit, waarin water kookt, terwijl bovenop het kleine trekpotje met thee-extract staat. Iedereen kan dan zijn thee net zoo sterk maken als hij zelf wil. Thee en sigaretten zijn eigenlijk de eenige dingen die op het oogenblik nog goed zijn in Rusland, vooral de sigaretten. Op kaarten en voor de soldaten zijn ze heel goedkoop te krijgen, maar in den vrijen handel, zooals ik ze moest koopen, kost de beste soort 4 roebel het stuk.

*
*    *




In Moskou

VI

Moskou, 9 Augustus

De trein uit Smolensk komt van het Brester station in Moskou aan, vlak bij de Triomfpoort.

Het stationsplein is met keien bestraat; een byzantijnsch kerkje herinnert er al dadelijk aan dat we in Rusland zijn. Maar het heele beeld, als men het station verlaat, is zoo geheel anders dan waar ook in Europa, dat men direct voelt in Rusland te zijn.

Mijn begeleider en bewaker deelde mij mede, toen we in het rijtuig stapten, dat wij rechtstreeks naar het ministerie van buitenlandsche zaken zouden rijden, maar ik voelde toch al dadelijk dat er iets niet in den haak was.

In den trein had ik mij nog vrij kunnen bewegen en met iedereen gesproken, maar al op 't station was er een verandering in 't gedrag van mijn bewaker gekomen, zoodat ik eenigszins ongerust werd.

We reden naar een vrij groot gebouw, dat vroeger blijkbaar een hotel geweest was. Daar werd ik door een paar soldaten ontvangen. Dat leek al heel verdacht. Mijn bewaker smoesde wat met hen, en daarop zeide een duitsch sprekend soldaat, op bevelenden toon, hem te volgen, en voordat ik het wist zat ik in een kamertje met een brits en een raam, dat op een binnenplaats uitzag. In de deuropening nam een gewapende matroos plaats.

De overgang was heel plotseling; mijn bagage was mij afgenomen, maar gelukkig had ik nog sigaretten en lucifers en een stuk kwatta in mijn zak. Ik zette me op de brits, maar toen ik eens rondkeek, begon het me toch wel eenigszins onpleizierig te moede te worden. De vier witgekalkte muren waren nl. bedekt met kalendertjes, en de meeste data waren door kruisjes gemerkt.

Blijkbaar dus van voorgangers, die er eenigen tijd hadden doorgebracht. Ik zag er een van iemand, die er meer dan 3 1/2 maand gezeten had. De eerste tien minuten ging alles nog goed; ik nam de zaak eens op, maar het moois was er gauw afgekeken, en ik begon me zeer onbehagelijk te voelen.

Het eene uur na het andere verliep. Ik liet den commandant roepen. Deze kwam ook en sprak gelukkig duitsch, maar hij kon mij geen uitsluitsel geven, misschien zou ik dienzelfden dag nog verhoord worden, maar het kon nog wel een paar dagen duren. In zooverre stelden zijn woorden mij gerust, daar het mij duidelijk werd, dat ik niet in een gevangenis zat, maar in een lokaal van voorloopige hechtenis. Eindelijk in den namiddag kwam een soldaat mij halen en ik ging met hem een klein eindje over straat. De zon scheen en het was mooi weer. U kunt u niet voorstellen, wat dat voor mij was, om daar met een gewapenden soldaat naast me door die zich vrij bewegende menschenmassa te gaan, met het idee: nu word ik misschien naar het Kreml gebracht, daar in een donker hok opgesloten en is dit misschien voor maandenlang het laatste wat ik van de vrije wereld zie. Maar gelukkig werden mijn sombere gedachten niet bewaarheid, want ik werd niet naar het gevang, maar naar het bureau van den heer Litwinof gebracht, een ambtenaar van buitenlandsche zaken, den vroegeren gezant der bolsjewiki in Londen, die uitstekend engelsch sprak. Hij was heel vriendelijk en begon met mij te zeggen, dat het hem vreeselijk speet, dat ik in het hok gestopt was, maar dat hij er ook niets aan kon doen. Hij voegde er bij, dat de eenige moeilijkheid zat in de pakketten voor het consulaat, die ik bij mij had, omdat men tegenover de consulaten geheel van houding veranderd was, doordat men een paar maanden geleden ontdekt had, dat het zwitsersche en deensche consulaat te St. Petersburg contra-bolsjewistische propaganda maakten en voor den aanval op St. Petersburg spionnagediensten verrichtten. Ik vroeg of men ook over het nederlandsche consulaat zulke klachten had. Waarop het antwoord was: "neen, en dat is heel gelukkig voor u." Ik vroeg toen of ik mijn vrijheid terug kon krijgen en daarop zei de heer Litwinof: "wij zijn in een land dat in oorlog is met de geheele beschaafde wereld; daardoor moeten wij bijzondere maatregelen nemen, en heeft het ministerie van buitenlandsche zaken daar op het oogenblik niets over te vertellen. Dat berust geheel bij de militaire autoriteiten." Gelijk mij later bleek, bedoelde de heer Litwinof hiermede het geheime comité tot bestrijding van de tegen-revolutie, want de eigenlijke militaire autoriteiten hebben in Rusland heelemaal niets te zeggen. Hij beloofde mij echter zijn best voor mij te zullen doen en verzocht mij even te willen wachten, want hij wilde trachten, een telefoongesprek te hebben met den commandant. Het scheen nogal wat voeten in de aarde te hebben, hij bleef tenminste een heele poos weg. Maar gelukkig kwam hij na eenigen tijd terug met de mededeeling, dat ik vrij was en in het regeeringshotel ondergebracht zou worden, maar dat ik mijn eerewoord moest geven, zonder voorkennis van Buitenlandsche Zaken met niemand te spreken of in verbinding te treden. Ik was al wat blij dat ik het zoo ver gebracht had, en mijn eenige streven was nu ook om te zorgen dat ik er weer uit kwam. Van het oogenblik af dat ik 's morgens in het hok gezet was, had ik 't idee: zoo gauw mogelijk hier vandaan! Dat hield me zoo bezig, dat ik zelfs den landweg op een generale stafkaart en den weg door Moskou uit mijn hoofd heb geleerd. Ik had een adres van een Nederlander in Moskou gekregen, waar ik ook den consul zou kunnen treffen en had 's morgens nog gelegenheid gehad daar een boodschap heen te sturen, dat ik in Moskou was en dat zij maar bij Buitenlandsche Zaken navraag naar mij moesten doen. Ik heb er echter niets meer van gehoord en op mijn verzoek, om met de in Moskou aanwezige Nederlanders in verbinding te mogen treden — ik wist toen heelemaal niet, dat alle zich in Rusland bevindende Nederlanders gevangen genomen waren — werd steeds afwijzend beschikt. Ik had mijn eerewoord gegeven om met niemand in verbinding te treden en het was dus onmogelijk, in het geheim te trachten iets uit te richten. Want ik ben er van overtuigd, dat behalve de soldaat, die mij dag en nacht bewaakte, er ook nog voortdurend spionnen mijn gangen nagingen. Het is in elk geval zeker, dat wanneer ik met mijn begeleider over straat wandelde, ik ook nog voortdurend gevolgd werd. Ik gaf aan Litwinof te kennen, dat ik gaarne een interview zou hebben met Lenin, Trotzky of Tsjitsjerin. Maar het bleek, dat Lenin in het Kreml uiterst zorgvuldig werd bewaakt en voor niemand te spreken was, terwijl Trotzky al eenigen tijd te velde vertoefde. Litwinof, die de vriendelijkheid zelve was, beloofde mij alles te zullen doen, wat maar eenigszins mogelijk was om mij een onderhoud met Tsjitsjerin te bezorgen. Toen kwam mijn soldaat weer, ik kreeg mijn bagage terug en werd naar het Regeeringshotel gebracht.

Moskou, 11 Augustus

Het huis, waarin ik hier ingekwartierd ben, heeft blijkbaar aan een zeer rijke russische familie behoord. Het is groot, ofschoon het maar één verdieping heeft. Het is mij een heele geruststelling, dat hier ook Hindoes en Perzen wonen. Ik had reeds in Berlijn vernomen, dat in het regeeringshotel een dergelijke deputatie verblijf hield. Daardoor weet ik nu tenminste, dat ik werkelijk niet in een gevang ben en Litwinof mij niet om den tuin geleid heeft. Het huis is heel rijk gemeubeld en wordt blijkbaar goed onderhouden, maar alle kleeden zijn opgenomen en over alle meubels liggen hoezen. De manager verstaat geen woord duitsch, maar de soldaten, die men den geheelen dag in een stoel voor de deur laat zitten, voor het meerendeel wel. Aangezien ik mijn eerewoord gegeven heb, met niemand in contact te treden, heb ik mij schriftelijk bij het ministerie van buitenlandsche zaken beklaagd over deze bewaking. Het schijnt echter, dat buitenlandsche zaken hierin volkomen machteloos is. Daar ik met niemand mag en kan praten, behalve met mijn bewaker, vind ik het eigenlijk wel prettig, dat ik altijd iemand bij mij heb, want het is veelal niet moeilijk, zoo iemand voor kleine diensten te lijmen met een paar sigaretten en niet te vergeten een stuk brood, want deze geheime agenten, behoorende tot het geheimste aller geheime comité's in Rusland, doen niets dan mij hun nood klagen, dat het in Rusland zoo slecht is, en dat zij niet genoeg te eten krijgen. Ook over de behandeling zijn zij heelemaal niet tevreden. Ik heb mij zitten verkneukelen, als ik dacht aan alle moeite, die de sovjetregeering deed, om mij niets te laten merken van wat er omging, en dat juist de mannen, die dat moesten verhinderen, mij een kijk gaven op de algemeene ontevredenheid. De algemeene verschijnselen waren oorlogsmoeheid, honger, en klachten over de bureaukratie en ook over de duurte, die zoo groot is, dat de traktementen, hoe hoog ook opgevoerd, erbij in het niet verzinken. Ik ga elken morgen met mijn soldaat de stad in en leer zoodoende Moskou vrij aardig kennen.

Maar het straatleven is toch altijd wel interessant. Eigenlijk interessanter dan de stad, die een sterk vergroote uitgave van Smolensk is; ondanks het groote aantal straten met europeesche huizen en behoorlijk geplaveid, is en blijft Moskou een aziatische stad. Typisch is dat er naast heel hooge huizen, van zeven en acht verdiepingen, weer heel kleine van een of twee verdiepingen staan. Zoo ook met het plaveisel; soms is een straat geheel geasfalteerd, dan weer voor de helft keibestrating en asfalt, dan weer in eens hobbelt men over de keien van het soort zooals bij ons in Brabant. Er zijn ongelooflijk veel kerken. Bijna allemaal in den byzantijnschen stijl met groene of vergulde koepels en het is typisch om op te merken, hoe druk het kerkbezoek is; ik geloof niet dat ik overdrijf wanneer ik zeg, dat de helft van de bevolking bij het passeeren van een kerk den hoed afneemt en een kruis slaat. Bijna alle huurkoetsiers doen er aan mee. Hoe zal ik u dat laatste type beschrijven, met zijn lange jas en zijn hoogen hoed á la 1830 en dan de kleine huurrijtuigen met het onder een boog gespannen paardje ervoor? Zij hooren bij het straatbeeld en geven er een eigenaardig oostersch cachet aan. Er zijn er vrij veel en er wordt dan ook veel gebruik van gemaakt, maar waar die menschen dat allemaal van betalen, begrijp ik niet, want zij vragen je gewoon drie à vierhonderd roebel voor een rit. Het is druk op straat, veel uniformen, veel elegante meisjes, maar zoo nu en dan ook plotseling keurig gekleede heeren, ja ik heb er zelfs met monocles gezien. De orde wordt gehandhaafd door met geweren bewapende politiemannen, die zeer krachtdadig optreden; zoo tracht men op het oogenblik een eind te maken aan de verbazende overvulling der trams. Ik heb eens gezien, hoe er ongeveer twintig menschen achter aan een tramwagen hingen. Dat is sedert eenige dagen verboden en wordt gestraft met 25 roebel boete, die op staanden voet betaald moet worden. In de Twerskaja, een der hoofdstraten, zag ik een tramwagen, waaraan er weer veel hingen, aanhouden; zij die buiten den wagen hingen, werden er door een paar politieagenten afgehaald, de tram ging verder, de slachtoffers moesten 25 roebels betalen en konden toen den weg vervolgen. Maar eenigen die blijkbaar geen geld hadden, werden meegenomen naar het bureau. Dat ging allemaal zoo snel en rustig in zijn werk, dat ik met verbazing stond te kijken. Ook verkeersagenten hebben op sommige punten postgevat. Het aantal automobielen en motorfietsen is vrij groot en er is blijkbaar geen maximum snelheid voorgeschreven. Ze suizen er tenminste aardig op los. Het zijn echter allemaal regeeringswagens, particuliere treft men niet meer aan. Het is helaas onmogelijk om het Kreml te zien, aangezien Lenin daar verblijf houdt en deze zoo streng bewaakt wordt, dat alleen enkele bevoorrechten er binnen mogen. Er loopen twee muren omheen, een binnen- en een buitenmuur. Deze laatste loopt dwars door de stad en schijnt een gedeelte van den ouden vestingmuur te vormen. Het gezicht van de Moskwa op het Kreml, met zijn eigenaardige opeenhooping van paleizen en kerken, is echter op zichzelf al de moeite waard.

Ik heb, ditmaal niet onder geleide van een soldaat, maar met een allervriendelijksten ambtenaar van buitenlandsche zaken, ook het groote schilderijen-museum bezocht. Vol trots wees mij mijn geleider op het feit, dat iedereen toegang had; dat schijnt onder den Tsaar niet zoo geweest te zijn, toen was het blijkbaar arbeiders verboden een museum te betreden. Er waren thans eenige groepen soldaten, die onder technisch geleide de schilderijen bezagen. Aangezien ik in Nederland dergelijke proeven ook wel eens genomen heb, deed het mij eenigszins genoegen te kunnen constateeren, dat de russische soldaat al net als de hollandsche zijn aandacht voornamelijk op het naakt-model concentreerde. De thans tentoongestelde verzameling was zeer uitgebreid, doordat men er een aantal verzamelingen aan had toegevoegd, De russische kunst, waarmee ik eigenlijk voor het eerst kennis maakte, maakt op het eerste gezicht een somberen, ja een eenigszins bloedigen indruk. Komt men een museum van nederlandsche kunst binnen, onverschillig van oude of jonge meesters, dan is de eerste indruk die van licht en zon. Bij deze russische verzameling gevoelt men onwillekeurig een lichte huivering. Ik weet niet of de technische uitdrukking juist is, maar ik zou willen zeggen, dat in Rusland het realisme in de schilderkunst sterk overheerscht. Bijzonder interessant was de bijna geheel complete collectie van Werestsjagin, den schilder van Turkestan en den oorlog van 1878. De museumdirectie is minder kleingeestig geweest dan de man die in rood-Rusland het kaartspel heeft verboden, omdat er "heeren" in voorkwamen. Hier hingen de russische keizersportretten nog heel rustig aan den wand. Het is begrijpelijk, dat het kubisme op het oogenblik in Rusland veel aanhangers heeft. Ik vind het de rechte schilderkunst voor de sovjetrepubliek. Het moet van de russische regeering gezegd worden, dat zij op haar wijze de kunst krachtig steunt; ook de beeldhouwkunst geeft zij ruimschoots gelegenheid zich te uiten en overal op pleinen en in plantsoenen verrijzen monumenten voor meer of minder bekende revolutionnaire grootheden. Sommige zijn heel mooi, andere daarentegen zooals bijv. voor Marx, van een verrassende banaliteit. Marx is hier de groote man; de communisten redekavelen in hun pers en brochures voortdurend over een plaats bij Marx zooals men dat in ons vaderland zou kunnen verwachten van twee orthodoxe dominees over een texst uit de Openbaring. De bolsjewiki zijn dan ook geweldige dogmatici, met een soms kinderlijke naïeveteit. Zoo vertelde mij gisteren een commissaris van buitenlandsche zaken, dat de sovjetregeering in Rusland leerplicht heeft ingevoerd. Toen ik hem opmerkte, dat het maken van een wet niet voldoende was, keek hij mij hoogst verbaasd aan. Ik ging voort: "er moeten toch onderwijzers zijn en schoollokalen." Dat kwam wel, zei hij. Toen ik hem echter vroeg, welke maatregelen de regeering reeds had genomen, moest hij het antwoord schuldig blijven. Ik wil hierbij volstrekt niet over het hoofd zien, dat de moeilijkheden, waarmee de russische regeering te kampen heeft, nu zij naar alle kanten oorlog moet voeren, reusachtig zijn, maar dat neemt toch volstrekt niet weg, dat de voor een groot deel lang niet onverdienstelijke wetten, door de bolsjewiki ingevoerd, zooals bijv. de leerplichtwet, het invoeren van den burgerlijken stand, hygiënische wetten, arbeidersverzekering, niet verder gekomen zijn dan de bureaux en de dagbladen, omdat het den wetgevers aan organisatie-talent ontbreekt, om de zaak op pooten te zetten.

Nemen wij bijv. de huwelijkswetten met den daaraan verbonden burgerlijken stand. In Rusland bestond tot voor korten tijd alleen het kerkelijke huwelijk. Thans is dat anders en moet men zich eerst burgerlijk laten trouwen, even als bij ons, waarna de kerkelijke inzegening facultatief is. Toch kunnen zich 99 pct. der Russen niet burgerlijk laten trouwen, omdat de ambtenaren, die het huwelijk moeten sluiten, er nog niet zijn.

Men moet in Rusland zijn, om een dergelijken toestand kalm zijn gang te laten gaan en er niet verder aan te denken, ambtenaren aan te stellen. Over het algemeen zijn deze wetten ongeveer dezelfde als wij ze in Europa al jarenlang kennen en de tegenstand der conservatieve Russen lijkt mij in dit opzicht dan ook vrij bekrompen. Alleen de huwelijkswetten zijn vrij radicaal, vooral wat het scheiden betreft. Om te scheiden is het genoeg dat een der echtgenooten zijn wensch te kennen geeft het huwelijk te laten ontbinden. Wanneer de andere echtgenoot niet binnen een bepaalden tijd hiertegen opkomt, kan het huwelijk ontbonden worden.

Het is merkwaardig zooveel bedelaars men op straat ontmoet. Dat verwonderde mij eigenlijk wel eenigszins. Ik dacht dat er in een bolsjewistischen staat geen arme menschen zouden zijn, tenzij de een of andere bourgeois die niet werken wil. Maar de meeste bedelaars zijn kinderen en oude arbeiders. Dat is weer een sprekend staaltje van de onmacht der bolsjewistische leiders om hun eigen wetten uit te voeren, want door den arbeidsdwang, de kinderverzorgingswetten en de ouderdomspensionneering moest de noodzakelijkheid om te bedelen absoluut uitgesloten zijn. De bolsjewiki zijn werkelijk geen barbaren, hun leiders doen al hun best om de zaak voor elkaar te krijgen, maar het zijn en blijven hopelooze idealisten en daardoor begaan zij een misdaad aan hun eigen volk, dat het slachtoffer wordt van hun volslagen machteloosheid om ook maar één wet werkelijk in daden om te zetten. Zij hebben vergeten rekening te houden met de praktijk en de menschelijke natuur en daarom is het misschien eigenlijk wel jammer, dat de bolsjewiki in den tegen hen gevoerden oorlog het argument hebben om te zeggen: "wij kunnen er niets aan doen, want de oorlog heeft ons teveel bezig gehouden."

Ik ben ervan overtuigd, dat ook zonder oorlog het communisme een fiasco gebleken zou zijn. Het sterkste bewijs daarvoor vind ik op het gebied van den kleinhandel. Alle winkels in Moskou zijn gesloten. Er bestaan alleen z.g. regeeringsverkoophuizen, waar slechts op kaarten iets te koopen valt. Nu heeft de praktijk bewezen, dat het heele kaartensysteem niet deugt, waardoor het koopen van een paar sokken, een zaak van 14 dagen wordt. Maar het sterkste is, dat er een straathandel ontstaan is van geweldige afmetingen met verbazend hooge prijzen.

Men kan op straat en op de markt alles koopen als men maar betaalt, tot zelfs pianos. Overal op straat ziet men de kooplui zitten, meest bejaarde menschen. Hier zit een juffrouw en verkoopt eenige paren lakschoenen, daarnaast zit iemand die een pak kleeren te koop aanbiedt. Een eindje verder wordt een piano verkocht en dat alles, ofschoon de wet dezen handel met de zwaarste straffen bedreigt. Maar ook veel ellende is er tusschen door te zien. Zoo zag ik er menig jong meisje staan, dat haar vroegere garderobe te koop aanbood. En ook de haast spreekwoordelijk geworden generaal, die sigaretten of kranten verkoopt ontbreekt niet.

*
*    *




Te Moskou

VII

Moskou, 11 Augustus

's Avonds komt er een eigenaardige stemming over Moskou. Om zes uur beginnen n.l. van het groot aantal kerken de klokken te luiden en de carillons te spelen, Maar geen carillons zooals bij ons of een regelmatig gebeier, maar een wild, door elkaar gehamer van klokken met verschillende tonen, hetgeen een uiterst eigenaardig effect geeft en barbaarsch klinkt. Het maakte op mij in mijn eenzaamheid telkenmale een zeer onaangenamen indruk. Het was alsof al die klokken hamerden: hier zijn wij niet in Europa, maar in Azië, en ik werd er aan herinnerd dat ik mijlen ver van het vaderland en eigenlijk niet veel meer dan een gevangene was.

Zoodra ik dan ook het interview met Tsjitsjerin, dat ik u reeds geseind heb, gehad had, vroeg ik het land weer te mogen verlaten. De minister antwoordde: "ik heb er geen bezwaar tegen, maar er niets over te vertellen. Andere autoriteiten moeten u die toestemming geven, maar ik zal mijn best doen om u zooveel mogelijk te helpen." Elken dag wandelde ik ondertusschen naar het ministerie van buitenlandsche zaken en elken dag was hetzelfde antwoord: ja, wij doen ons best, maar u moet geduld hebben. Men stuurde mij elken dag stapels brochures en tijdschriften in het fransch, duitsch en engelsch, zoodat ik heel wat propagandalectuur verwerkt heb. Ik kreeg daardoor ook een idee wat eigenlijk het sovjetstelsel, dat Lenin de mooiste overwinning der Octoberrevolutie noemt, zeggen wil. Eigenlijk is het niet veel anders dan een getrapte verkiezing, die het mogelijk maakt dat een minderheid een meerderheid regeert. Een plaatselijke sovjet, uit niet veel meer dan een paar honderd personen bestaande, kiest een vertegenwoordiger. Het kiesrecht is algemeen, met deze beperking dat alleen zij, die werken, of geheel buiten schuld zonder werk zijn, mogen kiezen. De vertegenwoordigers nu van die sovjets kiezen op hun beurt weer vertegenwoordigers, en dat is de algemeene volksvertegenwoordiging, waaruit dan het algemeen uitvoerend bewind, bestaande uit 18 volkscommissarissen, m.a.w. de ministers en de president van de republiek, gekozen worden. Want — en dat is in het buitenland nog niet algemeen bekend — Rusland heeft tegenwoordig een president in den persoon van Kalinin. De macht van den president is echter niet groot en hij heeft dezelfde stem als elk lid van het uitvoerend comité. De officieele naam der russische sovjetrepubliek is: Revolutionaire Socialistische Federatieve Sovjetrepubliek, hetgeen afgekort wordt tot de beginletters R. S. F. S. R., welke letters men bijv. op elken spoorwagen aantreft. De nationale vlag is rood met deze letters in den linkerbovenhoek. Men noemt deze republiek de derde communistische internationale. In Maart heeft te Moskou een congres plaats gevonden, van de vertegenwoordigers der bolsjewiki uit alle mogelijke landen. De nederlandsche bolsjewisten waren erbij vertegenwoordigd door den heer Rutgers wien het sedert dien heel slecht gegaan is, aangezien hij na een aanval van spaansche griep met een hersenziekte in een sanatorium is opgenomen. Het meeste trof mij uit dezen stroom van propagandalektuur, de moeite die de bolsjewiki doen om in China, Voor-Indië en in de mohammedaansche wereld ontevredenheid te zaaien. Van bolsjewistische propaganda is daarbij natuurlijk geen sprake. In de verschillende oostersche talen opgestelde pamfletten, die in menigte naar Voor-Indië getransporteerd worden, wordt het woord bolsjewisme of communisme zelfs niet eens genoemd; ze bevatten alleen een scherpe kritiek op het engelsche regeeringsbeleid. Juist in de dagen dat ik er was kwamen er in het regeeringshotel ook eenige Perzen aan; dat is er natuurlijk allemaal om te doen om de Engelschen, die de Russen op het oogenblik als hun grootste vijanden beschouwen, zooveel mogelijk moeilijkheden te berokkenen. Ook de strijd dien de emir in Afganistan met de Engelschen heeft gevoerd zal wel aan bolsjewistische propaganda te wijten zijn.

De groote vreugde te Moskou over den terugtocht van Koltsjak vindt dan ook voornamelijk haar oorzaak in de mooie gelegenheid die daardoor verkregen is rechtstreeks met Oost-Azië en Indië in verbinding te treden. Ik heb den indruk gekregen, dat er ook heel wat geld in deze richting gestuurd wordt. En als ik Engelschman was zou ik volstrekt niet gerust zijn, hoewel deze propaganda der bolsjewiki, die echt het kenmerk draagt van het doel heiligt de middelen, eigenlijk een bedreiging vormt voor het heele blanke ras. De propaganda in China waarvan de bolsjewistische pers beweert, dat zij er heel veel succes heeft, is natuurlijk hoofdzakelijk tegen Japan gericht. Dit streven der leiders te Moskou maakt de bolsjewiki mijns inziens tot de meest gevaarlijke vijanden van alle blanke naties. Dat het hun er voornamelijk om te doen is herrie te krijgen, kwam heel aardig uit in een gesprek, dat ik toevalliger wijze met Guilbaux had, den bekenden Franschen communist. Hij was zoo vriendelijk om mij in mijn eenzaamheid te komen opzoeken en vertelde mij dat hij in het voorjaar uit Zwitserland door Duitschland en Litauen naar Rusland gevlucht was, aangezien hij bang was, dat de fransche regeering zijn uitlevering aan de zwitsersche zou vragen. Hij was voornamelijk gebeten op Longuet, dien hij beschuldigde niet oprecht revolutionnair gezind te zijn. Volgens zijn meening was het vreeselijk jammer dat in Duitschland zooveel leiders der Spartaciërs gevangen waren gezet. Maar, zei ik toen, is het communisme dan niet iets dat leeft, zij het ook verborgen, in een deel van de volksmassa? "Wel neen," was het antwoord, "de leiders moeten er zijn om de richting aan te geven. Het volk weet niets van communisme. Als dat maar ontevreden is of ontevreden gemaakt kan worden, dan kunnen wij de revolutie ontketenen." Ik zeide hem toen maar niet, dat in dit geval de beweging zichzelf veroordeelt, want wanneer een beweging reeds te bestrijden is, zooals deze communist zelf aangaf, door het onschadelijk maken van de leiders, dan pleit dat niet voor de ideeën die erin zitten, en mij kwam het woord van Dr. Kuyper in de gedachten: een wet, die niet leeft in de ziel van het volk, is geen wet. Guilbaux is anders een heel gezellige prater en bleek een groot vriend van Henriëtte Roland Holst te zijn.

Wanneer men uit hetgeen ik u hierboven mededeelde, zou willen opmaken, dat de Russen niets liever dan den Tsaar terug zouden willen zien, dan is dat toch geheel verkeerd. Het is mogelijk, dat er onder den druk der bolsjewiki een krachtige reactie ontstaan is. Maar mijn algemeene indruk is toch, dat de groote meerderheid, hoewel het bolsjewisme meer dan moe, geen reactionnaire regeering wil. Naar mijn meening behoort de toekomst in Rusland aan de vooruitstrevende elementen. Men moet niet vergeten, dat al heeft het communisme schipbreuk geleden, de bevolking toch kennis gemaakt heeft met dingen, zij het ook op papier, waarvan het onder den Tsaar nooit gedroomd heeft. De groote fout der Entente is en blijft dan ook, dat zij Koltsjaks regeering erkent die haar toekomstplannen niet ronduit openbaar maakt, zoodat zij weinig weerklank bij de russische bevolking heeft gevonden en bovendien de sovjetregeering de gelegenheid geeft om te zeggen: "zie je wel, de Entente wil alleen de zwartste reactie." Een open vraag is het voor mij nog altijd, wat de kerk zal doen. Dat zij nog invloed heeft in Rusland staat boven twijfel, maar wat zij eigenlijk wil, weet ik niet. Het is altijd een ongeluk voor Rusland geweest, dat de orthodoxe geestelijkheid in tegenstelling met de roomsche op een buitengewoon laag peil van ontwikkeling stond. Dientengevolge kan die geestelijkheid maar heel weinig invloed ten goede op de massa uitoefenen. En het vraagstuk, waar men zich in Polen nogal mee bezig houdt, nl. het weer onder heerschappij van Rome brengen der russische kerk is dan ook voor de toekomstige ontwikkeling van het russische volk van groot belang. Een ander punt is, dat, nu Engeland op het oogenblik de voornaamste viool speelt bij een aanval der Entente, een deel der Russen, evenals ik van meening dat zelfs met een handvol geoefende troepen de sovjetmacht ten val kan worden gebracht, beweert dat de Engelschen dit alleen niet doen teneinde Rusland nog meer uit te putten en het dus gemakkelijker tot een engelsche kolonie te maken. Vandaar dan ook, dat men op het oogenblik zeer anti-engelsch, en de stemming tegenover Duitschland veel minder bitter is geworden.