[156] Zie Phaedo, Cap. XIX. XLVIII-L.
[157] Hier komt het principium indescernibilium voor den dag, volgens hetwelk beweerd wordt, dat er geen twee volmaakt gelijke dingen bestaan. In de wereld der ideeën is deze stelling volkomen waar, gelijk Plato hier heeft bewezen; maar of zij daarom ook van de enkele wezens gelden moet, en of er b. v. werkelijk geen twee volkomen gelijke bladeren gevonden worden is eene andere vraag. Het is mij meermalen voorgekomen, dat men deze stelling, die in de wereld der ideeën en begrippen te huis behoort, zonder eenig regt op de werkelijkheid wil toepassen.
[158] Als dit oordeel de kunst in het algemeen moet treffen, is het niet van onbillijkheid vrij te pleiten. Dan oordeelt Cicero billijker, als hij zegt: «toen die kunstenaar (Phidias) het beeld van Jupiter of Minerva maakte, aanschouwde hij niemand, wiens gelijkenis hij uitdrukte; maar in zijnen geest huisvestte eene uitstekende idee van schoonheid, in wier beschouwing hij zich verdiepte, om overeenkomstig met haar de werkzaamheid zijner handen te besturen,» Orat. § 9. Plato’s oordeel te dezer plaatse is wel juist, als schilders, beeldhouwers, dichters, enz. geen hooger standpunt kiezen, dan hij hier veronderstelt; maar de ware kunstenaar zal toch met zulk een laag standpunt niet tevreden zijn. Ik meen het er echter voor te mogen houden, dat Plato het bestaan van dat hoogere standpunt erkende, zoo omdat hij hier altijd van nabootsende kunst, niet van kunst in ’t algemeen spreekt, als omdat hij Boek VI. Hoofdst. I., diegenen blind noemt, die niet in staat zijn als schilders het waarachtige origineel bij het maken van wetten tot voorbeeld te nemen.
[159] Of van Socrates in Xenophons Gedenkwaardigheden, Boek III. Hoofdst. X.
[160] De naam Creophilus beteekent vleeschminner, gulzigaard.
[161] Zie mijne aanteekening op den Theaetetus, blz. 24 (3).
[163] Zie mijne vertaling van den Theaetetus, blz. 207, (1).
[166] In de Apologie, Hoofdst. XVII, zegt Socrates tot zijne regters: den dood te vreezen is niets anders dan zich voor wijs te houden, terwijl men het niet is; want het is hetzelfde als te meenen, dat men iets kent, hetwelk men niet kent. Niemand toch kent den dood, en niemand weet, of hij niet misschien het grootste geluk voor een mensch is, maar de meesten zijn er bang voor, alsof zij heel goed wisten, dat hij de grootste ramp is. En dit is toch wel de schandelijkste onwetendheid, als men meent te weten, wat men niet weet.
[167] Zie Phaedo, Hoofdst. XV—XVII.
[168] Zie Phaedo, Hoofdst. XXV., en de noot op blz. 37 van mijne vertaling, benevens mijne aanteekening op Aristoteles de Anima, II. II. § 10 in het achtste nommer van de Symbolae Literariae.
[169] Phaedo, Hoofdst. XXVI.
[171] Theaetetus, Hoofdst. XXV.
[172] Sommigen denken hier aan Zoroaster, maar het is eigenlijk geheel onzeker vanwaar dit verhaal ontleend is. Zie echter de aanteekening (2) op blz. 142 van mijne vertaling van den Phaedo.
[173] Dat is de beroemde harmonie der spheren, die wij niet hooren omdat wij er van jongs af aan gewend zijn. Het schijnt oorspronkelijk een Pythagorisch denkbeeld te wezen, gebouwd op hunne theorie der getallen. Zie mijne inleiding voor den Phaedo; blz. 8, 9 en 11.
[174] Zie Phaedo, Cap. LVII.
Nademaal wij van zins zijn de staatkundige vereeniging te beschouwen, daar deze meer dan alle andere vereenigingen dienstig schijnt te wezen, om levensgeluk te bevorderen, moeten wij ook de andere staatsregelingen onderzoeken; én die, waarvan sommige staten, die goed ingerigt heeten, zich bedienen, én die, welke door sommigen zijn voorgeslagen, en voor goed gehouden worden; opdat het goede en nuttige voor den dag kome, en het zoeken van iets anders dan deze niet aan betweterij worde toegeschreven; maar opdat het blijke, dat wij, omdat deze niet goed zijn, gemeend hebben op nieuw te moeten gaan zoeken.
Wij moeten beginnen met hetgeen uit zijnen aard het begin van dit onderzoek is.
Het is noodzakelijk, dat alle burgers óf aan alles gemeenschappelijk deel hebben, óf aan niets, óf aan sommige dingen wel, aan andere niet. Aan niets kan niet, want de staat is eene soort van gemeenschap. Vooreerst toch hebben zij gemeenschappelijk deel aan de woonplaats, want gemeenschap van woonplaats volgt uit de eenheid van den staat, waaraan al de burgers gemeenschappelijk deel hebben. Maar wat is nu beter voor een staat, die goed zal zijn ingerigt; dat alle burgers aan alle mogelijke dingen gemeenschappelijk deel hebben, of aan sommige wel, aan andere niet? Want het is denkbaar, dat de burgers aan kinderen, vrouwen en bezittingen gemeenschappelijk deel hebben, zoo als in de Republiek van Plato; dáár toch zegt Socrates, dat de kinderen, de vrouwen en de bezittingen aan allen gemeen moeten wezen; en is het nu beter, dat dit zóó ingerigt is als tegenwoordig, of zóó als in de Republiek wordt voorgeschreven? Deze gemeenschap van vrouwen heeft én vele andere zwarigheden, én schijnt niet om die reden, waarom Socrates het noodig vindt haar voor te schrijven, als noodzakelijk beschouwd te moeten worden. Daarenboven kan zij, zóó als zij besproken is, nooit tot het doel leiden, dat hij aan den staat voorstelt; en hoe men dat doel beschouwen moet, is volstrekt niet bepaald. Ik heb op het oog, dat de geheele staat één moet wezen, daar dit het beste is; want hiervan gaat Socrates uit. Edoch het is duidelijk, dat, wanneer de staat meer en meer tot de eenheid nadert, hij eindelijk geen staat meer wezen zal, want uit zijnen aard is de staat eene menigte, en door dat streven naar eenheid, zou hij dan van een staat een huisgezin, en van een huisgezin een individu worden; want het huisgezin is meer één dan de staat en de individu meer dan het huisgezin; zoodat, al kon men die eenheid daarstellen, het beter was dit te laten, omdat zij den staat zou vernietigen. En de staat is niet slechts zamengesteld uit verscheidene menschen, maar uit menschen van verscheidene soort; want uit menschen van eenerlei soort wordt geen staat gevormd. Want een bondgenootschap en een staat is niet hetzelfde; bij het eerste toch is het aantal nuttig, ook al zijn allen van dezelfde soort, daar het slechts tot het verleenen van hulp gesticht wordt, even als men het gewigt vermeerdert, om de schaal te doen zakken. En daarin verschilt ook een staat van een volk, wanneer de menigte niet in dorpen verdeeld is, maar zoo als de Arcadiers [verspreid woont.] Die deelen nu, waaruit de eenheid [van den staat] moet zamengesteld worden, zijn verschillend van soort. Waarom het ook tot behoud der staten dient, dat zij, die gelijk zijn, gelijkelijk deel aan het bestuur hebben, daar dit een noodzakelijk gevolg is der vrijheid en gelijkheid; want allen kunnen niet te gelijk regeren, maar wel bij jaarlijksche afwisseling, of naar eenige andere orde en tijdmaat. Zóó gebeurt het dan, dat allen regeren, even alsof de schoenmakers en de timmerlieden van beroep verwisselden en niet steeds dezelfde personen schoenmakers of timmerlieden waren. Daar echter dit laatste beter is, zoo loopt het in het oog, dat het ook in het staatkundige beter is, dat, als het kan, steeds dezelfde personen regeren. En waar dat wegens de gelijkheid van allen niet kan, is het tevens billijk, dat, hetzij het regeren een voorregt of een last is, allen daarin deelen, en dáár steeds op dezelfde wijs het ééne bestuur door het andere wordt opgevolgd, zoodat beurtelings de een regeert en de ander gehoorzaamt, als werden zij telkens andere menschen. En op diezelfde wijs nemen dan telkens anderen uit de overheden dezelfde bedieningen waar. Hieruit blijkt, dat die eenheid van den staat, gelijk sommigen haar prijzen, niet bestaan kan; en dat hetgeen als het grootste goed voor een staat geprezen wordt, den staat vernietigt. En toch brengt hetgeen voor eenig ding goed is [geen vernietiging, maar] behoud te weeg. Ook nog op eene andere wijs kan het blijken, dat het niet goed is den staat volkomen één te willen maken. Een huisgezin toch heeft meer aan zich zelf genoeg dan een individu, en een staat meer dan een huisgezin; en de begeerte om een staat te vormen wordt geboren, wanneer de gezamenlijke menigte aan zich zelve genoeg is. Edoch daar meer zelfgenoegzaamheid verkieselijker is, is het ook verkieselijker minder één te wezen. Maar zelfs al was het het beste, dat die staatkundige vereeniging zoo veel mogelijk één is, dan schijnt dit nog niet daardoor tot stand te komen, dat allen de woorden mijn en niet mijn van hetzelfde zeggen; dit toch houdt Socrates voor een teeken, dat de staat volkomen één is. Allen toch is dubbelzinnig. Want als het beteekent ieder, dan zou misschien hetgeen Socrates wil kunnen plaats hebben; want dan zal ieder denzelfden zijnen zoon en dezelfde zijne vrouw noemen, en dit zal dan ook met de bezittingen en alle andere dingen plaats hebben. Zóó echter zullen zij het niet zeggen, die gemeenschap van vrouwen en kinderen hebben; maar allen zullen het wél zeggen, doch niet ieder; en evenzoo zullen allen het van de bezittingen zeggen, maar niet ieder. Dus is het klaarblijkelijk een spelen met woorden, te beweren, dat allen het zeggen zullen; en dit woord: allen, wordt dan ook in het twisten om zijne dubbelzinnigheid tot het maken van drogredenen gebruikt; en daarom is dat zeggen van hetzelfde door allen in het ééne geval mooi, maar onmogelijk; in het andere volstrekt niet bevorderlijk voor de eensgezindheid. Daarenboven heeft het nog een ander gebrek; want hetgeen aan de meesten gezamenlijk toebehoort, wordt het minst verzorgd; daar ieder het meest op zijn eigen zaken let, en op de gemeenschappelijke minder dan hij voor zijn deel doen moest; want behalve om andere redenen verwaarloozen zij ze daarom te meer, dewijl anderen er wel voor zorgen zullen; gelijk in een huisgezin vele bedienden somtijds slechter bedienen dan weinige. Zoo heeft dan ieder der burgers duizend zonen, en dat wel niet van hem in ’t bijzonder, maar naar het uitkomt is ieder zoon van ieder, zoodat allen [die zonen] evenzeer zullen verwaarloozen. Verder noemt ieder der burgers den gelukkigen of ongelukkigen in omgekeerde reden van hun aantal den zijnen, b. v. hij is de mijne, of de zijne, [of van dien, of van dien,] en zoo de rij der duizend burgers, of zoo veel als er zijn, af; en dat nog aarzelend; dewijl het onbekend is, wie een kind heeft verwekt, of wiens kind in het leven is gebleven. En wat is nu beter, zóó ieder van die twee of tienduizend [of zoo veel als er zijn] den zijnen te noemen, of liever dit zóó te doen als het tegenwoordig plaats heeft? Want [tegenwoordig] wordt dezelfde door den eenen zoon, door den anderen broeder genoemd, en een ander noemt hem neef, of benoemt hem naar eenen anderen graad van bloedverwantschap of aanverwantschap met hem of de zijnen, en noemt dan weer anderen wijk- of stamgenooten; en het is toch beter een eigen neef te zijn dan een zoon op die wijze. Verder is het niet eens mogelijk, dat niet sommigen hunne natuurlijke broeders, kinderen of ouders herkennen zouden; althans dit moeten zij wel van elkander vermoeden, daar de kinderen gewoonlijk op de ouders gelijken. En dit wordt ook door het getuigenis van sommige reizigers bevestigd; want zij zeggen, dat bij eenige volken van Opper-Libye gemeenschap van vrouwen bestaat, en evenwel de kinderen naar de gelijkenis verdeeld worden. Ook zijn er wijfjes van andere dieren, b. v. van paarden en runderen, die jongen ter wereld brengen, welke zeer op hunne ouders gelijken, zoo als onder anderen de beroemde Pharsalische merries. Verder is het niet gemakkelijk voor hen, die zulk eene gemeenschap willen daarstellen, de volgende zwarigheden te vermijden; te weten: onwillige en moedwillige beleedigingen en doodslag, en gevechten en smaad, het welk alles nog vrij wat goddeloozer is als het tegen ouders of bloedverwanten dan als het tegen vreemden gepleegd wordt; en noodzakelijk meer zal plaats hebben, wanneer zij elkander niet kennen dan wanneer zij elkander kennen. En als het gebeurt, kan het, wanneer zij elkander kennen, behoorlijk geboet worden; maar, wanneer zij elkander niet kennen, niet. Ook schijnt die gemeenschap van vrouwen en kinderen voor de boeren nuttiger te zijn dan voor de wachters; want als de vrouwen en kinderen gemeen zijn, zal er minder onderlinge genegenheid bestaan; en die moet er niet zijn bij de onderdanen, opdat zij gehoorzaam zijn en geen zamenzweringen maken. En over ’t geheel is het noodzakelijk, dat door dusdanig eene wet het tegendeel plaats heeft van hetgeen goede wetten bewerken moeten, en Socrates bij het maken dezer bepalingen omtrent vrouwen en kinderen beoogt; want wij beschouwen onderlinge genegenheid als het grootste goed voor de staten, omdat daardoor de burgertwist wordt voorkomen, en Socrates prijst voornamelijk de éénheid van den staat, die toch, zoo als hij zelf zegt, door de onderlinge genegenheid moet bewerkt worden; maar door zulk eene gemeenschap moet die genegenheid waterig worden, en de zoon het allerminst den vader of de vader den zoon als den zijnen beschouwen. Want even als een weinig zoet met veel water vermengd onmerkbaar wordt, zoo moet ook het onderlinge verband, dat door deze betrekkingen ontstaat, in zulk eene staatsregeling zoo goed als geen wederzijdsche belangstelling tusschen ouders en kinderen of tusschen broeders te weeg brengen. Want twee dingen vooral brengen onderlinge belangstelling en genegenheid onder de menschen te weeg, te weten: de persoonlijke betrekking en de band van het bloed; en geen van beiden kan bij zulk eene staatsregeling plaats hebben. Verder is het lang niet gemakkelijk aan te toonen, hoe dat overbrengen der kinderen uit de boeren en handwerkers naar de wachters, en omgekeerd, moet geschieden; en het is onvermijdelijk, dat de personen, die ze overbrengen, merken, wie zij aan ieder geven. Verder moet het boven, aangaande beleediging, doodslag, enz., gezegde bij dezen nog veel meer plaats hebben, want zij, die naar de andere burgers zijn overgebragt, noemen de wachters niet langer broeders, of kinderen, of ouders; en evenmin zij, die naar de wachters zijn overgebragt, de andere burgers; zoodat zij zich wegens de verwantschap niet meer voor zulke daden zullen in acht nemen. Dit nu moge volstaan omtrent de gemeenschap van vrouwen en kinderen.
Hiermede hangt het vraagstuk van den eigendom zamen; hoe die in een volmaakten staat moet geregeld worden, en of die gemeenschappelijk of niet gemeenschappelijk zijn moet. Nu kan de vraag van den eigendom, ook zonder haar met de vrouwen- en kinderenwet in verband te brengen, beschouwd worden, en men kan vragen of het beter is, dat, al zijn die andere betrekkingen voor ieder afzonderlijk, gelijk tegenwoordig, de eigendom en het vruchtgebruik gemeenschappelijk zijn, zoodat b. v. de landerijen bijzonder eigendom zijn, maar de vruchten in de gemeenschappelijke voorraadshuizen gebragt worden, gelijk eenige volken doen; of dat daarentegen de bodem gemeenschappelijk eigendom is, en gemeenschappelijk bewerkt wordt, maar de vruchten onder allen voor ieders bijzonder gebruik verdeeld worden, want ook deze soort van gemeenschap wordt, naar men zegt, bij sommige barbaren gevonden; of dat én de bodem én de vruchten gemeenschappelijk eigendom zijn. Wanneer nu de bodem door lijfeigenen bewerkt wordt, dan is het een ander geval, en alles gaat gemakkelijker; maar wanneer zij zich zelven bedienen, is de vraag van den eigendom lastiger; want als niet ieder evenveel gebruikt en evenveel werkt, moeten er noodzakelijk door hen, die minder krijgen en meer werken, verwijtingen gedaan worden aan hen, die veel gebruiken of krijgen en weinig werken. Over het geheel is het zamenleven en zamendeelen in alle menschelijke dingen moeijelijk, maar vooral in zulke, zoo als ook blijkt uit de gemeenschap van menschen, die zamen op reis zijn; want deze raken meestal over kleinigheden, die voor de hand liggen, met elkander overhoop. Ook komen wij het meest met die bedienden in onmin, die wij het meest tot dagelijksche diensten bezigen. De gemeenschap van eigendom heeft dus deze en andere dergelijke zwarigheden. Maar zoo als het nu is, is het veel beter, wanneer de zeden en de bepalingen der wet maar goed zijn; want dan heeft dit het voordeel van beiden, én van den gemeenschappelijken én van den bijzonderen eigendom; want in sommige opzigten moet de eigendom gemeenschappelijk wezen, maar over het algemeen van ieder in ’t bijzonder. Want dat ieder zijne taak heeft, veroorzaakt nu geen onderling verwijt, maar doet veeleer den eigendom toenemen, doordien ieder zijn eigen belang zoekt te bevorderen; en de deugd [der mededeelzaamheid] kan toch het spreekwoord: de bezittingen der vrienden zijn gemeen, doen toepassen. En deze inrigting is ook tegenwoordig in sommige staten daargesteld, en vooral in goed geordende staten is zij aanwezig, of althans mogelijk; want ieder heeft dan zijn bepaalden eigendom, maar vergunt het gebruik van sommige dingen aan zijne vrienden, en gebruikt andere als algemeen goed; gelijk de Spartanen, als van hunnen eigendom, van elkanders slaven, paarden en honden, en zelfs, op reis zijnde, van elkanders veldvruchten gebruik maken. Dus blijkt het beter te wezen, dat de eigendom afzonderlijk is, maar door het gebruik gemeenschappelijk gemaakt wordt. En dezen geest onder de burgers op te wekken, is de taak van den wetgever. Ook scheelt het in aangenaamheid onuitsprekelijk veel, of men iets als zijn eigendom kan beschouwen of niet; want ieder mensch heeft toch voor niet geen genegenheid voor zich zelven, en dit is natuurlijk; hoezeer eigenliefde met regt berispt wordt. Deze bestaat echter niet in liefde, maar in te groote liefde voor zich zelven; en het is hetzelfde geval met de liefde voor het geld, daar die toch eenigzins bij allen gevonden wordt. Verder is het zeer aangenaam aan vrienden, gasten of makkers genoegen te doen en hulp te bewijzen, en dit is mogelijk, als er bijzonder eigendom is. Deze dingen missen zij, die den staat volkomen één maken, en vernietigen daarenboven twee deugden geheel en al, te weten: ingetogenheid in de betrekking tot de vrouwen, daar het toch schoon is zich uit ingetogenheid van de vrouwen van anderen te onthouden; en onbekrompenheid ten opzigte van de bezittingen, daar de onbekrompenheid zich bij hen niet kan vertoonen noch hare werking uitoefenen, omdat die bij het gebruiken van den eigendom moet plaats hebben. Zulk eene staatsregeling heeft dus een schoon uiterlijk en schijnt menschlievend te wezen; en die er van hooren hebben er schik in, meenende, dat er eene verwonderlijk groote genegenheid van allen voor allen zijn zal, vooral wanneer men daarbij scheldt op het kwaad, dat tegenwoordig in de staten gevonden wordt, en dit aan den afzonderlijken eigendom toeschrijft (ik meen de regtsgedingen over geschonden overeenkomsten, en valsche getuigenis, en het vleien der rijken, enz.) hoewel dit alles toch niet aan den afzonderlijken eigendom, maar aan de slechtheid der menschen te wijten is. Want wij zien, dat bezitters van gemeenschappelijken eigendom veel meer oneenig zijn dan die van afzonderlijken, doch [dit schijnt minder, omdat] er vrij wat minder gevallen van de eerste dan van de laatste soort voorkomen. Maar het is ook billijk niet alleen te zeggen, hoeveel kwaad door die gemeenschap zal weggenomen worden; maar tevens, hoeveel goed. En dit leven schijnt ten eenemale onmogelijk. En als oorzaak van de dwaling van Socrates moet zijne verkeerde grondstelling beschouwd worden, want in sommige opzigten moet een huisgezin en een staat wel één wezen maar niet in alle; want hij kan daarin zóó ver gaan, dat hij geen staat meer is, of dat hij wel een staat, maar een slechte staat is. Het is er mede alsof men de harmonie tot éénheid van toon wilde maken, of alle lettergrepen in een vers van dezelfde lengte. Maar men moet den staat, die, zoo als wij zeiden, eene menigte is, door de opvoeding tot eene gemeenschap, en tot één maken, en als men een stelsel van opvoeding wil invoeren, en overtuigd is, dat de staat daardoor goed zal worden, moet men het als ongerijmd beschouwen hem door zulke bepalingen te willen regelen, en niet door de zeden en de wijsbegeerte en de wetten; gelijk de wetgever te Lacedaemon en op Creta door de gemeenschappelijke maaltijden [eene soort van] gemeenschap van eigendom heeft weten te bewerken. En ook dit verdient niet vergeten te worden, dat men de ondervinding van zoo vele jaren [als de wereld bestaan heeft] in aanmerking moet nemen, daar het in al dien tijd niet zou verborgen gebleven zijn, wanneer het zoo goed was. Want bijna alles, wat Plato aanraadt, is reeds voorgekomen, maar het is deels niet bijeengevoegd, deels, hoewel het bekend was, niet toegepast. En het zou vooral in het oog loopen, als men zulk eene staatsregeling eens werkelijk zag bestaan; want men zou den staat niet kunnen vormen, zonder hem weer in tafelgezelschappen, wijken en stammen te verdeelen; zoodat er dan eigenlijk niets van die bepalingen zou blijven, als dat de wachters geen landbouw uitoefenden; hetgeen de Lacedaemoniers ook tegenwoordig pogen te bewerken. Maar ook heeft Socrates niet gezegd, hoe de geheele staat bij die gemeenschap van eigendom ingerigt zal wezen, en het is niet gemakkelijk, dit te zeggen. En toch bestaat de staat voor het grootste gedeelte uit de menigte der andere burgers, waaromtrent volstrekt niet bepaald is, of ook de boeren gemeenschappelijk, of wel afzonderlijk eigendom moeten hebben, en of zij gemeenschap van vrouwen en kinderen moeten hebben, of niet. Want wanneer bij hen op dezelfde wijs alles aan allen gemeen is, waarin verschillen zij dan van de wachters? of welk voordeel hebben zij er dan bij, wanneer zij hun onderworpen zijn? of hoe zullen zij zich die onderwerping laten welgevallen, tenzij een dergelijk middel als op Creta daartoe verzonnen wordt; want dáár hebben de onderworpenen aan alle andere dingen gelijkelijk deel, maar van de openbare scholen en het dragen der wapenen zijn zij uitgesloten. Maar wanneer zij ook deze dingen zullen hebben, even als in andere staten, hoe moeten zij dan met de wachters omgaan? Want het is onvermijdelijk, dat er bij die inrigting in éénen staat twee staten zijn zullen, die tegen elkander over staan; want hij maakt sommigen wachters, en anderen boeren, handwerkers, enz. Dan zullen beschuldigingen en regtsgedingen en wat hij verder voor nadeelen in de tegenwoordige staten opnoemt ook allen in den zijnen gevonden worden. En toch zegt Socrates, dat zij ten gevolge van hunne opvoeding niet vele wettelijke bepalingen over de orde in de stad, en op de markt, enz., zullen noodig hebben, als slechts die opvoeding aan de wachters gegeven wordt. Verder maakt hij de boeren tot heeren van den eigendom, die daaruit de wachters betalen. Maar dan zullen zij denkelijk nog veel lastiger en hoogmoediger zijn dan de onderworpene klassen in sommige tegenwoordige staten. En of dit even noodig is als het andere, of niet, daaromtrent is niets bepaald, noch ook, hoe de inrigting, en de opvoeding, en de wetten der onderworpenen zijn moeten. Het is ook niet gemakkelijk te vinden; en hoe dezen zijn, is lang niet onverschillig voor het in stand blijven van de gemeenschap der wachters. Verder, wanneer hij de vrouwen gemeenschappelijk, en den eigendom afzonderlijk, of ook beiden gemeenschappelijk maakt, wie zal dan voor het huis zorgen, gelijk de mannen voor den veldarbeid? Ook is het ongerijmd hier de vergelijking met de beesten te gebruiken, om te bewijzen, dat de vrouwen hetzelfde als de mannen verrigten moeten; want de beesten hebben geen huishouding. Ook is het gevaarlijk zoo als Socrates de overheden aanstelt, want daartoe verkiest hij aanhoudend dezelfde personen, en dit verwekt ontevredenheid ook bij onbeduidende menschen, en hoeveel meer dan bij krachtige, oorlogzuchtige mannen? En toch is het duidelijk, dat hij steeds dezelfden tot overheden moet aanstellen, daar het goddelijke goud niet dan eens met die, dan weer met die ziel, maar steeds met dezelfden zielen vermengd is. Want hij zegt, dat terstond bij de geboorte met sommige zielen goud, met andere zilver, vermengd is, maar koper en ijzer met de zielen van hen, die boeren of handwerkers zijn zullen. Verder zegt hij, dat de wetgever niet ééne klasse, b. v. de wachters, maar den geheelen staat gelukkig moet maken. Maar de geheele staat kan niet gelukkig zijn, tenzij dat geluk in alle of de meeste of sommige deelen gevonden wordt. Want het geluk hoort niet tot dezelfde soort van begrippen als even (in de getallen), want dit laatste kan in het geheel bestaan en toch in geen van de deelen; maar met het geluk is dit onmogelijk. Edoch als de wachters niet gelukkig zijn, wie zijn het dan? want hij bestemt het geluk toch niet voor de handwerkers en het gemeen.
De door Socrates voorgestelde staatsregeling heeft dus deze zwarigheden en nog verscheidene andere van niet minder aanbelang.