3 Zie, bij voorbeeld, majoor W. Ross King („The Sportsman in Canada”, 1866, blz. 53, 131) over de gewoonten van den eland en het wilde rendier. ↑
8 Omtrent den zeeolifant, zie een artikel door Lesson, in „Dict. Class. Hist. Nat.”, tome XIII, blz. 418. Omtrent de Cystophora of Stemmatopus, zie Dr. Dekay, „Annals of Lyceum of Nat. Hist. New-York”, vol. I, 1824, blz. 94. Pennant heeft ook inlichtingen omtrent dit dier bij robbenvangers ingewonnen. De volledigste mededeelingen worden door den heer Brown, die den rudimentairen toestand van de blaas bij het wijfje betwijfelt, gedaan in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 435. ↑
9 Zooals bij het bevergeil (castoreum) van den bever; zie het hoogst belangwekkende werk van den heer L. H. Morgan, „The American Beaver”, 1868, blz. 300. Pallas („Spic. Zoolog.”, fasc. VIII, 1779, blz. 23) heeft de riekende stoffen afscheidende klieren der zoogdieren grondig besproken. Owen („Anat. of Vertebrates”, vol. III, blz. 634) behandelt deze klieren insgelijks met insluiting van die van den olifant en (blz. 763) die van de spitsmuis. ↑
10 Rengger, „Naturgeschichte der Säugethiere von Paraguay”, 1830, blz. 355. Deze waarnemer deelt ook eenige merkwaardige bijzonderheden mede omtrent den voortgebrachten geur. ↑
11 Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 632. Zie ook Dr. Murie’s waarnemingen omtrent hun klieren in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1870, blz. 340. Desmarest, over Antilope subgutturosa, „Mammalogie”, 1820, blz. 445. ↑
12 Pallas, „Spicilegia Zoolog.”, fasc. XIII, 1799, blz. 24; Desmoulins, „Dict. Class. d’Hist. Nat.”, tome III, blz. 586. ↑
14 Judge Caton over het Wapiti-hert, „Transact. Ottawa Acad. Nat. Sciences”, 1868, blz. 36, 40; Blyth, „Land and Water”, over Capra aegagrus, 1867, blz. 37. ↑
18 Zie de hoofdstukken over deze verschillende dieren in Deel I van mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”; ook Deel II, blz. 98; ook hoofdstuk XX, over de uitoefening van teeltkeus door half beschaafde volken. Omtrent de Berbura-geit, zie Dr. Gray, „Catalogue”, ibid., blz. 157. ↑
19 J. A. Allen, in „Bulletin of Mus. Comp. Zoolog. of Cambridge, United States”, 1869, blz. 207. De heer Dobson over seksueele kenmerken bij de Chiroptera, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1873, blz. 241. Dr. Gray over luiaards, ibid., 1871, blz. 436. ↑
20 Osphranter rufus, Gould, „Mammals of Australia”, vol. II, 1863. Omtrent de Didelphys, Desmarest, „Mammalogie”, blz. 256. ↑
21 „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, Nov. 1867, blz. 325. Omtrent Mus minutus, Desmarest, „Mammalogie”, blz. 304. ↑
24 Dr. Murie over den zeeleeuw (Otaria), „Proc. Zool. Soc.”, blz. 108. De heer R. Brown, over de P. Groenlandica, ibid., 1868, blz. 417. Zie ook omtrent de kleuren van robben, Desmarest, ibid, blz. 243, 249. ↑
26 Dr. Gray, „Cat. of Mamm. in Brit. Mus.”, part III, 1852, blz. 134–142; ook Dr. Gray, „Gleanings from the Menagery of Knowsley”, waarin een prachtige afbeelding van Oreas Derbianus voorkomt: zie den tekst over Tragelaphus. Omtrent den Kaapschen Eland (Oreas canna), zie Andrew Smith, „Zoology of S. Africa”, pl. 41 en 42. Er zijn ook vele van deze antilopen in den Londenschen dierentuin. ↑
27 Omtrent de de Ant. nigra, zie „Proc. Zool. Soc.”, 1850, blz. 133. Omtrent een verwante soort bij welke een gelijk seksueel kleurverschil bestaat, zie Sir Samuel Baker, „The Albert Nyanza”, 1866, vol. II, blz. 327. Voor de A. sing-sing, Gray, „Cat. B. Mus.” blz. 100. Desmarest, „Mammalogie”, blz. 468, over A. caama; Andrew Smith, „Zoology of S. Africa”, over den gnoe. ↑
29 S. Müller over den Banteng, „Zoogd. Indischen Archipel”, 1839–1844, tab. 35; zie ook Raffles, aangehaald door Dr. Gray in „Land and Water”, 1867, blz. 476. Omtrent geiten, Dr. Gray, „Cat. Brit. Mus.”, blz. 146; Desmarest, „Mammalogie”, blz. 482. Omtrent Cervus paludosus, Rengger, ibid., blz. 345. ↑
30 Sclater, „Proc. Zool. Soc.”, 1866, blz. 1. Het zelfde feit is ook door de heeren Pollen en van Dam volkomen bevestigd. ↑
31 Omtrent Mycetes, Rengger, ibid., blz. 14; en Brehm, „Illustrirtes Thierleben”, Bd. I, blz. 96, 107. Omtrent Ateles, Desmarest, „Mammalogie”, blz. 75. Omtrent Hylobates, Blyth, „Land and Water”, 1867, blz. 135. Omtrent Semnopithecus, S. Müller, „Zoogd. Indischen Archipel”, tab. X. ↑
32 Gervais, „Hist. Nat. des Mammifères”, 1854, blz. 103. Afbeeldingen worden gegeven van den schedel van het mannetje. Desmarest, „Mammalogie”, blz. 70. Geoffroy St. Hilaire en Cuvier, „Hist. Nat. des Mamm.”, 1824, tome I. ↑
37 „Novae species Quadrupedum e Glirium ordine”, 1778, blz. 7. Het dier dat ik ree heb genoemd, is Capreolus Sibericus subecaudatus van Pallas. ↑
39 Zie de fraaie platen in A. Smith’s „Zoology of S. Africa”, en Dr. Gray’s „Gleanings from the Menagery of Knowsley.” ↑
42 Dr. Gray, „Gleanings from the Menagery of Knowsley”, blz. 64. De heer Blyth („Land and Water”, 1869, blz. 42) zegt, van het zwijnshert van Ceylon sprekende, dat het helderder witte vlekken heeft dan het gewone zwijnshert, in het jaargetijde waarin het nieuwe horens krijgt. ↑
43 Falconer en Cautley, „Proc. Geolog. Soc.”, 1843; en Falconer’s „Pal. Memoirs”, vol. I, blz 296. ↑
46 „Proc. Zool. Soc.”, 1862, blz. 164. Zie ook Dr. Hartmann, „Ann. d. Landw.” Bd. XLIII, blz. 222. ↑
47 Ik nam dit feit waar in den Londenschen dierentuin; en talrijke voorbeelden er van kan men zien op de gekleurde platen in Geoffroy St. Hilaire en F. Cuvier, „Hist. Nat. des Mammifères”, tome II, 1824. ↑
49 Ik heb de meeste der bovengenoemde apen in den Londenschen dierentuin gezien. De beschrijving van den Semnopithecus nemaeus is ontleend aan den heer W. C. Martin, in zijn „Nat. Hist. of Mammalia”, 1841, blz. 460; zie ook blz. 475, 523. ↑
51 Dit is onjuist. Het vocht wordt door bijzondere klieren van aanmerkelijke grootte afgescheiden, die zich in den mastdarm openen en door een bijzondere spier kunnen worden samengetrokken. ↑
52 In de geologische opeenvolging vertoonen zich de Pachydermata vroeger dan de Ruminantia met welke zij door de Anoplotheroiden zijn verbonden. De stamouders der Ruminantia waren naar alle waarschijnlijkheid fossiele Pachydermata. Men vergelijke Dr. T. C. Winkler, „De Paleontologische Geschiedenis der Hoefdieren”, in „Alb. d. Nat”, 1881, blz. 197, 244, en voor het genetisch verband tusschen levende en uitgestorven zoogdieren in het algemeen, vooral ook Prof. O. Smidt, „Die Säugethiere in ihrem Verhältnisse zur Vorwelt”, Leipzig, Brockhaus, 1884 („Internat. wiss. Bibl.”, Bd. LXV). ↑
53 „Humboldt”, Jahrg. 1885 en 1886. Düsing, „Humboldt”, Nov. 1887 en Sept. 1888, Eimer, „Untersuchungen über das Variiren der Mauereidechse”, Berlin, 1881, Düsing, „Über die Färbung der Thiere”, „Kosmos”, 1886, Bd. II, blz. 382. In „Humboldt”, Oct. 1887, toont Eimer aan, dat ook Kerschner’s onderzoekingen omtrent het vederkleed der vogels zijn stelling bevestigen. ↑