1 Zie mijn „Wu Wei. Eene fantazie naar aanleiding van Lao Tsz’s filosofie” in mijn Wijsheid en Schoonheid uit China (Amsterdam, P. N. van Kampen en Zoon), voor ’t eerst verschenen in De Gids van Maart 1895. 

2 De Chineesche Filosofie, toegelicht voor niet-sinologen. I. Confucius. (Amsterdam, P. N. van Kampen en Zoon.) 

3 Het rijk Chʼu bestond als feudale staat onder de Chow dynastie, van 740 tot 330 v. C., en bevatte gedeelten van Honan en Kiangsu.—Khio Jin lag dicht bij de tegenwoordige stad Lou-i in Honan. 

4 Zie over Chow het 1e deel mijner Chin. Fil. over Confucius, blz. 30 en 39. 

5 Zie over de Li hetzelfde werk blz. 16. Confucius wilde Lao Tszʼ vragen over de schrijvers van de Li Ki (het Boek der Li). 

6 Lao Tszʼ heeft altijd veel vereerders gehad onder de boedhisten. Er zijn er die in hem eene incarnatie van een Boeddha hebben gezien. Er zijn er ook, die zeggen dat het boedhisme veel aan Lao Tszʼ ontleend heeft, en omgekeerd. Anderen weer brengen Lao Tsz’s boek in verband met die der oude Hindoes.—Nog op het laatste Orientalistisch Congres te Parijs (1897) werd door den sinoloog-consul Allen verklaard, dat Lao Tszʼ niemand anders dan een Boeddha was. 

7 Zie hieromtrent de „Historische Ophelderingen” in mijn eerste deel der Chineesche Filosofie (Uitg. P. N. van Kampen en Zoon) blz. 30–33. 

8 Hoofdstuk XVIII

9 Hoofdstuk,, XIX

10 Sam. Johnson, Oriental Religions. China, blz. 862.—De cursiveeringen zijn van mij. 

11 Zie mijne Chineesche Filosofie. Confucius, blz. 15 en verder. 

12 Prof. de Groot spreekt van „een ondoorgrondelijk beginsel,” dat men door „universeele ziel van de Natuur” zou kunnen vertalen. (Jaarlijksche Feesten enz., deel II, blz. 550.) 

13 Vooral Stanislas Julien.— 

14 Toen ik mijne fantazie „Wu Wei” schreef, had ik dit nog niet gelezen, anders had ik het stellig aangehaald. 

15 Ik neem Tao onzijdig. Natuurlijk kan het geen geslacht hebben. 

16 Hoofdstuk I

17 Hoofdstuk,, IV. Voor Shang Ti zie men mijn Chineesche Filosofie. Confucius, bl. 27. 

18 Hoofdstuk XIV

19 Hoofdstuk,, XVI

20 Hoofdstuk XXI

21 Met „karakter bedoel ik hier een der chineesche schriftteekens. Deze worden door de sinologen algemeen „karakters” genoemd. 

22 Hoofdstuk XXV

23 Hoofdstuk XXXII

24 Hoofdstuk,, XXXIV

25 Hoofdstuk,, XXXV

26 Hoofdstuk,, XXXVII

27 Hoofdstuk VI

28 Hoofdstuk XL. Men zou ook, als G. G. Alexander kunnen vertalen: „Alle bestaan is uit het materieele. Al het materieele is uit het immaterieele (spiritueele). 

29 Toen de creatie nog niet geformeerd was en alleen Tao als essence in-zich-zelf bestond was er ook niet het begrip „één”, in tegenstelling met „twee”. Zoodra er „één” was (d.i. zoodra Tao zich gemanifesteerd had) was er ook „twee” gevormd en wel Yin (vrouwelijk, duister) en Yang (mannelijk, licht). De z.g. „Khi” (levensadem, natuur-adem) vormt van Yin en Yang in de juiste verhouding het schepsel, het ding.—Hoofdstuk XLII

30 Hoofdstuk XLVIII

31 Hoofdstuk XI

32 Hoofdstuk,, I

33 Hoofdstuk,, LXII. „De steun van den slechte” in zooverre, dat de slechte, wil hij zich beteren, altijd weer op Tao kan steunen, dat hem dan redden zal. 

34 Hoofdstuk LXXIX

35 Le Livre de la Voie de la Vertu, par Stanislas Julien. Paris. Imprimerie Royale MDCCCXLII. 

36 Hoofdstuk LXX

37 Lao Tsze. The Great Thinker, by Major-General G. G. Alexander. London. Kegan Paul, Trench, Trübner & Co. Ltd. 1895. 

38 Hoofdstuk LXXVI

39 Hoofdstuk VIII.—Bedoeld worden de lagere, nederige plaatsen. 

40 Hoofdstuk LXXVIII

41 Hoofdstuk VII

42 Hoofdstuk,, VIII

43 Hoofdstuk,, IX

44 Hoofdstuk X

45 Hoofdstuk,, XII

46 Hoofdstuk,, XV

47 Hoofdstuk XIX

48 Hoofdstuk,, XXII

49 Hoofdstuk,, XXIV

50 Hoofdstuk,, XXVIII. Valleien hier genomen als diepten, waarin zich alle wateren uitstorten. 

51 Hoofdstuk XXXIII

52 Hoofdstuk,, XXXVIII

53 Hoofdstuk,, XLI

54 Hoofdstuk,, XLV

55 Hoofdstuk XLVII

56 Hoofdstuk,, XLIX

57 Hoofdstuk,, LV

58 Hoofdstuk,, LVI

59 Hoofdstuk LXIII

60 Hoofdstuk,, LXIV

61 Hoofdstuk,, LXVI

62 Hoofdstuk,, LXXI

63 Hoofdstuk LXXXI

64 Zie mijne Chineesche Filosofie. Confucius, blz. 30–33. 

65 Hoofdstuk XX

66 Hoofdstuk XX

67 Hoofdstuk III

68 Hoofdstuk XIX

69 Hoofdstuk XXIX. D.w.z. vóór alles gaat Tao in het rijk, dat immers door Tao geformeerd moet zijn, en door Zijn adem bezield. Dit àllervoornaamste kan niet door actie worden gemaakt, maar moet natuurlijk uit de ziel van vorst en volk voortvloeien. 

70 Hoofdstuk XXX

71 Hoofdstuk XXXI. De linkerplaats is nog steeds bij de chineezen de eereplaats. In de oude tijden nam een generaal, die eene overwinning had behaald, den rouw aan. Hij zette zich in den tempel op de plaats van hem, die de ceremonieën voor de dooden leidt, en, gehuld in rouwkleederen, weende en snikte hij. 

72 Hoofdstuk XXXVII

73 Hoofdstuk,, XXXV

74 Hoofdstuk XLVI

75 Hoofdstuk,, LVII

76 Hoofdstuk,, LVIII

77 Hoofdstuk LVIII

78 Hoofdstuk LIX

79 Hoofdstuk,, LX

80 Hoofdstuk,, LXI

81 Hoofdstuk LXV

82 Hoofdstuk LXIX

83 Hoofdstuk,, LXXV

84 Hoofdstuk,, LXXV

85 Hoofdstuk LXVII

86 In de oude, oude tijden gebruikte men koorden met knoopen voor het tellen. 

87 Hoofdstuk LXXX

88 The remains of Lao Tzü by H. A. Giles. Hongkong. China Mail office, blz. 43. 

89 Over Chuang Tszʼ en zijn werk in zóóveel te zeggen, dat het hier veel te ver zou voeren, en ik er apart over moet schrijven. 

90 Nan Hwa King. Hoofdstuk XV. 

91 Nan Hwa King. Hoofdstuk XVIII. 

92 Volgens Szʼ Ma Ts’ien is Lao Tsz’s einde onbekend gebleven. Chuang Ts’z zal dan ook deze episode alleen genomen hebben ter invoering van zijn idee. Want na Lao Tsz’s vertrek naar het Westen is nooit meer iets van hem gehoord.

De aanhaling is uit Hoofdstuk III van den Nan Hwa King.