Eerst natuurlijk het hoofd van alles — zoowel de baas over het schip, als over de bemanning en de passagiers — de gezagvoerder, terzijde gestaan door een tiental hoofdofficieren, alle voorzien van het kapiteins-diploma; vervolgens 350 man machine-personeel, staande onder toezicht van 30 gediplomeerde machinisten-officieren. Teneinde het eten behoorlijk en lekker klaar te maken, waren er 60 koks werkzaam; terwijl een 500 bedienden, ingedeeld volgens verschillende rangen, en aan boord aangeduid als "hofmeesters", zoowel mannelijke als vrouwelijke, voor de bediening der passagiers hadden te zorgen.
Dan mag ik de aanwezigheid niet vergeten van eenige doktoren, van drie telegrafisten voor de bediening der toestellen der draadlooze telegrafie; en om dit alles te regelen een viertal "administrateurs". Een afzonderlijk orkest telde twintig uitnemende beroeps-muzikanten. Er waren afzonderlijke bedienden voor de telefoon-toestellen, welke in elke kajuit en in elk slaapvertrek waren aangebracht. Ook bevonden zich eenige drukkers aan boord, want dagelijks verscheen een keurig verzorgde scheeps-krant, met allerlei nieuws van de wereld gevuld, en met aardige prentjes van de voornaamste gebeurtenissen, welke gedurende de reis aan boord plaats grepen.
En eindelijk de passagiers, die van Amerika naar Europa moesten worden overgebracht.
Onze passagiers-lijst eerste-klas telde 700 namen; die van de tweede klas 600, die der derde klas 2000. Van deze laatsten waren de meesten landverhuizers, die van de Nieuwe Wereld naar de Oude terug wenschten te keeren, nadat ze eenige jaren geleden waarschijnlijk dezelfde reis in omgekeerde richting hadden afgelegd.
Alles tezamen ongeveer 4000 passagiers.
Wat van de inrichting van het schip zelf te vertellen?... Een levend wonder!
De mooiste kamers aan boord waren geen zier minder smaakvol ingericht dan de logeerkamers in onze prachtigste hôtels. Bij de eerste klas-kamers behoorde een afzonderlijke badkamer; bij sommige afzonderlijke salonnetjes. De groote salons, de eetzalen en zitkamers, de muziekzaal en de bibliotheek waren elk in een afzonderlijken bouwstijl ingericht. Er was een aparte gymnastiekzaal, met alle mogelijke toestellen voor gymnastiek en verschillende soorten sport. Wilde je zwemmen, dan was er een Romeinsch bad van 68 voet lengte en 41 voet breedte, zoowel met watervalletjes als water-ververschers.
Zoo leefde ik daar in één doorloopende verbazing, de zeereis makende aan boord van zoo'n modern reuzen-schip!
Waarin ik het meeste belang stelde, was echter wel de vraag, hoe het toch mogelijk was, zoo'n geweldig drijvend gevaarte niet slechts aan den gang te brengen en aan den gang te houden, — doch hoe het wenschelijk vernuft er in geslaagd was, machines te vervaardigen, krachtig genoeg, om dit alles met een sneltreinvaart dwars over den Atlantischen Oceaan te stuwen?
Want zulke groote schepen varen tegenwoordig met een snelheid van 500 zeemijlen per etmaal. Dus zien ze kans, in ongeveer tien dagen den afstand af te leggen tusschen New-York en onze Europeesche havens. Kijk maar eens na op jullie atlassen, wat dit beteekent!
Gedurende mijn reis waren er dan zelfs nog lastige en overhaastige passagiers, mopperende, omdat het hun nog niet snel genoeg naar den zin ging! Nu moet ik er jullie bij zeggen, dat er inderdaad een staking onder de stokers was uitgebroken, kort vóór het schip van Amerika zou vertrekken. De directie had toen ander stokerspersoneel in dienst moeten nemen, en die menschen waren niet zoo goed voor hun nieuwe taak berekend als de anderen. Hieruit leeren jullie, hoe zelfs het stokersvak een handwerk is, dat vakkennis vereischt. In elk geval was dit oorzaak, dat ons schip iets minder snel liep, dan zijn gewone snelheid te halen, waartoe het anders in staat zou zijn geweest. En zoo scheelde het ons zelfs een halven dag op den overtocht van het eene werelddeel naar het andere.
Jullie zouden waarschijnlijk even verbaasd als ik geweest zijn, dat zoo iets onbelangrijks, als het steenkolen-bijgooien op de scheepsvuren, zulk een groot schip zooveel in snelheid kan doen schelen. En toen ik tegenover een van de machinekamer-officieren hierover mijn verwondering uitsprak, was hij wel zoo vriendelijk, mij uit te noodigen, met hem mee omlaag te dalen naar de stookplaatsen, om me eens te laten zien, wat het wel te beteekenen heeft, een modern schip te .
't Was een tocht als ter hellevaart! Het schip zelf is groot en mooi, met zijn breede gangen en ruime dekken, de salons en trappen, met eetzalen en halls; overal de weeldeversiering en de zorgelijke bediening, zoodat je het idée "schip" al dadelijk kwijt bent, en je je in een weelderige buitenplaats gelogeerd denkt. Maar daar voert de scheepsingenieur me de lange gangen door, de trappen af, veel lager dan de passagiersverdiepingen. Door ijzeren deuren, die middenin het schip een soort van gepantserde gevangenis afsluiten, kom je in de machineruimten. Onder je voeten, door een vloer van ijzeren stangen, zie je het snelle geflits van blinkende dingen, die met lange zuchtende armslagen omlaag en omhoog springen; in diepe ronde deksels kruipen zij weg, en bliksemsnel schieten ze omhoog, alsof het een woeste uitval naar je is. Steile gladde trapjes voeren nog dieper. En nu gaat de verdere tocht langs vreeslijke raderen, die geluidloos rondsuizen, een blinkenden cirkel met hun wentelende glimspaken beschrijvend. Overal drijven lange stangen zware metalen stoothamers vooruit; hun gladde geluidloosheid, met niets dan het zachte slurpende geluid van de vette olie, die overal neerdruipt, geeft er iets geheimzinnig-angstigs aan. Daar is dan een laag ijzeren deurtje, waar je bukkend door moet kruipen; meteen slaat een vette benauwde stikkend-zware hitte je tegen. Langs een hoogen, zwarten ketelwand, zóó heet, dat je zoover mogelijk terugdeinst tegen het ijzeren beschot, moet je nog verder.
En eindelijk sta je in een schemerlichte, rumoerige ruimte, waar vuile kerels, onherkenbaar zwart hun spookgezichten, groote vuile plekken op hun naakte lijven, voor de woeste hitte van de ronde open haarddeuren werken. Met lange stangen wroeten zij in die vlamkuilen, tot een vurige vonkenregen vooruit stuift, en over den vloer rondspat. Overal staan groote zwarte hoopen steenkool op den grond. Zonder rusten scheppen zij, als mijnwerkers onder in de aarde, hun schoppen er in, zwaaien schep na schep de steenkool in de blakerende brand-muilen. Telkens kleppert met mokerend geluid de haarddeur dicht; maar dadelijk rammelt daarnaast weer een andere open. En zonder ophouden scheppen de schoppen er het zwarte gruis in.
Hoe vlugger ze werken, hoe dieper ze elken schopvol met steenkool in den vuurhaard mikken, hoe handiger ze met hun stangen de gloeihitte onder den ketel weten uit te spreiden, des te grooter hitte geven de haarden, des te meer stoom leveren de ketels, en des te sneller klieft ons schip het water.
Toen ik weer boven op dek kwam, na eerst het morspak uitgetrokken en mij van rook, gruis en olie gereinigd te hebben, was er een wandelconcert op het open tweede-dek. De muziekkapel speelde een vroolijk programma; de passagiers wandelden druk pratend het lange dek af. In den rooksalon hadden eenige ondernemende Amerikanen een weddingschap aangegaan om vijftig dollar op de vaart van het schip. Toen de uitslag bekend werd gemaakt, was er een algemeen gemopper, dat er niet harder gestoomd werd.
Een lawaaiïg heer, die met Duitschen tongval Engelsch sprak, schold, met z'n sigaar in duur bandje tusschen de tanden, op het geluier van die beunhazen beneden in de stookplaatsen, die het schip eenige uren zouden doen missen bij aankomst thuis.
Wat me niet minder aan boord trof waren m'n medereizigers, de derde-klas-passagiers. Ze zijn op het voorschip gehuisvest. Overdag leven ze op het dek van dit scheepsgedeelte. Van de hooge verschansing, die het promenadedek afsluit, kun je omlaag kijken als in een kuil. Daar zie je dan beneden, hoe al die armoe op elkaar hokt, en den langen dag maar troosteloos zit uit te staren over de groote, zwijgende zee. Het zijn voor het meerendeel beklagenswaardige menschen, omdat de meesten landverhuizers zijn, die naar hun vaderland in Europa terugkeeren, nadat zij in Amerika niet geslaagd zijn om werk te vinden.
Op de heenreis, naar Amerika, bestond er nog altijd de hoop, die hen ophield; ze waren wel arm en mislukt, ook ontmoedigd uit hun vaderland vertrokken; doch het nieuwe vaderland liet immers alles verwachten met zijn lokkenden naam: Amerika!
Nu zij daar echter ook mislukten, nog meer verarmden, hun laatste restje moed verloren hadden, leidt hun laatste tocht hen naar het vaderland terug!
Maar dan is ook alle fut en kracht, alle moed er uit. Zoo'n troep huiswaarts keerende landverhuizers, ouwe mannen, vermoeide vrouwen, onverschillige jonge-kerels, uitgezwakte kinderen daar bij elkaar te zien zitten, is het ellendigste wat jullie je bedenken kunt, omdat je weet, dat zelfs het laatste schijntje hoop hun ontnomen werd. 't Is dan niets anders dan nog een restje menschelijk uitschot, zoodat je medelijden om hunnent wille je in opstand brengt tegen al die promenade-concerten en de weelde der salons, tegen de smulpartijen aan tafel. Maar zelfs wanneer je gevoel zich door hun ellende mocht laten verteederen, dan zijn er de zware hekken, welke de verschillende klassen van elkaar scheiden; en is er ook nog een bordje, net als in "Artis", waarop geschreven staat: "het is ten strengste verboden, voorwerpen naar de derde-klas-passagiers te werpen."
D'r zijn menschen, die al zeeziek worden bij de lucht van een botboerkar. Je zou zoo iets gevoeligheid kunnen noemen.
Zóó erg ben ik niet!... Maar toch kan ik slechts weinig zeelucht verdragen. Dat is spijtig. En wel omdat ik juist zoo heel veel van de zee hou'. Maar niet van de zee-!...
Daar lokt die zee, met altijd weer haar krachtigen golfslag; zee tegen, zee van achter, zee aan bakboord, zee aan stuurboord.
Is er prachtiger bewegelijkheid denkbaar?.... want zoo ben ik toch ook weer, dat als een zee zònder golfslag en glad ligt, zoo'n beweginglooze zee me maar als half ècht voorkomt!
Dus ben ik onverbeterlijk. Telkens wanneer ik tegenover die zee sta, bedenk ik weer een tochtje, al is het maar 'n spelevaartje van één dag, mits ik op dien wijden plas mag.
Maar ook onverbeterlijk ben ik dan, wat m'n zeeziekte betreft. Nog geen uur, of...
Maar laat ik jullie vertellen!
Ik herinner me, hoe ik eens een indruk wilde wekken omtrent mijn algemeene bevarenheid ter zee. Tegenover me had ik een eenvoudig man, die wel àlles had willen gelooven wàt ik hem ook maar zou verteld hebben, — ... slechts dit ééne geloofde hij niet!
't Was schipper Schaap uit Huizen. En toen we samen waren uitgevaren op zijn bottertje, van het bijna verzande Zuiderzee-haventje van ons Gooische kustplaatsje, wilde ik hem al den eersten avond aan boord, onder het maal van roggebrood met gebakken bot, gaan vertellen, dat degeen, dien hij als passagier aan boord had, maar niet zoo'n gewone landrot was; maar dat ik gevàren had, àlle wereld-zeeën over!
Hij begon er eigenlijk zelf over; want toen hij wat lang moest blazen over den rand van zijn kommetje koffie, nog te heet om te drinken, — en haast hadden we ook volstrekt niet, omdat ik geteekend had voor minstens een week, om het leven van een botvisscher op onze Zuider-zee eens op m'n gemak af te kijken, — toen sprak hij goedig, na me zijn ouwe verhalen van bijna zestig jaar varen op dien plas te hebben verteld:
"En jij, mejong, dat zel hier wel je eerste vaart zijn op 't zoute water, wàt?"
"Nee!" zei ik. Ik houd niet van opsnijden, bij voorkeur niet tegenover eenvoudige menschen; maar ik wilde mijzelf op dit oogenblik een houding geven. — "Neen!" herhaalde ik, "schipper Schaap, daar zou je je nou net mee vergissen!"
"Hè-je méér zee 'ézien!?" deed hij ongeloovig.
"Meer dan je zou denken," sprak ik, een weinig gewichtiger dan hier juist noodig scheen; maar schipper Schaap moest het maar aanstonds weten.
"Kom nou!" grinnikte hij nog ongelooviger; hij had een slok koffie genomen, spoelde er met bolle wangen z'n mond mee. "Kom nou!", spotte hij met zijn glundere oogjes, en hij spoelde den teug in-eens naar binnen, "wou jij er 'n ouwe botvisscher tussche neme?"
Ik gevoelde me een weinig geprikkeld; ik houd ervan, dat menschen, die naar me luisteren, me ook gelooven zullen, tenminste, dat ze zich gedragen, ze me gelooven. Dus sprak ik op een toon, die in het lage roefje van de botboot wat gezwollen moet geklonken hebben:
"Ik heb zelfs véél gevaren!"
"Hê je waarachtig, mejonge?", vroeg Schaap, weer met dat kleine twinkeltje in z'n oogen, wat ik niet kon verdragen. "Laat maar 's hoore wàt jij al zoo gevare hèt." Hij keek strak in z'n kommetje, waarin de koffie schommelde als een zwarte zee!
Dus begon ik met mijn opsomming:
"De Noordzee; ken jij die soms?"
"Nee," antwoordde schipper Schaap deemoedig, "alleen van hooren zeggen; tegeswoordig gaat er veel jong volk op de trawlers mee naar buiten. Maar ik ben nooit zoo ver van 'uis 'eweest."
"Meer dan ééns ben ik naar Engeland overgestoken, dan eens van Amsterdam uit, dan weer van den Hoek, ook wel over Vlissingen."
"Sjonge! Sjonge!", schudde de ouwe schipper z'n hoofd, "hê-je?"
Hij spotte nu niet meer, maar aan zijn turen in de koffie-kom meende ik toch te merken, dat ik hem nog niet geheel overtuigd had. Ik zou hem den vollen laag moeten geven. Ik herinnerde me een zekere jeugd-reis naar den Levant.
"Als jongen al heb ik een groote zeereis gemaakt," somde ik op, "het Engelsche Kanaal door, de Golf van Biscaye met Kaap Finistère, Afrika met den Apenberg, en aan den anderen kant Gibraltar op den hoogen rots, de Italiaansche kust langs, dan Griekenland, Turkije, Klein-Azië, langs de Afrikaansche noordkust terug..."
Schipper Schaap had zijn koffie leeg-gedronken; hij schudde langzaam z'n ouwe hoofd.
"Wat 'n lande, mejong!... En dat wou je allemaal 'evare hebbe?"
Hij was bepaald ergerlijk ongeloovig, die ouwe Zuider-Zee-vaarder. Ik ging echter voort, terwijl mijn stem nog altijd gezwollener klonk dan mijn bedoeling was:
"Den Atlantischen Oceaan ben ik overgestoken naar Amerika..."
"Heb je dàt water ook al bevaren?" vroeg hij.
Ik vervolgde: "Tusschen Amerika en Azië ligt de Stille Oceaan..."
"Sjonge! Sjonge!", schuddebolde Schaap over zijn leege koffie-kom; "wat 'n water op de wereld toch! Ben je daar òvèràl 'eweest?"
"Dwars overgestoken van San Francisco naar Yokohama, in 'n dikke twee weken, met slechts één etmaal op Hawaï...."
Hij scheen nu toch onder den indruk te komen. Dus vervolgde ik triomfantelijk:
"Heb je wel 's gehoord van de Gele Zee, schipper?"
"Is 't water daar geel?", vroeg hij terug.
"Nee," zei ik; "maar de Chineezen en de Japanners wonen daar in de buurt, en daarom noemen ze 't er zoo, denk ik."
Schipper Schaap schudde nog altijd zijn ouwen grijzen kop.
"Sjonge, Sjonge!" dee-die; "je vertelt me daar wat 'n wonders!... Maar wil je nou 'rs wat vertelle?"
"Nu?" antwoordde ik, half ongeduldig, half nieuwsgierig wat er zou volgen.
"Wel me-jong, ik 'eloof d'r niet één woord van."
"Wat!... Waarom niet?!"
Hij veegde zijn dunne, spottende lippen droog met den achterkant van zijn eeltige hand, sprak rustig:
"Dat zal ik zegge, mejong... As jij dat àlles 'ezien 'êt!... jij al die groote zeeën van de wereld gevaren zou willen hebbe, — .... wel, dan zou jij hier, op dit ongelukkige plasje water, dat ze Zuijer-Zee noeme, d'r niet uitzien als 'n grauwe, erwt, die 'n weeklang in 'n regenton te weeken hèt 'elegen... En nou jij!"
Ik heb op dat oogenblik gedacht aan een humeurigen uitval naar dien braven ouwen Schipper Schaap. Maar ik bedacht me, ik beheerschte me; ik zei niets.
Want waarachtig, — Schipper Schaap had op dat oogenblik gelijk!
Ik was al wéér zee-ziek!
Shimonoseki! ... wie van jullie heeft dezen naam gehoord, hetzij bij de aardrijkskunde — , dan wel in de geschiedenis-les?
Shimonoseki! voor ons land is het de herinnering van al meer dan 50 jaar geleden, aan een kranig staaltje van marinedurf; voor Japan beteekent Shimonoseki den aanvang van een groote omwenteling in de tweede helft der negentiende eeuw, welke dit land van een achterlijke oostersche mogendheid, binnen den tijd van een halve eeuw tot een van de voornaamste wereld-mogendheden deed klimmen.
Ik zie geen kans, jullie in dit boekje, gewijd aan enkele belangrijke gebeurtenissen van Nederlands zee-geschiedenis uit den laatsten tijd, uitvoerig te vertellen het indertijd roemrijk avontuur van Shimonoseki; maar het is aardig dat ik het jullie wel in het kort kan vertellen, opgeschreven uit den mond van den laatsten overlevende.
Hoe deze het me vertelde, moeten jullie hier maar lezen!
Ik verlangde naar een levend en kleurrijk verhaal, naar het relaas van de zèlf-beleefde en nu zelf-na-vertelde gebeurtenissen uit dien Japanschen oorlog.
Speelde ons land daarbij niet een belangrijke rol, omdat het op ònze vlag was, dat de verraderlijke Japansche Daimios den aanslag ondernamen? Was het niet een Nederlandsch oorlogsschip, de "Medusa", dat toen het eerst en het hevigst in het vuur was geweest? En was er niet nog één der opvarenden van dit schip in leven, die mij er van zou kunnen vertellen?
Ik wist waar ik den man moest zoeken. Ik had uitgevischt, dat ergens aan een der Amsterdamsche bruggen een heel oude man z'n dagelijksch kostje ophaalde; de oud-matroos, krasse kerel van een stuk in de tachtig, scharrelde z'n verdiensten bijeen als karrentrekker! Zijn naam was ik ook te weten gekomen: hij heette Jan van Beeren.
Ik stapte er op af, om m'n held van Shimonoseki te zoeken. Het hoofd vol van zeemansverhalen en van bloedige episodes uit dien zeeslag, waarbij ons Nederlandsche oorlogsschip zoo duchtig was bekogeld, maar niettemin, dwars door den ijzeren regen heen, zijn weg had vervolgd, om straks terug te keeren en bij de voorsten te zijn, die het bombardement op de Japansche kustbatterijen openden, deel te nemen aan de landing, welke de Japansche troepen op de vlucht dreef, en hun geschut vernagelde.
Hij behoefde me niet van moeilijke Oostersche politiek, noch van Japansche ingewikkelde staatsintriges te vertellen; ik was hiervan behoorlijk op de hoogte. Wat ik hem slechts wilde vragen, was me te vertellen zijn verhaal van oud-matroos aan boord van de "Medusa", van dien eersten onverwachten overval, en daarna over de tuchtiging der Japanners.
Een levende bladzijde krijgsgeschiedenis, een roemrijk, zelf-beleefd hoofdstuk uit het verleden, verteld door een der overlevenden, — dit verwachtte ik van hem!
Evenwel, ik had de méér dan vijftig jaren vergeten, die ons scheidden van 1863. En vergeten was ik ook, hoe men in een halve eeuw tot een ouden man kan worden; dat een armelijk sjouwerleven, met sappelen om het dagelijksch brood, iemand zijn frischheid als verteller kan doen verliezen; en ook, dat het baantje, om dag in dag uit de groente- en bakkerskarren tegen een brug te helpen optrekken, waarvoor soms een betaling, uit medelijden, met 1 cent geschiedt, iemand het heldhaftige voorkomen van rustend zeeheld kan doen verliezen.
Jan van Beeren, de karre-trekker van een der Amsterdamsche bruggen, toont zich wel heel oud onder zijn last van jaren; als een verarmde stakkerd ziet hij er uit. Over z'n sjofele smalle schouders draagt hij het touw met den haak, waarmee hij de handkarren de niet eens hooge brug helpt optrekken; in een hand draagt hij een roestigen stang, welke vermoedelijk voor hetzelfde doel moet dienen.
Hij stond er te wachten tot een kar de richting van de brug zou nemen. Er reden op dit uur maar weinig karren voorbij. Een enkele maal strompelde hij een van de gracht aanratelende handkar tegemoet; maar telkens riep de man, die achter de kar te duwen liep: "Nee, laat maar, ouwe!"; een paar maal riepen ze er bij: "Ik kan 't alleen wel af!" En dan bleef het oude kereltje daar maar staan, de pet diep op de grauw-grijze haren, het touw gestrengeld over de magere schouders, weggedoken in het slobberjasje, de verzakkende broek plooiïg over z'n schuiten van schoenen.
Toen stapte ik hem opzij, en keek hem in zijn verweerde, vermoeide gelaat, waarin de oude oogen sufferig staarden, en vroeg:
"U is wel Jan van Beeren, niet?"
"Jawel..." zei-die, en hij schoof een bevende hand omhoog, om naar zijn petrand te zoeken.
"Laat je saluut maar," probeerde ik gemoedelijk te doen.
"Jawel..." mummelde zijn ouwe slappe mondje terug.
"Ik heb van je gehoord," zei ik, luid en duidelijk, bij zijn verwezen kijken; "je bent toch Jan van Beeren, die de geschiedenis van de "Medusa" nog heeft meegemaakt?"
"Jawel, jawel..." verschrok hij zoo'n beetje, en langzaam keek-ie rond naar weerskanten van de brug, of er geen klantjes wilden geholpen wezen. Maar er was geen kar te zien.
"'t Is nou niet druk," trachtte ik te beginnen. Maar in-eens zei ik: "Je moest er nu vandaag maar verder 'n vrijen dag van maken, Van Beeren, en dan drinken we samen een glaasje bier, en rooken 'n sigaartje, en als je wilt, vertel je me wat van die ouwe historie met je "Medusa", want daar ben ik nieuwsgierig naar geworden, omdat het net zoowat vijftig jaar geleden moet zijn, niet?"
Toen keek hij me weer aan, heel oud en ernstig met z'n slappe, suffende oogen, en zei met bevend lip-geprevel:
"Ik drink geen bier, ziet-u ... enne rooke doen ik ook liever niet, ziet-u..."
"Dat zei ik ook maar zoo, Van Beeren, en als je 't mij vraagt, heb ik ook liever 'n kop warme koffie. Want 't is hier in Amsterdam nog geen Japan, man!"
Maar die grap ging volstrekt niet op, omdat hij alweer de gracht afkeek, of d'r geen kar aankwam, waaraan hij z'n centje zou kunnen verdienen.
"Kom nou!" monterde ik den ouwen man op; "laat ik je dat daggeldje nou 's mogen betalen. En als we dan samen daar in het Volkskoffiehuis op den hoek ons bakje troost gingen drinken?"
"Jawel..." mompelde hij.
En achter me aan strompelde hij de brug af naar het koffiehuis.
Daar hebben we lang en langzaam over onze heete koffie geblazen, en dat smaakte den ouwen man en mij wat goed, omdat het weer zóó'n griemelige dag was, dat het mummelmondje van het ouwetje wel scheen te beven van de kou.
Hij zei maar telkens weer: "jawel ... jawel"; en soms wisselde hij dit af met een bedenkelijk: "Vijftig jaar, mot u bedenke, dat is nou alweer zoo lang gelee', ziet u"...
Zoodat dit het on-succesvolste onderhoud was, dat ik ooit met iemand voerde. En een geschiedkundige verhandeling zou ik het niet durven noemen, omdat ik mijn vragen van een omslachtige uitvoerigheid en duidelijkheid moest maken, terwijl de antwoorden daarop slechts volgen met een aarzelend hoofd-schudden van den grauw-grijzen kop, of met een suffig "jawel..."
"Maar die Japanneezen hadden toch niet van tevoren gewaarschuwd, toen de "Medusa" daar door de Straat van Shimonoseki kwam aanvaren, niet?"
Hij wachtte lang, schudde toen gewichtig z'n ouwen kop, scheen iets te willen zeggen, maar zei niets.
"Ze schoten goed, wat?" vroeg ik. "Vlogen de flarden d'r af?"
Hij keek me uit de moeie oogen aan, zocht lang in zijn herinnering, mummelde toen:
"Jawel ... jawel... Nou, en of!"
"Hadden jullie nog gewonden aan boord? ... of gesneuvelde kameraden?... want zij mikten goed die rakkers, hè?"
Hij wachtte weer lang, en toen: "Wel vier dooie..."
"En gekwetsten ook?"
Hij mompelde z'n stopwoordje weer:
"Jawel ... ook gekwetste..."
En toen, alsof hij zich verontschuldigen wilde over zijn gebrek aan memorie, half stotterend: "U mot bedenke ... dat 's al weer zoo lang gelee' ... vijftig jaar, ziet-u..."
Daarop keek hij me verwezen aan na dezen uitvoerigen zin, bewoog de lippen nog wat na, of hij naar woorden zocht; maar schudde dan eindelijk, dat-ie het zich toch niet meer wist te herinneren.
Neen! den zeeslag bij Shimonoseki uit 1863 heb ik niet voor me zien opleven!
En m'n ouwe zeeman kan het waarachtig niet helpen, dat dit al zoo lang geleden heeft plaats gehad.
Jan van Beeren was toentertijd matroos tweede klas; hij was al in de dertig, toen hij het bombardement meemaakte; met de landingsdivisie aan wal sprong, de gele Japannertjes als een zwerm musschen voor zich uitdreef, de kanonnen vernagelde, den opmarsch land-inwaarts meemaakte.
Wat weet hij er nog van in zijn oude suffige brein?... Wat weet hij daar nog van na te vertellen?... Welke herinneringen van gesneuvelde en gewonde kameraden van toen komen hem nog voor de moeie, omfloerste oogen, wanneer men hem dat alles wil laten navertellen?
... "Jawel ... jawel... Hoe lang is dat nou al weer gelee', vijftig jare, ziet-u..."
Zoodat ik, uit medelijden voor dat afgeleefde ouwentje, maar weer met hem opstapte, nadat de koffie was leeggedronken.
Daar strompelde hij weer met me mee. Naar huis ging hij niet. Wat zou hij op dit uur thuis doen, bij z'n ouwe vrouw, bij z'n zestigjarige ziekelijke dochter? D'r kwamen nog wel karren, die hij z'n haak kon aanslaan. D'r waren misschien nog 'n paar centjes te verdienen dien dag. Dat extra-handgeldje van me was altijd meegenomen. 't Was 'n karig broodje, dat-ie elken dag bij z'n brug bij-mekaar scharrelde, zoodat hij blij was met z'n buitenkansje.
Dus nam ik afscheid van Jan van Beeren. Hij tastte verlegen naar z'n petrand, toen ik hem een hand toestak:
"Nou, Jan van Beeren, en wel bedankt voor het praatje, en dat was me toen dan toch maar 'n heele geschiedenis met die "Medusa", en ik hoop, dat 't je goed zal blijven gaan, hoor. En dat 't wat druk mag blijven met de karren hier aan de sluis... En dan zien we mekaar nog wel 's terug onder zoo'n warm bakje koffie, niet?"
Maar hij keek alweer naar links en naar rechts, of d'r geen karren aankwamen, die misschien van z'n hulp gediend zouden zijn.
Kijk 's, dit is nu een van die verhalen, prachtig beginnend, maar omdat ik het jullie vertellen moet, zooals de geschiedenis inderdaad is gebeurd, heel nuchter afloopend, helaas! Ik ben namelijk aan het zoeken geweest naar een goud-schat, begraven ginds aan de westkust van het eiland Terschelling.
Ha! ik wist uit oude boeken, hoe voor een waarde van millioenen guldens in een oud wrak, een Engelsch oorlogsfregat uit het laatst der achttiende eeuw, dat omstreeks 1800 schipbreuk leed in het gezicht van dit eilandje, achter gelaten moest zijn. Ik wist eveneens uit overlevering, hoe telkens gretig daarnaar gezocht was in vroegere jaren; hoe men allerlei pogingen in het werk gesteld had, door te dringen tot den bodem der hier zoo roerige en veranderlijke zee; hoe men met onvoldoende hulpmiddelen had gezocht onder het zee-oppervlak. Maar steeds was de diep onder het zand begraven schat onvindbaar gebleven. De overblijfsels van het indertijd, meer dan een eeuw geleden op onze kust jammerlijk verongelukte schip had men wel kunnen terugvinden; ook de ligplaats van het steeds dieper in het kustzand wegzinkende wrak had men met vrij groote juistheid kunnen vaststellen. Doch onder de verschillende wrakstukken van het vergane schip, "Lutine" geheeten, vond men nimmer het gezochte goud.
En toch, voor een bedrag van ongeveer twaalf millioen aan gouden en zilveren staven moest daar nog steeds onaangeroerd voor Terschelling liggen!
Begrijpen jullie niet, hoe dit op mijn verbeeldingskracht werkte?
Het was niet eens de begeerte naar den schat zèlf, welke me daarheen dreef. Doch het avontuur, de goud-expeditie, het zoeken en vinden op zich zelf, oefenden zulk een magnetischen invloed, dat ik het eindelijk niet meer kon uithouden.
Ik wist, hoe ginds op de reede van Terschelling weer opnieuw ernstige pogingen in het werk werden gesteld om, dank zij de nieuwste technische hulpmiddelen van reusachtige, door machines gedreven zuigbuizen, tot diep op den zeebodem doordringende, het in den loop der tientallen jaren steeds meer verzande wrak vrij te maken, en dan door met uitnemende toestellen voorziene duikers een onderzoek te laten instellen naar de juiste ligging van het op den zeebodem rustende wrak, en aldus de juiste plaats vast te stellen, vanwaar men den millioenenschat in veiligheid zou kunnen brengen.
Eindelijk!... wie weet! zouden de duikers er wellicht in slagen, de meer dan honderd jaren in de diepte bewaarde gouden en zilveren staven naar boven te dragen!
Van die aangrijpende, uitvoerige geschiedenis van het Engelsche oorlogsfregat uit de achttiende eeuw — o! een prachtig, maar droevig verhaal op zich zelf! — was er één herinnering, welke me op dit oogenblik het meeste belang inboezemde. Ik wist, dat er een oude aanteekening bestond, vermeldende de juiste ligging van het scheepswrak, zijn diepte onder het zee-oppervlak, ook precies de inrichting van het uit elkaar gevallen schip.
Met een vriend, die dit waardevolle papiertje in zijn bezit had, maakte ik de vrij omslachtige reis naar het noorden, over Friesland gaande, per Harlingsche scheepsgelegenheid naar het eilandje Terschelling overstekende.
We werden daarginds gewacht door eenige ingewijden in de schatzoekerij, die evenzeer als wij, popelden om nu eindelijk uit de laatste overblijfsels van de "Lutine" den even geheimzinnigen als kostbaren schat aan zijn onverbiddelijke schat-bewaarster, de zee, te ontrukken.
Hoe wij daarginds te werk gingen, wil ik jullie hier in mijn waarachtig verhaal vertellen. Maar bereidt je er meteen op voor, dat de zee slimmer, machtiger, ongenaakbaarder bleek dan we gemeend hadden dat zij was, en dat zij ons nauwelijks een tipje van den sluier liet opheffen. Want de millioenenschat, de gouden en zilveren staven, de op den zeebodem rustende staven, bleven ook voor ons even onbereikbaar als voor al die andere goudzoekers vóór ons...
Toch geen reden voor mijn lezers, hoop ik, om mijn verhaal van het "Lutine"-goud niet aan te hooren, of er de popeling niet van mee te leven!
Ik sprak daar even over de, uit vroegere eeuwen bewaard gebleven, aanteekening over de ligging van dit wrak voor de kust van ons Waddeneiland.
Het oude schetskaartje van het wrak van de "Lutine" stond geteekend op een stukje perkament, verfrommeld en in zijn naden gescheurd, en niet veel grooter dan een hand. De buitenomtrek van het fregat was met een gestippelde lijn aangegeven, de gebroken verschansing was aangeduid met eenige streepjes; 'n kanon scheen met twee strepen geschetst; met haaltjes en krasjes waren de plekken aangegeven, waar zich de ballastbrooden en de roestlagen bevonden; twee gekruiste ankers gaven de plaats van de voorplecht aan.
Het was over dit merkwaardig stukje perkament, den sleutel wellicht, die ons den millioenenschat zou ontsluiten, dat het Terschellingsche onderhoud liep.
Wij waren daartoe bijeen gekomen in de woning van een oud-kapitein van de groote vaart, die daar wat aardig op het eilandje woont in een van de huisjes van het geklinkerde hoofdstraatje.
Zijn vrouw, een geboren Terschellingsche, die ook van varen weet uit den diensttijd van haar man, had zelve ons de deur geopend, toen ik me in reeds vroeg avond-duister op het stoepje aanmeldde.
"Nu moet je je maar niet verbazen, wanneer je den heelen avond over niets anders dan over millioenen hoort spreken!" had men mij van tevoren opgehitst. O! ik had zulk een opwekking niet noodig: ik verlangde genoeg naar al de geheimzinnigheden, die het verdronken goud omgaven!
"De andere heeren zijn er al," fluisterde de vrouw van den kapitein-in-ruste.
Er was overigens niets geheimzinnigs aan deze dame; evenmin aan de kraaknette achterkamer, waar het lamplicht gedempt scheen over de tafel, waarom-heen behalve de gemoedelijke gastheer, nog drie andere bezoekers gezeten waren.
Ik lette onder het wederzijdsche kennismaken met nieuwsgierigheid op dit drietal.
Zij waren gekleed in nette uniformen, blauw laken met vergulde knoopen; een droeg de vier kapiteinsstrepen over den mouw, op zijn borst had hij gehecht een smal lint, in vele kleuren, doch geen orde-teekenen of medailles hingen daaraan.
Hij werd voorgesteld als de bevelvoerder van het vreemde bergingsschip de "Lyons".