WeRead Powered by ReaderPub
Beknopte geschiedenis van het vaderland cover

Beknopte geschiedenis van het vaderland

Chapter 22: § 21.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Het werk biedt een beknopt chronologisch overzicht van het gebied dat nu Nederland heet, begint bij geografische kenmerken, prehistorische bewoning en Romeinse overheersing, en behandelt vervolgens de vroege middeleeuwse vestiging van Germaanse stammen, de ontwikkeling van feodale verhoudingen en de opkomst van regionale graven en hertogen. Het volgt Bourgondische en Habsburgse bestuurlijke perioden, de religieuze en politieke spanningen die tot een opstand en de vorming van een republiek leidden, en beschrijft de republikeinse staatsinrichting, maritieme macht, commerciële expansie via compagnieën en de grote Europese conflicten. De tekst sluit af met de neergang van de Republiek, Franse overheersing en de totstandkoming van een moderne monarchie in de 19de eeuw.

§ 20.

De hernieuwing van den oorlog na het bestand.—De oprichting der West-Indische compagnie.—De aanslag op het leven van Maurits en zijn dood.

Nadat Hogerbeets en de Groot met hun vonnis waren bekend gemaakt, werden zij in Juni 1619 naar het slot Loevestein (bij de samenvloeiing van Maas en Waal, in ’t z.w. van Gelderland) overgebracht. Hogerbeets bleef hier tot Maurits’ dood. Toen vergunde men hem, zijn verdere levensdagen onder toezicht te slijten in een buitenhuis nabij Wassenaar (niet ver van Leiden). Hugo de Groot wijdde zich op Loevestein aan de studiën en aan de vervaardiging van eenige dier werken, welke zijn naam onsterfelijk hebben gemaakt. Zoodra echter Maria van Reigersbergen, zijn echtgenoote, die zijn gevangenis deelde, bijgestaan door zijn dienstmaagd Elsje van Houwingen, hem de gelegenheid verschafte, in Maart 1621 in een kist, schijnbaar met boeken gevuld, naar Gorinchem te ontvluchten, maakte de Groot er volvaardig gebruik van en begaf zich naar Frankrijk.

Het is licht te begrijpen, dat de macht van Maurits na den dood van Oldenbarnevelt zeer toenam. Nog rees zijn aanzien bij den dood zijns broeders Philips Willem, die in 1618 stierf en hem al zijn bezittingen, ook het prinsdom Oranje, naliet. Hoeveel Maurits’ aanhangers thans vermochten, ondervonden bovenal de Remonstranten. Al degenen, die eenig ambt, hoe gering ook, bekleedden, werden afgezet. Tot ongeveer tweehonderd klom het getal hunner predikanten, die hun ontslag bekwamen en van welke vele, ten minste tachtig, het brood der ballingschap moesten gaan eten. Op aandrang van Maurits werden ook Oldenbarnevelts zonen van hun ambten ontzet. De oudste dier zonen heette Reinier van Groeneveld (nabij Wassenaar), de andere Willem van Stoutenburg (nabij Amersfoort).

Nog voordat het twaalfjarig bestand ten einde liep, overleed de stadhouder van Friesland, Groningen en Drente, Willem Lodewijk, 1620, en werd voor ’t eerste gewest opgevolgd door zijn broeder Ernst Kasĭmir (1620-1632), terwijl de beide andere Maurits kozen. Het jaar van de hernieuwing der vijandelijkheden, 1621, werd gekenmerkt door een belangrijke gebeurtenis, door de oprichting der West-Indische compagnie. Den 3den Juni 1621 verleenden de Staten-Generaal een vergunning voor vier-en-twintig jaren aan de West-Indische compagnie. Het 1ste artikel kende aan de compagnie, met uitsluiting van iedereen, den alleenhandel toe op Afrika, van den kreeftskeerkring of 2312 graad Noorderbreedte tot te Kaap de Goede Hoop, welke tot het gebied der Oost-Indische compagnie behoorde, alsmede op geheel Amerika. De eerste inleg was ƒ 7,200,000. Er waren vijf kamers. Aan aandeelen had die van Amsterdam 49, die van Zeeland 29, die van de Maas, d. i. Rotterdam, die van Noord-Holland en die van Friesland met Groningen elke 19. Het getal der bewindhebbers was vier-en-zeventig. Het uitvoerend bewind of de generale vergadering, uit die vier-en-zeventig gekozen, bestond uit 19 leden. De compagnie kreeg, als staat, dezelfde rechten als de Oost-Indische. Tot hetgeen de West-Indische compagnie, terstond bij haar oprichting, onder haar beheer kreeg, behoorde o. a. een landstreek in Noord-Amerika, n.l. Nieuw-Nederland, waarin later allengs de stad Nieuw-Amsterdam ontstond.

Met het einde van het bestand werden in Europa de vijandelijkheden tusschen Nederland en Spanje hervat. In ’t zelfde jaar, 1621, overleed Albert. Nu werd Isabella landvoogdes der Zuidelijke Nederlanden, die aan Spanje, waarover Philips IV regeerde, terugvielen. Zijzelve overleed in 1633. Veel voordeel leverde de oorlog voor de Republiek niet op. In 1625 veroverde Spinŏla Breda, terwijl de stadhouder in ’t vorige jaar zijn aanslag op Antwerpen zag mislukken. Gaf de oorlog Maurits alzoo weinig stof tot vreugde, wat de binnenlandsche aangelegenheden betreft gebeurde er iets, hetwelk aanduidde, dat de rust, welke men sedert den staatsgreep van de jaren 1618 en 1619 genoot, niet uit algemeene tevredenheid voortsproot. In 1623 kwam het aan ’t licht, dat Oldenbarnevelts jongste zoon met verscheidene Remonstranten en Roomsch-katholieken een samenzwering smeedde tegen het leven van den prins. Het voornemen was, hem in de nabijheid van zijn buitenverblijf, bij Rijswijk, te overvallen en te dooden. Het hoofd van den aanslag, de heer van Stoutenburg, vluchtte naar het Zuiden, nam dienst bij den vijand en vatte de wapenen op tegen zijn vaderland. Het getal van hen, die onthoofd werden, beliep vijftien. De aanzienlijkste was Reinier van Groenevelt, wiens moeder en gemalin Maurits tevergeefs om genade vroegen, hoewel zijn misdrijf alleen hierop neerkwam, dat hij zijn krediet had verleend tot het opnemen der benoodigde gelden.

Sedert geruimen tijd leed Maurits aan een ziekte, die zijn krachten meer en meer sloopte, totdat hij den 23sten April 1625 in den ouderdom van 58 jaren bezweek. Kort vóór zijn dood had hij, die nimmer getrouwd was geweest, zijn broeder Frederik Hendrik genoopt, een huwelijk aan te gaan met de gravin Amalia van Solms (ten n.o. van Maints), die in ’t gevolg der koningin van Bohemen (Overzicht, 9de druk, blz. 130) in Holland was gekomen.

 


§ 21.

Het stadhouderschap van Frederik Hendrik.

De binnenlandsche staatkunde, door prins Maurits en zijn aanhangers na den dood van Oldenbarnevelt gevolgd, gaf het aanzijn aan twee staatspartijen, de stadhouderlijke en de staatsgezinde, die elkander voortdurend bestreden. Tot de ééne partij behoorden de regenten, die, hoezeer gestemd voor ’t beginsel der souvereiniteit van de stedelijke raden en van de staten der gewesten, het stadhouderschap evenwel der prinsen uit het huis van Oranje-Nassau als een noodzakelijk bestanddeel van den regeeringsvorm aanmerkten. Zij vond vooral haren steun bij de volksmenigte. Tegen haar over stond de staatsgezinde partij, voortgekomen uit de afgezette regenten, die een bewind zonder stadhouder voorstonden, iets, waaraan Oldenbarnevelt nimmer had gedacht. De worsteling tusschen deze beide partijen heeft met wijziging der begrippen, naar de verandering der tijden, tot den val der Republiek voortgeduurd.

Onmiddellijk na den dood van Maurits benoemden Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijsel frederik hendrik (1625-1647) tot stadhouder, terwijl de Staten-Generaal hem de waardigheid van kapitein-generaal en admiraal der unie opdroegen. In Groningen en in Drente verkoos men den stadhouder van Friesland (zie blz. 87). Door wederzijdsche toegeeflijkheid zocht Frederik Hendrik, tegen het drijven der heftige Contra-Remonstrantsche predikanten in, de partijen tot elkander te brengen. In dit pogen werd hij weldra ondersteund zoowel door andere stedelijke raden, als door de vroedschap van Amsterdam, waar men den Remonstranten vergunde, in 1630 een seminarium of kweekschool ter opleiding hunner predikanten te stichten. Twee jaren daaraan verrees, volgens het besluit derzelfde vroedschap, het athenaeum (eigenlijk: tempel van de godin Athene of Minerva) te Amsterdam.

Omtrent terzelfder tijd, in 1631, kwam Hugo de Groot zijn vaderland weder bezoeken, op den invloed rekenende van Frederik Hendrik, zijn vriend, die de richting der Remonstranten was toegedaan. Maar de prins wilde eensdeels ter wille van de Groot de verdeeldheid geen nieuw voedsel geven en achtte zich anderdeels verplicht, het eens geslagen vonnis te handhaven. Dus moest de balling zich in ’t volgende jaar voor goed verwijderen. Twee jaren later, in 1634, werd hij tot gezant van Christīna, koningin van Zweden (Overzicht, 9de druk, blz. 149), aan ’t Fransche hof benoemd. Hij overleed in 1645 op een reis uit Zweden naar Frankrijk te Rostock (in ’t n. van Mecklenburg-Schwerin).

Bij het gemis van voldoende omschrijving der staatsmachten kwam ook bij Frederik Hendrik, in weerwil van zijn gematigdheid, van lieverlede de zucht op, een soort van alleenheerschappij uit te oefenen. Vandaar dat hij in elke provincie (zie beneden, blz. 93) een bijzonder persoon had, om zich van den staat van zaken nauwkeurig te laten onderrichten. Lang had hij weinig of geen tegenwerking te verduren. De raadpensionarissen, die Hollands staten gedurende Frederik Hendriks stadhouderschap achtereenvolgens ter zijde stonden, Antonie Duik, Adriaan Pauw en Jakob Cats, hadden uit het noodlottige einde van Oldenbarnevelt geleerd, dat de dienaar niet behoort te trachten, den heer voorbij te streven, of werden, zoodra zij eenige gezindheid hiertoe verrieden, ter zijde gezet. In alles, wat den oorlog betrof, evenaarde Frederik Hendrik zijn broeder, dien hij in zijn jeugd op meer dan één zijner veldtochten, b. v. bij Nieuwpoort, had vergezeld. Van zijn bekwaamheid in ’t leveren van veldslagen heeft hij echter geen bewijzen gegeven, vermits het bij hem vaststond, dat er de Republiek meer aan gelegen was, door ’t veroveren van sterke vestingen hare grenzen te dekken dan, in ’t open veld oorlogende, veel geld en manschappen op te offeren. Hoezeer hij in de belegeringskunst uitmuntte, toonde hij door het nemen van Grol in 1627, en bovenal door de verovering van ’s Hertogenbosch en van Maastricht. Die van ’s Hertogenbosch staat in de geschiedenis van ’t krijgswezen bekend als een meesterstuk.

Toen de prins in 1629 met de voorbereidende maatregelen gereed en met den aanval begonnen was, kwam een groot Spaansch leger tot ontzet opdagen. Doch ziende, dat de stadhouder onaantastbaar was, beproefde het een afleiding, door in de Republiek zelve een inval te doen. De inval geschiedde in de Veluwe en verbreidde wijd en zijd schrik in ’t land. Tot overmaat van ramp voegden zich de troepen van den keizer van Duitschland bij de Spaansche. Intusschen liet Frederik Hendrik zich door niets aftrekken. Daarom spanden de Staten-Generaal al hun krachten in, om den vijand zoo goed mogelijk tegen te houden. De stadhouder van Friesland werd aan ’t hoofd van een verdedigingsleger gesteld. Lang kon de vijand het in de schrale streek, waar hij was, niet uithouden, zonder gebrek aan levensmiddelen te krijgen. Een bijzondere gebeurtenis verhaastte zijn aftocht. Het was de aanslag op Wezel, dien een paar duizend man Nederlandsche troepen op een vroegen morgen in ’t zelfde jaar, 1629, waagden en die uitnemend gelukte. Daar de vestingwerken der stad destijds open lagen en een deel der bezetting mede naar de Veluwe was getrokken, ontmoette men zoo goed als geen tegenstand, en binnen één uur was de stad in handen der Nederlanders. De uitwerking volgde dadelijk. De vijanden ontruimden het grondgebied der Republiek, en ’s Hertogenbosch gaf zich bij verdrag over. In 1632 deed de stadhouder, vergezeld door Ernst Kasimir, een krijgstocht langs de Maas. Eerst dwong hij Venlo en Roermond zich over te geven, welke steden evenwel eenige jaren later door den vijand werden heroverd. Hierop voerde hij het leger voor Maastricht, dat hij na een langdurig beleg bij verdrag innam, in weerwil dat het wakker werd verdedigd en dat wederom een paar legers tot ontzet kwamen opdagen. De belegering van Roermond kwam Friesland duur te staan. Ernst Kasĭmir, die de onderneming bestuurde, werd er doodelijk getroffen, stierf binnen kort en kreeg zijn zoon Hendrik Kasĭmir (1632-1640) tot opvolger. Het verdrag, met Maastricht gesloten, bepaalde, dat de hervormde godsdienst er zou worden toegelaten en dat de bisschop van Luik, op wiens grondgebied de stad lag, er zijn oude voorrechten zou behouden.

Ook ter zee begon Nederland zijn strijdkrachten ten toon te spreiden. In 1630 vermeesterde de admiraal Loncq voor de West-Indische compagnie Olinda en het Recif (d. i. een in zee opschietenden klipbrug). Het Recif werd versterkt en bleef de hoofdplaats van Nederlands bezittingen in Brazilië. In 1628 bemachtigde Piet Hein, vlootvoogd van dezelfde compagnie, in de baai van Matanzas (op de noordkust van het eiland Cuba, in West-Indië) de Spaansche zilvervloot. Zij viel zoo goed als zonder tegenweer in handen van de vloot der compagnie. Groot was de buit, dien men vond aan goud, zilver, paarlen, edelgesteenten en specerijen. Alleen de waarde der kostbaarheden werd op ruim 1112 millioen geschat. De compagnie deed een uitdeeling van 50 ten honderd, wat de deelhebbers zeer verheugde. Het was een gelukkige tijd voor de West-Indische compagnie. In Brazilië breidde zij zich verder uit, zoodat zij weldra de streek bezat, gelegen tusschen de rivier St. Francisco en Rio Grande. Landvoogd van Nederlandsch Brazilië werd in 1636 graaf Johan Maurits van Nassau, een kleinzoon van Willems broeder Jan. Eerst zijn bestuur gaf er het voorkomen aan eener geregelde volkplanting. Op uitbreiding van ’t grondgebied had hij den blik voortdurend gericht. In 1639 werd b. v. St. Eustatius door de Nederlanders bezet. Maurits was het, die in 1637 St. George del Mina (St. Joris van de mijn, in Guinēa, op de w.kust van Afrika) veroverde.

In 1640 hernam Portugal zijn zelfstandigheid (Overzicht, 9de druk, blz. 141). Johan Maurits, den strijd voorziende, dien Nederlands Brazilië weldra zou hebben te verduren, vroeg de compagnie om aanmerkelijke versterking der strijdkrachten. Zij, meenende dat dit te kostbaar was, riep in 1644 den landvoogd terug. Na zijn vertrek begon de achteruitgang dezer bezitting. De Portugeezen, die dáár onder ’t bewind der compagnie waren, klaagden over onderdrukking en stonden op. Ofschoon er vrede tusschen de compagnie en Portugal scheen te bestaan, hielp dit rijk de oproerige onderdanen der compagnie en verloor zij hoe langer hoe meer grond in Brazilië. In 1654 ging het Recif met de weinige forten, die de maatschappij nog in dat land bezat, aan Portugal over. De oorlog, dien de Staten-Generaal Portugal verklaarden, deed niets herwinnen. En zoo werd het geschil in 1661 bij den vrede te ’s Gravenhage, twee jaren daarna bekrachtigd, indiervoege uit den weg geruimd, dat Nederland tegen een afkoop van 4,000,000 gouden crusado’s (8,000,000 gl.) ten behoeve van Portugal afstand deed van Brazilië.

Zooals het gezag van Frederik Hendrik in allen opzichte groot was in de Republiek, zoo oefende hij ook een belangrijken invloed op haar buitenlandsche betrekkingen uit. Het werd gedurende zijn stadhouderschap de gewoonte, dat de stadhouder met een negental vertrouwelingen, leden der Staten-Generaal, uit ieder gewest één of meer, den draad der belangrijkste onderhandelingen in handen hield. Zelf was Frederik Hendrik, evenals zijn vader, gehecht aan Frankrijk. Hier zocht dus hij eveneens steun tegen Philips IV. Zoo werden er onderhandelingen met Frankrijk aangeknoopt. Richelieu, de leider der Fransche staatkunde, doorgrondde, welk gewicht Nederland in de schaal van Europa’s statenstelsel zou kunnen leggen. Hij leende dus het oor aan de voorslagen, die het kabinet van ’s Gravenhage deed, en sloot terzelfder tijd, als Frankrijk een werkdadig aandeel begon te nemen aan den dertigjarigen oorlog (Overzicht, 9de druk, blz. 132), met de Nederlanden het aanvallend en verdedigend verbond van den 8sten Februari 1635. Dit bepaalde, dat de beide mogendheden zouden pogen, de Zuidelijke provinciën aan Spanje te onttrekken en haar hare zelfstandigheid terug te geven, of wel het land onder elkander te verdeelen.

Op die wijze smolt het laatste gedeelte van den tachtigjarigen oorlog ineen met den dertigjarigen. Al werd er, behalve dat Frederik Hendrik Breda heroverde, te land weinig gedaan, ter zee behaalden de Nederlanders in die dagen een zege, die onder de schitterende krijgsbedrijven een eerste plaats bekleedt. Philips IV rustte in 1639 een armāda uit, niet geheel ongelijk aan die van 1588. Zij bestond uit 67 schepen, waaronder 33 van de zwaarste soort, galjoenen genoemd. Aan het hoofd der vloot stond Don Antonio d’Oquendo, een uitstekend admiraal. Hem leverde, in weerwil van het verbod van Karel I, koning van Engeland, Maarten Harpertszoon Tromp met een vloot van ruim honderd, maar lichtere vaartuigen, den 21sten October, slag te Duins (een reede nabij Noord-Voorland, in ’t z.o. van Engeland). De vijand, die liever den slag niet had geleverd, werd eenigszins onvoorbereid overvallen. Bovendien was de logheid van de zware bodems der Spanjaarden, zoozeer verschillende van de welbezeildheid der Nederlandsche schepen, een der hoofdoorzaken van het verderf hunner vloot. Een groot aantal hunner vaartuigen werd het offer der Nederlandsche branders, dertien waren uit Duins ontsnapt, en maar achttien bodems keerden naar Spanje terug. In ’t kort, Tromp fnuikte voor goed Spanje’s macht en verloor zelf slechts één schip.

Was Frederik Hendrik de hoofdontwerper geweest van het verdrag met Frankrijk, hij was ook de eerste of een der eersten hier te lande, die het gevaar van Frankrijks nabuurschap hoe langer hoe meer begon in te zien. Hij hield het gezegde voor waarheid, hetwelk weldra een der hoofdroersels werd van de buitenlandsche staatkunde der Republiek, dat het beter was, Frankrijk tot vriend dan tot nabuur te hebben. En naarmate hij de onheilen, die hieruit dreigden voor te komen, beter doorgrondde, werd hij des te meer afkeerig van dien staat en helde tot het sluiten van vrede met Spanje over. Zijn gezag was nog steeds groot, al had hij, hoe invloedrijk ook ter Staten-Generaal, dikwijls met verzet van Holland en Amsterdam te strijden. Het rees nog in 1640, toen hij stadhouder werd van Groningen en van Drente in plaats van Hendrik Kasimir, die aan een wonde, in den oorlog bekomen, stierf en slechts in Friesland door zijn broeder Willem Frederik (1640-1664) werd vervangen. Deze Willem Frederik trouwde in 1652 met Albertine Agnes, de tweede dochter van Frederik Hendrik. De eenige zoon, dien Hollands stadhouder had, heette Willem. Hij huwde in 1641 met Maria, de oudste dochter van Karel I, koning van Engeland, of liever hij werd in dit jaar met haar verloofd, want omdat de beide jonge lieden nog te weinig jaren telden, werd het eigenlijke huwelijk eerst in 1644 voltrokken.

Aleer de vrede tot stand kwam, dien zoowel de meeste der oorlogvoerende mogendheden als de stadhouder wenschten, stierf Frederik Hendrik den 14den Maart 1647 in den ouderdom van 63 jaren. In hem ontviel der Republiek een man van groote gaven en bekwaamheden, die het gebouw van den staat, door zijn voorgangers opgetrokken, had voleindigd. Als staatsman was hij schrander, bedachtzaam en ondoorgrondelijk. In krijgskunst en dapperheid behoefde hij niet onder te doen voor zijn broeder Maurits en was een waardig tijdgenoot van Gustaaf Adolf. Over ’t geheel was het tijdperk van zijn stadhouderschap de gouden eeuw der Republiek. Overal was veerkracht en bloei. De koophandel breidde zich verder en verder uit; volkplantingen ontloken en bloeiden meer en meer; de handwerken werden naarstig beoefend; de oorlog schonk lauweren; kunsten en wetenschappen eindelijk gaven licht en sieraad aan het geheel. Toch waren er ook donkere tinten in het tafereel op te merken. In vergelijking met den tijd, toen Oldenbarnevelt aan ’t hoofd stond, werd de huishouding der Republiek minder goed bestuurd.

 


§ 22.

De vrede van Munster.—Blik op den toestand des lands.

Reeds sedert 1641 en vroeger was er sprake van een vrede, die de rust zou teruggeven aan het door den dertig- en den tachtigjarigen oorlog zoozeer geschokte Europa. Het duurde tot April 1645, eer het congres werd geopend. De gezanten van Zweden en van de protestantsche rijksvorsten kwamen bijeen te Osnabrück, die der Roomsch-katholieke staten te Munster. In den beginne waren de Staten-Generaal van zins, in overeenstemming met het verbond van 1635, niet zonder Frankrijk vrede te sluiten. Maar van ’t oogenblik af, dat Mazarin (Overzicht, 9de druk, blz. 144) den toeleg had geopenbaard, om Frankrijks heerschappij in het Noorden tot de grenzen der Republiek uit te breiden, achtte men zich dezerzijds gerechtigd, op zichzelf te handelen, te meer, vermits er sedert jaren geen spoor meer was van samenwerking tusschen de beide bondgenooten. In Nederland zelf waren Zeeland en Utrecht ertegen, dat men, buiten Frankrijk, vrede sloot. Desniettemin werd de Westphaalsche vrede den 30sten Januari 1648 geteekend. De uitwisseling der wederzijdsche bekrachtigingen of ratificatiën had te Munster plaats op den 15den Mei, hoewel Zeeland eerst den 30sten dier maand toetrad.

Bij dien vrede erkende de koning van Spanje in art. 1 de Vereenigde Nederlanden als vrije en onafhankelijke landen. Art. 3 en 5 bepaalden, dat de Staten-Generaal hun veroveringen in Brabant, Limburg en Vlaanderen, alsmede in de vreemde werelddeelen behielden. Nog bevatte art. 5 de voorwaarde, dat de Spanjaarden zich zouden beperken tot de vaart op Oost-Indië, gelijk zij toen was, zonder zich verder te mogen uitbreiden. Art. 14 schreef voor, dat de Schelde en de kanalen, welke met die rivier in gemeenschap stonden, vanwege de Staten-Generaal zouden worden gesloten gehouden.

De vrede van Munster was in allen opzichte een eervolle vrede voor de Republiek. Met luister omstraald, trad zij in de rij van Europa’s mogendheden op. Aan grondgebied won zij Staats-Vlaanderen, Staats-Brabant, waartoe ook de stad en omtrek van Maastricht behoorde, en Staats-Limburg of de landen van Overmaas. Gelijk Drente, drong Staats-Brabant er thans op aan, als achtste gewest tot de Generaliteit te worden toegelaten. Het werd geweigerd. De Staten-Generaal voerden het bewind over de pas verworven landen, de Generaliteitslanden geheeten. Zonderling was het gelegen met de regeering van Maastricht. Deze regeering was tweeheerig, d. i. de Staten-Generaal, als verbeeldende den hertog van Brabant, oefenden er gemeenschappelijk met den prins-bisschop van Luik (zie blz. 11) het gezag.

Voor de Zuidelijke Nederlanden was geen artikel van den vrede nadeeliger of meer vernederend dan het 14de. Volgens dit artikel mocht geen schip de Schelde op- of afvaren, zonder dat er inkomende of uitgaande rechten werden betaald en dat de lading der schepen, uit zee komende, in Nederlandsche binnenschepen werd gebracht. Dit alles was een bekrachtiging van een oud gebruik, dat Nederland sedert 1604 (zie blz. 76) ten opzichte van Engeland had doen gelden. Van nu af werd dus aan alle zeeschepen de pas afgesneden om Antwerpen te naderen en tevens een winstgevende vrachtvaart voor Noord-Nederlanders geopend. Bij Lillo lag, ten minste in tijd van vrede, slechts één wachtschip van de Nederlandsche vloot, de uitlegger genoemd, om ervoor te waken, dat het artikel werd nagekomen. Ten overvloede liet men schuiten met zware steenen in de rivier zinken, ten einde ze voor diepgaande schepen onbevaarbaar te maken.

Nog op andere wijze, dan door het oorlogszwaard, nam gedurende den tachtigjarigen oorlog de omvang van ’t grondgebied der Republiek toe. Zoowel in Friesland, als inzonderheid in Holland kreeg men door indijkingen veel land. Hier won men in de eerste jaren der 17de eeuw de Beemster, de Purmer, de Wormer. Doch het Haarlemmermeer insgelijks droog te maken ried Leeghwater vruchteloos in een geschrift, getiteld het „Haarlemmermeerboek.”

Zoo trad dan ons vaderland, krachtig naar buiten en van binnen, onder de mogendheden van Europa op. Geschiedde dit eerst in 1648, reeds veel vroeger had het met het buitenland betrekkingen aangeknoopt, deels van staatkundigen aard, deels ter wille van den handel. Aan het doorzicht en aan de wakkerheid van den onsterfelijken landsadvocaat hadden de Vereenigde Nederlanden het te danken, dat zij alom in Europa met eere en achting werden bejegend.

Geen wonder, Nederland stond ten aanzien van handel en scheepvaart op een hoog standpunt. Vroeger (zie blz. 44) is over dit punt het een en ander opgeteekend, dat thans verdient eenigermate te worden uitgebreid. De handel, die in de eerste plaats allengs voor het grootste gedeelte in handen der Nederlanders kwam, was die op de Levant of op de Middellandsche Zee, de handel, die Venetië groot had gemaakt. De voornaamste handelsplaats in de Levant was Smyrna. Bovendien dreef men handel op Rome, op Venetië en op andere groote steden van Italië en Sicilië, op Alexandrië, Caïro, Constantinopel, enz.

Sinds de handel van Venetië, van Antwerpen en van de hanse geheel verviel of sterk achteruit ging, begon Nederland handelsbetrekkingen met alle rijken van Europa aan te knoopen. Zeer aanmerkelijk was die op Frankrijk. Reeds in 1658 werd de waarde van alles, wat Frankrijk aan Nederland leverde, begroot op omstreeks 36,000,000 gl. Voor den handel, dien Nederland op Frankrijk dreef, behoefde die op het Noorden, d. i. op Rusland, Noorwegen, Zweden, Denemarken en op de havens der Oostzee, niet te wijken. Zooals Nederland alles, wat de natuur in het Zuiden en midden voortbracht, aan de natiën van Noord-Europa leverde, zoo dreef het met die van het Zuiden en het midden handel in de Noordsche waren. Een tijdlang waren Polen en Rusland voor Nederland, wat Sicilië eens voor Rome was, de korenschuur. Bovendien trok de Republiek van de havens der Oostzee al hetgeen zij voor den scheepsbouw en het zeewezen behoefde. De ijver der kooplieden werd niet verlamd door den tol, dien alle schepen, welke de Sond doorvoeren, te Elseneur (op Seeland) moesten betalen. Jaarlijks werd de Oostzee, welker toegang de koning van Denemarken bewaarde, door vier duizend Nederlandsche schepen bevaren.

Niet minder belangrijk was de handel langs den Rijn en op verschillende steden van Duitschland en Zwitserland. De waarde van den handel op den Rijn, die uitsluitend in handen van Nederland was, werd jaarlijks geschat op honderd millioen. Van minder gewicht was die op de Zuidelijke Nederlanden, op Groot-Britannië, Spanje en Portugal. Een geheel eigenaardigen handel dreef Amsterdam op Antwerpen, n.l. in ruwe en geslepen diamanten. Onophoudelijk gaf de handel voedsel aan de vrachtvaart. Al vroeg zagen de Nederlanders, niet ongelijk aan de oude Tyriers (Overzicht, 9de druk, blz. 11, 12), in, dat zij, een land van kleinen omvang bewonende, in de zee het element hadden te zoeken, waarop zij voor een goed deel hun bestaan moesten vinden. De koopvaardijvloot van het kleine Nederland was in die dagen talrijker, dan de schepen van alle volken van Europa tezamen. In alle havens trof men Nederlandsche vaartuigen aan, en maar zelden hadden zij ballast in. Buitenlandsche handelshuizen gebruikten Nederlandsche schepen en bevrachtten ze met allerlei goederen, om ze b. v. uit Engeland of andere landen naar Frankrijk of elders over te brengen. Verder schonk de handel nieuw leven aan de nijverheid. Beroemd waren de scheepstimmerwerven van Zaandam, de bleekerijen van Haarlem, de boekdrukkerij van Elzevier te Leiden. Bij den buitenlandschen handel, de vrachtvaart en de nijverheid kwam de binnenlandsche handel, die van gewest tot gewest, van stad tot stad werd gedreven. Boven alle handelsplaatsen in ’t geheele land stak Amsterdam, de koningin van Nederlands steden, uit. Onder de fraaie gebouwen der stad muntte het nieuwe stadhuis uit, het achtste wonder der wereld, waarvan men den bouw begon in ’t gedenkwaardige jaar 1648. Een der bouwmeesters was Jakob van Kampen.

Wie van den wereldhandel der Nederlanders in de 17de eeuw spreekt kan niet zwijgen van de compagnieën. Na het bovenstaande (zie blz. 79 vlg. en 88) moet althans van de Oost-Indische compagnie hier nog eenige melding worden gemaakt. Na in 1622 de landvoogdij te hebben nedergelegd, keerde Coen naar het vaderland terug. Doch in 1627 werd hem die hooge betrekking op nieuw opgedragen. Een zijner merkwaardigste opvolgers was Antonie van Diemen. Door de inheemsche bewoners van Ceylon ingeroepen, veroverde hij in 1638 een fort van dit eiland op de Portugeezen. Eens vasten voet hebbende gezet, breidde de compagnie haar macht ook hier spoedig uit. Eveneens ging Malakka (in ’t z.w. van Achter-Indië) in 1641 van Portugal op de Nederlandsche compagnie over. In ’t zelfde jaar gelastte de keizer van Japan, dat alle buitenlandsche betrekkingen moesten worden afgebroken, behalve met Sina en met de Nederlandsche compagnie, die hare factorij vestigde op het kleine eiland Desima, dat verbonden was met de stad Nangasaki.

Onder de oorzaken, waaraan Nederlands handel zijn bloei had te danken, is mede vermeld (zie blz. 44) de persoonlijke vrijheid welke alle ingezetenen dezer landen genoten. Uit hoofde van die persoonlijke vrijheid, waarvan men hier zeker was, werd de Republiek, van den aanvang af, het toevluchtsoord, waar vele vreemdelingen zich metterwoon nederzetteden, eerst Vlamingen en andere Zuid-Nederlanders, later Franschen, Duitschers, enz. De hervormde kerk—het is waar—was met den staat tot één geheel onafscheidelijk samengegroeid. Zelfs de Roomsch-katholieken, ofschoon nog lang na de invoering der hervorming de meerderheid der bevolking uitmakende, hadden, sinds de vestiging der Republiek, geen volledige vrijheid van eeredienst. Maar evenals alle andere gezindheden hadden ook zij vrijheid van geweten en godsdienstoefening, mits de dienst niet in ’t openbaar geschiedde. De overheidsambten intusschen en zelfs de mindere bedieningen kon niemand bekleeden, dan wie de leer der hervormde kerk beleed. Doch onbetwistbaar is het, dat de Republiek niet den minsten gewetensdwang heeft geoefend. Buiten de Roomsch-katholieken was het meerendeel der inwoners van Nederland hervormd. In Holland en Zeeland telde men ook vele leden der Waalsche kerk. Verder had men Doopsgezinden, Remonstranten, Lutherschen en Joden. Was er alzoo voor den vreemdeling veel, dat hem uitnoodigde, zich in deze streken te vestigen, niet alles kan hem hier hebben behaagd. De ingezetenen der Vereenigde Nederlanden toch hadden zware belastingen op te brengen.

Nederland leefde van den handel, doch niet alleen om den handel. Ook om den lauwer in wetenschap en kunst ontstond hier een wedstrijd. Van de zucht voor verbreiding van kennis en voor den bloei der wetenschap, die de landzaten bezielde, leverde in de eerste plaats het stichten van hoogescholen onweerlegbare bewijzen op. Na Leiden verrezen die van Franeker, Groningen, Amsterdam (zie blz. 90), Utrecht en Harderwijk. Het athenaeum van Franeker stichtten Willem Lodewijk (zie blz. 64) en de staten van Friesland in 1585. De universiteit van Groningen werd door de staten van ’t gewest gegrondvest in 1614. Dan volgde de academie van Utrecht, met goedvinden der staten door de stad opgericht in 1636. In Gelderland bestond, sedert 1647, Harderwijk als een provinciale academie. Latijnsche scholen waren verder in grooten getale door het land verspreid. Wat het algemeene volks- of lager-onderwijs betreft, dit was een vrucht der hervorming. Daarom stonden overal de scholen onder de leiding der heerschende kerk, evenwel steeds onder toezicht der regeering. In de heerlijkheden—en zij waren vele—had de heer eveneens grooten invloed op de school. Over ’t geheel stond het onderwijs op de lagere scholen, staande den ganschen duur der Republiek, op een lagen trap.

Het vernieuwde leven der natie openbaarde zich insgelijks in de letterkunde. Na de tallooze tooneeldichten uit vroegere dagen, waaraan de vele Rederijkerskamers (zie blz. 44) het aanzijn hadden gegeven, kwam er een gansche hervorming in de letteren sedert den grooten omkeer, die tegen het einde der 15de en in ’t begin der 16de eeuw in staat en kerk plaats greep. Een der beste prozaschrijvers uit de laatstgenoemde eeuw, tevens een der merkwaardigste mannen van zijn tijd, is Philips van Marnix van St. Aldegonde (zie blz. 53). In zijn hoofdwerk, den Bijenkorf der Heilige Roomsche kerk, gispt hij geestig, ernstig en krachtig de leer en de gebruiken dezer kerk.

Van alle Rederijkerskamers is er geene, die vruchtbaarder werkte voor de opkomst der Nederlandsche letteren, dan de Amsterdamsche kamer „in liefde bloeiend”. Mede door haar zijn Hooft en Vondel geworden, wat zij waren. Met Cats en Huygens zijn de beide zooeven genoemde schrijvers de vier, wier namen de gulden eeuw der Nederlandsche letterkunde, den tijd van Frederik Hendrik, vermaard hebben gemaakt. Pieter Cornelisz. Hooft, gestorven in 1647, was drossaart of drost van Muiden. Een zijner treurspelen is Gerard van Velzen. Keurig zijn bovenal zijn minnedichten. Meer nog dan als dichter muntte hij uit als geschiedschrijver. Zijn hoofdwerk, als zoodanig, is de Nederlandsche historiën, welker onderwerp is de opstand tegen Spanje, van 1555 tot 1587. Een vreemdeling, zoo men op de geboorteplaats let, maar Nederlander door zijn herkomst (uit Antwerpen) en door zijn woonplaats van zijn kindsheid af (Utrecht en Amsterdam), is Joost van den Vondel (1587-1670). Hij is de vorst der Nederlandsche dichters. Onder de rijen zijner treurspelen zijn uitnemend verheven lierzangen, als de lofzang der engelen in den Lucifer en die der Amsterdamsche maagden op de huwelijkstrouw in den Gijsbrecht van Amstel. Met schier evenveel geluk beoefende hij bijna alle dichtsoorten. De vruchtbaarste stof voor zijn treurspelen leverde hem de bijbel. Een der stukken, hieraan ontleend, is de Lucifer.

De derde van het viertal is Jakob Cats (zie blz. 90). Hij is geboren te Brouwershaven en stierf in 1660, in den ouderdom van drie-en-tachtig jaren. Zijn poëzie is natuurlijk en ongedwongen. Het „leerdich” was de vorm, die hem het meest aantrok. Groot was de populariteit, die hij bekwam. Geen dichter werd door het Nederlandsche volk zoo gelezen, als hij. Dit is niet vreemd, want zijn gedichten zijn huiselijke gedichten. Bijna twee eeuwen lang was „vader Cat” als de tweede bijbel des huisgezins. Men heeft van hem: Ouderdom en Buitenleven, het huwelijk, enz.—Veel overeenkomst met het proza van Hooft heeft de poëzie van Constantijn Huygens. Evenals die prozaschrijver is hij hier en daar duister en onverstaanbaar. De verzameling zijner werken, de Korenbloemen, bevat punt- en hekeldichten, sneldichten, enz.

Met de ontwikkeling der letteren hield die van sommige kunsten ongeveer gelijken tred, bovenal die der schilderkunst. Had België Rubens, die moeielijk was te evenaren, Nederland kon op vele zijner tijdgenooten bogen, die in het schilderen van huiselijke tafereelen of van voorwerpen, aan de natuur of aan het leven ontleend, een zeldzame hoogte bereikten. De beroemdste der Nederlandsche historieschilders is Rembrandt, geboren te Leiden, die van 1608 tot 1669 leefde. Hij vormde zichzelf zoo goed als geheel. In eigen waarneming, vooral van de weerkaatsing van ’t licht, zocht en vond hij zijn kracht. Op geheel eenige wijze leerde hij met licht en bruin te werken. Ook was hij een meester in het schikken der beelden. Vermaard is zijn „nachtwacht.”

 


§ 23.

Het stadhouderschap van Willem II.

De vrede van Munster was een gewichtige gebeurtenis, zoo voor Europa in ’t algemeen, als voor de Republiek in ’t bijzonder. Een volledige zegepraal bekroonde de langdurige worsteling der vaderen. Gelijk met den Westphaalschen vrede de toestand van Europa aanmerkelijke wijzigingen onderging, daar, naast de zucht tot uitbreiding van ’t grondgebied, de belangen van den handel nu, in plaats van den godsdienst, de voornaamste drijfveer werden van de politiek der kabinetten, zoo nam ook de buitenlandsche staatkunde der Republiek een andere richting. De zienswijze, gedurende de laatste jaren van den oorlog opgekomen, werd een onwrikbare overtuiging van Nederlands staatsmannen (zie blz. 94). Niet Spanje, maar Frankrijk was van nu aan het aanhoudend voorwerp der bezorgdheid van de Republiek. De Zuidelijke Nederlanden werden thans als een beveiligende voormuur tegen Frankrijk aangemerkt. De wrok, dien Frankrijk wegens het sluiten van den vrede tegen Nederland had opgevat, was diep geworteld en bleef bestaan.

Met den anderen nabuur, Groot-Britannië, was de verstandhouding der Republiek, ten tijde van den vrede, ook niet zeer innig. Engelands rust werd door binnenlandsche oneenigheden verstoord. In 1648, toen de vrede tot stand kwam, had de partij van ’t parlement niet alleen gezegevierd; doch zij had ook den persoon des konings Karel I (Overzicht, 9de druk, blz. 147) in haar macht. Deze uitkomst bracht de Republiek in een moeielijken toestand. Den jongen stadhouder, Willem II, trof het lot zijns schoonvaders diep. De Staten-Generaal erkenden Karel II als koning en weigerden gehoor te geven aan de gezanten der Engelsche Republiek. Eveneens stond Nederland niet op een goeden voet met Portugal (zie blz. 92). Evenmin waren de betrekkingen met Zweden, fier op de rol, die het in den dertigjarigen oorlog had vervuld, en nauw verbonden met Frankrijk, van vriendschappelijken aard. Tusschen Denemarken integendeel en de Republiek heerschte veel welwillendheid. Met den keizer van Duitschland waren in den laatsten tijd geen betrekkingen aangeknoopt; doch, behalve de nabuurschap, moest de verandering van standpunt van Nederland ten opzichte van Spanje ook gunstig werken op de verhouding tot Duitschland.

In tegenspraak met hetgeen de natuurlijke loop der zaken scheen mede te brengen, dat de vrede de voorlooper zou zijn van een tijdperk van rust, moest Nederland het ten tweeden male beleven, dat de buitenlandsche oorlog slechts was geweken, om plaats te maken voor binnenlandsche tweedracht. In 1647 en 1648 was willem II zijn vader in al zijn bedieningen opgevolgd, ook in het stadhouderschap van Groningen en Drente. Dit opvolgen van den prins greep onder ongunstige voorteekenen plaats. Hoezeer hij van begeerte brandde om den oorlog gaande te houden, had hij zoo duidelijk getoond, dat dit door de staten van Holland zeer euvel werd opgenomen. Hierbij kwam de zaak van koning Karel I, die sedert 1647 een gevangene zijner onderdanen was. Willem zocht in ’t volgende jaar de Staten-Generaal te bewegen, zich voor zijn schoonvader in de bres te stellen; maar Holland en Zeeland wilden zich het in macht zoo zeer aangroeiende parlement niet tot vijand maken.

Nog erger oneenigheid ontstond weldra tusschen Willem II en Holland. Het financiewezen dezer provincie bevond zich in een ongunstigen toestand. Daarom waren de staten van dit gewest ernstig bedacht op bezuinigingen, om te verhoeden, dat den ingezetenen zwaardere lasten werden opgelegd. Hiermede kwam de denkwijze van de staten der andere gewesten overeen. Men besefte, dat de besparing van groote sommen niet anders dan op het krijgswezen kon worden gevonden. Doch over het getal der af te danken manschappen rees geschil tusschen de Staten-Generaal en Holland. Nadat een paar afdankingen overeenkomstig de meening van dit gewest, maar niet geheel volgens de zienswijze der Staten-Generaal en van den raad van state, hadden plaats gegrepen, drongen de staten van Holland erop aan, dat men nog vijftig compagnieën vreemdelingen en de helft der ruiterij zou afdanken. Hiertegen waren de Staten-Generaal en de prins. Na vele voorslagen over en weer besloten ten laatste de staten van Holland op Maandag den 30sten Mei 1650 ter Generaliteit niet langer over de zaak te spreken, doch naar eigen goedvinden te handelen. Zoo werden er, op naam der Staten van Holland, brieven van afdanking gezonden aan de kapiteins van een-en-dertig compagnieën voetvolk en van twaalf eskadrons ruiterij, die Holland betaalde.

Van dezen beslissenden stap kennis hebbende gekregen, begaven zich de beide stadhouders en de gansche raad van state naar de buitengewone vergadering der Staten-Generaal, die op Zondag den 5den Juni werd gehouden. Dit college verzochten zij, met hen de hand eraan te houden, dat die voorgenomen afdanking niet plaats greep, en te overwegen, wat in deze gewichtige aangelegenheid verder behoorde te worden gedaan. In weerwil dat vanwege de meeste gewesten slechts een gering aantal leden de vergadering bijwoonde, kwam den 5den Juni 1650 een besluit tot stand, door een zeker aantal dier leden genomen. Hierin bepaalde men, dat aan de kapiteins der troepen tegenbevel zou worden gezonden; dat een aanzienlijke bezending zou rondgaan bij alle leden van de staten van Holland, om hen over te halen, zich van alle afzonderlijke afdanking van krijgsvolk te onthouden; dat de prins werd verzocht, alle zoodanige maatregelen te nemen, waardoor de rust bewaard bleef en de unie werd gehandhaafd.

De prins stelde zichzelf aan ’t hoofd der bezending en ging weldra op reis. Zij werd begeleid door ongeveer vier honderd officieren van hoogeren en lageren rang. De eerste stad, die de gemachtigden bezochten, was Dordrecht, waar de oud-burgemeester Jakob de Witt het woord tot hen voerde en vanwaar zij, zonder de gewenschte belofte te hebben bekomen, weder vertrokken. Nog minder slaagde de bezending in een paar andere steden. Inzonderheid werden te Amsterdam scherpe woorden geuit. Wederom in andere kwam de raad bijeen, hoorde het voorstel aan en gaf eenig antwoord, zonder zich evenwel te verbinden tot hetgeen de bezending verlangde. Na de bezending werden over de hoofdzaak, het stuk der afdanking, weder nieuwe onderhandelingen tusschen de staten van Holland en den prins geopend. Hierbij naderden de beide partijen elkander op zoo korten afstand, dat Holland ten laatste slechts 300 ruiters en ruim 300 voetknechten meer dan Willem II uit den dienst wilde ontslaan. Terwijl echter de een niet voor den ander wilde zwichten, liet de prins den 30sten Juli 1650 Jakob de Witt, oud-burgemeester van Dordrecht, en vijf andere heeren uit Holland, leden der overheid in verschillende steden en tevens van de staten van Holland, aanzeggen, dat hij hen wenschte te spreken. Een der vertrekken van het gebouw te ’s Gravenhage, dat „het ho” heette, zijnde binnengetreden, werden zij uit ’s prinsen naam in hechtenis genomen. Den 31sten Juli liet de stadhouder de zes heeren naar Loevestein brengen.

Inmiddels waren, onder bevel van Willem Frederik, reeds den 29sten dier maand troepen opgebroken, die in last hadden Amsterdam te bezetten. Het voornemen van den prins was, zonder gewelddadigheid een sterke bezetting te Amsterdam te leggen en dan de vroedschap te veranderen. Een gedeelte van ’t krijgsvolk kwam op den bepaalden tijd in de nabijheid van Amsterdam, te Abkoude. Maar een ander gedeelte, des avonds van Hilversum (ten z. van Naarden) opgebroken, geraakte door het onstuimige weder en de duisternis van den nacht aan het dwalen. De Hamburger postbode, op zijn reis naar Amsterdam te midden dier rondzwervende troepen gerakende, bracht op den vroegen morgen van den 30sten Juli te Amsterdam het bericht, dat eenige duizenden ruiters, die ieder toen voor vreemde troepen hield, tegen de stad in aantocht waren. Onverwijld nam Amsterdam alle vereischte maatregelen, om zich in staat van tegenweer te stellen. Den 31sten Juli vertrok de prins van Oranje naar het leger, dat voor Amsterdam lag. Inmiddels had de overheid der stad een paar zeesluizen laten openen en was op die wijze begonnen het land onder water te zetten. Willem II alzoo ziende, dat zijn toeleg was verijdeld, en vreezende, dat zijn soldaten mochten verdrinken, verzocht de Staten-Generaal, hem terug te roepen. Hetzelfde verzoek deden hun de staten van Holland. Eer hieraan echter gevolg werd gegeven, trad de stad, uit bezorgdheid dat de handel, die reeds veel door ’t beleg had geleden, mocht verloopen, en ziende, dat zij niet veel steun vond bij de overige steden van Holland, in onderhandeling met den prins. Die onderhandelingen voerden den 3den Augustus tot een verdrag, hetwelk behelsde, dat Amsterdam zich in het twistgeding over ’t krijgsvolk zou voegen naar de meening der zes provinciën en dat Zijn Hoogheid de troepen zou doen aftrekken. Nu ontsloeg de prins ook de zes heeren, zonder te reppen van eenige misdaad, waarom zij zouden zijn gevangen genomen.

Willem II beleefde het einde van ’t jaar, waarin de tweedracht zoo fel was uitgebarsten, niet meer. Naar Dieren (nabij Arnhem) vertrokken, waar hij een landgoed had, hield hij zich, in weerwil van ’t ongunstige weder van den herfst van dit jaar, zoo onafgebroken met de jacht bezig, dat hij tegen ’t eind van October ziek werd en naar den Haag moest worden vervoerd. Reeds den 6den November overleed hij in den jeugdigen ouderdom van ruim vier-en-twintig jaren. Naar alle waarschijnlijkheid voorkwam zijn vroegtijdige dood groote moeielijkheden, die zich aan den gezichteinder begonnen te vertoonen. Behalve dat het lang zou hebben geduurd, eer de bestaande spanning ware verkeerd in een vriendschappelijke verhouding tot Hollands regenten, is het te vermoeden, dat de onbezonnen aanmoediging van een drom vleiers, wien hij het oor leende, den heerschzuchtigen en hartstochtelijken stadhouder mettertijd het spoor had doen bijster worden. De onervaren prins stond op het punt, het zoo even voltooide meesterstuk, te Munster tot stand gebracht, te vernietigen. In overleg met hem had het Fransche hof een ontwerp-verdrag opgesteld, dat de Republiek en Frankrijk in een dubbelen oorlog zou hebben gewikkeld met Spanje en met Engeland. De Stuarts zouden door de beide bondgenooten op den troon worden hersteld. Maar de plotselinge dood van den prins deed het ontwerp in duigen vallen. In hem ontviel der Republiek een man, die ontegenzeggelijk groote gaven had en den staat aanmerkelijke diensten had kunnen bewijzen. Ware hem een langer leven gegund geweest, hij zou zijn vermaarde voorzaten in vele opzichten hebben kunnen evenaren, want hij was onvermoeid, dapper, ondernemend en milddadig.

 


§ 24.

De groote vergadering.—De eerste Engelsche zeeoorlog.

De mare van ’s prinsen dood verwekte, toen zij door ’t gansche land weerklonk, naarmate van ieders gezindheid, verschillende aandoeningen van droefheid of blijdschap. Den 14den November, acht dagen na ’s prinsen dood, werd Willem Hendrik, de zoon van Willem II, geboren. De staten van Holland, intusschen bijeengekomen, deden een bezending aan hun medeleden in de unie, om hun voor te stellen, de staten der bijzondere gewesten te ’s Gravenhage te beschrijven, ten einde op de unie, de religie en de militie te besluiten. Dit duidt aan, dat de staten van Holland zich onwrikbaar hadden voorgenomen, de regeering op een vasten voet te brengen, ten welken einde zij de toestemming der andere gewesten behoefden en wenschten, dat de staten dier provinciën een aanmerkelijk getal afgevaardigden naar den Haag zouden zenden. Thans immers, nu de tachtigjarige oorlog voor goed was geëindigd, scheen het noodzakelijk, een vasten regeeringsvorm aan de Republiek te geven. Middelerwijl werd de voogdij over den jongen prins opgedragen, ter ééne zijde, aan de prinses-weduwe (zie blz. 95), en ter andere aan de prinses-grootmoeder (zie blz. 89) en aan den keurvorst van Brandenburg gezamenlijk. Deze keurvorst was Frederik Willem, getrouwd met de oudste dochter van Frederik Hendrik, Louise Henriëtte. Terwijl vervolgens de staten van de meeste gewesten de rechten, die de stadhouder tot dusver had gehad, aan zichzelven trokken of aan de steden toekenden, benoemden Groningen en Drente Willem Frederik (zie blz. 94) in 1650 tot stadhouder.

Den 18den Januari 1651 opende de raadpensionaris Cats de groote vergadering of die der Algemeene Staten, alwaar ruim 300 personen tegenwoordig waren. Hoofdzakelijk kwam de rede van den raadpensionaris hierop neer, dat, vermits de Republiek, door ’t overlijden van Willem II en bij ontstentenis van een prins uit het huis van Oranje-Nassau, in staat om stadhouder en kapitein-generaal te zijn, zich in een toestand bevond, hoedanigen zij nimmer had gekend, er moest worden beraadslaagd over de unie, de religie en de militie. Ten aanzien van de religie verklaarde men zich te houden aan den hervormden godsdienst, zooals hij was vastgesteld op de synode van Dordrecht, en de andere sekten oogluikend te willen toelaten. De vaststelling van het punt der unie leverde groote bezwaren op. De grootste moeilijkheid bestond hierin, een geschikt middel te vinden, ten einde de geschillen van één gewest of tusschen onderscheiden gewesten bij te leggen. De verscheidenheid der meeningen over dit punt liep hierop uit, dat er niets werd vastgesteld. Het spreekt vanzelf, dat het derde punt, dat over de militie, waaromtrent in de beide laatste jaren zooveel was voorgevallen, inzonderheid de aandacht der vergadering bezig hield. Men kwam tot deze uitkomst, dat, naast den Staten-Generaal, aan de staten der gewesten meer gezag en grooter bevoegdheid op het stuk van ’t krijgswezen werd toegekend, dan tot hiertoe het geval was geweest. Alles, wat op de groote vergadering was besloten, werd aangemerkt als een grondwet van den staat. Hetgeen omtrent de beide eerste punten was beslist bracht de regeering op zoodanigen voet, dat Holland veel meer invloed kreeg op de Vereenigde Nederlanden, dan het tevoren had gehad. Kort nadat de groote vergadering was uiteengegaan, legde Cats het ambt van raadpensionaris neer. In zijn plaats benoemden de staten van Holland nog in 1651 ten tweeden male (zie blz. 90) Adriaan Pauw.

Hetgeen in 1649 hier te lande ten opzichte van de gezanten der Engelsche Republiek (zie blz. 103) was voorgevallen werd door het parlement zeer euvel opgenomen. De dood van den prins gaf het parlement grond om te meenen, dat er in de denkwijze der zeven gewesten ten aanzien van Engeland een omkeering had plaats gegrepen. Het zond dus in 1651 een plechtig gezantschap naar dezen staat, hetwelk terstond gehoor verwierf in de groote vergadering. De bezending had in last, een verbond met de Staten-Generaal te sluiten, nauwer dan immer tusschen de beide staten had bestaan. Hoe de aard van dit verbond zou zijn, werd voorshands niet nader verklaard. De Staten-Generaal toonden weinig geneigdheid, aan den voorslag te voldoen. Alzoo riep het parlement nog in den zomer van ’t zelfde jaar zijn gezantschap terug. Wat Holland had gevreesd en van den beginne af had trachten te voorkomen gebeurde. In Oct. 1651 vaardigde de Engelsche Republiek de akte van navigatie uit, die een zwaren slag toebracht aan de vrachtvaart en aan den tusschenhandel der Nederlanders (zie blz. 98). Deze akte toch bepaalde, dat de vaartuigen van vreemde natiën geen andere voortbrengsels dan die van hun eigen land in de Britsche havens mochten invoeren. Groot was het nadeel, door deze akte aan Nederlands vrachtvaart, haringvangst en visscherij in ’t algemeen toegebracht. Nog grooter werd het, daar ook andere natiën, even ijverzuchtig op den bloei der Republiek als de Engelsche, het voorbeeld van dit volk gingen navolgen. Toen voorzeker moest het getal der Nederlandsche vrachtschepen, hetwelk in 1651 meer dan elf duizend bedroeg, wel dalen.

Bij de onderhandelingen, vervolgens aangeknoopt tusschen de Britsche en de Nederlandsche Republiek over een verbond van vriendschap en koophandel, kwamen de Engelschen met hooge eischen voor den dag, b. v. met dien van ’t recht eener volstrekte heerschappij over de zeeën van Groot-Britannië, verlangende, dat ieder dit door het strijken der vlag voor de Engelsche oorlogschepen erkende. Ook werd hetgeen ongeveer dertig jaren geleden op Amboina (zie blz. 79, 80) was voorgevallen op nieuw opgehaald. Intusschen waren de Engelsche oorlogschepen zelfs begonnen, eenige vaartuigen der Nederlanders te nemen. Uit dien hoofde werd de luitenant-admiraal Maarten Harpertsz. Tromp in 1652 met een groote vloot in zee gezonden. Den 29sten Mei stiet hij op den Engelschen admiraal Blake, die op de hoogte van Dover kruiste. Hier werden zijn schepen handgemeen met de vloot van Blake, die, omdat Tromp hem niet spoedig genoeg groette, het sein gaf tot het gevecht. De nacht scheidde de kampenden, en de beide admiralen verweten elkander de vredebreuk. De onderhandelingen, nogmaals aangeknoopt, leidden tot niets, en de eerste zeeoorlog met Engeland was metterdaad verklaard.

Michiel Adriaansz. de Ruiter sloeg den Engelschen vice-admiraal Askue in 1652 bij Plymouth (in ’t z.w. van Engeland). Niet minder krachtig handhaafde Tromp, toen op het toppunt van zijn roem, de eer der Nederlandsche vlag, zoowel in den onbeslisten driedaagschen zeeslag bij Portland (een schiereiland in ’t z. van Engeland, ten w. van Dorchester) in Febr. 1653 tegen Blake en bij ter Heijde (ten z. van Scheveningen), waar hijzelf sneuvelde (10 Aug.) en waar de zege eveneens twijfelachtig was, tegen Monk (zie Overzicht, 9de druk, blz. 148), als in vele andere ontmoetingen. De oorlog met Engeland kwam de schatkist der Republiek op zulke zware offers te staan en de handel verliep zoozeer, dat de rampen van den tachtigjarigen oorlog geringer schenen dan die van dezen krijg. Amsterdam kwijnde. De Republiek was geenszins opgewassen tegen Engeland. Niet minder dan in Nederland gevoelde men in Engeland de gevolgen der stremming van handel en zeevaart, en Cromwell zag in, dat zijn gezag licht aan ’t wankelen kon worden gebracht, zoo hem de fortuin eens tegenliep. Bovendien duchtte hij, dat, indien de oorlog den prins van Oranje in Nederland op het kussen mocht brengen, deze verheffing die van Karel II in de hand kon werken.

Hier te lande wenschte Holland, hetwelk, naar gewoonte, de zwaarste lasten voor den oorlog droeg en voor de achterlijk blijvende gewesten de penningen wederom moest voorschieten, bovenal den vrede. De staten van dit gewest droegen, na den dood van Pauw (zie blz. 109), in 1653 het raadpensionarisschap op aan johan de witt. Hij was de tweede zoon van Jakob de Witt, twee jaren jonger dan zijn broeder Cornelis. Zonder de andere provinciën te hebben geraadpleegd, wendde Holland zich, in Maart 1653, tot het parlement, om te pogen eenig uitzicht op den vrede te verkrijgen. Het gevolg was, dat een paar maanden later een gezantschap der Staten-Generaal naar Londen vertrok. Een of twee dezer gezanten hielden geheime briefwisseling met de Witt. Dit gaf aanleiding tot het vermoeden, dat de Witt en zij, die in Holland met hem eenstemmig dachten, van zins waren, met Engeland een verdrag te doen tot stand komen, nadeelig voor de belangen van het huis van Oranje-Nassau.

In November 1653 werden de Nederlandsche gezanten in kennis gesteld van een ontwerp van vrede, uitgaande van de Engelsche Republiek. Het ontwerp bevatte o. a. de vordering, dat de Staten-Generaal, noch de staten der gewesten den prins van Oranje of een zijner nakomelingen immer zouden aanstellen tot kapitein-generaal en admiraal of stadhouder. Tegen dit punt kwamen de afgevaardigden terstond in verzet. Doch in ’t zelfde jaar werd Cromwell protector van Groot-Britannië. Hij stond vast op het stuk der uitsluiting van den prins, zeggende van oordeel te zijn, dat, indien de zoon van Willem II tot hooge waardigheden mocht komen, hieruit geschillen zouden voortspruiten tusschen Engeland en Nederland en alzoo de vrede zou worden verstoord. De Staten-Generaal waren hiervan ten eenen male afkeerig. Van zijn kant gaf Cromwell te verstaan, dat hij er genoegen in zoude nemen, indien slechts de staten van Holland hem omtrent die uitsluiting den noodigen waarborg gaven. Dit werd nu de aangelegenheid, waarover een paar gezanten der Republiek met de Witt in ’t geheim brieven wisselden en die aan de Staten-Generaal en aan ’t meerendeel der staten van Holland onbekend bleef.

Den 23sten April 1654 werd het vredesverdrag door de Staten-Generaal bekrachtigd, den 30sten door Cromwell. Zóó kwam de vrede van Westminster tot stand. Hij bepaalde hoofdzakelijk, dat de Nederlanders, in de Britsche wateren één of meer Engelsche oorlogschepen ontmoetende, steeds de vlag zouden strijken en dat recht zou worden gedaan wegens het op Amboina gebeurde. Overeenkomstig dit laatste punt betaalde men een aanzienlijke som aan de erfgenamen der op Amboina terecht gestelden. Den 3den April koesterde de Witt nog de hoop, dat Cromwell ten aanzien van de uitsluiting van inzicht mocht veranderen. Niet alsof hij de verheffing van den prins wenschte. Het tegendeel staat vast. Een diepen indruk had ’s vaders gevangenneming op den zoon gemaakt. En dat de tijd bij hem en bij zijn partij dien indruk niet wegnam, dit belette, zoo het voor ’t overige mogelijk ware geweest, reeds de naam Loevesteinsche factie, welken de staatsgezinde partij (zie blz. 89) sedert dien tijd bij haar tegenstanders droeg. In weerwil hiervan heeft men in familiewrok niet in de eerste plaats het beginsel te zoeken van de Witts vooringenomenheid tegen het huis van Oranje-Nassau. Die vooringenomenheid stond bij hem in verband met de vaste overtuiging, dat de souvereiniteit der staten in aanhoudend gevaar was, indien de Republiek steeds een dienaar in naam, een meester in ’t wezen der zaak had, die het opperbevel voerde over een staand leger en als stadhouder veler gewesten een zoo veelzijdigen invloed kon uitoefenen. De raadpensionaris was van meening, dat slechts in tijd van oorlog een kapitein-generaal een onmisbaar dienaar der Republiek was.

Maar al was de Witt geen voorstander van de belangen van ’t huis van Oranje-Nassau, het kon hem niet anders dan onaangenaam zijn, dat het besluit der tegenwerking van den prins door een vreemde mogendheid, als volstrekte voorwaarde voor ’t behoud des vredes, aan Holland werd afgeperst. Vermits intusschen Cromwells onherroepelijke wil was, een verklaring der staten van Holland over de uitsluiting, met zijn wensch overeenstemmende, onmiddellijk na het teekenen van het vredesverdrag in handen te hebben en hij de instandhouding van den nauwelijks gesloten vrede hiervan afhankelijk stelde, werd de zaak den 28sten April en in de eerste dagen van Mei in de vergadering der staten van Holland overwogen. Veertien leden stemden er ten slotte voor. Alzoo werd de akte van seclusie of uitsluiting naar Engeland gezonden. Zij behelsde, dat de staten van Holland den prins van Oranje of een zijner nakomelingen nimmer tot stadhouder verkiezen, noch, zooveel hun stem aanging, gedoogen zouden, dat hij ooit tot kapitein-generaal der unie werd aangesteld. Ongeveer terzelfder tijd dat de akte aan Cromwell werd ter hand gesteld, lekte het geheim in de Republiek uit en ontstond te dier zake van alle zijden in ’t land een groote verbolgenheid. Daarom schreef de Witt een meesterlijk vertoog, een uitvoerige verdediging der akte en van de wijze, waarop zij was verleend, die, met goedvinden van de meeste leden, op naam der staten van Holland werd uitgegeven.

 


§ 25.

De Staat onder de leiding van de Witt.—De bemoeiingen der Republiek met den oorlog in ’t Noorden van Europa.—De tweede Engelsche zeeoorlog.

Als eerste vruchten van den gesloten vrede, werden welvaart en algemeene tevredenheid in Nederland geplukt. Die vrede opende weder de bronnen van handel, scheepvaart en nijverheid. De vrees, dat de akte van seclusie duurzame onlusten zou doen geboren worden, bleek ongegrond te zijn. Van zijn kant vestigde de Witt, daar de Republiek thans op een goeden voet stond met Engeland en de eendracht in ’t land zelf hoe langer hoe meer veld won, al zijn aandacht op de binnenlandsche aangelegenheden en bovenal op het financiewezen. Dit was een tak, die dringend regeling vereischte, iets, waartoe den raadpensionaris zijn uitnemende bekwaamheden in dit deel der huishouding van den staat bij uitstek te stade kwamen. Aan de Witts verstandige beginselen in het beheer der geldmiddelen, echt Hollandsche spaarzaamheid in het besteden der penningen en een voortdurend streven naar vermindering der hoofdschuld, had de staat het te danken, dat hij later, onder kostbare oorlogen, zijn krediet kon handhaven. De lessen, geput uit den nauwelijks geëindigden oorlog, versmaadde de Witt geenszins. In dien krijg was de meerderheid der Engelsche vloot boven de Nederlandsche helder aan den dag gekomen. Daarom was de verbetering van het zeewezen het doelwit, waarop hij den blik aanhoudend gericht hield. Aan alles, dat te dien einde werd voorgesteld, zette hij kracht en leven bij.

De waardigheid en de belangen der Republiek wist de raadpensionaris met eere te verdedigen tegen het buitenland. Toen in 1655 een oorlog losbarstte tusschen Zweden en Polen (Overzicht, 9e druk, blz. 149) en het weldra duidelijk werd, dat de koning van Zweden, Karel X Gustaaf, naar de opperheerschappij over de Oostzee streefde, waren de Staten-Generaal terstond bedacht op de belangen van den Nederlandschen handel (zie blz. 98). Jakob van Wassenaar-Obdam (ten w. van Hoorn) stevende, als luitenant-admiraal van Holland, naar de Oostzee, om de koopvaardijschepen der Republiek en Dantzig, dat door de Zweden werd belegerd, te ontzetten. Dit geschiedde in 1656. En toen Frederik III, koning van Denemarken, als bondgenoot van Polen aan den oorlog deel nam, stond Nederland hem zoowel anderszins als met zijn vloot bij. Wassenaar behaalde in 1658, nabij het slot Kroonenburg, een zege op Wrangel, bevelhebber der Zweedsche vloot. In 1659 landde Hollands vice-admiraal de Ruiter op het eiland Funen en veroverde Nijborg. Hem viel de eer ten deel, door den koning van Denemarken met een gouden keten, alsmede met een jaarwedde van 2000 gl. begiftigd en in den adelstand verheven te worden.

Het beklimmen in 1660 van den troon van Groot-Britannië door Karel II bracht geen innige verhouding teweeg tusschen dit rijk en Nederland. Op het bericht zijner verheffing reisde Karel van Breda, waar hij destijds vertoefde, naar Holland, om zich te Scheveningen in te schepen. Afscheid nemende, beval hij de belangen van den jongen prins van Oranje-Nassau ernstig aan de Staten-Generaal en aan de staten van Holland aan. Voortshands had deze aanbeveling geen andere uitwerking, dan dat de staten van Holland in ’t laatst van September 1660 de akte van seclusie, die met den dood van Cromwell haar beteekenis verloor, introkken. Den koning van Engeland deden zij hierdoor geen bijzonder groot genoegen. Hij toch achtte de akte door dien dood zelven te zijn vervallen.

Intusschen beseffende, dat de Republiek niet bestand was tegen de vereenigde macht der rijken Frankrijk en Engeland, meende de Witt, dat men bij Engeland steun moest zoeken tegen de overmacht van Frankrijk, bij Frankrijk tegen die van Engeland. Op dit beginsel berustten de beide verdragen, die Nederland in 1662 sloot, het eene met Engeland, het andere met Frankrijk. Het verdrag met Engeland, aan de beide staten de verplichting opleggende, elkander in geval van oorlog bij te staan, kwam in September van dat jaar tot stand. Reeds vroeger, in April, was het verwerend verbond met Frankrijk gesloten, waarin werd vastgesteld, dat elk der bondgenooten, in geval een van hen in oorlog geraakte, den anderen bijstaan en zonder hem geen vrede sluiten zoude.

Zóó meende de Witt zijn doel te hebben bereikt, den staat te hebben beveiligd tegen mogelijke aanvallen op het vasteland, ten einde zich op zee tegenover Engeland te kunnen doen gelden, hetzij zonder, hetzij met geweld. Één moeielijkheid was er bij dit stelsel der buitenlandsche politiek, en die moeielijkheid ontging de Witts scherpzienden blik in geenen deele. Met den aanvang der regeering van Lodewijk XIV was Frankrijk de eerste mogendheid van Europa geworden. Het was voor de Witt geen geheim, dat de inlijving der Spaansche Nederlanden een der hoofdplannen was van Lodewijks buitenlandsche staatkunde. Maar ook was het zijn vaste overtuiging, dat men Frankrijk wel tot vriend, maar niet tot nabuur moest hebben (zie bladz. 103). Kon de Republiek dit laatste niet beletten, dan stond haar eigen zekerheid op het spel. Weldra werd er tusschen den graaf d’Estrades, den gezant van Frankrijk te ’s Gravenhage, en de Witt een onderhandeling aangeknoopt omtrent een verdeeling of vrijmaking der Zuidelijke Nederlanden, geheel overeenkomende met het oogmerk, dat Frankrijk en de Nederlanden voorheen hadden gekoesterd (zie bladz. 93). Nog waren de Staten-Generaal bezig, hierover met Lodewijk te onderhandelen, toen de koning in 1664 plotseling de zekerheid meende te hebben verkregen, dat de Republiek niet bij machte zou zijn, zich tegen de inlijving dier gewesten te verzetten. Daarom hield hij het voor overbodig, den buit met een ander te deelen. Terwijl Lodewijk zich met deze overdenking bezig hield, kwam het hem zeer gelegen, dat de Republiek weldra met Engeland in oorlog geraakte. Zoo werd Nederland verplicht, zich steeds nauwer aan Frankrijk aan te sluiten, en kon hijzelf gelegenheid vinden, zijn plannen omtrent de Zuidelijke Nederlanden in rust te volvoeren, zoodra zich hiertoe de gelegenheid aanbood.

In weerwil van de banden, die Engeland aan Nederland schenen te hechten, als gelijkheid van afstamming, godsdienst en zeden, bestond er tusschen de inwoners dier beide rijken een nationale haat. De oorzaak der verwijdering lag vooral in den strijd der belangen. Engeland zocht zijn macht te vestigen op dezelfde grondslagen, als Nederland, op den handel en de zeevaart. Wat Karel II betreft, hij kon het der Republiek niet vergeven, dat zij gedurende de jaren zijner ballingschap het gevaar zorgvuldig had ontweken, om zijnentwil Cromwell eenigen aanstoot te geven. Bovenal nam hij het euvel, dat de Witt, zooals hij zeide, zijn neef geen recht deed wedervaren. Deze gronden verklaren, hoe de krijg losbarstte, dien men den tweeden Engelschen zeeoorlog noemt en die een dier merkwaardige zeeoorlogen is, welke de zeventiende eeuw boven alle tijdperken der oude en der nieuwe geschiedenis onderscheiden. De naijver op den nog altijd grooteren handel en de uitgebreider scheepvaart van Holland en Zeeland maakte hem voor de Engelschen tot een nationalen strijd, en hun aanvallen en veroveringen gingen de oorlogsverklaring reeds een jaar vooraf. In 1664 vermeesterden zij Nieuw-Nederland met Nieuw-Amsterdam (zie blz. 88), hetwelk sinds New-York heet, en namen vele Nederlandsche koopvaardijschepen in beslag, waarvoor de Ruiter weldra op de kust Guinēa weerwraak nam.

Ongelukkig was voor Nederland het begin: Den 13den Juni 1665 leed de vloot van dezen staat een zware nederlaag op de hoogte van Lowesthoff (op de kust van Engeland, ten z. van Yarmouth), haar door den hertog van York toegebracht. De luitenant-admiraal Kortenaar sneuvelde; de opperbevelhebber der vloot, de luitenant-admiraal van Wassenaar-Obdam (zie blz. 114), vloog met zijn schip in de lucht; vele schepen werden genomen, lafhartigen namen de vlucht, en met moeite dekte men den terugtocht. In weinige weken—zoodanig was de veerkracht dier tijden—was de vloot hersteld en weder uitgeloopen. Maar eerst in ’t volgende jaar herstelde een schitterende overwinning, den gekrenkten roem onzer zeemacht. Een geduchte vloot van meer dan 100 zeilen, met over de 21,000 koppen bemand, onder de Ruiters opperbevel liep in ’t begin van Juni uit. Den 11den raakte zij bij Foreland (ten n.o. van Dover) slaags met de Engelschen, die bijna even sterk waren, onder prins Robert, een zoon van paltsgraaf Frederik, den gewezen koning van Bohemen (zie blz. 89), en Monk, hertog van Albemarle; den 12den des morgens begon de strijd op nieuw; den 13den werd hij hervat en eerst op den 14den Juni 1666 beslist, toen de Engelschen de wijk namen. Zwaar gehavend, doch met 3000 gevangenen, onder welke de vice-admiraal Ayscue, en met zes veroverde schepen, keerde de Nederlandsche vloot naar hare havens terug. Deze vierdaagsche zeeslag is ook in de latere geschiedenis eenig gebleven, gelijk hij het in de vroegere was.

Minder gelukkig liep een later zeegevecht af, in Augustus van ’t zelfde jaar nabij Duinkerken geleverd. De opperbevelhebber de Ruiter moest wijken, maar door vriend en vijand bewonderd. Dat de vloot voor Monk moest afdeinzen, weet de Ruiter aan den luitenant-admiraal Cornelis Tromp, een zoon van Maarten Harpertszoon, die zich met zijn eskader op eenigen afstand van den hoofdslag had gehouden. Tromp schreef dit op zijn beurt aan de hitte van den strijd toe, waarin hijzelf was gewikkeld geweest. Hoe dit zij, de staten van Holland ontsloegen Tromp uit den dienst. Ongelukkig voor dezen staat gaf het wijken der Nederlandsche vloot aan de Engelschen, die haar vervolgden, gelegenheid, om 100 à 150 koopvaardijschepen in het Vlie (tusschen Vlieland en Terschelling) in brand te steken en een gedeelte van Terschelling te verwoesten. Dan de wraak toefde niet, gelijk beneden zal blijken.

Inmiddels had de oorlog zich verder uitgebreid. Door Karel II aangespoord, deed Christoffel Bernard van Galen, bisschop van Munster, in 1665 een inval in Gelderland en bemachtigde eenige plaatsen. Maar ziende, dat Nederland van verschillende zijden, b. v. door Frankrijk, werd gesteund en de hem beloofde gelden uit Engeland niet ontvangende, sloot hij in 1666 met de Republiek den vrede te Kleef. Kort tevoren verloor de partij van Oranje een steun in den stadhouder Willem Frederik (zie blz. 94) die in 1664 overleed. Hem verving zijn zoon Hendrik Kasimir II (1664-1696), onder regentschap zijner moeder, in de drie gewesten. Middelerwijl verlangde Zeeland, gesterkt door eenige steden van Holland, wat het ook reeds vroeger had te kennen gegeven, dat den prins van Oranje de hooge staatsambten zouden worden opgedragen. De meerderheid der staten van Holland echter, van een tegenovergesteld gevoelen zijnde, wist haar meening te doen zegevieren. Nogtans iets willende toegeven, belastten die staten zich in April 1666 met de zorg voor ’s prinsen opvoeding. Dus namen zij Willem Hendrik, zooals men het kind noemde, tot kind van staat aan. Zij begonnen met een zuivering van het personeel, dat den prins omringde. Onder hen, aan wie de staten het toezicht op de opvoeding in ’t bijzonder opdroegen, bevond zich Johan de Witt. Zelf onderrichtte hij den prins in zaken van regeering.