{Illustratie: 37_snor.jpg}

Ik had hem reeds op zijn schip in de haven gezien; als een stevige veertiger had ik hem geschat, verzorgd zeeman met prettig gelaat, volstrekt niet zoo'n gewild onbehouwen zeemans-uiterlijk; zelfs waren ietwat verzorgd de einden van zijn snor tot twee punten gedraaid, die ver naar links en rechts uitpriemden.

Nu, van dichter-bij, zag ik zijn hoekigen neus en de fijne sterke kin; terwijl hij voorover leunde, zijn armen over de tafel gevouwen, het hoofd wat schuin boven zijn schouders vooruit gestoken, scheen hij me een prachtigen kerel, ondernemend type, een durf-al; maar tegelijk trof me zijn bedachtzame schranderheid, als hij het hoofd ophief en daarbij den jongensachtig-leuken kijk uit zijn licht-blauwe oogen.

Hij sprak een duidelijk, helder Engelsch; later bleek, hoe hij in zijn varensleven over alle zeeën van den aardbol had gezworven, zoodat hij zich ook wel in andere talen klaar en verstaanbaar wist uit te drukken.

De twee anderen, die ik eerst had aangezien voor den eerste en tweede officier van de "Lyons", werden nu ook voorgesteld; ze stonden wat stijf op, niet makkelijk in hun uniformpakken, en bij het hand-uitsteken drukte ik twee stevige eeltige handen.

{Illustratie: 38_ruw.jpg}

De eene vertoonde boven zijn correcte uniform een ruw gezicht, weinig verbrand maar verweerd; blonde knevel onder een zwaren neus; hij staarde wat quasi-achteloos voor zich uit, scheen zich niet op zijn plaats te voelen. Maar de ander, met z'n bol donker, glad-geschoren gelaat, glinsterde van Iersche oolijkheid; hij had, zooals hij daar naast zijn kameraad zat, schijnbaar iets overgenomen van diens onverschilligheid; maar hij bleek bij-de-pinken, want telkens als zijn kapitein hem in het gesprek mengde, had hij dadelijk en precies zijn antwoord klaar.

{Illustratie: 39_glad.jpg}

Ze bleken twee bekende duikers te zijn.

En nu gingen de vragen en antwoorden over hun duikersarbeid.

Dit gesprek?...

Ik zou er "Twintig Duizend Mijlen onder Zee" van Jules Verne of "De Roode Flibustier" van Falkland nog eens op na moeten lezen, om aan me zelf te controlearen, of die boeken-fantasie van een sterker bekoring was dan deze werkelijkheid!

Intusschen leek het, of dit alles de gemoedelijkste zaak ter wereld was.

We dronken een wijn-grogje en rookten een sigaartje, alsof het gesprek over een gezellig kletspraatje liep.

En toch spraken wij over een millioenen-schat van goud en zilver, begraven op den bodem der zee van het Terschellingsche strand. Daarover hadden deze duikers gewandeld, met hun handen hadden ze het goud bijna aangeraakt'

De kapitein vertelde, alsof het iets heel gewoons gold:

"De duikers hebben nu al twee groote kanonnen bovengebracht; vervolgens de twee ankers van de voorplecht, wegende ongeveer 4000 kilo; en dan hebben ze de plek gevonden, waar de ballastbrooden midscheeps liggen; en ook de moeilijk te naderen plek daarachter. Is 't zoo niet, Palmer?"

"Een roestlaag is 't, sir," antwoordde de eerste duiker.

"Een laag saâm-geroeste kogels, sir," vulde de tweede duiker aan.

De kapitein vertelde, hoe de zuigbuis van zijn schip inmiddels al een kuil had gezogen van 36 voet diepte, zoodat het wrak, dat op 48 voet diepte op een kleibank rustte, nu bijna geheel vrij van zand was. Telkens wanneer de groote buis omlaag werd gelaten boven het wrak, zoog ze verschillende voorwerpen van het wrak omhoog: spijkers, bouten, knoopen, kogels! — "Maar ook al een handje vol piasters!" zei de kapitein en zijn blauwe oogen lachten; hij knip-oogde naar ons.

Tegelijk stond onze gastheer op en ging naar de donkere voorkamer, vanwaar hij terug kwam met twee witte zakjes. Terwijl hij ze op de tafel plaatste, rinkelde het zachtjes. Nadat hij de touwtjes had losgemaakt, schudde hij beide zakjes leeg en hield een hand vol munten onder het lamplicht.

Het waren groote, zware zilverstukken, zwart en verweerd; één was er echter bij, pronkend blank met een glans zelfs van nieuwheid; om den beeltenaar stonden duidelijk de letters te lezen:

"Hispan; et. Ind. Rex."

Het waren Spaansche munten; heele, halve en kwart-piasters.

"Die eene heeft u zeker opgepoetst voor deze gelegenheid?" vroeg ik.

"Wel nee!" riep de oud-kapitein, ... "dat is juist het wonderlijke! ... Het eene oogenblik komt er een bonk roest boven, waaruit je met geweld de munten moet loshakken; ze zijn dan zoo zwart en vuil, dat je haast niet kunt uitmaken wat voor geldstuk het is. En een oogenblik later zuigt de buis een gave munt op, zooals deze, zoo, dat je zou zweren, dat-ie nog geen halven dag onder water gelegen heeft"

Toen de kapitein van de "Lyons":

"Een van de kanonnen, die de duikers vonden, hebben we geladen-en-wel boven water gehaald! De heele boel zat onder een laag roest; maar de laad-proppen, de kogel, zelfs het kruit, hebben we achter-een-volgens uit den loop gehaald... Ik wil niet beweren, dat we het kanon nog hadden kunnen afschieten, maar 't kruit was na meer dan een eeuw behoorlijk droog gebleven!"

Er scheen geen bepaalde plek te zijn, waar de geldstukken indertijd gezonken waren. En dit kwam volkomen uit met een mededeeling van omstreeks 1800; want toen men in die gouddagen de vaatjes met geldstukken trachtte op te visschen, had men dit zóó begeerig en onhandig gedaan, dat sommige vaten lossprongen en al hun geldswaarde weer omlaag stortte, zoodat de munten daar overal verspreid liggen op den zeebodem in de buurt van het wrak.

Trouwens, wat bekommerde men zich toentertijd om zoo'n handvol Spaansche matten?

Maar ook nu waren het geen Spaansche munten, waarnaar gezocht werd!

Men zocht immers naar de gouden en zilveren staven!

En gebogen, over het oude perkamenten kaartje, werd nu vastgesteld, dat de verborgen schat zich bevinden moest onder de dikke laag vastgeroeste kogels.

"Die kogels!" piekerde de kapitein, "die hinderen me meer dan me lief is!"

Zoo kwamen we te beraadslagen over de kogels, die daar nog beneden lagen.

Lang en ernstig praatten zij daarover. De duikers werden telkens in het gesprek betrokken, om inlichtingen te geven. Dan was het opvallend, hoe precies zij wisten te rapporteeren wàt zij daar op hun geheimzinnige, duistere tochten onder water gezien hadden.

Juist, zoo was 't immers geweest! De constabel- of ammunitie-kamer van de "Lutine" had zich boven de schatkamer in de piek van het schip bevonden. En als men van een bepaalde plaats van het wrak de oude kogels omhoog bracht, kon dit dus ook niet anders dan dezelfde plek zijn, waar de gouden en zilveren staven nog altijd lagen.

Toen stelde de kapitein de vraag, waarop het aankwam; lakoniek antwoordden de duikers er op.

"Die roestlaag, waarvan dus sprake is, en welke de vorige zoekers steeds onaangeroerd lieten, hebben jullie die ooit gevonden?"

"Yes, sir."

De kapitein schoof het verweerde schetskaartje naar hen toe:

"Wijs me eens waar die roestlaag ligt?" vroeg hij.

"Ziet u deze plek?... Dààr hebben wij hoofdzakelijk gezocht."

"Dit beteekent dus, dat de roestlaag, die men tot dusver onaangeroerd heeft gelaten, zich op de plek bevindt, waar de overblijfselen van de vroegere schatkamer liggen."

"Dus die roestlaag?"

"Is een laag kogels en kruit en roest, die een eeuw lang als deksel boven den verborgen schat dienst heeft gedaan!"

"Hoe groot is die laag?", vroeg de kapitein. Zijn oogen glinsterden bij een plotseling bedenksel.

"Twaalf meter lang en tien meter breed, sir!", antwoordde de eene duiker, de Ier, die tot dusver slechts met één oor scheen te luisteren, maar toch, zonder zich een oogenblik te bedenken, wist te antwoorden, hoe het er uit zag daar beneden bij het wrak, dat hij scheen te kennen als het binnenste van zijn zak.

"En de dikte?"

"Een meter, sir!"

"Hoeveel schat je het gewicht?"

"Honderd ton, sir," schatte de andere duiker, omdat zijn makker ditmaal even langer nadacht.

"Ik zou eerder zeggen: iets minder dan twee honderd ton, sir."

"We hebben 't!", zei kapitein Gardiner. "Ik wil er wat om verwedden, dat de roestlaag, die op dit kaartje bij het achterschip staat aangeduid, en die onze duikers telkens hebben betreden, de plaats moet zijn, waar we de zilveren en gouden staven van de 'Lutine' zullen vinden."

Hij zei dit niet opgewonden; maar langs zijn hoekigen neus boorden zijn twee lichte oogen; de sterke kin stak vooruit, alsof hij zoo toe wilde springen op den geheimzinnigen schat.

Ik dacht: als er ooit een kerel is, die het goud van den nukkigen zeebodem kan afhalen, dan moest hij het zijn!

"Morgenochtend vroeg, bij het eerst tij stoomt de "Lyons" er heen — en morgen brengen we de eerste staven boven!" mompelde de kapitein. Dit was ons wachtwoord; en zoo keerden we dien nacht naar het dorps-hotelletje terug.

De Engelsche kapitein en z'n twee duikers stapten naar het haventje, waar hun schip aan den steiger lag, de vuren aan, de smook kringelend uit de pijp, dadelijk klaar om zee te kiezen.

{Illustratie: 40_deur.jpg}

Onze gastheer sloot zorgvuldig de deur achter ons; vanwege zijn Spaansche matten, denk ik. En mijn reisvriend en ik kuierden naar ons hotelletje terug. Hij stak zijn arm door den mijne en kwam vertrouwelijk los.

"Mag ik je een raad geven?", zei hij gemoedelijk. "Je hebt nu den heelen avond hooren spreken over goud en millioenen — over millioenen en goud! En nu verwacht je stellig, morgen eindelijk den grooten schat te zullen zien?"

Twijfelde hij dan zelf?

"Maar de kapitein en z'n duikers.......", wilde ik opmerken.

"Zulke menschen zijn onbetaalbaar," antwoordde hij. "Met zijn schip ligt hij nu al een jaar bij Terschelling en bij elk geschikt weer stoomt hij naar buiten, naar de plek waar diep onder water het wrak ligt. Bij èlke nieuwe poging is de kapitein overtuigd, dat hij eindelijk zal slagen, het lang gezochte goud te vinden."

"Zoekt hij dan naar iets dat niet bestaat?"

"O! 't is mijn overtuiging, dat het goud zich nòg in het wrak van de "Lutine" bevindt. En ik ben er even zeker van, dat den een of anderen dag de pogingen zullen slagen. Zoodat de heele schat, die daar op den zeebodem ligt, te voorschijn gebracht zal worden. Maar..."

Hij brak zijn zin af. Ik vulde hem dus aan:

"Je rekent dus zelf niet vast op het resultaat van morgen?"

Hij gaf geen direct antwoord.

"We moesten nu maar gaan slapen... De kapitein is een man van z'n woord: eer hij uitstoomt, laat hij ons halen. En het zal zijn schuld niet zijn, als het morgen nog altijd de groote dag niet is!"


Maar slapen deed ik slecht in het primitieve Terschellingsche slaapkamertje, waar de houten wanden kraken, als de wind maar even over het duin zucht, en waar de sitsen gordijnen slecht sluiten voor de vensters.

Zoo kwam 't, dat de vuurtoren, die den naam draagt van "Brandaris", me met z'n lange statige lichtbundels, die als vier flitsende spaken van een onzichtbaar wiel door den hoogen donkeren nacht rondwentelen, me wakker hield, omdat zijn licht zich telkens door dien kier boorde. Dan dacht ik aan deze lichtpijlen, in hun onafgebroken rondzwaai langs heel den wijden horizon cirkelend, van den avond tot den morgen, en hoe ze telkens ook even moesten strijken langs de verre plek op zee, naar het westen, waar omlaag het "Lutine"-wrak lag.

's Morgens vroeg — 't grauwde nog van nanacht — werd er al aan de deur getikt van onze slaapkamer.

{Illustratie: 41_getikt.jpg}

'n Scheepsmaatje bracht de boodschap: "Over 'n half uur stoomt het schip naar buiten."

Binnen 't half uur waren we aan boord.

"U hadt niet behoeven te ontbijten; we gaan eerst stevig breakfasten, omdat we toch buiten de haven moeten wachten."

Met overleg en knippend z'n ooghoeken als een timmerman, die waterpas moet meten, scharrelde intusschen de loods de stoomboot het haventje uit.

't Is er wat krap, met niet veel water in de Terschellingsche haven.

"Nog wat lieboord!" zooals de lui hier zeggen... "Zoo!... En nou maar zwaaien met 't 't tij, en laat maar vallen je anker, tot we ons kistje met dynamiet aan boord hebben."

Wij zaten achter een stevig Engelsch ontbijt in de messroom, met den kapitein en z'n vrouw, den eersten officier en den eersten machinist en nog een jong Engelschman in politiek, die me werd voorgesteld als een fotograaf van een Engelsch dagblad, die hier aan boord vertoefde met de opdracht van zijn blad, net zoo lang op Terschelling te blijven tot hij de eerste goudstaaf van de "Lutine" voor zijn blad gefotografeerd zou hebben.

Zou 't vandaag zijn?

Maar het loodsje op de brug, nadat hij z'n pruim voor een sigaartje had verwisseld, trok zijn beweeglijke mondhoeken neer en tegen het optimisme van den kapitein in, beweerde-ie, dat de wind te vast zat in 't Noorden; dan had je buiten altijd veel last van water en beweging.

Langs het duin kwamen een paar mannetjes geloopen. De één droeg een klein kistje op den rug: dit moest zwaar zijn, want het gewicht drukte hem voorover en hij liep met voorzichtige zware stappen.

'n Roeibootje was al uit de davids neergelaten, roeide op het strand toe; nu kon je door den kijker zien, hoe 't kistje zorgzaam in de sloep werd gezet. Daarop roeide het bootje met regelmatig riemgeplas naar ons schip.

"Dat is dertig pond, die ze achter uit 't duin zijn wezen opgraven."

"Wat?"

"Dynamiet."

De kapitein krabbelde in het kaartenhuis op de brug al weer vlug een schets, zooals hij zich de roestlaag op het wrak voorstelde, en hoe hij die met zes dynamietpatronen deel voor deel aan stukken, zou laten springen.

"Wat zeg je van den wind?" vroeg ik het loodsje, dat rookte als een schoorsteen en meteen pruimde op het lurkje van z'n sigaar.

Buiten de kust deinden de golven in rumoerige gelederen aan.

"Als de wind naar het Oosten loopt!", zei de kapitein met zijn sjeuig optimisme, "dan kunnen meteen de duikers omlaag."

"D'r zit vuil aan de lucht," bromde het loodsje.

De duikers zaten op het voorschip hun duikerspakken in orde te brengen.

{Illustratie: 42_verdwijnt.jpg}

Als hoofdlooze lijken hingen de leege caoutchouckleeren te drogen. De koperen helmen werden in een van de kamertjes van het tweede dek bewaard; daar lagen ook de trossen en luchtbuizen, de gewichten en zware schoenen, die ze noodig hadden voor hun toilet. Want het is heel uitvoerig, zooals een duiker in de kleeren wordt gestoken. In zijn baaien ondergoed is hij gekleed, wanneer hij zijn beenen in de twee gummi-broekspijpen steekt, die van onderen in den vorm van een schoen afgesloten zijn; met moeite wringen ze hem het open borststuk over het bovenlichaam; zijn handen moet hij inzeepen om ze door de nauwe mouwen te doen glijden; dan wordt hem een soort koperen harnas over borst en schouders geschroefd, en daarover past de zware helm met twee glazen kijkgaten ter weerszijden, en een rond voorruitje, dat tot het laatste oogenblik wordt opengelaten.

Dan hangen ze hem nog stukken lood op borst en rug, en de zware schoenen worden hem aangegespt; in den gordel steekt het lange mes in de koperen schede; de trossen touw windt hij om het middel.

Zoo toegerust kan een duiker zich boven water bijna niet bewegen door al het gewicht, dat hij moet torsen; log, moeilijk, traag, werkt hij zich zelf over de verschansing heen, plonst voet voor voet het trapje af, tot hij onder water verdwijnt.

Er is al een zwaar gewicht uitgeworpen met een touw er aan, en daarlangs laat hij zich omlaag zakken, tot hij op den zeebodem is aangekomen.

Intusschen zendt de machinale luchtpomp hem geregeld lucht toe. En nauwlettend houdt een matroos bij de verschansing de wacht, met de lange luchtslang en het seintouw in de hand, om op elk teeken, dat de duiker van beneden zendt, onmiddellijk bedacht te zijn.

Zou er straks gedoken worden?

't Weer verslechterde!


We waren nu buitengaats. De zee wipte ons schip telkens op een golfkop omhoog, liet het schip dan weer met een plons omlaag glijden. Overal kwamen uit het Noorden de brekende golven aangerold; de witte koppen ravotten holder-bolder aan.

"'t Is wel geen zwaar weer," zei het loodsje, "maar windstil is toch anders."

{Illustratie: 43_dobberden.jpg}

Toen dobberde daar midden in de wilde zee een tonnetje op-en-neer. En iets verder danste, telkens als het deinende water viel, een puntstok omhoog; en daar opzij danste nog een boei:

Vòòr op de plecht rammelde het anker; de stoomlier stond dreunend te zuigeren bij het anker-vieren.

"Hier is 't!"

We dobberden boven de plek, waar het "Lutine"-wrak gezonken lag.

Er was niets te zien. Niets scheen in deze wijde oneindigheid van zee te zijn, teneinde eenig houvast te geven aan de verbeelding. Alleen de boeien dansten onrustig op-en-neer. Bij elk dal, dat zich vormde tusschen twee waterbergen, kwam de dobberende stok boven water.

Anders was hier niets te zien.

O! hoe scheen die roerige zee nu heerlijk brutaal met ons te spotten, en hoe veilig verborg en bewaarde ze haar schat!

Slechts één kleine plek scheen zich in den rumoerigen warrel der golven vlak te strijken, een oppervlak van nog geen tien meter in het vierkant, zoodat de kapitein er mijn aandacht op moest vestigen. Daaromheen joegen de golven voor den wind uit en stootten op de zandbank; overal wringelde hun wilde beweging door het water. Hier, op deze plek, was de diepe kuil in het zand gezogen en daarboven braken dus de eindelooze golven niet tot schuim.

Dit was alles...

De zee rondom verhief zich allengs tot driftiger beweging.

"Zal er gedoken worden?"

Eèn van de Engelsche duikers was door den kapitein op de brug geroepen; die had even naar de lucht gekeken en naar het woelige water; toen had hij van "neen" geschud.

"Haal maar op je anker!" commandeerde het loodsje. En terwijl hij een nieuwe pruim nam, stuurde hij het schip naar de haven terug.

"Straks loopt de wind naar het Oosten," mompelde de kapitein.

"De wind zit vast", zei de ander. "En àls-ie verandert, kruipt-ie naar 't Westen."


's Avonds gierde de wind nog uit het Noorden.

Zoodat het er heel druk en knus was in het hotelletje, waar de eerste officier van het schip en de fotograaf van het Engelsche blad met toewijding tegen de biljartballen stootten; waar de notabelen skat speelden; waar wij onzen troost zochten bij het klik-klak van eindelooze spelletjes domino.

Tusschen dit verzetje door werd een algemeen gesprek gevoerd. Dat liep altijd maar weer over den verborgen schat in zee.

"'t Zal 'n verlies zijn voor Terschelling als ze die millioenen ophalen!"

Dadelijk 'n ander.

"Ophalen?... Geen cent zit d'r meer in dat wrak!"

En weer 'n ander:

"Ik geef d'r grif 'n voorschot op!"

Terwijl buiten 'n regenbui over de duinen striemt en over het dorpje kletst, zwaait de onaandoenlijke "Brandaris" zijn vier verre lichtstrepen over de zee, welks horizon hij in onmetelijken kring rondcirkelt.

Zoo gaan we vroeg naar bed.

En daar is dan weer het krakende hout van de beschotten. En ook is er nog de kier in het gordijn.

En ik dommel in, terwijl ik droom hoe we den volgenden dag meer geluk zullen hebben.


Doch den volgenden dag gaat het duikerschip in het geheel niet uit.

"Straks zal de wind wel naar het Oosten schieten", voorspelt de kapitein.

Maar het loodsje loopt langs den wal; zijn handen diep in de zakken van zijn stijve broekspijpen; hij kent den wind en 't water en 't tij al zoo lang.

{Illustratie: 44_zakken.jpg}

"Da's voorloopig mis met de "Lutine"."


En den daarop-volgenden dag is de wind nog nukkiger.

Weer 'n dag later schijnt hij te willen ruimen. Maar dan krimpt hij hoe langer hoe meer. Tot hij pal noord-west blaast. 'n Holle zee. En wit van schuim raast het boven de buitengronden.

Zoo moeten we dan den eenen dag na den anderen werkeloos wachten. Maar uit den zwarten rand van de gele pijp van het duikerschip in de haven rafelt de rook, omdat de machines dag en nacht stoom-op houden.

Zoodra bedaart de wind, en ligt de zee wat vlakker, of 't gaat immers naar buiten!

Dan wringt het loodsje de boot de haven weer uit, en 't gaat weer den Spathoek om, den Stortemelker voorbij, de buitengronden over, tot waar de boeien dobberen boven de vreemd-stille plek in zee...

Maar zóó lang heb ik niet gewacht.

Ik heb jullie toch vantevoren gezegd, dat mijn verhaal spannend begon, maar nuchter eindigt?

We moesten eindelijk de terugreis wel aanvaarden. Tot verbazing van den kapitein. Had hij al niet bijna een jaar zijn geduld geoefend? Had hij niet telkens gewacht op het gunstige weer, en dan gevischt! En als de wind om was, had hij dan weer niet geduldig gewacht, tot morgen en overmorgen.

't Goud lag daar immers te wachten!

Wachtte het al niet honderd jaren?

Men had nu, dank zij het oude perkamenten kaartje, de plek ontdekt, waar de schat verborgen lag, beneden de roestlaag, tot één geweldigen vloer verhard.

Was er niet alle zekerheid, dat de gouden en zilveren staven daaronder lagen?

Eèn lading dynamiet, en dit dekschild zou aan splinters slaan.

En daaronder zou dan immers de schat bloot liggen, slechts voor het oprapen, de millioenen van de "Lutine", bestemd voor den gelukkigen volhardenden zoeker!

De kapitein liet ons gaan. Wanneer we dan niet langer konden blijven wachten op Terschelling, zou hij ons een telegram nazenden naar Amsterdam, zoodra hij de eerste goudstaaf zou gevonden hebben...

Ik reisde met mijn vriend den langen weg terug, weer naar Harlingen, per trein naar Leeuwarden, en zoo op huis aan.

Voelden wij ons als teleurgestelde schatzoekers?

Neen! Mijn reisgenoot allerminst!

Dit was niet z'n eerste tocht geweest naar Terschelling, en hij zou er nog wel meermalen moeten heen reizen. Uit zijn brieventasch vol documenten zou hij wellicht weer andere stukken opdiepen, geel van ouderdom, maar telkens belangrijk, om de nieuwe verwachting, die ze zouden wekken.

En ik?... Ik was evenmin teleurgesteld.

Ik wacht slechts op het beloofde telegram.

Maar ik wacht nog steeds.

Ik ben overtuigd, dat het komen zal.

En dan?... Dan zal ik voor jullie het slothoofdstuk schrijven over het "Lutine"-wrak, en zooals de zee met halsstarrigheid haar schat bewaakt heeft, doch hoe zij dien ten laatste toch heeft moeten afstaan aan de menschen.

Dàn zal ik me kunnen voorstellen, hoe op het kleine ver-affe Terschelling de kantige, geweldige "Brandaris" zich als een vlammend uitroepteeken omhoog zal heffen ter eere van den schat, die het meer dan een eeuw aan zijn kust belichtte.

Hoelang zal dit nog duren?

Hoelang nog, eer ik voor jullie het jongensboek met het volledige verhaal van de "Lutine" mag schrijven?





VERHAAL van/een ZEILTOCHT dat zoo vroolijk begint en zo droevig eindigt {Illustratie} [Illustratie: VERHAAL van/een ZEILTOCHT dat zoo vroolijk begint en zo droevig eindigt]

Ik stond met Hendrik op de plecht van onze zeilboot. Hendrik was de schipper, de patentste, de meest bevaren, de wel-bespraaktste schipper, die jullie je kunt voorstellen. Het schip dreef lui en log met het langzame tij af. We hadden niets anders te doen, dan den wacht houden bij het ankerspil. Slechts van tijd tot tijd moesten we de armen uit de mouwen steken om den spilbout aan te vatten. Maar den meesten tijd hadden we er het luieren toe te doen. De boot dreef immers van zelf! En dan kortte Hendrik zich en mij den tijd met z'n schippers-verhalen. Daarbij verschoof hij regelmatig z'n tabaks-pruimpje van de linker- naar de rechterwang.

Zoo raakte hij dan, met bei' z'n armen leunend over den spilbout, aan het babbelen. Hij begon met zijn onafscheidelijk, half grinnekend, half ernstig stopwoordje van "Kcha! kcha!" dat hij steeds gebruikte, als hij met een van zijn schippers-verhalen begon.

"Kcha! kcha!... Hendrik kan van alles!... daarveur is 't-ie z'n leven lang schipper 'eweest. En zoo'n zeilbootje bouwen, dat leeren wijlui waterschippers zoo met 't waaien mee!"

Hij ving zijn verhaal aan. Dat waren altijd van die kneuterige verhalen, waarnaar ik telkens weer genoegelijk stond te luisteren. Ik leunde naast hem, ook met beide handen gesteund tegen den tweeden spilstok. En je zit daar maar wat best tot luisteren op zoo'n bolder.

Hij begon te vertellen.

"Laat me je nou vertelle van m'n notarisbootje. Ik heb d'r net an verdiend wat ik d'r an verdiene wou, en "dank je nog wel, Hendrik!" zei de ouwe notaris toen ik 'm 'n hand reikte om 'm met z'n karkas in z'n eige bootje te helpen, want eigelijk was 't bootje voor z'n zoon, die door Onze Lieve Heer met 'n bochel was geschape."

"Wat was dat wel voor 'n scheepje?" vroeg ik; want ik stelde hoegenaamd geen belang in een, mij onbekenden, notaris, maar wel in het bootje, door Hendrik op stapel gezet.

"Dat was nou 'n niet te groote sloep, m'neer," begon Hendrik peinzend, en hij scheen zich nog iets anders dan z'n schepping te herinneren, "ik had d'r 'n mastje bijgemaakt met touwwerk en zeil, en groen in de verf met 'n knap wit biesje langs de boorden.

{Illustratie: 46_hand.jpg}

'n Bootje, meneer, om alles mee te ondernemen; om mee te roeien, want de riemen had ik er bij gemaakt; om in te visschen, want 'n aardig kaartje met gaatjes als een zeef had 'k er midden-in geprutst; om mee te zeilen, want de zwaardjes hingen 'm links en rechts langs z'n ribbekes. Nee, 'n kiel had ik 'm niet 'egeven, want de notaris wou juist 't bootje hebben, om te visschen, zonder nou altijd met z'n bottines aan de waterkant te staan. En vandaar de boot, dat ziet m'neer zoo.

{Illustratie: 47_zolder.jpg}

"Notaris!" zeit Hendrik, "je zult je bootje hebben, eer de rematiek je langs je beenen sluipt." Meteen Hendrik aan 't prakkiseeren. Eerst was daar de vrouw en ... 't hout. De vrouw doet altijd wat opstandig as ik daar met zoo'n warm plannetje thuis lei. — "Wat zit je weer op 'n houtje te knabbelen, Hendrik?" oproerde ze. Maar ik zei niks anders dan: "Hou jij d'r je gezicht nou 's buiten. Hendrik prakkiseert hoe ie 't zal flikken." Toen hadden we drie weken ondeugend weer in de kajuit, want ze wou weten, waartoe ik al die planken 't vlieringtrappie opsjouwde. Maar Hendrik had 'n handbalk over 't luik geleid, en as ze d'r van benee' 'an kwam rommelen, hield Hendrik z'n eige sjakes."

't Schippertje glunderde bij de herinnering; hij verschoof z'n pruimpje, en omdat de schuit nog recht op den stroom verder treuzelde, had hij niet beter te doen dan doorpraten.

"Drie weken heb ik 'ezeid, is 't niet m'eneer? Nou dan! 't Benne d'r nog geen zeuventien daagjes 'eweest, of ie stond al droog in de groene verf en glimmend in de vernis as 'n penantkast in de poelitoer. Ik sla 't luik met 'n spijker dicht, want m'n wijf lei maar te zaniken van de rommel die Hendrik op zolder had 'emaakt. Maar ik schuif zoo op m'n toffels naar 't "Witte Paard," en ik roep: "Kcha! kcha! jonges, wie drinkt d'r eerst 'n glaasje bier voor de notaris z'n cente, en steekt dan 'n handje uit om Hendrik te helpen?" Zoo krijg ik wel 'n half dozijn van die kaajschippers mee. — "Wat is d'r loos, Hendrik?" vragen ze me buiten! Maar ik zeg alleenig maar: "Hebben jullie ooit een schip op zolder 'ezien, jonges?"

{Illustratie: 48_rondje.jpg}

— "Wat wil die nou!" stoeien ze. Tot ik ze 'n dubbele lijn in d'r handen gaf. — "Nou strak houwe, manne, en zachtjes aan, dat jullie me moeders schoorsteen niet mee omlaag halen." M'n wijf stond met 'n gezicht as 'n vuile lucht an 't vlieringtrappie te sjagrijnen. "Skiet nou op", lach ik inwendig, "as je wat zien wilt wat je nooit 'ezien heb, wijf, steek je temet je hoofd tusschen je kozijnblommetjes, want daar zweeft d'r 'n boot omlaag." Ik tippel naar boven, sla 'n takel uit, wikkel 'n tros om de boot, en steek m'n pet door 't zolderraam. "Kenne we al halen, Hendrik?" roepen m'n mannen van benee. "Ho!" schreeuw ik kwaad terug, want ik had vergeten de maat te nemen van 't venstergat. En m'n boot kon d'r niet door. "'n Momentje, jonges! en hou 't lijntje maar zoolang strak!" Want ik was toch zoo kwaad van binnen, dat m'n wijf nog zou triomfeeren. En ik neem m'n gereedschap en ik hak zoo 't heele venster met sponning en al an splinters, en 'n paar ouwe pannen kieper ik net op den neus van m'n toffel, en wat spanten van 't dak zaag ik door. 't Was maar 'n arm huur-huizie, mot u redeneere, m'neer, en dat dak zat er toch maar zoowat bovenop 'ekleefd. Later heb ik 't al weer eigenhandig bijgepriemd. Maar ik schreeuw: "Nou, jonges, laat 'm zweven!" En meteen halen ze 't lijntje door de takel en schiet me de boot de ruimte in!"

't Schippertje kletste van de pret 'n hand op z'n knie. Hij mikte 'n langen bruinen straal over 't ankerspil en grinnikte z'n plezier uit met z'n gekke: "Kcha! kcha!", hetgeen krek op 'n spottenden eksterroep leek.

{Illustratie: 49_takel.jpg}

"En je vrouw, Hendrik!"

"Eerst wille we 't anker wat halen, m'neer", raadde Hendrik. En onder het inplanten van den spilbout in het vierkante gat van 't spilblok, grinnikte hij, glunderend van binnenpret: "M'n vrouw, m'neer? Die heeft Hendrik in geen vier dagen thuis 'ezien, want we benne 't bootje met 'n paardje wezen rije naar m'neer de notaris... Dat vertel ik je temet. Eerst je anker vieren, m'neer. Hup! twee! .... hup! twee!"

Het zware anker was met rinkelend geweld omlaag gedreund; daarna hadden Hendrik en ik uit alle macht onze beide spilbouten in het blok gestoken, om den roestigen ketting rond het blok te winden, wijl de schuit weer op stroom was komen drijven.

Hendrik, daarna de houding aannemende van een, op zijn wapen rustenden hellebardier, bekauwde z'n porteriekje, en vroeg waaraan hij was toegekomen.

"Je zou dat nieuwe bootje voor den notaris immers naar 'm toe rijden, was je aan 't vertellen?"

" Juustement, m'neer, dat nieuwe bootje, dat ik voor dat bochelzoontje van de notaris had 'emaakt, zou ik d'r heen rijje, want vare was te ver, en ook vanwege 't vernis, want zóó'n glimming heb u nou nooit of nergens 'ezien als om die schuit straalde!"

Hij droogde zich het dampende voorhoofd, want Hendrik had tot gewoonte, zich bij elke werkzaamheid van pure opgewondenheid in het zweet te zwoegen.

"Toen de boot dan in de lucht hong, as 'n vlieger an z'n touw, krijg ik de ingeving. M'n wijf stond d'r tramontanen te zamelen achter de horretjes, maar ik schreeuwde omlaag naar de schippers: "Leg effe jullie lijntje om die boom, dan ben ik zoo beneej'." En mèt stond ik bij ze omlaag. "As ik nou 'n kar met peerd had, dan zouen jullie pas lachen!" zei de gek. Want ze stingen al maar vroolijkheidjes te maken naar die zweefboot, alsof die zoo van 'n karmisspul was. Eén laat de lijn los en roept naar me: "Je zel je kar hewwe, Hendrik!"

De andere jonges goggelen naar me: "Wat let ons, of we late je lijn skiete, en je bootje left an schilvers asse we met z'n alle niet magge mee rije!" — "Houw jullie de lijn stijf, en al de manne magge mee in de boot óp de kar!" zeg ik eerlijk terug; want 't waren zoowat goeiïge hajebaje, die wel erris 'n verzetje mochte. Daar steekt m'n vrouw d'r hoofd uit tusschen de reseda's: "Jij gaat niet mee, Hendrik!" gilt ze. Maar meteen late de jonges de lijn door de takel vieren, en skiet me die boot bijna twee vaam omlaag. En zij d'r hoofd weer 'eborgen achter d'r horretjes. Rijdt me al peerd en wagen veer; die drieste makker op de bok. En wij met z'n alle de boot op de wagen 'epast en vast'esjord en Hendrik kommendeeren as in 'n oorlogssloep: "An de rieme! en met Gods zegen, — drieéje!"

Zoo rijje we ons steegje uit, en koope 'n graantje in 't "Witte Hert," en rijje fijn de straat door, en koope 'n graantje op de hoek, waar 't ruite-wapen uithangt, en rijje de heele stad door, en legge overal aan, en koope overal effe 'n klein glaasje van 't een of ander, want de notaris had 'ezeid dat-ie zelf de transport-kosten wou dragen. Nou, we zitte daar in die boot, net asse matrozen, maar de riemen hieuw ik weg 'eborgen, want d'r zou geen spatje aan 't spul bederven, eer Hendrik de boot had afgeleverd. We rijje 'n lange weg, en we rijje perjuu nog wel een eindje om ook, en as 't zoo pas geeft, roept Hendrik naar die drieste koetsier voorop: "Hou' nou 's je peerd in, man, want we raken buuten asem van 't roeien!" En daar sting dan altijd wel, as Hendrik liet strijken, 'n gelegenheid voor 'n dorstig varensman."

{Illustratie: 50_wagen.jpg}

Hendrik's glimmende kop was nu een en al gegrinnik van herinneringspret; den spilbout had hij laten zakken, achter zich, en langzaam daarmee bewegende, wees hij: "Zoo stond Hendrik achter in de boot, as 'n stuurman an z'n roer, en die manne op de roeibankjes, en dat alles boven op de kar; op 't nokkie zat de koetsier, met 'n merakelschebrom in. Maar we kwamen d'r. En 't was nog knap vroeg, met nog geen streepie licht an 't duuster. Toen kommedeert Hendrik: "Vast, manne! nou 'ezwegen, of jullie verbeurt je handgeld!" En stil as nonnetjes rijdt me de kar de tuin van de notaris binnen, net voor de slaapkamer van de jongeheer met z'n bult, want voor die was 't presentje bestemd. Zoo benne we daar zitten blijven, tot 't boven wat begon te klare; de rieme buiten boord, 't zeiltje 'eheschen, 't fokkie voor an de mast, en allemaal zwijgen as moffe uit 't beeldespul.

{Illustratie: 51_verbaasd.jpg}

Wordt eerst de notaris wakker, wrijft zich zijn oogen uit, zet zich z'n fok op, en schuift me van verbouwereerdheid 't raam open... "Wat is dàt nou!" — "Je bootje, m'neer de notaris!" salueer ik en al m'n manne make groot-saluut, as de jongeneer van Hendriks stem wakker wor' en in z'n slaaphempie voor de ramen komt dansen. "M'n komplement!" zeit de notaris, "'t lijkent me 'n knap stuk werk, maar hoe prakkiseer je 't, Hendrik, om zonder water te raken die boot hier 'n m'n tuin te rijje?" — "We rijjen 'm ook nog voor je te water, notaris, maar eerst wou ik je op je nuchtere maag laten genieten van de vernis!" En ik schreeuw naar m'n koetsier, die te slaapknikken zit: "Vor-uit, drieste, naar de waterkant; en jullie zette me de boot te water, zonder dat d'r 'n krasje an mankeert!"... Die notaris, wat 'n man van ervaring was, neemt Hendrik ampart en zeit tegen me: "Die mannen die je 'eholpen hebben, Hendrik, late die 'n glazie bier gaan drinken op je gezondheid en op mijn rekening." — "Dat hebbe ze al 'edaan, m'neer de notaris," tik ik an m'n petrand; "we bennen zoo al 'n dag an 't manevreeren met uwé's bootje, en 't kan nog knap 'n dag extra worre eer we weer bij moeder thuis legge, want zoolang as ik nou al vaar, en toch ben ik al als klein kind op 'n skuit 'eboren, heb ik nog nooit of ooit 'n schip over de weg zien rije. Of wat jij, m'neer de notaris?"

Hier moest Hendrik weer den ketting vieren, want ons drijvend schip was dwarsstroom gegleden, en juist moest het met wetenschap om een der uitstekende strekdammen geloodst worden.

Waarvan Hendrik zich met rusteloos gepruim en met vele pareltjes op z'n rooden kop verdienstelijk kweet. Slechts had hij nog den tijd, me het eind van z'n verhaal aan te kondigen:

"Met lachen waren we begonnen, maar met huilen benne we geëindigd. As ik je dat straks vertel, m'neer, moet je naar Hendrik luisteren. Maar zou je nou niet eerst dat ankertje voor me willen tillen, want met je tweeën werk je as met m'ziek, zooas de kapelmeester blieft te zeggen. En uit die eigenste boot van Hendrik is dat bocheltje van de notaris nog geen week daarna komme te verdrinke!... Haal toch door je spil, m'neer, hup twee! ... hup twee!"

't Was avond geworden; onze schuit lag stil op de rivier, en stevig voor anker, — waarvoor Hendrik trouwelijk gezorgd had. De ankerketting stond strak. Met geluidlooze sidderingen wrong zich het immer stroomende water langs de schakels, zoog de boorden van het schip langs, teekende grillige figuren over de rivier. We keken ernaar, zwijgend uitrustend na ons eindeloos gestoei met de rivier, die onze drijvende schuit maar geen oogenblik met rust had willen laten. Later raakte Hendrik toch weer aan den praat, — hetgeen hij niet kon en wou laten, noch onder het werk aan roer of spilblok; noch onder het poozend kringetjes-spuwen bij avond-stemming genieten op de rappe rivier.

"Je liet je verhaal liggen, Hendrik, nadat je dat bootje had afgeleverd aan den notaris."

"'t Is niet eens 'n verhààl!" piekerde nu Hendrik, na den arbeid rustig gezeten, en ook voor het eerst dien dag de handen in zijn diepe schippers-broek-zakken gedompeld. "As 't nou nog 'n verhaal 'eweest was! Maar de warentigheid is nooit lang zoo aardig niet. Nou, luister dan 's zelf, m'neer, hoe 't met Hendrik z'n bootje 'egaan is."

"Met de schippers-kameraden an den rol gebleven? tot je met de kous op den kop bij moeder-de-vrouw weer thuis kwam?"

"Kcha! kcha! is dat nou 'n verhaal, om zoolang daarna nog na te vertellen?" dee Hendrik. Er klonk iets van minachting bij mijn waardeering van z'n schippers-bedrijf uit zijn woorden. "Dàt kome wel meer veur! Zaturdaags poets je dat wel weer in 't reine, asse de vrouwtjes 'n handvol met blanke daalders in d'r boezelaar ziene leggen. Zoo benne ze allemaal, m'neer, mot je nog van Hendrik leere?"

Het schippertje bleef peinzend voor zich uit staren. Toen in-eens kwam het slot van zijn schippersverhaal over de eigen-gemaakte boot.

"Zoo is 't d'r toen verder mee gegaan, m'neer," haastte hij zich blijkbaar. "Ik lag nog geen week thuis, of d'r was al 'n pampier-schrijven van de notaris; de schoolmeester heeft 't me net zoo veur 'elezen, en of Hendrik de volgende week zoo vrindelijk wou wezen, om bij m'neer de notaris te komme, want dat dan die jong z'n jaardag vierde, met z'n ronde ruggetje, en dat die kwajonge as eenig verlangen 'n zeilpartijtje begeerde. Nou, die notaris was me ook geen schippersvak 'ewend, dat had ik van wel vroeger 'emerkt; die 'ebruikte z'n bootje alleenig maar tot visscherswerk. Maar Hendrik had 'm toch 'n bootje 'ebouwd, dat juustement rank 'enog op 't water lei', om zonder al te veel jan-klaasen 'n aardig gangetje te zeilen.