Ik heb vandaag mijn papieren terug gekregen met het sovjetzegel er op en met de mededeeling dat ik ze eerst buiten Rusland mocht openen en dat ik morgen over Dunaburg het land kan verlaten, natuurlijk onder de noodige bewaking. Goddank! want ofschoon ik hier wat de behandeling betreft, niets te klagen heb, is toch de voortdurende eenzaamheid en het gevoel feitelijk een gevangene te zijn, zeer neerdrukkend. Ik heb in mijn eenzaamheid heel wat propagandalectuur verwerkt en ook de kranten met behulp van mijn bewakers zooveel mogelijk gevolgd. En nu blijft het altijd waar, dat zelfs met de beste censuur er dikwijls uit de bladen heel wat te halen is al was het alleen maar door hetgeen er niet in staat. Zoo vond ik het bijzonder interessant, dat Kerensky en de sociaal-revolutionnairen er nog steeds heftig in worden aangevallen. Daaruit maak ik de gevolgtrekking, dat men in regeeringskringen nog steeds bevreesd voor hen is, en zij dus meer aanhang hebben dan men over het algemeen wel wil doen gelooven. Ook de artikelen tegen de desertie blijken mij van veel belang, omdat zij bevestigden wat ik reeds aan het front gehoord had, dat nl een derde van het leger van Trotzky permanent op den loop is. Vroeger werden deserteurs niet gestraft, maar eenvoudig weer opgepakt en ingelijfd. Thans kondigden de bladen echter een strenger optreden aan. Zeer belangwekkend zijn verder de onthullingen uit het russische geheim-archief, die steeds voortgezet worden en waaruit zonneklaar blijkt, dat Poincaré en Grey reeds in 1913 op den oorlog aanstuurden. Onder meer is een brief van Grey gepubliceerd, waarin deze Rusland en Frankrijk in alle gevallen de hulp van de engelsche vloot toezegt. Ook een geheim bericht van Sasonof van Juli 1913 aan den Tsaar waarin hij mededeelt, dat Bethmann Hollweg hem verzocht heeft om bemiddelaar te zijn bij een poging om tot een betere verstandhouding met Frankrijk te komen, waarin hij (Sasonof) gemeend heeft niet te moeten treden. Het is den Russen met deze publicatie, die dan zoogenaamd tegen de geheime diplomatie gericht is, er alleen om te doen de Entente onaangenaam te zijn, want hun geheime verdragen met Turkestan, de Kirgiezen, e. a. publiceeren zij niet, net zoo min als zij de ware reden opgeven waarom zij aan Estland en Litauen een vredesaanbod gedaan hebben. Ik voor mij geloof dat Rusland wel heel graag vrede zou willen hebben, maar toch maar het allerliefst een gat waardoor het door de blokkade kan breken en zijn propaganda makkelijk het buitenland in zenden. En vrede met Litauen en Estland zou het aardig in de richting sturen en de verbinding met de Spartaciërs in Duitschland heel wat makkelijker maken.
Precies acht dagen was ik in Moskou geweest, toen ik met een verlicht hart weer in den trein stapte die mij over Smolensk-Polosk naar Dunaburg zou brengen, vanwaar ik zou moeten trachten door het front te komen.
Ik had op de terugreis ook weer een bewaker bij mij, een jong vlot soldaatje, die heel blij was dat ik hem als ik at altijd mee liet eten, want de porties zijn niet groot in het roode leger, en dat is de reden waarom de ontevredenheid er zoo groot is.
Zal ik u verder de tweedaagsche reis weer beschrijven, die ik ditmaal van Polosk in een goederenwagen deed omdat op dit traject geen passagiersrijtuigen meer rijden? Ik geloof dat ik maar eentonig zou worden, met u mijn hopeloozen strijd tegen het ongedierte weer te vertellen.
Ik was den koning te rijk toen ik reisgezelschap kreeg: een russisch ingenieur met zijn vrouw en zoontje van 9 jaar, die zoogenaamd naar Dunaburg reisden, maar inderdaad hetzelfde plan als ik hadden.
In het eerst zag ik hem voor een bolsjewistisch spion aan, hetgeen hem blijkbaar zeer onaangenaam trof, maar al spoedig ontdekte ik dat hij een bourgeois was die, de ellende moede, met het restje van zijn geld naar het buitenland trachtte te ontkomen.
Hij was veel in 't buitenland geweest, had daar ook gestudeerd, en kende verscheidene communisten, waardoor het hem te langen leste mogelijk was geworden zijn geld weer in handen te krijgen, en de permissie om naar Dunaburg te trekken.
Wij spraken af dat hij mij in Rusland zooveel mogelijk bij zou staan, en ik een goed woordje voor hem zou doen in Litauen, waar iedereen die uit Rusland komt, als hij niet het tegendeel kan bewijzen, voor een agent der bolsjewiki wordt gehouden.
Hoewel ik dat standpunt aanvankelijk wel eens overdreven vond, moet ik, na alles wat ik gezien en ondervonden heb, erkennen dat het 't eenige goede is, al moeten vele onschuldigen er door lijden. Want al maakt men het verkrijgen van passen en visa's nog zoo moeilijk en de controle nog zoo scherp, er blijven altijd leeperds die alle controleurs verschalken.
Een aardig staaltje daarvan zag ik in Rusland zelf, waar de contrôle ongeloofelijk streng is. Om op het perron te komen, moet men door vier contrôles heen, die elk een uiterst minutieus onderzoek naar de stempels enz. instellen, en in den trein komen ze je elk oogenblik weer lastig vallen. Ik was er goddank vrij van, want dat was het werk van mijn bewaker, die een heel pak papieren meezeulde.
Toch heb ik met iemand gereisd, van Moskou naar Dunaburg, die geen enkel papier bij zich had. Deze slimmerd was een heel eind voorbij Moskou langs de spoorlijn gewandeld, en toen onderweg in den trein gesprongen, hetgeen bij den slakkengang van 20 KM. per uur nu niet zoo'n buitengewoon moeilijke zaak is.
Verder hield hij zich op in een wagen, die een ladder had naar 't dak, voor den remmer. Kwam er nu in den trein contrôle, dan kroop hij op 't dak, en aangezien bij de stampvolle wagens het controleeren heel lang duurde, had hij tijd en gelegenheid, om, terwijl de controleur zich van het eene eind naar het andere van den wagen begaf, kalm over 't dak naar 't eind te kruipen waar de contrôle al was geweest. Nu 't in Rusland gewoonte is, dat de passagiers niet alleen in den trein zitten, maar op alle mogelijke wijzen er aan hangen, valt een dergelijke beweging ook volstrekt niet op.
Twee mannen, die de reis van Moskou naar Dunaburg op de buffers der achterste wagens gemaakt hebben verdenk ik er ook sterk van, niet al te best van papieren voorzien te zijn geweest. Zij sprongen er ongeveer 1 KM. voor elk station af en hadden, dank zij het lange oponthoud, al de gelegenheid om den trein weer in te halen.
Ja, ik heb zelfs bij de enorm scherpe contrôle voor het trekken door 't front iemand zonder eenig papier kalm de controle zien passeeren, al moet ik er aan toevoegen, dat het mij een raadsel gebleven is, hoe hij hem dat geleverd heeft. Ik wist dat zijn papieren niet in orde waren, en lette daarom scherp op hem, maar ik heb niet kunnen ontdekken hoe hij er door kwam. Een feit is echter, dat hij er op een gegeven oogenblik door was.
Mijn reisgenoot had het onaangename avontuur, terwijl wij in Polosk midden in den nacht op den trein voor Dunaburg zaten te wachten, plotseling gearresteerd te worden aangezien men meende dat zijn papieren niet in orde waren.
Gelukkig hadden we genoeg tijd, want anders hadden wij er den trein door gemist, daar er maar eens per dag een trein gaat, want 't duurde wel drie kwartier voor ze hem weer loslieten.
Toen hij weer los was gelaten, zeide hij: "dat was op 't kantje af; een foutje in de stukken en ik was er bij geweest. Ik ken genoeg menschen die door het geheim comité voor nog minder zijn gearresteerd, en eerst na zes maanden weer zijn losgelaten." Hoe meer ik zulke verhalen hoorde hoe meer ik verlangde het bolsjewikiland te verlaten, maar je leert geduld oefenen in Rusland, waar alles onder het motto gaat "haast je langzaam".
Zoo ook in Dunaburg. Ik had nog eenige hoop, dat toen ik er Dinsdagavond aankwam, ik Woensdag verder zou kunnen reizen, maar geen denken aan; de zaak zou worden overwogen en men voegde er aan toe: "wij zullen de zaak hier zelfstandig behandelen. Wanneer u uit Moskou geen permissie hebt laten we u zeker niet door, maar dat beteekent nog niet, dat wanneer ze er in Moskou niets tegen hebben, wij het er mee eens zijn."
Dat beteekende dus een paar dagen verblijf in Dunaburg, het welbekende, veel omstredene Dunaburg uit den grooten oorlog. De straten zijn er recht, de huizen laag, maar van steen, en leelijk. Behalve het gezicht op de rivier, is er niets moois aan de stad, die bovendien duidelijk de sporen draagt, vijf jaar lang den oorlog in haar onmiddellijke nabijheid te hebben gehad. Ik maakte er kennis met een Zweed, die er al een paar weken zat te wachten. De arme kerel had een automobielzaak in Moskou gehad en was voor een half jaar plotseling in 't gevang gezet, waar hij twee maanden in had doorgebracht en toen weer was losgelaten, waarna hij voor heel veel geld het zoover had kunnen brengen, dat hij in Dunaburg was gekomen; maar nu bleken de laatste loodjes het zwaarst te wegen.
De heer R., mijn reisgenoot uit Moskou, ging nu echter voor ons allen aan het werk en hij slaagde er werkelijk in eenige moeilijk om te koopen ambtenaren voor ons aller rekening eenige duizenden roebels in handen te spelen, door dien heeren te verzoeken het tsarengeld tegen sovjetgeld te wisselen. Nu heeft in de nabijheid van het front het laatste totaal geen waarde, maar officieel staat het gelijk met het tsarengeld; in werkelijkheid verdienden de ambtenaren er dus ongeveer het heele bedrag aan en men kan het nooit omkoopen noemen.
Eindelijk dan kwam Vrijdagmorgen Hogberg, de Zweed, uitgelaten op ons af, en riep "de zaak is in orde, wij kunnen er door en R. (de Rus) mag ook mee." Dat was een vreugde, maar nu moesten wij nog een wagen huren om ons naar het front te brengen, en liefst een die ons er door bracht, daar bolsjewisten en Litauers ongeveer 5 KM. uit elkaar lagen en het moeilijk aanging dien afstand te loopen met onze bagage op den rug. Wij zochten dus een tweetal wagens, een voor Hogberg en mijn persoon, en den anderen voor de familie R.
Na lang zoeken slaagden wij er eindelijk in, om voor 500 roebel per persoon twee voerlieden te vinden, die genegen waren ons tot aan de uiterste voorposten te brengen. Verder wilden zij zich in geen geval wagen. Wij moesten dan maar zien onze bagage weer te dragen maar aangezien er bijna dagelijks transporten krijgsgevangen Duitschers en Oostenrijkers overgingen, zou het misschien wel gelukken een paar hulpkrachten te vinden.
Zoo togen wij Zaterdagavond om 7 uur op weg. Ons eerste doel was Nowo Alexandrofsk, vanwaar wij den volgenden morgen naar het front zouden trekken. Halverwege bleek, dat een der voerlieden ons bedrogen had en een absoluut niet te gebruiken paard had aangespannen. Daar stonden wij, het begon allengs donker te worden, 't regende en was koud, en het eene paard bleek zoo uitgeput van het korte traject, dat het niet meer vooruit te krijgen was. Wij besloten toen op den anderen wagen de bagage te laden; de familie R. kon ook nog meerijden, en de Zweed, mijn bewaker en ik legden de 12 KM. die ons van Alexandrofsk scheidden, te voet af.
In N. Alexandrofsk troffen wij in ons hotel nog een gast, een Duitscher, die, zooals hij zeide, voor het departement van buitenlandsche zaken kwam onderhandelen over krijgsgevangenen, en die juist dien middag van de andere zijde gekomen was. Zijn verhaal over die onderhandelingen leek mij eenigszins verdacht, en bij een nader verhoor bleek hij geen der ambtenaren van het Auswärtige Amt te kennen, en moest ik hem dientengevolge wel tot het gilde der saccharinesmokkelaars rekenen, een zeer winstgevend, zij het ook eenigszins gevaarlijk bedrijf.
Ik sliep dien nacht op m'n koffer, of beter, trachtte zulks te doen, maar eindigde met bij een kaars wat te lezen. Het was vermakelijk, om het geheel verder gade te slaan. Het eerst kwam Hogberg in beweging, hij begon zijn kleeren te onderzoeken op een hier te lande zeer bekende wijze, daarna begon mevrouw R. onrustig te worden, en eindelijk R. zelf ook; alleen de soldaat sliep rustig door.
Toen het dag werd haastte ik mij mijn laatste schoone ondergoed aan te trekken, en gooide de rest weg, aangezien ik het niet meer in mijn koffer wilde bergen. De waard van het hotel kwam echter na eenige oogenblikken vragen of het mij daarmee ernst was. Op mijn toestemmend antwoord bleek hij uiterst verheugd, en eenige oogenblikken later had hij het al aangetrokken.
Nu moesten wij onze passen nog laten viseeren, 't geen we na lang wachten en veel moeite gedaan kregen, zoodat het vijf uur in den middag was geworden voor we weg konden.
Wij vertrokken in gezelschap van 17 Duitschers en Oostenrijkers, die uit krijgsgevangenschap, en een dame, die als vluchtelinge naar haar woonplaats Kowno terugkeerden. Ons gezelschap bestond dus uit 29 mannen, twee vrouwen en een kind.
Op weg naar het front, ongeveer 5 kilometer, polste ik de krijgsgevangenen, en al spoedig bleek mij, dat het voor 't meerendeel goedmoedige Weeners en Berlijners waren; alleen twee hunner maakten een vrij ongunstigen indruk.
Aangezien wij tusschen de fronten in niemandsland geheel op ons zelf aangewezen zouden zijn, zocht ik een der besten uit, en besprak met hem de maatregelen om die beide heertjes in het oog te houden, opdat ze geen rare dingen zouden uithalen. Hoe meer we het front naderden, hoe twijfelachtiger het werd, of wij er dien dag wel over zouden komen, want het eerst vrij zwakke geweervuur werd allengs sterker; machinegeweren spraken een woordje mee, en af en toe klonk zelfs geschutvuur. Er was dan ook een merkbare onrust in onze colonne.
Op ongeveer een kilometer achter het front werden de passen gecontroleerd, en goddank, alles bleek in orde. Toen moest er een witte vlag gemaakt worden en Hogberg leverde daartoe gewillig zijn handdoek; gelukkig mocht de wagen met onze bagage ons tot het laatste oogenblik begeleiden.
Het vuur luwde eenigszins en toen wij aan de eerste russische loopgraaf gekomen waren, was alles kalm. Mijn hoop dat alle contrôle voorbij zou zijn, werd echter verijdeld, want midden op den weg moesten wij halt houden, werden in twee rijen geplaatst en begon een visitatie aan den lijve.
Ik had het meest te doen met mevrouw R., want ze had haar heele kapitaal, een dik pak bankbiljetten, onder haar rokken verborgen. Aangezien ik als vreemdeling vermoedelijk in Rusland het scherpst onderzocht zou worden, hadden wij afgesproken, dat zij het tot aan de grens bij zich zou houden, terwijl ik het dan op onzen tocht door niemandsland weer zou overnemen, omdat ik weer bij de Litauers aan het minste gevaar was blootgesteld.
Gelukkig bleken de beide vrouwen van een visitatie verschoond te blijven, maar ze zouden toch nog een paar heel ellendige oogenblikken doorleven, want nauwelijks stonden wij in twee rijen, of daar kwam het welbekende suizen van een projectiel, en pang, nog geen tweehonderd meter van ons sprong een granaat. Wij keken allen op, maar de bolsjewiki gingen kalm door onze zakken te doorzoeken. Een halve minuut later kwam weer een granaat aangieren, en toen nog een, en nog een.
Ik zal dit tafereel niet licht vergeten, dat heuvelachtig landschap, badend in 't zonlicht, die loopgraaf vlak voor ons, met overal in hun bruine russische uniformen de bolsjewiki, die ons nieuwsgierig bekeken, die twee rijen mannen, met de handen in de hoogte, en midden op den weg de twee vrouwen, doodsbleek gehurkt op de bagage, het jongetje R., anders vol praats, thans heel soumis tegen moeder aangedrukt.
Het duurde eeuwen, maar eindelijk was alles klaar, een paar soldaten, die zelf geen bagage hadden, namen een deel van onze bagage, de witte vlag ging voorop, en de stoet zette zich in beweging. Eerst heel langzaam, want we moesten door de hindernis, maar al spoedig begon de vlagdrager zijn tempo te versnellen en dreigde de colonne uit elkaar te geraken, aangezien de vrouwen en de zwaarder beladenen niet mee konden komen. Daar had je het al.
Men had mij van bolsjewistische zijde er reeds op gewezen, dat het noodzakelijk was dat wij bij elkander bleven, omdat het al meer gebeurd was dat de Litauers achterblijvers niet toelieten of wel er op schoten. Ik keek eens om naar den baas, met wien ik afgesproken had het zaakje bij elkaar te houden, maar die had zelf een zwaren koffer te torsen, en had dus niet veel te vertellen.
Ik besloot er dus zelf maar een eind aan te maken, en gaf den jongeman met de vlag een daverend standje, liet de colonne halt houden, de vrouwen in het midden nemen, en toen weer voorwaarts gaan, terwijl ik mij zelf aan het hoofd begaf. Dat hielp, en van dit oogenblik had ik het commando, en werden mijn bevelen zonder tegenpruttelen gehoorzaamd.
Het was merkwaardig, dat hoe meer we de litausche linies naderden, hoe kalmer en stiller iedereen werd. We hadden n.l. in Dunaburg de verschrikkelijkste verhalen gehoord van transporten, die door de Litauers met een heftig geweervuur ontvangen waren, dan wel weer teruggestuurd, en toen weer door de bolsjewiki teruggejaagd.
Dat er van die verhalen iets waar was, bleek uit het groot aantal koffers, dat op en terzijde van den weg neergesmeten lag, blijkbaar inderhaast weggeworpen, om zich sneller tegen het geweervuur te kunnen dekken. Aangezien het geschutvuur, dat thans over onze hoofden ging, sterker werd, en nu en dan terzijde van ons het geweervuur ook opflikkerde, zeide ik tegen R.: "hoor eens, als het verkeerd gaat bekommer je dan niet om je bagage, werp die weg, en doe wat ik je zeg." Hij keek al maar door bezorgd naar vrouw en kind, terwijl Hogberg me nu en dan eens toeknikte, en een "very dangerous" liet hooren.
De weg viel ook niet mee, heuvel op, heuvel af, en dan hadden wij allemaal wat te dragen, en zoo sleepten wij ons moeizaam voorwaarts.
In dien tusschentijd stopte mevrouw R. mij nog snel het dikke pak tsarenroebels toe, dat ik niet dan met de grootste moeite in al mijn zakken kon bergen. Eindelijk, nadat we meer dan een uur gegaan waren, klonken vlak bij ons heel harde slagen. De krijgsgevangenen en ik wisten toen meteen dat we ongemerkt door de litausche voorposten gekomen waren, want wij waren nu al bij de vurende batterij.
De vrouwen hadden echter nog een geweldigen schrik; het was gelukkig de laatste, want een oogenblikje later stapte een litausch officier op ons toe, die ons heel vriendelijk begroette.
Ik stapte vooruit, en deed het woord. De Litauer sprak wat gebroken duitsch en deelde mede dat wij ongehinderd verder konden gaan. Wij kregen een soldaat mee, maar al waren wij nu door de linies, daarmee hadden wij nog geen wagens en zoo moesten wij nog een heel uur voortgaan, totdat eindelijk bij een herberg twee wagens gehuurd konden worden, waarop weer de bagage en de vrouwen geladen werden. De mannen gingen te voet verder naar Dawgeli, waar de litausche commandant verblijf hield; dit was nogmaals een uur loopen.
Wij waren ten minste den avond te voren uit Dunaburg vertrokken en hadden nog een gedeelte per wagen afgelegd, maar de krijgsgevangenen waren heel vroeg dien morgen uit Dunaburg opgebroken en hadden den geheelen weg getippeld.
Maar dat is kinderspel, zeiden een paar Oostenrijkers, wij zijn bijna heelemaal uit Tobolsk komen wandelen, daar doen we nu al twee maanden over.
Het bleken gevangenen te zijn, die achter het front van Koltsjak geweest waren en bij den opmarsch der bolsjewiki waren bevrijd.
De bolsjewiki hadden echter niet voldoende spoormateriaal om hen allen naar achteren te brengen. In het geheel waren het er ongeveer 15.000 en zoo hadden ze een groot gedeelte van den weg moeten loopen. In Moskou en andere plaatsen waren concentratie-kampen ingericht, maar deze waren zeer primitief en het voedsel was er absoluut onvoldoende. Daarom liepen ze bij hoopen weg en trachtten gelijk het dezen twee gelukt was bij Dunaburg over de grens te komen. Zij waren in Moskou in het kamp geweest en hadden den weg Moskou—Dunaburg ook weer te voet afgelegd.
Ik vroeg hun natuurlijk eenige bijzonderheden over het leger van Koltsjak.
Och, zeiden ze, het is er een nog grooter bende dan bij de bolsjewiki, de mannen loopen bij bosjes weg. Ze hebben genoeg van het vechten. De bolsjewiki hadden alleen maar voorwaarts te gaan. Gevochten is er bijna niet.
Eindelijk kwamen we in Dawgeli; wel was ik erg moe, maar ik gevoelde me toch heel wel; het was gelukt: ik was naar Moskou geweest en er weer uit gekomen. Nu was het me er echter om te doen, om niet voor een krijgsgevangene gehouden te worden. Ik begaf mij dus direct naar den commandant, een litausch majoor, die mij heel vriendelijk ontving en mij direct gelukwenschte, met de woorden: "u had geen uur later moeten komen, want op het oogenblik begint onze aanval op Novo Alexandrofsk."
Ik had dus geboft.
Zoo waren wij dan wel heelhuids uit Rusland, maar dat wilde nog niet zeggen, dat daarmede ook weer de beschaafde wereld bereikt was, want een goede 150 KM. scheidden ons nog van Kowno, en de eenige wijze om dat te bereiken was per as.
De Litauers waren heel vriendelijk, en behandelden ook de krijgsgevangenen zoo goed mogelijk. Ze hadden echter zelf niet veel, zoodat die arme kerels er nog al slecht aan toe waren.
Dien nacht sliepen de familie R., de Zweed en ik in het litausche hoofdkwartier der troepen voor Nowo Alexandrofsk, in een boerenwoning op den vloer. Den volgenden morgen gingen wij met twee wagentjes naar Ottojani; wij keken elkaar eens aan, toen wij den prijs hoorden: maar 50 roebel per hoofd. Hoewel dat voor Litauen geweldig duur was, leek het ons spotgoedkoop, vergeleken bij de prijzen in Rusland.
Mijn reisgenooten waren erg bang voor de visitatie der Litauers, maar daar schenen ze heelemaal niet over te denken. Alleen werden onze passen van een stempel voorzien, echter zonder eenig bijschrift, vermoedelijk omdat de controleerende ambtenaar niet lezen of schrijven kon. Ik meen zulks op te mogen maken uit het feit, dat hij mijn pas onderste boven bekeek, en bleef bekijken, totdat hij aan 't portret kwam, waarop hij blijkbaar zijn vergissing eerst bemerkte.
Onderweg werden wij herhaalde malen aangehouden, maar het aardigheidje kennende, gaf ik altijd maar een sigaret, en hield mijn pas in den zak. Wij hoorden 's ochtends dat Nowo Alexandrofsk genomen was, en waren de Litauers maar wat beter uitgerust geweest, dan hadden ze voor Dunaburg kunnen staan; maar hun etappendienst is te slecht dan dat ze ineens zoo'n sprong voorwaarts konden doen.
Ik had gehoopt in Ottajani den trein naar Schaulen over Ponewjez te kunnen nemen, om dan over Tilsit zoo snel mogelijk naar Berlijn te reizen.
Daar hoorde ik echter, dat alle verkeer over Schaulen gestremd was, omdat, naar men zeide, het leger van Koltsjak die plaats bezet had.
Het leger van Koltsjak? vroeg ik, wat is dat voor onzin, Koltsjak zit in Siberië.
Jawel, was het antwoord, maar een paar duizend uit duitsche krijgsgevangenschap ontslagen Russen hebben zich onder voormalige tsaristische officieren tot een hulpbrigade gevormd en zich nu voor Koltsjak verklaard, en aangezien ze toch iets moeten doen, Schaulen bezet.
Het lijkt wel een gekkenhuis, deze Oosthoek van Europa, hoewel 't nog zoo gek niet is om Schaulen, het verbindingspunt tusschen Letland en Litauen, te bezetten. Deze troepen zijn natuurlijk geheel en al tsaristisch en hun aanvoerders willen vermoedelijk niets van een onafhankelijk Letland en Litauen weten.
Gelet op het eigenaardige karakter van 't litausche leger en op den waarschijnlijken terugtocht der duitsche troepen uit Letland, kunnen ze uit het door hen bezette punt naar alle richtingen optreden en zoo noodig in Koerland het tsarenrijk weer uitroepen, hetgeen ik volstrekt niet voor onmogelijk houd.
Van dat oogenblik af gaan ze dan natuurlijk weer tegen de Polen vechten. Waarom? ja dat weet ik ook niet, maar dat is nu eenmaal iets, dat ik bij elken reactionnair gezinden Rus heb kunnen constateeren. Zijn allereerste hoop is, om zoodra 't tsarenrijk hersteld zou zijn, de Polen te lijf te gaan.
Onze twee voerlieden wilden ons niet verder brengen dan Ottajani en zoo huurden wij daar een anderen wagen, om ons naar Kowno te brengen.
Den eersten dag bracht onze nieuwe voerman ons tot Wilkomir, waar wij hoorden dat de toestand aan het poolsch-litausche front zich verscherpt had, en dat wij haast moesten maken om te zorgen in Kowno te zijn voor ze ons misschien den weg afsneden.
Het landschap is in deze streken bijzonder mooi; voor den liefhebber van folklore is er bovendien heel wat te zien en te bestudeeren, onder anderen zijn de huizen aan de snijpunten van wegen met allerlei geborduurde lappen versierd, en ook de litausche kerkhoven met de verschillende houten grafkruizen zijn zeer merkwaardig; om de typische vrouwendrachten niet te vergeten.
In Ucjonie hadden wij daar, het was Zondag, bij 't uitgaan van de kerk een heel goed denkbeeld van gekregen. Jammer alleen, dat het type der Litauers niet mooi is; ze hebben allen, zoowel mannen als vrouwen, iets stompzinnigs, en niet geheel ten onrechte wordt dan ook het litausche boerenvolk tot een der domsten van Europa gerekend.
Ludendorff wijdt in zijn bekend boek een aantal bladzijden aan de wijze, waarop hij het burgerlijk bestuur dezer streken geregeld heeft, en hoe hij getracht heeft deze door den oorlog zoo zwaar geteisterde streken weer op de been te helpen.
Toen de Duitschers het land nog bezet hadden, was de bevolking er eigenlijk maar half tevreden mede, en tengevolge daarvan vond de door den overste Reboul, den chef der fransche missie, uit Kowno op ruime schaal verspreide anti-duitsche propaganda-lectuur een vruchtbaren bodem.
Nu de Duitschers echter weg zijn, beginnen de oogen open te gaan en klaagt alles steen en been; overal op mijn langen tocht van Dunaburg tot Kowno hoorde ik de verzuchting: waren de Duitschers maar weer terug; ze waren wel streng, maar rechtvaardig en onder hun bestuur begon er welvaart te heerschen.
De Litauers blijken dan ook heelemaal niet in staat, het door de Duitschers begonnen werk in stand te houden, laat staan voort te zetten. De wegen en bruggen, door de Duitschers niet alleen verbeterd, maar ook op vele plaatsen nieuw aangelegd, worden niet meer onderhouden. De spoorwegen functionneeren niet meer, de onveiligheid neemt hand over hand toe, het bolsjewisme begint het hoofd weer op te steken, waardoor de handel gaat kwijnen; en wanneer Ludendorff dan ook opmerkt: "Die Bevölkerung wurde mit ruhiger Sicherheit geleitet. Sie wird jetzt erkennen dasz wir nach Recht und Billigkeit gehandelt haben" (bladz. 160), heeft de uitkomst bewezen dat hij volkomen gelijk heeft.
Wat er van Litauen moet terecht komen is mij een raadsel, vooral als nu de Polen ook nog gaan oprukken. Het ontbreekt ten eenenmale aan intellectueelen om de noodige ambtenaarsposten te bezetten. Het leger is niet veel beter dan dat van Trotzky, dat ook al heel slecht is, en het eenige is dat de Litauers beter gevoed worden, waardoor zij dan ook in staat blijken de bolsjewiki terug te werpen.
De laatste loodjes wegen het zwaarst, dat bleek ook hier weer, want onze tocht van Wilkomir naar Kowno had onder voortdurende stortbuien plaats en bovendien woei er een ijskoude noordwestenwind, maar eindelijk, tegen donker, zagen we Kowno voor ons liggen en reden wij na een poosje door de hoofdstraat. Welk een heerlijkheid weer een, zij het ook slechts half-europeesche, stad te zien, waar weer een behoorlijke straatverlichting was en café's en winkels.
Wij zochten en vonden gelukkig een eenvoudig maar zindelijk hotel en gingen toen dadelijk nieuwe kleeren koopen. Er bleek in Kowno geen ontluizingsinrichting te zijn en daarom gooiden wij alles weg, alleen mijn schoenen en beenkappen behield ik. Na een bad voelde ik mij, ondanks een hevige verkoudheid, als herboren. De Zweed en ik hadden samen een kamer en telkens zeiden wij tegen elkaar hoe is het mogelijk dat we er heelhuids zijn afgekomen? Ook de familie R. was buiten zich zelve van vreugde. Geslapen hadden wij de laatste week bijna niet, maar we waren over alles heen, en uren hebben we wakker gelegen, al maar herhalende hoe gelukkig we er waren afgekomen. De laatste dagen waren wel de minst gevaarlijke, maar de vermoeiendste geweest; 160 KM. in een klein wagentje op elkaar gepakt, waarbij we er den laatsten dag het grootste gedeelte naast hadden geloopen, hadden ons laatste restje energie verbruikt, en ik bewonder nog altijd de kordaatheid van mevrouw R. Hoe dikwijls heb ik haar gadegeslagen, als ze, zelf totaal uitgeput, toch doodstil bleef zitten, om haar jongske, dat met 't hoofd op haar schoot in slaap gevallen was, niet te storen.
Het bleek voor mijn medereizigers van groote waarde, dat ik met de autoriteiten in Kowno al bekend was, want daardoor kregen ze heel wat gemakkelijker hun visa. Ik werd als een uit den dood opgestane begroet, vooral de heeren van het duitsche gezantschap waren allervriendelijkst. De gezant vroeg me direct te eten, en heel verheugd was ik, weer eens iets uit de beschaafde wereld te vernemen, want sinds 14 Juli had ik geen europeesche courant meer gezien.
Ik at met de leden der duitsche missie in de villa Thilman, het huis waar Hindenburg en Ludendorff zoo langen tijd hebben gewoond. De stemming der Duitschers vond ik erg mat, en dat is ook te begrijpen. Zij hooren dagelijks, hoe de bevolking onverholen te kennen geeft, het vertrek der duitsche troepen te betreuren, en hun machteloosheid tegenover de entente-missies, die zelf echter, door het gebrek aan een behoorlijke troepenmacht, ook niets anders kunnen uitrichten dan bevelen geven, die toch niet uitgevoerd worden, stemt hen natuurlijk bitter.
De Engelschen en Amerikanen hebben bovendien ruzie met den overste Reboul, die ijverig er op uit is de Polen in alles te steunen, en daarom het antisemitisme, tot groote woede der Amerikanen, op alle mogelijke wijze aanwakkert. De missies werken dan ook niet meer samen, en zelfs heeft de fransche het hotel, waar zij tot dusver met de andere samenwoonde, verlaten en een eigen kwartier betrokken.
Ik heb nog een onderhoud gehad met den chef der amerikaansche missie, en deze deelde mij mede, van zijn regeering de opdracht te hebben, zich volstrekt niet met politiek in te laten, doch alleen de voedselvoorziening te regelen.
De Amerikanen hebben op mij, overal waar ik ze in Polen en Litauen aan 't werk zag, een sympathieken indruk gemaakt vooral om het neutrale standpunt dat zij innemen. Zij trachten werkelijk het lijden der bevolking te lenigen, zonder zich met stokerij in te laten. Alleen hebben zij zich hier en daar toch ook laten verleiden, allerlei voor het eigen leger niet meer bruikbare verduurzaamde levensmiddelen aan den man te brengen. Ze zijn hier echter zoo onnoozel niet meer om dat zonder meer te slikken en de stemming jegens de entente is dan ook op sommige plaatsen beneden nul.
Daarbij komt nog dat de meer intellectueelen zich afvragen: waar gaan we heen? De Duitschers zijn weg, we mogen niet meer doen wat ze voorgeschreven hebben, maar wat nu? De entente doet niets, een paar engelsche en fransche officieren kunnen ons toch niet alleen tegen bolsjewistische benden verdedigen, en zelf kunnen we het ook niet. Bovendien weet niemand, wat de plannen der Entente zijn. Wat hebben ze met ons voor? Wij zijn nu wel zoogenaamd onafhankelijk, maar hebben niets om ons op de been te houden.
Mijn indruk is, dat het langzaam maar zeker mis gaat, al zal Litauen zoo gauw niet bolsjewistisch worden. Dat zal veel eerder in Letland gebeuren, als de Duitschers daar weg gaan. Hier zullen de Polen er wel voor zorgen dat het niet gebeurt, want die marcheeren dan natuurlijk direct binnen, en anders zijn er nog de bovengenoemde eigenaardige russische troepen in Schaulen; maar met de onafhankelijkheid is het dan gedaan.
De familie R. besloot nog een paar dagen in Kowno te blijven, maar de Zweed en ik brandden van verlangen om zoo snel mogelijk weg te komen en toen we dan ook hoorden dat er nog een late trein ging die ons binnen 24 uur in Berlijn zou brengen, haastten wij ons om alles in orde te brengen en zoo vertrokken wij Woensdagavond naar Duitschland, waarbij wij tot de treurige ontdekking kwamen, dat de mooie rechtstreeksche verbinding met Berlijn niet meer bestond, maar we twee keer moesten overstappen, n.l. in Wilkowisky en later nog eens in Wirballen; maar wat is dat als je uit Moskou komt.
Zoo hoort dan ook deze russische reis tot het verleden. Mij zelf verheugt het dat ik er in geslaagd ben, ondanks alle moeilijkheden, er weer uit te komen. Een paar dagen heb ik nog in Berlijn rondgeloopen, mij afvragend: krijg ik nu vlektyphus of niet? maar dit bleek niet het geval te zijn en ik ben er dus zonder kleerscheuren afgekomen.
De laatste berichten uit Koerland wijzen erop, dat wat ik reeds een paar maanden geleden in mijn brieven uit Libau en Kowno voorspelde gaat gebeuren. Nu de duitsche troepen weg zijn, steekt het bolsjewisme het hoofd weer op. De nederlaag der Witten in Estland heeft den toestand verscherpt. Het mag misschien eenigszins eigenaardig klinken, wanneer ik ondanks de overwinning der bolsjewiki blijf beweren dat het leger van Trotsky geen militaire waarde heeft. Wat ik er in Polen en Rusland van gezien en gehoord heb, heeft mij ervan overtuigd, dat het een bende is. Maar wanneer de Entente met nog grootere benden aan komt zetten krijgt het natuurlijk op zijn kop, want de eigenlijke Letten en ook de Esten beteekenen heelemaal niets. De Polen en zelfs de Litauers blijken in staat om de Russen gevoelige nederlagen te bezorgen. Maar St. Petersburg kan tot de stomme verbazing van iederen Rus niet genomen worden. Integendeel, nu de duitsche troepen weg zijn, wordt de toestand in Koerland elken dag erger. De Engelschen, die, zooals mij o.a. de engelsche vertegenwoordiger te Libau voor een paar maanden nog zeide, het bolsjewisme "made in Germany" noemen en beweren, dat de bevolking daar volstrekt niet bolsjewistisch is, ondervinden dat, nu de duitsche troepen weg zijn, het platteland met benden overstroomd wordt, waartegenover de inheemsche troepen machteloos staan. De kwestie van graaf Von der Goltz te Mitau, die in het buitenland geheel verkeerd begrepen wordt — vooral ook in Duitschland, daar de duitsche pers al bijzonder slecht is ingelicht over hetgeen er in Koerland gebeurt — is heel eenvoudig. Indertijd had de letsche regeering, gelijk ik vroeger reeds mededeelde, aan de duitsche soldaten het burgerrecht beloofd, waardoor zij aanspraak kregen op 60 morgen land, hun toegezegd door de groote grondbezitters. Deze belofte is de regeering niet nagekomen. De Duitschers staan nu op het oogenblik op hun recht.
Bovendien staat de duitsche commandant voor het moeilijke geval dat hij zeker weet, dat, wanneer hij weggaat, het duitsche element, dat in die streken zoo talrijk is en volstrekt niet alleen uit baronnen bestaat, maar vooral ook de kleine burgerij en het intellect omvat, eenvoudig uitgemoord zal worden. Ik herhaal wat ik vóór drie maanden schreef, dat, gaan de Duitschers weg en worden ze niet door een behoorlijke europeesche macht vervangen, die streken aan de anarchie zijn prijsgegeven. Niet alleen dat St. Petersburg dan nooit genomen wordt, maar ook Riga, Libau en Rofno zijn dan verloren.
Op mijn tocht uit Rusland over Dunaburg heb ik kunnen constateeren hoe alles, wat niet bolsjewistisch is, naar den terugkeer der Duitschers verlangt, niet zoo zeer omdat zij Duitschers zijn, maar omdat het de eenigen zijn die er de orde kunnen handhaven. Als een staaltje, hoe slecht zelfs de duitsche pers ingelicht is, zij vermeld, dat de val van Novo Alexandrofsk, die plaats vond toen ik er verleden week doortrok, wat mij heel wat moeite berokkende, pas vandaag over Helsingfors tot de duitsche bladen doorgedrongen is. Tienduizend man europeesche troepen, geoefend en goed gedisciplineerd en van de noodige hulpmiddelen voorzien, kunnen met Rusland doen wat zij willen.
Al een paar maanden lang houd ik mij nu vrijwel uitsluitend bezig met het bolsjewisme, en in het bizonder met den strijd er tegen. Zoowel in Koerland, Litauen, Polen als in Rusland zelf heb ik ter plaatse de zaak bestudeerd en meen dan ook eenig recht van spreken te hebben.
Laat ik eerlijk bekennen, dat ik aanvankelijk ook overtuigd was, dat Trotsky met de schepping van het roode leger een waar Napoleonswerk verricht had en een opmarsch van het roode leger naar West-Europa niet tot de onmogelijkheden zou behooren. Hetgeen ik er later echter van te zien kreeg, heeft mij anders geleerd.
Reeds voor Riga begon ik te twijfelen, toen ik zag, hoe een paar duizend Duitschers en Balten met slechts weinig artillerie een driedubbele overmacht der Russen versloegen; later in Polen zag ik betrekkelijk slecht uitgeruste, maar goed gedisciplineerde en voor hun vaderland geestdriftige poolsche soldaten, een bijna driedubbele overmacht aan bolsjewiki voor zich uit jagen.
Toen ik in Rusland zelf kwam, werd het mij echter heel duidelijk; op een klein gedeelte na zijn de russische soldaten den oorlog moede. Zij deserteeren bij massa's en de twee groote dingen, waardoor een leger bij elkaar gehouden wordt, n.l. een goede geest en goed eten, zijn niet aanwezig.
Zeker, er is in Rusland genoeg eten te krijgen. Op het platteland heerscht overvloed, maar het spoorwezen is door gebrek aan locomotieven dermate in de war, dat de op sommige plaatsen opgehoopte voorraden niet vervoerd kunnen worden.
Daardoor is natuurlijk de heele verpleging van het roode leger in de war en niet dan met de uiterste moeite slagen de Russen er in ten minste nog brood en munitie naar het front te brengen.
Wanneer ik dan ook in engelsche bladen lees, dat het roode leger beter uitgerust en georganiseerd is dan ooit, dan is dat geheel bezijden de waarheid en het wordt vermoedelijk alleen verkondigd om de onmacht der entente te verbloemen.
Een fransch generaal schreef eenige maanden geleden in een fransch blad: St. Petersburg kan in vijf dagen genomen worden of in het geheel niet.
Dat is de ware toestand: een goede troep neemt het in enkele dagen, een slechte nooit.
Het eigenaardige geval doet zich thans voor, dat tengevolge van de onvoldoende troepen waarmee de Engelschen tegen St. Petersburg opereeren, het den indruk geeft, alsof Trotsky een krijgskundig genie is.
Zeker, verdiensten heeft hij, en aan energie ontbreekt het hem ook niet, maar dat hij nog altijd chef in Rusland is, kan hij werkelijk niet helpen. Het sprekendste bewijs is voor mij de opmarsch van het poolsche leger, dat, hoewel veel minder sterk en door gebrek aan spoorwegen ook met groote verplegingsmoeilijkheden kampende, met gemak de Russen voor zich uit jaagt.
Nu zegt men, dat de roode troepen bij St. Petersburg veel beter zijn dan die tegenover de Polen; doch de gebeurtenissen bij Riga hebben mij anders geleerd.
Ik heb thans zooveel mogelijk gegevens verzameld, meest uit geheime bronnen, die een kijk geven op den strijd tegen sovjet-Rusland en heb het front in een kaartje geschetst.
Dezer dagen gaf het Berliner Tageblatt een artikel van Theodor Berkes, die tot juist de tegenovergestelde conclusie komt als ik, n.l. dat het roode leger wèl een factor is waarmee te rekenen valt.
Ik ben het, zooals reeds gezegd, daarmee niet eens, al heb ik den schijn tegen me. Inderdaad lijkt het overweldigend als wij het aantal vijanden zien waartegen de Russen te strijden hebben, maar welke waarde hebben die troepen?
Daar zijn in de eerste plaats Koltsjak en Denikin; Koltsjak in Siberië, Denikin in Zuid-Rusland. Koltsjak, die in 't voorjaar bij Samara stond, is sedert dien tot in 't hart van Siberië teruggedreven. Een geweldige overwinning der bolsjewiki, die echter alleen mogelijk was, omdat de troepen van Koltsjak nog slechter waren dan die der bolsjewiki, en eigenlijk zonder veel vechten ervandoor zijn gegaan. In elk geval, de moreele overwinning is aan Moskou, dat daarbij het groote voordeel had, het nijverheidsgebied van Samara weer in handen te krijgen, en — wat niet het minst is, — een verbinding met Perzië en Voor-Indië.
Ik schreef u reeds, dat ik mij ernstig bezorgd maakte over de anti-engelsche propaganda in Voor-Indië, Perzië en de mohammedaansche wereld. Sedert eenigen tijd is er een druk koeriersverkeer tusschen Indië en Moskou, en voorname Indiërs en Perzen, alsmede Mohammedanen en Turken zijn in Moskou welkome gasten. De gaping in de fronten, waardoor deze propagandisten reizen, ligt tusschen het front van Koltsjak en het Oeralkorps van generaal Doetof, die zelf in Oeralsk zit en met zijn troepen, pl.m. 10,000 man, aan de Oeral staat.
De Kirgiezen schijnen al geheel en al bolsjewistisch te zijn, en steunen de roode troepen.
Ik ben in de gelegenheid u over deze propaganda in te lichten, aangezien een Indiër, die te Moskou in hetzelfde hotel gewoond heeft als ik, mij thans uitvoerig van alles op de hoogte heeft gebracht.
Lenin had hem zelf verklaard, dat zijn hoofdwerkzaamheid op het oogenblik in Azië lag; daarheen heeft hij zelfs zooveel troepen, munitie en geld gezonden, dat het westfront er door verzwakt is.
In Moskou zelf is op het oogenblik de indische maharadja Koemar Mahoendra, die er het hoofd is van een indische missie. Achter de schermen zit echter nog een machtiger indische grootheid te werken.
Ook de emir van Afganistan heeft een eigen vertegenwoordiger in Moskou, n.l. Paroh Katulloh, een bekend indisch revolutionnair, terwijl een zekere Prawin, een Rus, als vertegenwoordiger van Lenin in Indië de propaganda voert.
De gewezen turksche officier Kiazim Bei heeft in Toerkestan de leiding, waar hij een groote anti-engelsche organisatie tot stand gebracht heeft met russisch geld, dat hem onbeperkt toegezonden wordt, zoo ook wapenen en munitie.
Deze organisaties, die volgens Lenin's eigen woorden tegen het hart van Indië gericht zijn, groeien, dank zij den russischen steun, met den dag. Caveant consules.
Denikin heeft, in tegenstelling met Koltsjak, den laatsten tijd vrij groote voordeelen behaald, die hun hoogtepunt vonden in de verovering van Charkof. Het is echter de vraag of deze troepen van een beter gehalte zijn dan die van Koltsjak en of zij dus op den duur strijdvaardig zullen blijven.
Het is een vreemd geheel waarover Denikin het bevel voert. Hij zelf heeft zijn hoofdkwartier in Rostof, aan de Don. Op zijn rechtervleugel staat het Kaukasus-leger, ongeveer 12,000 man, onder de generaals Erdeli en Sawitski. Meer naar het noorden, ten z.o. van Saratof, staat generaal Wrangel met een leger uit vrijwilligers bestaande en het Koeban-leger, op papier 80,000 man tellend. In het centrum staan naast elkaar het Krim-Azofsche korps met Donkozakken onder generaal Sidorin (pl.m. 50,000 man). De linker-vleugel wordt gevormd door drie groepen vrijwilligers onder de generaals Pokrowski-Skoera en Machnof, elk ongeveer 20,000 man sterk en nog versterkt door Terekkozakken.
Daartegenover hebben de bolsjewiki hun 12e, 13e, 8e en 9e leger staan, ook alweer op papier 150,000 man sterk. De Kaspische Zee en de Kaukasus zijn geheel in engelsche handen.
In de Oekraine heerscht groote verwarring; daar vechten bolsjewiki en witte troepen tegen en onder elkander. Langs de kust is een smalle strook, waar o. a. Odessa in ligt, in handen der witte troepen. Tegenover het roode westleger staat generaal Sceptyeki, met naar mijn schatting pl.m. 10,000 man tegenover pl.m. 50,000 Russen.
Aangezien het poolsche leger goed aangevoerd wordt, en de Polen uitstekende soldaten zijn, worden hier de bolsjewiki voortdurend teruggeslagen. Helaas hebben de Polen geen plan om veel verder dan de Beresina oostwaarts te rukken.
Hier komen wij op een zeer lastig vraagstuk dat ik al te voren heb aangeroerd, n.l. dat de Polen de Beresina als oostgrens willen hebben en daarmee een gedeelte van Wit-Rusland, hetgeen de Entente tot dusver, vermoedelijk door beloften aan Denikin gebonden, niet heeft willen goedkeuren.
Over Litauen en Koerland heb ik al heel wat geschreven en getelegrafeerd; daar staan naast elkaar Litauers, Esten en Letten, die echter geen groote militaire waarde hebben, slecht uitgerust en gedisciplineerd zijn, waardoor in dat gedeelte van Oost-Europa de troepen van Von der Goltz de eenige zijn waarmee iets uit te richten is.
Nu is m. i, de heele moeilijkheid deze, dat het den Engelschen er nooit oprecht om te doen is geweest, het sovjetbewind ten val te brengen. Engeland zag in het bolsjewisme geen gevaar voor zichzelf. Dat het toch in schijn er tegen optreedt ligt alleen hierin, dat het bij een val van het sovjet-bestuur wil trachten economische voordeelen te behalen en de Duitschers te beletten in Rusland handelsbetrekkingen aan te knoopen.
Wien de goden willen verderven, dien slaan zij met blindheid, want op deze manier heeft Engeland zich toch de russische regeering tot aartsvijand gemaakt en ziet het welke gevaren in Indië en Perzië dreigen.
Maar Engeland heeft het ook bij de conservatieven en zelfs ook bij de meer gematigde Russen verbruid, door den aan Polen verleenden steun.
Men kan gerust zeggen dat alles wat Rus is, tot welke richting ook behoorend, anti-engelsch is. In Oost-Europa heeft de Entente uitgediend, omdat ze het niemand naar den zin heeft kunnen maken en omdat ze nooit openlijk gezegd heeft wat ze wilde.
Lenin en Trotsky spelen tegenover de boeren uit dat Koltsjak en Denikin reactionnair zijn.
Dezer dagen sprak ik een Rus, die pas uit Rusland kwam, en er in de laatste maanden veel gereisd heeft. Hij was het grootendeels met de beschouwingen, die ik gegeven heb, eens; alleen meende hij, dat van de socialisten geen heil te verwachten was, omdat de Russen weer een krachtige vuist moeten hebben, die ze regeert.
Maar in zooverre was hij het met mij eens, geen reactie, geen intrekking der thans ingevoerde hervormingen, maar een met het russische volkskarakter rekening houdende hervormingspolitiek.
Hij was er, evenals ik, van overtuigd, dat een openlijke verklaring der Entente, en met name van Engeland, heel veel goeds zou kunnen uitrichten. Wat zegt nu echter Churchill en bevestigt daarmee mijn bovengeuite overtuiging: "wij moeten zorgen, dat Duitschland geen economische voordeelen behaalt." Daarmee is feitelijk de engelsche politiek gekarakteriseerd en m.i. veroordeeld.
De Engelschen — en in het algemeen de Entente hebben geen geregelde troepen ter bestrijding van het bolsjewisme beschikbaar, en laten anderen voor zich vechten. Die anderen bestaan uit verschillende elementen, conservatieve en radicale en daarom kan de Entente geen uitsluitsel geven wat zij eigenlijk wil, om niet een der partijen tegen zich in 't harnas te jagen.
Zeer typisch komt dat in 't Noorden uit. Daar vechten Esten, die eigenlijk half en half bolsjewistisch zijn, naast de troepen van prins Lieven, die reactionnair zijn, en op het oude tsaristische standpunt staan.
Schaart de Entente zich nu aan de zijde der reactie, dan weten niet alleen de Esten, maar ook de Letten en Litauers, dat zoodra het bolsjewisme valt, het met hun onafhankelijkheid gedaan is. Gaat de Entente de andere richting uit, dan doen de reactionnairen niet meer mee.
Elk dezer partijen op zich zelf is niet sterk genoeg, en de Entente heeft zelf geen troepen beschikbaar, dus blijft het bij een dubbelzinnige politiek.
Er is slechts één uitweg — maar of de Engelschen daaraan zullen willen, is de vraag — n.l. de troepen van Von der Goltz opdracht geven St. Petersburg te veroveren. Op het oogenblik is het al zeer onwaarschijnlijk, dat die opdracht gegeven wordt, maar het oogenblik nadert meer en meer dat men in de duitsche troepen in Koerland de eenige redders zal zien. De doorbraak bij Pskof heeft opnieuw aangetoond, niet dat de roode troepen zoo sterk zijn, maar hoe zwak de witte zijn.
Wanneer men in Engeland zegt: St. Petersburg is zoo sterk, dat het niet te nemen is, dan is dat een onwaarheid, welke iedereen, die ook maar eenigszins op de hoogte is, voelt. Een dergelijk gezegde beteekent alleen, dat de troepen die voor de Entente vechten weinig of niets waard zijn. Ik weet uit zeer goede bron, dat er Engelschen zijn, die er net zoo over denken als ik, maar hun meening wordt onderdrukt.
De engelsche politiek tegenover Rusland is onbegrijpelijk. In Moskou heb ik een witboek der bolsjewiki gelezen, waarin de geheele tekst van de besprekingen tusschen de Engelschen en de sovjet-republiek openbaar gemaakt is. Daaruit blijkt, dat Tsjisjterin niet eenmaal, maar herhaaldelijk een wapenstilstand heeft voorgesteld. Al zijn voorstellen zijn echter afgeslagen. Nu begrijp ik niet, hoe Lloyd George kan verklaren, dat de sovjet-regeering geen enkele maal een vredesaanbod gedaan heeft. Integendeel, de Russen willen niets liever dan vrede, omdat zij heel goed weten dat hun leger geen groote waarde heeft, al beweren zij natuurlijk het tegendeel; zij weten ook heel goed, dat de blokkade hen op den duur ten gronde zal richten.
Zij doorzien de engelsche taktiek echter heel goed, en dat is hun kracht. Vandaar hun vredesaanbod aan Litauen en Estland; dat zaait natuurlijk tweedracht in het leger dat de Engelschen voor de verovering van St. Petersburg hebben samengetrokken.
De verklaringen van Bullitt in den amerikaanschen senaat brachten mij niets nieuws; dat had ik in Moskou al lang gelezen.
Hier te Berlijn zijn op het oogenblik zeer veel Amerikanen, die allen om handelsdoeleinden hierheen zijn gekomen. Ook zij wenschen het bolsjewisme zoo spoedig mogelijk ten val gebracht te zien, om weer met Rusland handel te kunnen drijven; het kan hun niets schelen of de Duitschers er dan ook eenige voordeelen bij halen.
Het is natuurlijk zeker, dat de Duitschers op het vinkentouw zitten om weer handelsbetrekkingen met Rusland aan te knoopen en evenzeer, dat de duizenden Russen, die op 't oogenblik in Duitschland zijn, ook niets liever willen.
De duitsche regeering en ook een groot gedeelte van de duitsche pers schijnt heftig op Von der Goltz gebeten, maar ik ben er zeker van, dat er een oogenblik zal komen, dat alle Duitschers, behalve misschien de onafhankelijken, in Von der Goltz een tweeden Yorck zullen begroeten. Wanneer Europa, niet meer uitsluitend door haat geleid, zich op een gegeven oogenblik zal afvragen, welk gevaar het bolsjewisme voor zijn beschaving beteekent, dan zal men reikhalzend uitzien naar een macht, die aan 't sovjetrégime een einde maken kan, en die heeft men — indien de Entente tenminste zelf niet de noodige troepen heeft — in Von der Goltz in het Noorden en in de Polen in het centrum.
Daarnaast behoort dan een ondubbelzinnige verklaring te komen, dat met een opmarsch in Rusland geen reactie bedoeld wordt, maar alleen het einde van de dictatuur van een kleine minderheid.
Zoodra de bolsjewistische propaganda in Azië de Engelschen begint te benauwen, zal het wel anders gaan dan nu; maar zal het dan niet te laat zijn?
De duitsche regeering doet op het oogenblik niets en kan niets doen. De duitsche pers put haar nieuws uit "Die Freiheit", die door zijn betrekkingen met de letsche bolsjewiki natuurlijk niets anders doet dan Von der Goltz voor een reactionnair uitmaken. Vandaar dat van duitsche zijde niets ondernomen zal worden om Von der Goltz te steunen en zeker niet van regeeringszijde. Men spreekt er hier al van, dat de regeering Von der Goltz geen geld meer zal sturen.
Dat er in de engelsche meening toch al eenige kentering is gekomen, bewijst wel het gerucht, dat uit Koerland komt, dat n.l. de engelschen de troepen van Von der Goltz nu misschien wel zullen betalen. Dat zou de eerste stap in de goede richting zijn en er op wijzen, dat de Engelschen hun fouten beginnen in te zien.