Geteekend op ’t oorspronkelijke: Johan Peter Freijbeuter. † Joannes von Geissel. Frans Oehl. M. J. Antons. S. P. Tier, Notar.
Zoo gedaan te Keulen op het bisschoppelijk paleis op dag en jaar als boven.
Op aangehaalden datum beschikte deze pastoor bij testament als volgt: aan de na te melden bestuurders zal na mijn overlijden onder aftrek van lasten, uit mijne nalatenschap worden ter hand gesteld de som van 8500 guld. ned. welke zal strekken tot fonds eener studiebeurs voor studenten die zich voorbereiden en opgeleid worden tot priester der R. C. Kerk.
De toelage zal gedurende de eerste vijftig jaren aan niemand worden verleend, dan aan leden mijner familie, die zich tot den geestelijken stand begeven, en beurtelings moeten worden toegekend aan een’ student van vaders en moeders zijde. Indien echter twee mijner bloedverwanten te gelijk mochten studeeren, zal door elk de helft kunnen genoten worden, zoodanig, dat bij het ontstaan van meer dan twee bloedverwanten, de naaste in den bloede boven den meer verwijderden en de oudste boven den jongeren in jaren, den voorrang zal hebben.
Na verloop van deze eerste 50 jaren, zal uit dit fonds aan een’ bloedverwant bij voorrang, en bij ontstentenis van deze, beurtelings aan een’ student uit de gemeenten Belfeld en Kaldenkerken, eene tegemoetkoming worden verstrekt. Doch aan een student, die niet bloedverwant is, alleen dan, wanneer die buiten staat is om uit eigene middelen in de kosten der studiën te voorzien en volgens het oordeel der bestuurders de noodige geschiktheid voor den geestelijken staat bezit.
Indien zich geene studenten aanbieden, hetzij bloedverwanten of studenten uit Belfeld en Kaldenkerken, zullen de revenuën tot kapitaal moeten worden aangelegd ter verbetering en vergrooting van het fonds.
Tot bestuurders dezer beurs benoem ik de tijdelijke pastoors van Belfeld en Kaldenkerken, die in werkelijken dienst zijn, en geef hun de macht van bij vermeerdering van het fonds, en na verloop der eerste 50 jaren, de toelage te regelen, naar behoefte der studenten en daarvan naar goedvinden aan meer dan een gelijktijdig genot te doen hebben. Ik benoem tot provisoren de tijdelijke pastoors van Venlo en Tegelen, ten einde op het bewind der bestuurders toezicht te hebben en hunne raadgevende stem bij elke belangrijke verrichting uit te brengen. Ik geef aan de bestuurders de bevoegdheid, om voor hunne moeiten jaarlijks vijf per cent der revenuën in rekening te brengen.
Gedaan te Benschop den 3 Febr. 1845.
Geteekend: W. Smiets, W. Beukenboom, W. Houtdijker en Imminck, Notaris.
Van oudsher reeds bezat de parochie Tegelen eenige fondsen tot ondersteuning harer armen. Reeds in 1590, zooals wij vroeger bemerkten, hadden dezen een vast inkomen. Den 1 Maart 1627 beschikte Engelbert van Metternich, Heer van Holtmolen, als volgt: »overmits Stephan Beekmans, Geisbert Kamp en Thys Weggers schepen des gerichts Tygelen end syne huysvrouw Margaretha von Smidt, verklaart hij, dat de goederen seijner huysvrouw sullen toekomen aen hare susters (salvo usu fructu), dan aen de armen van Tygelen 400 venloische gulden, en van den dagh af sijner doodt tot die syner vrouwe 5 percent sullen gegeven worden. Alsnog twee malder tot instituirung van arme kinder mit vorbehald, dat de bezitters van Holtmolen daerover opsicht hebben sullen”. Ten jare 1743 bezat de arme alhier nagenoeg zeven en een’ halven morgen lands. Door het armbestuur was den 11 December 1749 een kapitaal van 1200 kleefsche daler ter leen gegeven ad 3 per cent aan het kapittel der St. Martinuskerk te Emmerik, en den 13 November 1750 aan hetzelfde kapitel een ander kapitaal groot 600 daler kleefs. In 1783 werd overeengekomen dat beide sommen zouden gebracht worden op 300 hollandsche ducaten ad 3 per cent. Tot in 1803 zijn deze intresten behoorlijk ten gunste der armen uitbetaald geworden. Sedert dien echter heeft het zich anders toegedragen[51].
Nog genoot, sinds 1750, de arme den interest van een kapitaal groot 200 gl. kl. geschonken door Mathis Deckers en kinderen. In 1757 werd door een’ onbekenden een huis gelegateerd voor de armen. Thans heeft het bestuur gezorgd voor drie armen-woningen. Ook Mevrouwe van Volden, eigenares van het kasteel de Munt, heeft zich, op het einde der vorige eeuw, als weldoenster getoond der armen van Tegelen, door het stellen eener vaste rente. Edoch de voornaamste inkomsten aan den arme leverde nog altijd de zoogenoemde agrische stichting.
Zekere Doctor Agris stichtte in het begin der vorige eeuw te Bracht een armen-fonds ter voordeele der parochiën Mulbracht, Tegelen en Breijel[52]. De jaarlijksche renten beloopen voor den armen van Tegelen ongeveer 24 Rijksdaler, en moeten aan vijf der oudsten en meest behoeftigen verstrekt worden. De bezitter van het goed Holtmolen is collator of uitdeeler dezer inkomsten. De bedeeling moet geschieden op alle Quatertemperdagen, in dier voege, dat na twee jaren er genoegzaam overschiet om aan deze armen het noodige linnen te verschaffen. De tijdelijke Prior der Kruisheeren te Bruggen was benoemd tot procurator dezer stichting, en de dienstdoende pastoors van Bracht, Tegelen en Breijel traden op als provisoren. Volgens uitdrukkelijk verlangen des stichters moest telken twee jaren voor genoemde Heeren rekening afgelegd worden, ten einde de getrouwe uitvoering van alles te waarborgen. Ten dezen ontstond groote moeielijkheid met den baron van Glazennap over de jaren 1748 en 1749. Deze heer placht zelf te bedeelen; doch behalve dat de provisoren geen bescheid kregen over de uitgaven, werden de huis-armen ten zijnent alles behalve gunstig bedacht. Zelfs het gemeentebestuur had noodig geoordeeld zich de zaak aan te trekken, en diende eene klachte in aan de hoogere regeering. Het duurde niet lang of van wege deze verscheen eene terechtzetting uit Dusseldorp ten adresse van Baron van Glazennap.
Daar de huisarmen van Tegelen ook van elders goed bedacht werden, heeft men bij wijlen de renten der Agrische fundatie doen strekken tot vermeerdering van het fonds. Maar ook dit gaf aanleiding tot moeielijkheden met de provisoren van Bracht en Breijel, zoo dikwijls het zich gold renten te plaatsen. Wij lezen intusschen dat ten jare 1796 op alle Quatertemperdagen behoorlijke uitbetaling geschiedde van de som van 24 Rijksdaler en 2½ stuiver.
De Broederschap van O. L. Vrouw alhier is zeer oud. In het jaar 1583 vinden wij haar vermeld, als hebbende haar eigen vaandel in de processie. Sedert 1640 genoot zij aanzienlijke inkomsten. De leden ervan gaven doorgaans 50 kl. gulden jaarlijks aan de kerk, en 10 gulden aan den koster. De pastoor werd betaald naar evenredigheid van de gezongene H. Missen. Deze broederschap betaalde jaarlijks aan tienden 3 kop rogge en een’ kapoen aan de keurvorstelijke regeering.
Van niet minder oude dagteekening is de St. Antonius-broederschap. Hoewel zij het schuttersgezelschap vertegenwoordigde, was zij toch een godsdienstige vereeniging van mannen en jongelingen. Wij vinden nergens dat zij ten dienste van den keurvorst heeft gestaan. Volgens eene rekening van 1585 op perkament geschreven, bezat de St. Antonius-broederschap aan jaarlijksche inkomsten: vijf malder rogge en 40 kl. gulden. Daarbij hadden de gilden- of St. Antonius-broeders jaarlijks eene ton bier te verteren. Trouwens zoo was het in 1789. Peter Vervoort, ontvanger dezer Broederschap, betaalde toen ook een onbeduidende som aan de kerk. De koster ontving jaarlijks twee malder rogge voor zijne diensten; daarmede was Hulsterhof belast.
De aloude St. Antonius-broederschap, hoewel in vorm en inkomsten zeer gewijzigd, blijft steeds bloeiend voortleven onder de benaming van de alde schutterij. Bij het jaarlijksch vogelschieten, alsmede op eersten kermis-Maandag heeft een statige optocht plaats. Nauwelijks is het dag of de tambour kondigt door trommelslag de feestelijkheid aan. De schutters vergaderen op bepaald uur voor het huis des schutters-koning of van den kastelein, bij wien de gewone bijeenkomsten plaats hebben. Voor ettelijke jaren waren ze met jachtgeweren en roeren, thans ook met lanssen gewapend. Het korps bestaat uit een’ tambour-majoor die den stoet vooraf gaat, uit grenadiers en de gewone schutters. Alles, ook het commando, herinnert aan den tijd, dat Tegelen onder het keurvorstelijk gezag stond; de majoor kommandeert te paard en draagt tot teeken zijner waardigheid eenen chapeau-claque, dikke épauletten, een lijfgordel en ruitersabel. De grenadiers dragen colbakken, en op een vroeger blauwen thans zwarten jas, roode épauletten; de uniform is mettertijd herhaaldelijk gewijzigd. De schutterkoning, omringd door eene eerewacht draagt den zilveren vogel en is overladen van zilveren gedenkplaten. Deze platen, gehecht aan een zilveren keten aan welks uiteinde de vogel hangt, zijn geschenken deels van bloedverwanten en vrienden des konings, deels van den koning zelven. Bedoelde vogel zegt men een geschenk te zijn van den keurvorst van Beijeren. Het is een kunstig gegraveerd havikje van zwaar zilver. Boven den vogel hangen drie zilveren bellen in den vorm van eikels, op elk dezer leest men afzonderlijk POV † LES † W † N † T † A † F † en W † M † S † I † A † H †. De rij van platen bestaat uit: 1o Een hart met het opschrift: Jonkheer Godart van Stockheim. 2o Een dito met opschrift: Jost op gen Steijl. 3o Een dito met Peter aen gen Cruts, en 4o met Meichell Rivers tot opschrift. 5o Volgt een zilveren hart, tamelijk zwaar en dienende tot klamp; op den voorkant ziet men het beeld van St. Martinus benevens het jaartal 1614; op de keerzijde staat Michiel Kremers. 6o Een hart met het afbeeldsel van een vaandrig met vaandel, opschrift Gerardus Peeters. 1733. 7o Eene zilveren ster waarop staat afgemaald een man zittende aan tafel terwijl de waardin hem een glas aanbiedt, daaronder leest men: Wilhelm Rivers 1737. 8o Eene plaat waarop St. Martinus te paard is afgebeeld; opschrift: Jacobus Krusbergen 1744. 9o Een groote plaat met het borstbeeld van Koning Willem I, daaronder het ronde opschrift: »Wilm I souvereine vorst van Nederland heeft Tegelen aangetreden 1811”. 10o Eene plaat waarop een zadelaar zit aan de werktafel; opschrift: G. Wellens. »Das Satler hantwerk ist, das macht viel leichter reiden, Mein Schatz, drom liebe mich, ich mach euch mange Freude 1818”.
11o Een idem, waarop verbeeld zijn een’ slager met zijne huisvrouw benevens een os. Daaronder de namen H. Peuten, C. Joosten. Vervolgens:
12o Een idem, voorstellende eene tapperij waaronder men leest:
13o Een idem, waarop:
14o Een idem, opschrift:
15o Een idem, beeld van een pannebakker met eene vorm en zetplank in de hand, volgt:
16o Een idem met het vers:
17o Een idem:
18o Een idem:
19o Een idem, met het afbeeldsel van een’ molen, rechts een molenaar met meelzak en links een koning met kroon, volgt:
20o Een idem met het beeld van eene schijf, waar men potten op vormt en het volgende opschrift:
21o Een idem met opschrift:
21o Een idem, waarop staat: In 1834 logeerde P. van Leipsig koning van Tegelen, in het wapen van Leopold I koning van België.
22o Een idem met de woorden: Godfried Krambrucher, Prins van Bracht, en Koning van Tegelen. Vandaag op den troon, en morgen op de schijf, heb ik nu het zilver op het lijf; het zegt gelukkig niemand aan ’t kleivat. 1835.
23o Een idem, met opschrift:
24o Een idem, op deze staat:
25o Een idem van Wilm Faessen uit 1838 met het volgend politiek versje:
26o Een zilveren ster met het opschrift: Ter herinnering der 50jarige echtvereeniging van den Weledel geboren Heer G. J. de Rijk en Mevrouw G. J. de Rijk geb. Th. H. M. de Koning. Steijl 24/9 1822-1872.
Wat deze St. Antonius-broederschap voornamelijk doet bloeien, is het daaraan toegevoegde ondersteuningsfonds, strekkende tot tegemoetkoming voor zieke en afgestorvene leden. Dit fonds, doorgaans de schuttersbus genoemd, werd in 1835 opgericht en telde alstoen 27 thans 150 deelnemers. Als eerste stichters staan ingeboekt: H. Kappus, Laur. Hermans, Pet. van Leipsig, Godf. Krambrüchers, Jan Wellens, Math. Rijvers, Ant. Peeters, Jac. Koopmans, Jan Hovens, And. Timmermans. Aan deze tien, en bij ontstentenis aan hunne opvolgers, blijft onder den naam van stichters, het beheer der bus opgedragen. Twee hunner houden elken Zondag na de Hoogmis een uur zitting in een vrije kamer, door den koning of bij stemming, tot vergaderplaats der leden aangewezen. Van drie tot drie maanden worden deze busmeesters of zittende stichters door twee andere vervangen, en wordt in tegenwoordigheid van alle leden de rekening afgelegd. Van deze schuttersbus kunnen lid worden alle ingezetenen der parochie beneden de dertig jaren oud, mits van een onbesproken gedrag en een gezond ligchaamsgestel[53]. Zij betalen, behalve het inschrijvingsgeld, elken Zondag vijf centen. Na twee jaren lidmaat te zijn geweest heeft men, bij geval van ziekte, ”aanspraak op dagelijks 33 cents, gedurende een half jaar; daarna bij voortduring der ziekte nog een half jaar op iets minder; duurt echter de ziekelijkheid nog langer, dan verkrijgt men geene toelage meer uit de bus, doch blijft des niet te min nog lid der Broederschap. Bij sterfgeval betaalt de vereeniging den lijkdienst, doodkist enz. Alle leden zijn op straf van 15 cents gehouden den lijkdienst bij te wonen. Op gelijke boete moet elk lid tegenwoordig zijn bij de twee voornaamste processiën en bij die, welke alle eerste Zondagen der maand in de kerk of over het kerkhof gehouden worden. Dezelfde bepaling geldt ook betrekkelijk de hoogmis, die jaarlijks voor de afgestorvene leden wordt opgedragen. Voor de gelden van inschrijving en boete bestaat een afzonderlijke kas, daaruit alsmede uit eene bijdrage der busgelden wordt jaarlijks eene som ter beschikking gesteld aan de leden, die daarmede zich op St. Antonius en St. Martinusdag recht hartelijk vermaken. De bus der St. Antonius-schutterij heeft thans eenige gelden op intrest uitgezet.
Met eenzelfde doel, en bijna op denzelfden voet ontstond in 1846 de Broederschap van St. Martinus. Ter onderscheiding van de St. Antonius-broederschap of de alde schutterij, noemt deze zich de St. Martinus- of de jonge schutterij. Ook deze vereeniging werd in christelijken zin opgericht. Den 11 November 1846 vormde zich eene commissie samengesteld uit Joannes Franssen, Gerard Roggen en Hendrik Driessen, en meerdere belanghebbende; deze wendde zich tot den toenmaligen pastoor van Tegelen met verzoek om goedkeuring der ontworpene Broederschap, en verlof tevens om in de processiën op H. Sakramentsfeest en op Maria-Hemelvaart te mogen tegenwoordig zijn; terwijl zij zich harerzijds verplichten:
a. Die plaats in de processie te zullen innemen, welke de pastoor zal goedvinden. b. Op St. Martinusdag eene hoogmis te laten doen, en dien dag zonder dans-muziek te zullen vieren. c. De processie te vergezellen met of zonder muziek volgens verlangen des pastoors. d. De leden straffen, die zich te dier gelegenheid door dronkenschap of andere baldadigheid zouden te buiten gaan. e. Zich op kermis-Zondag en Maandag stiptelijk op het teeken der klok ter kerke te zullen begeven. Ook dit gezelschap houdt jaarlijks vogelschieten, en heeft een zoogenaamde Bus, waardoor in de behoefte van zieken, enz. wordt voorzien.
Ten slotte zij nog melding gemaakt van het zoo gunstig bekende fanfare-gezelschap alhier. Deze Vereeniging, ontstaan in 1853, is talrijk, en heeft zich door vlijt en kunstgevoel tot zekere hoogte weten te verheffen. Zij vond zelfs in eenige steden, waar zij zich deed hooren, onbeperkten bijval.
Meer dan eens heeft zij een gewaardeerden dienst bewezen aan onze ingezetenen, door der godsdienstige en burgerlijke feestvieringen nieuwen luister bij te zetten.
Het is bekend, dat de kermissen haren oorsprong en naam ontleenen aan het feest, waarop men den verjaardag vierde van de inwijding der parochiale-kerk. Men noemde dit in de middeleeuwen kerkwijding—kerkenfeest. Dien dag werd alle arbeid gestaakt; de ingezetenen hulden zich in hunne paaschbeste kleeding en togen ter kerke; want zoo sprak men: Vandaag is het Kerkmis of kermis. De eigenlijke kerkmis-dag voor deze parochie valt op den 11 November, feest van den H. Martinus, doch sedert jaren is het dan geen kermis meer.
Uit eene aanteekening van het jaar 1681 vernemen wij het volgende betreffende onze feesten[54]. »Jaarlijks wordt op Zondag na St. Bartholomeus of laatsten Zondag van Augustus het feest van Kerkwijding gevierd[55]. Alsdan men de mis Terribilis, waarna processie over het kerkhof, terwijl Te Deum wordt gezongen: de plechtigheid wordt gesloten met den zegen des Allerheiligste.” Op dezen dag viert men nog heden de zoogenaamde Herfstkermis of groote kermis.
»De Theopheria of H. Sakramentsprocessie wordt gehouden op Zondag onder de octaaf van het H. Sakramentsfeest. Alsdan komt een der Eerw. Paters uit Venlo het sermoon houden onder de hoogmis, en wordt daarna de processie ingesteld, ofwel over Kruis, Hagenboomke, Overtegelen, op Steijl en vandaar kerkwaarts, na aan de vier statiën den zegen gegeven te hebben; of door het dorp langs de Munt over de Haenerhei verder over Hagenboomke, Kruis weer naar de kerk.” Gemeenlijk worden deze wegen bij afwisseling gevolgd; ter gelegenheid dezer plechtigheid wordt de eerste of kleine kermis gevierd. »Op St. Marcus dag, zoo lezen wij verder, is het gebruik processie over het kerkhof te houden. In de Kruisdagen, als het gunstig weder is, trekt men den eersten dag langs End over de brug kerkwaarts; den tweeden dag over de brug langs den alde mert, en den derden dag door het dorp over de Munt door de Bongaartsstraat naar de kerk.” Men volgt, bij deze gelegenheid ook thans nagenoeg denzelfden weg.
Vóór 1681 was het gebruikelijk, dat na de processie op H. Sakramentsfeest de voornaamsten des dorps, ten getalle van 20 à 25 man, zooals: de pastoor, de pater, de gezworenen of schepenen, de zangers enz. in eene daartoe bepaalde herberg vergaderden en op kosten der kerkfabriek aldaar het middagmaal gebruikten. Deze onkosten, zoo wordt vermeld, kon de kerk in de toekomst niet meer dragen uithoofde harer graote behoeften. Naar wensch des pastoors en der hoogere geestelijkheid is dit gebruik dan ook achter wege gebleven.
Even als elders wordt in onze gemeente, ’s avonds voor den feestdag van den H. Martinus, het St. Martensvuur ontstoken. Dit geschiedt doorgaans op vier plaatsen. Te weten: een eerste op den Berg dat gemeenlijk gebluscht is, vooraleer de overige gereed zijn. Een tweede op de Leemhorst; dit onderscheidt zich door de vele daar naast staande brandende stroofakkels; is dit uitgebrand dan maken de Tegelsche en Steijler knapen zich gereed. Na drie maanden lang voor een stevigen en hoogen brandstapel te hebben gezorgd, door hout en stroo bij een te »trossen”, heeft men geen haast om ’t ontsteken; want de eer komt aan hen, wier vuur het langste brandt. De Tegelschen stoken hun St. Martensvuur op den Spekberg; en de Steyler hebben hunnen brandstapel op eenen heuvel ook den Spekberg genaamd opgericht, beide verhevenheden zijn de hoogste punten van den omtrek.
Vóór 25 jaren maakte het gansrijden een deel uit onzer volksfeesten. Deze vermakelijkheid had plaats op vastenavond. Meestal werd de gans gereden in de thans weggeruimde laan, in de richting van af den alde mert naar den Linksterhof. Somtijds gebeurde dit ook op een of ander gehucht. Daags na het gansrijden, op vastenavond-Dinsdag, werd een gul middagmaal aangericht voor de mededingers naar den gansenkop. Deze pret heeft nu plaats gemaakt voor eene soort tentoonstelling op het marktplein door gemaskerde personnaadjes.
Het gehucht Steijl, door zijn gunstige ligging op de Maas, alsmede wegens zijn ruime en voor schepen en karren zeer gemakkelijke losplaats, bezat onder de Keurvorstelijke regeering, onder de Fransche Republiek en het Keizerrijk een’ zeer belangrijken expéditie-handel. De naburige Rijnprovincie had deze plek gekozen tot stapelplaats voor de goederen, die zij uit Frankrijk, Belgie en Holland trok en omgekeerd uit Duitschland derwaarts verzond. De toevoer was destijds zoo groot, dat de menigte pakhuizen dikwijls de groote hoeveelheden zout, olie, pek, granen en koloniaal-waren niet konden bergen. Wie toenmaals een paard bezat in onze gemeente was ook vrachtvoerman. Goederen werden hier aangevoerd of afgehaald voor de steden Keulen, Dusseldorp, Neuss, Urdingen, Gladbach, Vierssen, Kempen, Dulken, Breijel, Kaldenkerken, enz. De goedkoope prijzen van los- en pakgeld deden er veel aan, dat de handel den voorkeur aan Steijl gaf boven andere plaatsen. Zoo betaalde de eigenaar of koopman van goederen slechts 12 centen voor het lossen en bewaren van goederen die, om het even hoeveel, door eene kar konden vervoerd worden.
De inlijving van Tegelen bij het Koningrijk der Nederlanden bracht een gevoeligen slag toe aan den handel te Steijl. De Pruissische zoutfactorij, vroeger aldaar gevestigd, werd in 1816 naar Kaldenkerken overgeplaatst. De drukte was nu op verre na zoo groot niet meer als voorheen. Toch bleef van 1822 tot 1830 de koloniaal handel nog altijd beduidend. Dagelijks kwamen honderde smokkelaars uit Pruissen, koffij, rijst, tabak enz. inkoopen om die ter sluiks over de grenzen te brengen. Doch nadat sedert 1830 het verkeer op de Maas met Holland gesloten was en Steijl tot Belgie behoorden, was de handel hier niet levendiger dan elders; zelfs de overeenkomst van Londen in 1833, die de Maas vrij maakte, kon dien niet meer doen herleven; de tijden waren voorbij.
Ook de scheepsbouw, vroeger alhier bloeiend, liet van lieverlede na; en toen stoombooten de Maas bevoeren, zag men zelden meer, dat hier schepen gebouwd werden.
De nijverheid daarentegen en het fabrieken-wezen hebben in de gemeente Tegelen in bloei toegenomen. Een bewijs dienaangaande is de in het oog loopende aanwas der bevolking. Men vindt hier een aantal pannen-, steen- en pottenfabrieken, eene ijzergieterij en pletterij; tabak en cigarenfabrieken enz., die aan een groot gedeelte der inwoners een goede broodwinning verschaffen. Wat de potten- en pannenfabrieken aanbelangt, mag men veilig aannemen, dat zij de oudste tak der Tegelsche nijverheid vormen. Men herinnere zich, wat wij aanvankelijk nopens den naam en den oorsprong van ons dorp hebben gemeld, en wat wij hebben gezegd over de ontdekking van overblijfsels van pannenbakkerijen uit het romeinsch tijdvak. De Tegelsche pannen zijn, zoowel wegens hare sterkte als gladheid en schoone kleur, alom gezocht; de meesten worden naar Duitschland en België verzonden. Op het oogenblik werken 17 fabrieken. De pottenfabrieken alhier, vroeger zestien, thans vijf in getal, tierden voornamelijk van 1821 tot 1830. Men kon toen niet genoeg waren leveren aan de kooplieden uit Nassau en aangrenzende streken. Deze lieden kwamen jaarlijks omstreeks Paschen uit Holland, waar zij schepen huurden, herwaarts, en na eenige weken hier vertoefd te hebben, voerden zij de ingeladen koopwaren naar Rotterdam, Amsterdam, Groningen, Middelburg, Antwerpen, Brussel enz. Sommigen lieten zeeschepen tot Steijl opvaren en namen ladingen in voor Bordeaux, Marseilles en de Spaansche zeehavens. Bij wijlen had de Steijler losplaats dan ook het aanzien van een kleine zeehaven. In 1835 liet hier een Hannoveraansch kofschip Theclanette genaamd, het anker neder; het was groot 38 last en laadde toen 33000 ned. pond zwart goed voor Rouaan in Frankrijk, bestaande uit koffijkannen, melkpotten, melkbaren of schotels, braadpannen en ander keukengereedschap.
De kleinste soort van aardewerk, zooals b. v. een spaarpotje of een nachtegaalsfluitje, noemt men een kwart; een thee of koffijpot kan drie à vier kwart uitmaken; dit is de maatstaf van berekening bij het koopen en verkoopen in aanmerkelijke hoeveelheid. Deze pottenfabrieken benevens pannenbakkerijen verbruiken jaarlijks voor 60 tot 70 duizend gulden aan brandhout, behalve de steenkolen. De glazuuraarde of Bleiertz, welke men gebruikt, om aan het aardewerk een zwart- of bruinglinsterende kleur te geven en ten onzent loot wordt geheeten, komt uit den Eiffel. Het looten, nadat de waar zonnebak is, pleegt het werk van den baas der fabriek te zijn. Niet onjuist wordt het werktuig, dat de arbeider door middel zijner voeten in beweging brengt, terwijl hij met natte vingeren den noodigen vorm aan de te maken potten geeft, vergeleken bij een spinnewiel; vandaar dat men nog wel zegt: potjes-spinnen.
Sedert een tiental jaren worden te Tegelen door de fabriekanten Jac. Gitmans, Theod. Gitmans en Steph. Engels aarden buizen gefabriceerd, die in groote hoeveelheid veelal naar België worden verzonden; deze worden gebruikt voor waterleidingen, schoorsteenen enz.
In 1854 hebben de Heeren H. Kamp en F. Soeten hier een nieuwen en zeer belangrijken tak van nijverheid in werking gesteld. Het zijn de ijzerpletterij, ijzergieterij en meni-fabriek. Zij worden door stoom gedreven en verschaffen aan een aantal lieden arbeid in overvloed. Deze fabrieken werken voornamelijk voor de Provincie, doch ontvangen ook vele bestellingen uit Hamburg en uit de Hollandsche zeehavens. Er zijn wijders drie tabaks- en twee cigarenfabrieken, vier bierbrouwerijen wier naam zeer gunstig bekend staat. De vijf jeneverstokerijen zijn thans tot een enkele verminderd. Behalve zes en vijftig herbergen telt men ruim twintig winkels van allerlei koopwaren.
Ook zijn er vijf slachterijen, die volop aftrek hebben, ofschoon ook het gebruik van paardenvleesch bij de arbeidende klasse niet in minachting staat; sinds ettelijke jaren worden gemiddeld 12 paarden per jaar geslacht.