De Nederlanden gedurende het bewind van Requēsens en van Don Jan van Oostenrijk.—De unie van Utrecht.
Alva’s opvolger was Don Louis de Requēsens. Hij was gematigd en van een geheel anderen aard dan zijn voorganger, zonder echter in de hoofdpunten een tegenovergesteld gevoelen te zijn toegedaan. Het eerste nadeel, dat hij ondervond, was dat Middelburg werd genoodzaakt zich in 1574 aan den prins over te geven. Hierop volgde echter de voor Nederland noodlottige slag op de Mookerheide of bij Mook (ten z. van Nijmegen), waar Lodewijk van Nassau met zijn broeder Hendrik omkwam. De eenige gunstige uitwerking, die Lodewijks inval teweeg bracht, was deze, dat de Spaansche troepen, die het beleg voor Leiden hadden geslagen, vandaar trokken, om bij Mook mede te strijden. Doch onmiddellijk na den slag werd het beleg hervat. In weerwil van de tegenwerking veler flauwhartigen werd de stad wakker verdedigd door Jan van der Does, den standvastigen burgemeester Pieter Adriaansz. van de Werff en anderen. Toch was de hongersnood reeds op ’t hoogst geklommen en zou de stad zijn bezweken, indien men niet de dijken had doorgestoken en de sluizen opengezet. In de eerste dagen van October 1574 blies de wind uit het n.w. en vervolgens uit het z.w. Nu drongen de wateren van den oceaan met onweerstaanbaar geweld landwaarts in en dreven de belegeraars op de vlucht. De 3de October was de dag van ’t ontzet. Een vloot met levensmiddelen voer Leiden binnen en verzadigde de hongerenden. Tot belooning voor haar volharding verwierf de stad o. a. in ’t volgende jaar een hoogeschool, die de prins en de staten haar uit naam van Philips schonken, want men hield zich nog steeds aan den ouden vorm en bestreed Philips’ benden in naam van hemzelf.
Inmiddels sloeg Requēsens het beleg voor Zierikzee, doch mocht het einde dier onderneming niet beleven. Hij stierf in 1576. Bij gebrek aan eenige beschikking aanvaardde de raad van state, na Requēsens’ dood, het bewind over de getrouw gebleven staten. Omtrent terzelfder tijd hield de raad van beroerte, die gedurende de regeering van Requēsens meer gekwijnd dan geleefd had, geheel op te bestaan, Weldra had de raad van state met onoverkomelijke bezwaren te worstelen. Zierikzee ging bij verdrag in handen der Spanjaarden over; maar onmiddellijk daarna stonden de Spaansche troepen, die op Schouwen lagen, op en eischten betaling van de sedert lang achterstallige soldij. Dicht ineengesloten, rukten zij met die officieren, welke het met hen eens waren, uit Zeeland naar Brabant. Waar zij kwamen, plunderden zij de kleine steden en stroopten het platteland af. Terwijl de staten der Zuidelijke Nederlanden nu begrepen, op niemand dan op zichzelven te moeten rekenen, was de muiterij der soldaten voor Willem een hefboom van onberekenbaar gewicht. Op zijn aanvraag kwamen de afgevaardigden uit het meerendeel der Zuidelijke gewesten te Gent bijeen, ten einde een verbond te sluiten met Holland en Zeeland. Te midden van het raadplegen dezer gemachtigden of der Algemeene Staten richtten de Spaansche soldaten, van alle kanten te Antwerpen bijeengeschoold, in deze stad een tooneel van moord en plundering aan, gruwelijker dan nog ergens was aanschouwd. De daad zelve, als het toppunt aller gruwelen, door dat krijgsvolk aangericht, noemt men de Spaansche furie. Zij oefende een krachtigen invloed op de beraadslagingen der staten. Den 8sten November was het stuk gereed, bekend onder den naam pacificatie of bevrediging van Gent. Het stelde een vereeniging vast tusschen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden, waarbij men overeenkwam, om de Spaansche soldaten den lande uit te drijven en zich later op het stuk van godsdienst onderling te verstaan.
Vier dagen vóór de afkondiging van het Gentsche verdrag overschreed de man, dien Philips II tot opvolger van Requēsens had benoemd, de grenzen van Nederland en kwam te Luxemburg aan. Het was Philips’ bastaardbroeder, Don Jan van Oostenrijk (zie blz. 48). Reeds had hij, hoe jong ook, schitterende lauweren behaald in de oorlogen tegen de Mooren en de Turken (Overzicht, 9de druk, blz. 140) en spiegelde zich van de toekomst een nog luisterrijker tijdperk voor. De aanvang beantwoordde niet aan die verwachting. Want de Algemeene Staten gaven hem welhaast te kennen, dat zij, niet dan op zekere voorwaarden, hem als landvoogd konden erkennen. De gestelde eischen willigde Don Jan in bij een verdrag, gesloten in Februari 1577 en het eeuwig edict geheeten. Hierbij werd de pacificatie bekrachtigd en de wegzending der vreemde troepen beloofd.
Van een bewind van den nieuwen landvoogd, in den eigenlijken zin, kan geen sprake zijn. Tevergeefs trachtte hij ook Willem, die volstrekt geen vertrouwen in hem stelde en zich, met Holland en Zeeland, zorgvuldig hoedde het eeuwig edict te onderteekenen, voor de zaak des konings te winnen. Eensklaps wierp hij in 1577 het masker der lijdelijke houding, dat hij tot dusver had gedragen, af door op zekeren dag in persoon het slot te Namen te verrassen en er zich te vestigen. Naar hij zeide, wilde hij zich beveiligen tegen de plannen, die men tegen hem smeedde. Aan de Algemeene Staten scheen het toe, dat hij hierdoor alle recht had verbeurd om met eenig gezag in de zeventien gewesten op te treden.
Terwijl Don Jan op die wijze al zijn macht verloor, of liever niet tot de oefening der macht kon geraken, groeide die van Willem steeds aan. Hij werd uitgenoodigd te Brussel te komen, en, door den invloed van den derden stand, tot ruwaard van Brabant benoemd. De reden dier benoeming was hierin gelegen, dat de zetel der regeering ledig stond. Deze toenemende invloed van den prins ook op de zaken van het Zuiden verbitterde de edelen dier landstreek. Zij waren het, die, in den waan aan Oranje een doodelijken slag toe te brengen, den jeugdigen aartshertog van Oostenrijk Matthīas (Overzicht, 9de druk, blz. 130) in het land riepen. Toen toonde Willem, hoe groot zijn meerderheid van geest was. Hij verzette er zich niet tegen, dat de Algemeene Staten Matthīas in ’t begin van 1578 tot landvoogd benoemden, maar onder zulke voorwaarden, dat hij niets vermocht. Terecht noemde het volk Matthīas ’s prinsen griffier, want zijn werkzaamheid bepaalde zich tot het onderteekenen van stukken. Intusschen hadden de Algemeene Staten uitdrukkelijk verklaard, dat zij Don Jan niet langer als landvoogd erkenden.
Bij alle wisseling van gebeurtenissen bleef Willem van Oranje verdraagzaamheid jegens andersdenkenden in ’t stuk van den godsdienst voorstaan. Zelf was hij aan ’t hof van Karel V in den Roomsch-katholieken godsdienst opgebracht. Dien bleef hij, voor het uiterlijk, getrouw tot 1573, toen hij tot de hervormde kerk, naar de begrippen van Calvijn, overging. Maar zijn geheele leven door was hij een vurig voorstander van de verdraagzaamheid. De dag was echter nog evenmin aangebroken voor het betoonen eener ware verdraagzaamheid, als voor een vereeniging van het Noorden en het Zuiden. Dit bewijzen de gebeurtenissen der jaren 1578 en 1579. Het jaar 1578 werd geopend met de aankomst van den hertog van Parma, Alexander Farnese, een zoon van Margareta (zie blz. 48). Welhaast vond hij, die een niet minder ervaren staatsman dan veldheer was, een geschikte gelegenheid om Henegouwen, Artois, Douai (ten n.o. van Atrecht) en een paar andere steden uit de Zuidelijke Nederlanden tot terugkeer onder ’s konings gezag te nopen. Reeds in Januari 1579 verklaarden zij zich hiertoe bereid en sloten een paar maanden later het verdrag van Atrecht, waarbij zij zich op nieuw aan de Spaansche heerschappij onderwierpen. Dien gunstigen keer der Spaansche zaak beleefde Don Jan niet meer. Hij stierf in October 1578. Terstond bij zijn verscheiden rees er argwaan van vergiftiging en vermoedde men, dat de misdaad op last van Philips was bedreven. Echter is het feit nimmer bewezen. Alexander Farnese trad onmiddellijk als Don Jans opvolger op.
Hoe langer hoe meer werd het zichtbaar, dat de kracht van den opstand hoofdzakelijk of bij uitsluiting in het Noorden moest worden gezocht. Geheel deze streek stond tegenover Spanje in de wapens. Er ontbrak slechts een verbond, om dezen toestand duurzaam te maken. Maanden lang werd hierover onderhandeld. In Januari 1579 kwam er een einde aan de overwegingen. Den 22sten en den 23sten dier maand werd de beroemde unie van Utrecht gesloten en geteekend, de grondslag van dezen staat, een vereeniging ten eeuwigen dage tusschen de Noordelijke gewesten, als waren zij maar één landschap, tot onderlingen bijstand tegen alle geweld en den gemeenen vijand. Zij werd geteekend door Willems broeder Jan, haren ontwerper, Holland, Zeeland (met uitzondering van Middelburg), Utrecht, de Ommelanden en een deel van Gelderland. In Mei teekende Willem; de overige deelen van Gelderland volgden in 1579 en 1580. Drente voegde zich, ofschoon het er slechts kort bij bleef, in April 1580 bij de unie, Overijsel in 1591. Friesland sloot zich, van 1579 tot 1598, bij gedeelten bij de unie aan. De stad Groningen, die niet toetrad, werd in 1594 door Maurits tot de unie gebracht. Eindelijk voegden zich nog eenige Zuid-Nederlandsche steden, als Antwerpen, Gent, Brugge, bij de unie.
De unie van Utrecht werd de hoeksteen van de Nederlandsche Republiek. Hoewel zij het geenszins was, werd zij later, toen de onafhankelijkheid van den staat was verzekerd, aangemerkt als de grondwet van het bondgenootschappelijk staatsgebouw, echter niet zonder afwijking en onuitgevoerde bepalingen. De hoofdinhoud der unie komt op het volgende neer. Elk gewest zal zijn voorrechten behouden; zijn onafhankelijkheid blijft ongeschonden. Ter bestrijding van de kosten van ’s lands verdediging zullen op eenparigen voet belastingen worden geheven. Over zaken, de Generaliteit betreffende, mag geen bestand of vrede gesloten, noch oorlog begonnen, verder geen belasting over alle gewesten uitgeschreven worden, dan met eenstemmig goedvinden der gewesten. Kunnen de leden het over deze punten niet eens worden, dan zal de zaak worden onderworpen aan de uitspraak van de stadhouders der gewesten. In andere stukken zal de meerderheid beslissen. Uit de mannelijke ingezetenen dezer landen, tusschen de achttien en de zestig jaren oud, zal een krijgsmacht worden samengesteld.—Op verre na niet alle artikels der unie werden evenwel nageleefd, b. v. dat omtrent de belastingen, de krijgsmacht, enz.
Van de unie van Utrecht tot de vestiging der Republiek van de Zeven Vereenigde Nederlanden.
Een van de onderteekenaars der unie van Utrecht was George van Lalaing graaf van Rennenberg (een voormalig graafschap in Limburg, tusschen Sittard en Valkenburg). Doch ternauwernood had hij ze geteekend, of hij viel, met een aanzienlijke som omgekocht, in 1580 van haar af en bracht, door verraad en geweld, de stad Groningen, Drente en een deel van Overijsel onder de Spaansche heerschappij terug. Slechts Steenwijk bleef voor den prins behouden. Niet lang genoot Rennenberg de vruchten van zijn verraad. Hij stierf reeds in 1581.
Willem, door dien afval zeer verslagen, werd bovendien diep geschokt door den ban, dien Philips, op raad van Granvelle, over hem uitsprak. In dit stuk, dat in Augustus 1580 in de Nederlanden werd afgekondigd, stelde de koning een prijs van 25,000 gouden kronen (elke ter waarde van omtrent 3 gl.) op het hoofd des grooten mans en beloofde brieven van adel te zullen uitreiken aan wie het trof. Één jaar na de afkondiging van den beruchten ban, den 26sten Juli 1581, zwoeren de Algemeene Staten, in den Haag vergaderd, Philips plechtig af. Het beginsel, waarvan deze daad uitging, was, dat de onderdanen niet door God zijn geschapen ten behoeve van den vorst, om hem als slaven te dienen, maar de vorst ten dienste van de onderdanen, zonder welke hij geen vorst is, ten einde hen volgens het recht en de rede te regeeren en lief te hebben, gelijk de herder zijn schapen.
Terzelfder tijd droeg Holland den prins de hooge overheid op en bekleedden de overige gewesten Frans van Anjou, een broeder van Hendrik III, koning van Frankrijk (Overzicht, 9de druk, blz. 143), met het oppergezag. Matthīas, nu overbodig geworden, verliet het land in 1581, zonder eenig spoor van zijn verblijf achter te laten. Anjou kwam eerst in Februari 1582 in de Nederlanden. Ook zijn macht was in vele opzichten aan banden gelegd. Zijn titel was hertog van Gelderland en Brabant, graaf van Holland en Zeeland, enz. Vreemd was vooral zijn verhouding tot deze beide gewesten. Zij hielden zich aan Willem, maar stemden er tevens in toe, ter bewaring der eendracht, zich, ten aanzien van sommige algemeene zaken, aan Anjou te onderwerpen.
Weldra oefenden de schitterende beloften, door Philips gedaan, haar werking. In Maart 1582 loste Jan Jaureguy, een bediende van d’Anastro, een Spaansch koopman te Antwerpen, in die stad een pistoolschot op den prins en wondde hem. ’s Prinsen gevolg doodde den misdadiger onmiddellijk; doch de hoofdaanlegger van het bedrijf, d’Anastro, ontkwam door de vlucht. Langzaam genas de prins. Nieuw verdriet berokkende hem de verraderlijke aanslag van Anjou, verontwaardigd over de perken, binnen welke zijn gezag was omschreven. Om zich van die bepalingen te ontslaan, leverde hij een tegenhanger van Don Jans trouwelooze daad. In Januari 1583 bemachtigden zijn troepen Duinkerken en andere sterke plaatsen in de Zuidelijke Nederlanden. Zelf deed Anjou, ter voltooiing van dit werk, dat men de Fransche furie noemt, met zijn soldaten een moorddadigen aanval op de burgers der stad Antwerpen, die echter door de ingezetenen zelven met gunstig gevolg werd afgeslagen en hem op een paar duizend zijner officieren en krijgsknechten kwam te staan. Hierop keerde Anjou naar Frankrijk terug en overleed er in 1584. Een der boden uit Frankrijk, welke de tijding van dien dood aan den prins overbracht, was Balthazar Gerard, of, gelijk hij voorgaf te heeten, François Guyon.
Deze man was de zesde, die in het tijdsbestek van twee jaren, door geld- en dweepzucht vervoerd, met medeweten van Parma, Willem van Oranje naar het leven stond. Zijn verderfelijk opzet, de grootste ramp, welke Nederland in die dagen kon treffen, gelukte maar al te wel. De vader des vaderlands viel den 10den Juli 1584 te Delft, doodelijk getroffen door het pistool van den sluipmoordenaar. De booswicht werd terstond gegrepen en op gruwelijke wijze ter dood gebracht.
Een groot en edel man was Willem van Oranje, de grondlegger der onafhankelijkheid van den Nederlandschen staat. Hij was een ervaren krijgsheld, een uitstekend staatsman, geboren om volksleider te zijn, in de goede beteekenis van het woord. Aan ingenomenheid met de hervormde leer en een vromen zin paarde hij een in die dagen ongekende verdraagzaamheid. Standvastig was hij als een rots in den oceaan, rustig te midden der onstuimige baren. Verbazend was zijn kennis van personen en zaken, onbegrijpelijk zijn werkzaamheid, zeldzaam zijn zelfbeheersching. Zelfopoffering en onbaatzuchtigheid onderscheidden hem in buitengewone mate.
Het was sober gesteld met de Nederlandsche gewesten bij den dood van den prins van Oranje. Parma had sedert het verdrag van Atrecht niet stil gezeten, doch Maastricht, bijna geheel Vlaanderen en de meeste steden van Brabant veroverd. Thans lag Antwerpen aan de beurt. Veertien maanden lang werd de stad verdedigd onder de leiding van Marnix van St. Aldegonde (zie blz. 53), die er burgemeester was. Het einde was, dat Antwerpen zich den 17den Aug. 1585 bij verdrag aan Parma overgaf. Dit verdrag verleende den hervormden geen vrijheid van godsdienst, maar nog een ongestoord verblijf van vier jaren. Duizenden maakten in dat tijdsverloop hun vastigheden te gelde en weken naar ons land, vooral naar Amsterdam. Van nu aan verliet voor de twee volgende eeuwen de zeehandel de haven van Antwerpen en keerden de Zuidelijke gewesten onder de gehoorzaamheid van Spanje’s koning terug. De scheiding van ’t Zuiden en ’t Noorden was voltooid. Het Zuiden ging den smaad en de ellende der dienstbaarheid te gemoet; het Noorden zette steeds vaster schreden op de baan, die tot de onafhankelijkheid voerde.
Gedurende de beide laatste jaren van ’s prinsen leven had Holland voortdurend onderhandeld, om Willem als grondwettig vorst aan te nemen onder den naam „graaf van Holland en Zeeland.” Slechts het toeven van Gouda en Zeeland had de zaak vertraagd. Thans was het te laat. Friesland benoemde Willem Lodewijk, den oudsten zoon van Jan van Nassau (zie bl. 61), tot stadhouder. De Algemeene Staten richtten een nieuwen raad van state op, aan ’t hoofd van welk lichaam ’s prinsen zoon Maurits werd gesteld. Dezelfde staten droegen de oppermacht over deze landen aan Hendrik III (zie blz. 62) op. Toen deze vorst weigerde, deed men hetzelfde aanbod aan Elizabeth, koningin van Engeland. Zij nam het evenmin aan, doch zond hulp tegen zekere onderpanden, n.l. het bezetten van Brielle, Vlissingen en het kasteel Rammekens (ten o. van Vlissingen). In December 1585 verscheen aan ’t hoofd harer troepen Robert Dudley, graaf van Leicester (in ’t midden van Engeland). Aanstonds bekleedden de Staten-Generaal Leicester met de algemeene landvoogdij. Ongeveer terzelfder tijd benoemden de staten maurits (1585-1625) tot stadhouder van Holland en Zeeland, terwijl johan van oldenbarnevelt in Holland advocaat van den lande (zie blz. 31) werd.
Nog ternauwernood had Leicester het bewind aanvaard, of er bestond alreede een klove, die slechts behoefde te worden verwijd. Hiervoor zorgde hijzelf. De eerste twistvraag, die tusschen hem en de staten van Holland en Zeeland opkwam, betrof den handel van Spanje en met de Spaansche Nederlanden. Leicester en Elizabeth wilden een volstrekt verbod van uitvoer naar ’s vijands land. In weerwil van de vertoogen, door Holland hiertegen ingediend, werd zoodanig verbod afgekondigd. Bij dit punt van verschil kwamen andere. In December 1586 vertrok de Engelschman voor een wijl naar zijn vaderland en vertoefde er ruim een half jaar. Zijn verblijf in deze streken had meer kwaad dan goed gedaan. De predikanten en de mindere volksklasse, die zeer aan den rechtzinnigen landvoogd waren gehecht, stonden tegenover hen, die de partij der Staten van Holland omhelsden. Grooter verdeeldheid en meer verwarring in ’t bestuur: dit waren de vruchten van Leicesters tegenwoordigheid hier te lande. De Staten-Generaal, waarin Vlaanderen nu geen zitting meer had en Holland het meest gold, haastten zich van Leicesters afwezigheid gebruik te maken. Het plakkaat nopens den handel werd zoo gewijzigd, dat het al zijn kracht verloor. Van hun kant kwamen de staten van Holland thans tot het volle besef van de noodzakelijkheid, om de souvereiniteit, die zij zich immers, ook toen Leicester de landvoogdij werd opgedragen, hadden voorbehouden, metterdaad te aanvaarden. De leer van de souvereiniteit der staten is gedurende den tijd van ’t bestaan der Republiek het heerschend denkbeeld gebleven.
Intusschen keerde Leicester in ’t midden van 1587 naar de Nederlanden terug, vast besloten om, des noods met geweld, een omwenteling teweeg te brengen, die hem in ’t genot van de volheid der macht zou stellen. Maar een poging, die hij deed om Maurits en Oldenbarnevelt, de ziel van de tegenstand, op te lichten mislukte. Evenmin slaagde een aanslag op Amsterdam, onder den schijn van een bezoek gedaan. Op Medemblik en Hoorn na, verklaarde zich Noord-Holland tegen hem. In ’t kort, alom bespeurde hij, dat zijn rijk ten einde was. Weldra vertrok hij, door Elizabeth van zijn ambt ontslagen, naar Engeland. Elizabeths hulptroepen bleven in Nederland; doch Leicesters opvolger als veldheer werd door de Staten-Generaal met geen landvoogdij of andere waardigheden bekleed.
De regeeringsvorm der Republiek van de Zeven Vereenigde Gewesten.
Het spreekt vanzelf, dat eerst de onlusten, vervolgens de unie van Utrecht en de afzwering van Philips een groote verandering in den regeeringsvorm der Nederlanden teweeg brachten. Vóór dien tijd toch was de hertog, graaf of heer souverein, daar hij alle gezag, dat van rechtswege den koning der Franken, later den keizer toekwam, allengs aan zich had getrokken. Aan geregelde staatsrechtelijke beperking van de heerschappij dier vorsten door ’t volk of door eenig deel daarvan werd niet of slechts bij wijze van uitzondering gedacht. Sedert evenwel de staten meer en meer door de vorsten werden geraadpleegd, begonnen zij de medewerking tot de regeering als een recht te eischen. Van 1572 af begint de medewerking der staten tot de regeering in Holland, in 1576 die van de Algemeene Staten. En van lieverlede breidde zich hun invloed op het bewind uit, totdat de staten der verschillende gewesten, na het vertrek van Leicester, in 1588, in plaats van wederom een hoofd aan te stellen, zelven de hooge overheid in handen namen.
Daarom is het jaar 1588 het tijdstip van de vestiging van de Republiek der Vereenigde Nederlanden. Gedurende het bestaan dier Republiek berust de souvereiniteit bij elk gewest in ’t bijzonder, d. i. bij ’t lichaam van de edelen en de vroedschappen (burgemeesters en raden) der steden, die de afgevaardigden ter statenvergadering benoemen. In ieder der zeven gewesten was de vergadering der staten op een bijzondere wijze ingericht. Gelderland bestond uit drie kwartieren: dat van Nijmegen, dat van Zutfen en dat van Arnhem of van de Veluwe. In plaats van de bannerheeren (zie blz. 37), die uit hoofde van hun gehechtheid aan de Spaansche regeering niet meer als afzonderlijk lid werden gedoogd, namen nu de edelen of ridderschap als eerste lid zitting. Het tweede lid der staten waren de steden. Ieder kwartier had één stem.
De statenvergadering van Holland bestond uit negentien stemmen, waarvan de edelen één en de steden de overige hadden. De steden waren ten getale van achttien, verdeeld in zes groote en twaalf kleine steden. Elke stad had haren pensionaris, die de afgevaardigden vergezelde en voor hen het woord voerde. De advocaat van den lande, kort na Oldenbarnevelts dood raadpensionaris, bracht de stukken ter tafel en liet erover stemmen. Al wat tot het gebied der rechtszaken behoorde was de taak van ’t hof van Holland. Boven dat hof stond de hooge raad, opgericht in 1582, aan welks rechtsgebied ook Zeeland was onderworpen. Een zeer gewichtig ambt was dat van den advocaat van den lande, of, sedert 1630, raadpensionaris. Hij was de ziel van der staten raadplegingen, de hoofdleider van alle gewichtige bedrijven. Hij was belast met het houden van briefwisseling met de gezanten der Republiek aan vreemde hoven en had alzoo veel invloed op den gang der buitenlandsche aangelegenheden.
In Zeeland zonden alleen de eerste edele, die de eenige vertegenwoordiger was van den adel in die provincie, en zes steden afgevaardigden naar de staten. Er waren dus zeven stemmen. Ten gevolge van den opstand tegen Spanje was het eerste der drie leden, de abt van Middelburg, van zijn recht van zitting in de vergadering der staten verstoken geworden. Alzoo werd nu de eerste edele het voornaamste lid. De waardigheid van eersten edele droegen de staten achtereenvolgens aan alle prinsen van Oranje op, n.l. aan Maurits, Frederik Hendrik, Willem II, Willem III, Willem IV, Willem V. De staten van Utrecht waren uit drie leden samengesteld: de geëligeerden, de edelen en de stad Utrecht, benevens een paar kleinere steden. Er waren dus drie stemmen. Het eerste lid was dat der geëligeerden. Vroeger waren dit Roomsche geestelijken (zie blz. 40). Na de omwenteling der 16de eeuw waren het edelen en burgers van den hervormden godsdienst. Ongeveer dezelfde bemoeiingen als de raadpensionaris in Holland had hier de secretaris van staat.
Friesland was in vier kwartieren verdeeld, Oostergo, Westergo, Zevenwolde en de steden, ten getale van elf. Elk kwartier had op den landdag één stem. De statenvergadering of landdag van Overijsel telde twee leden, de edelen uit de drie kwartieren Salland, Twente en Vollenhoven, en de hoofdsteden Deventer, Kampen en Zwol. De wijze van stemmen was zeer eigenaardig, daar de ridderschap niet één college uitmaakte, maar hoofd voor hoofd stemde, terwijl elke stad één stem had.
Groningen bestond uit twee leden, de stad en de Ommelanden, gezamenlijk „stad en lande” genoemd. Zij deelden het oppergezag zoo met elkander, dat de burgemeesters en de raadsheeren, welke de stad zond, de eene stem hadden, en de drie kwartieren, waaruit de Ommelanden bestonden, n.l. Hunsingo, Fivelingo en ’t Westerkwartier, de andere. Zooals in Friesland, had, bij staking van stemmen, de stadhouder de beslissing. De staten van Drente waren samengesteld uit twee leden. Het eerste lid waren de ridders, ten getale van niet meer dan achttien. Het tweede lid was dat der eigenerfden. De heeren van de ridderschap hadden één, de eigenerfden twee stemmen.
Vervolg.
Ten tijde van de Republiek berustte de souvereiniteit, voor elk gewest in ’t bijzonder, bij ’t lichaam van de edelen en bij de vroedschappen der steden. Maar uit de staten der provinciën, uitgezonderd Drente, werd een onbepaald getal leden afgevaardigd, die een college vormden, dat men Staten-Generaal noemde, hetwelk den souverein vertegenwoordigde tegenover de buitenlandsche mogendheden en later het bestuur had over de Generaliteitslanden. Er waren in de Staten-Generaal zooveel stemmen, als er gewesten waren, zoodat het getal van hen, welke naar die vergaderingen werden gezonden, hiertoe niets afdeed. De werkkring van den raad van state werd sedert 1593 beperkt tot het beheer der krijgszaken en van de financiën in ’t algemeen.
Gelijk de pacificatie van Gent de grondslag was der Algemeene Staten, zoo werd de unie van Utrecht dit voor het eenigszins anders samengestelde lichaam der Staten-Generaal. Want na het jaar 1585 bestond dit lichaam slechts uit de afgevaardigden van de staten der zeven gewesten, die de unie hadden onderteekend. Drente werd van het voorrecht om ter Staten-Generaal zitting te nemen uitgesloten, dewijl het, kort na de unie te hebben onderteekend, door de Spaansche wapenen was vermeesterd. Hoewel slechts een bondgenootschappelijk gewest, maakte Drente een deel van den staat uit. Doch het was verre van onafhankelijk te zijn, daar het verplicht was, in de algemeene lasten, buiten zijn stem vastgesteld, te dragen.
In gewone gevallen beslisten de afgevaardigden zelven, mits blijvende binnen de perken, hun door de provinciën gesteld. Doch in gewichtige aangelegenheden vermochten zij niets zonder den uitdrukkelijken en eenstemmigen wil der gewesten. Dikwijls waren intusschen de meeningen over het verbindende der eenstemmigheid verdeeld. Dus rees in dergelijke gevallen de vraag, of er overstemming plaats hebben en de meerderheid beslissen kon, ja dan neen, iets waartoe de tijden van Maurits en Willem II overhelden. Over ’t geheel had Holland in de Staten-Generaal een groot overwicht.
De raad van state bestond uit twaalf leden, van welke die provincie de meeste zond, welke het grootste aandeel droeg in de algemeene kosten. Holland had er daarom drie leden. Bovendien waren de stadhouders lid van den raad van state. Men stemde hoofdelijk. De werkkring van dezen raad is uit het bovenstaande (zie boven op deze blz.) gebleken. In de algemeene lasten waren de aandeelen zóó vastgesteld, dat van een som van honderd gulden elk gewest het onderstaande opbracht:
| Holland | ongeveer | 58 | gl. | |
| Friesland | „ | 11 | ½ | „ |
| Zeeland | „ | 9 | „ | |
| Gelderland | „ | 5 | ½ | „ |
| Utrecht en Groningen, ieder | ruim | 2 | ½ | „ |
| Overijsel | 3 | ½ | „ | |
| Drente | 1 | „ |
Vermits evenwel de meeste gewesten wat zij hadden beloofd niet nakwamen, schoot Holland, het rijkste gewest, dikwijls voor, wat de anderen verplicht waren op te brengen.
Al wat het zeewezen betrof behoorde tot het gebied der admiraliteit. Zij telde vijf collegiën: dat van de Maas, hetwelk te Rotterdam zat; dat van Amsterdam; dat van Middelburg; dat van Noord-Holland, hetwelk bij afwisseling te Hoorn en te Enkhuizen zetelde; dat van Dokkum, hetwelk in 1645 naar Harlingen werd verplaatst. Hoofd en voorzitter der vijf collegiën tezamen en van ieder in ’t bijzonder was, sedert Maurits, de admiraal-generaal.
Van de collegiën gaan wij over tot den persoon van den stadhouder of gouverneur, zooals de titel eigenlijk luidt. Steeds benoemden de provinciën zelven haar gouverneurs. Van wege de Staten-Generaal was de gouverneur kapitein-generaal en admiraal van de unie. Veelal was de gouverneur ook kapitein-generaal van het gewest, welke staten hem tot gouverneur benoemden. Van die staten was hij de eerste dienaar, voorzoover het militair en het burgerlijk gezag betreft, in elk gewest het hoofd der uitvoerende macht. Op de samenstelling der vroedschappen in de meeste gewesten had de gouverneur een beslissenden invloed, doordien hij uit voordrachten, door die vroedschappen opgemaakt, de leden koos. De onderdanigheid van den stadhouder aan de staten der gewesten werd getemperd, doordien hij kapitein-generaal van de unie was en tot meer dan één provincie in betrekking stond, door het hooge aanzien van ’t geslacht van Oranje-Nassau, door de talrijke bezittingen dezer vorsten op Nederlands bodem en ten laatste doordat de hooge waardigheden in dit huis weldra zoo goed als erfelijk werden.
Friesland had tot 1748 altijd afzonderlijke stadhouders, welke de waardigheid doorgaans tevens in Groningen en Drente bekleedden, terwijl de gouverneur van Holland ook steeds in Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijsel tot stadhouder is benoemd. De vijf laatstgenoemde gewesten hebben tweemaal een stadhouderloos tijdperk gehad, waaraan voor het meerendeel de regeeringsreglementen van 1672 en 1747 een einde hebben gemaakt. Toen, d. i. in 1747, werd ook het stadhouderschap met de overige waardigheden, die de prins van Oranje-Nassau bekleedde, erfelijk verklaard in zijn nakomelingschap, ook in de vrouwelijke linie.
De regeeringsvorm van de Republiek der Zeven Vereenigde Nederlanden—zooals zij doorgaans wordt genoemd, ofschoon het eigenlijk zeven Republieken waren,—had voorzeker groote gebreken. Dit lag in den aard der zaak, daar de staatsinrichting niets anders was dan een wijziging van hetgeen er, na de afzwering van den landsheer, van de overige bestanddeelen der vroegere regeering overbleef en slechts voor een tijdelijk doel, voor een toestand van oorlog, bestemd was. Die gebreken vielen, naargelang de staat in jaren toenam, des te meer in ’t oog. Zij deden zich, naarmate de drang van buiten minder tot eendracht en veerkracht noopte, meer en meer gevoelen. Intusschen bedenke men, dat een regeeringsvorm geen onbepaalde afkeuring verdient, waaronder een Republiek ontstond en aangroeide, die zulk een grootsche rol in de geschiedenis der wereld heeft vervuld. Onbetwistbaar is het, dat in den regel dat, wat aan den vorm zelf ontbrak, werd aangevuld en vergoed door de kunde, de braafheid en de goede trouw van velen onder hen, die aan den vorm het leven hadden te geven.
De onoverwinnelijke vloot.—Maurits’ krijgsbedrijven.—De afstand der Nederlanden door Philips II.—De eerste zeeslagen van den tachtigjarigen oorlog.
Zóó was dan de staat der Vereenigde Nederlanden gesticht. Bij die grondvesting hadden de Nederlanders met grooter zwarigheden te kampen gehad, dan eenig volk, waarvan de geschiedenis gewaagt. Maar zij toonden, dat zij ten volle opgewassen waren tegen elke inspanning, die de drang der omstandigheden hun oplegde. Dus werd ook in hun voorbeeld de waarheid bekrachtigd, dat ieder de schepper is van zijn eigen lot.
Al dadelijk bedreigde de pas ontstane Republiek een groot gevaar. Sedert 1580, toen Philips met geweld de heerschappij over Portugal verkreeg en hierdoor zijn zeemacht meer dan verdubbeld zag, dacht hij aan een aanval op Engeland, het bolwerk van hen, die van de Roomsch-katholieke kerk waren afgevallen. Wat na dien tijd in en van wege dezen staat geschiedde, de zending van Leicester naar de Nederlanden en het ter dood brengen van Maria Stuart, bevestigde hem in zijn voornemen. In 1587 schonk paus Sixtus V Engeland, alsof het een leen van Rome ware, aan de kroon van Spanje.
Sedert een paar jaren had Philips al de middelen, die ter zijner beschikking stonden, besteed, om een groote vloot, bij voorraad de onoverwinnelijke geheeten, van stapel te kunnen doen loopen, ten einde niet alleen Engeland te veroveren, maar ook Nederland weder onder het juk te brengen. De vloot stond onder ’t opperbevel van Alonzo Perez de Guzman, hertog van Medīna-Sidonia. Op den laatsten Juli 1588 verscheen deze armāda of vloot in het Kanaal. Weldra bracht de Engelsche vloot aan de Spaansche schepen, te log schier om zich te wenden, een aanmerkelijk nadeel toe, waarop binnen kort een zege der Engelschen en der Nederlanders volgde. Vermits de wind en de vloot der bondgenooten Medīna-Sidonia den terugtocht door het Kanaal onmogelijk maakten, besloot hij om Schotland en Ierland heen te zeilen. Op dezen tocht overviel hem een geduchte storm, die de gansche vloot verstrooide en vele schepen op de kust van Ierland deed stranden, welks barbaarsche bewoners de bemanning doodden. Slechts een derde gedeelte der armāda keerde, en niet dan zeer beschadigd, in October naar Spanje terug. Men had haar te voorbarig „de onoverwinnelijke” genoemd. „Gods adem verstrooide ze”, zegt een gedenkpenning van dien tijd, door Zeeland geslagen.
Van dit oogenblik af helde de fortuin meer tot de zijde der unie over. maurits (1590-1625) werd in 1590 ook stadhouder van Utrecht en Overijsel, in 1591 van Gelderland. Zoo was hij met genoegzame macht bekleed, om de Republiek met het zwaard te verdedigen, haar bevestiger, haar tweede stichter te worden. Een staatsman was hij in ’t geheel niet. Doch in dit gemis voorzag oldenbarnevelt ruimschoots. Met vaste hand greep hij het roer der binnen- en buitenlandsche politiek en bestuurde het ruim dertig jaren lang. Gaarne liet Maurits hem deze rol, om zich des te meer aan de zaken van den oorlog te kunnen wijden. Schitterend waren de wapenfeiten, waardoor Maurits den naam van „eerste veldheer zijner eeuw” verwierf. In 1590 verraste hij Breda door middel van een turfschip. Den 30sten Mei 1591 veroverde hij Zutfen. Denzelfden avond lag zijn leger reeds voor Deventer, dat zich in de volgende maand overgaf. Hierop werd Delfzijl overrompeld en Nijmegen gedwongen over te gaan. In 1592 vielen Steenwijk (zie blz. 62), dat de Spanjaarden in 1582 bij verrassing hadden genomen, en Koevorden in handen van den jeugdigen veldheer, in 1593 Geertruidenberg. Dertien maanden later, den 24sten Juli 1594, verdween het laatste spoor van Rennenbergs verraad, toen Groningen het hoofd moest buigen voor den zegevierenden Maurits en voor Willem Lodewijk. De voornaamste voorwaarden, waarop de stad zich overgaf, waren, dat geen andere godsdienst binnen haar muren zou worden geoefend, dan de hervormde, een bepaling, die de meerderheid der ingezetenen zeer tegen de borst stuitte, en dat de stad met de Ommelanden één gewest zou uitmaken, lid der unie zijn en Willem Lodewijk als stadhouder erkennen. Ongeveer ter zelfder tijd verkoos Drente Willem Lodewijk tot stadhouder.
Dit alles had Parma zoo goed als lijdelijk moeten aanzien. Eindelijk bezweek de krachtige man voor al de wederwaardigheden, die de fortuin des oorlogs hem sedert jaren deed ondervinden, in 1592. Van zijn opvolgers, die elkander snel afwisselden, was de laatste de aartshertog Albert van Oostenrijk, een broeder des konings van Duitschland. Met hem kwam Philips Willem (zie blz. 55), na acht-en-twintig jaren in gevangenschap te hebben gesleten, in deze landen terug. Hij vestigde zich voorloopig te Breda, een baronie van zijn huis. Kort na de aankomst van Philips Willem voegde zijn broeder Maurits nieuwe schakels aan de keten zijner luisterrijke krijgsdaden toe. Dicht bij Turnhout bracht hij in 1597 binnen een half uur tijds met 1000 man, grootendeels ruiters, aan de Spanjaarden een verlies toe van 2000 dooden, terwijl hijzelf slechts 10 man verloor en nog 500 gevangen nam. Hierop rondde hij het gebied der Vereenigde Gewesten in ’t o. af.
In 1598 verwezenlijkte Philips II een ontwerp, dat hij lang had gekoesterd. Uitgaande van het denkbeeld, dat een vorst zich te midden zijner onderdanen behoort te bevinden, schonk hij de Nederlanden, als bruidschat, aan zijn oudste dochter, Isabella, die met Albert, aartshertog van Oostenrijk, in ’t huwelijk trad. Beiden aanvaardden die gift, met behoud hunner titels, dien van aartshertog voor Albert, dien van infante voor Isabella. Mocht een van hen kinderloos komen te overlijden, dan zouden de Nederlanden aan Spanje terugvallen. Naar de meening van den koning, waren ook de Noordelijke gewesten in den afstand begrepen. Albert haastte zich dan ook, deze gewesten uit te noodigen, in dien zin te handelen. Maar de Staten-Generaal volhardden in hun vroegere zienswijze. Zoo gingen dan Noord- en Zuid-Nederland voor goed uiteen.
De dood van Philips II, die in ’t zelfde jaar, 1598, plaats greep, verbrak den laatsten band, die Noord-Nederland in ’t oog van dezen of genen, wien de afzwering een gruwel was, nog aan Spanje hechtte. Aan zijn zoon en opvolger, Philips III, hadden zij geen eed gedaan. Veel was er de Nederlanden aan gelegen, dat de band met Engeland niet werd verbroken. Anders toch konden zij licht de eenige, tegen Spanje oorlog voerende mogendheid blijven, nu Hendrik IV, koning van Frankrijk, hoewel hij hun niet allen bijstand onttrok, een einde maakte aan den oorlog, dien hij eenige jaren tegen Spanje had gevoerd. Daarom sloten zij een nieuw verdrag met Engeland.
In plaats van tijd te verspillen met onderhandelingen, die schenen tot niets te kunnen leiden, rustte de Republiek zich ten oorlog tegen de nieuwe beheerschers van de Zuidelijke Nederlanden, doorgaans de aartshertogen geheeten. Men had een onderneming op het oog tegen Duinkerken, een nest van zeeroovers, waaruit de vijand den koophandel der Nederlanders gedurig bestookte. Maurits, hoewel ze vrij gewaagd achtende, voegde zich, doch met weerzin, naar den wensch der Staten-Generaal. Vergezeld van dit aanzienlijke college, scheepte hij zich in ’t jaar 1600 met een leger van ongeveer 15,000 man in. Bij Nieuwpoort gekomen, vernam hij, dat de aartshertog met zijn leger, groot omtrent 12,000 man, in aantocht was. Dit viel tegen. Men had bij het muiten der Spaansche soldaten, die in langen tijd weder geen soldij hadden getrokken, erop gerekend, dat de vijand niet genoeg strijdkrachten had kunnen bijeenbrengen. Inmiddels was goede raad duur. Maurits begon op den morgen van den 2den Juli met de schepen, die leeftocht en krijgsbehoeften hadden overgevoerd, daar zij voor ’t oogenblik van geen dienst konden zijn en gevaar liepen, door de bezetting van Nieuwpoort in brand te worden gestoken, in zee terug en naar Ostende te zenden. Hierop werden de beide legers bij Nieuwpoort (in West-Vlaanderen aan zee) slaags. Zon en wind waren in ’t voordeel der Nederlanders. En tegen den avond neigde de kans van den strijd, die van weerszijden met hardnekkigheid werd gevoerd, geheelenal ten gunste van Maurits. Albert week, een menigte zijner manschappen als gesneuvelden en gevangen achterlatende.
Bedenkende, welk gevaar zij hadden geloopen, keerden de Nederlandsche troepen binnen kort naar het vaderland terug. Dit geschiedde evenwel niet, dan nadat er, ter zake van dit punt, een woordenwisseling had plaats gegrepen tusschen Maurits en eenige leden der Staten-Generaal, inzonderheid Oldenbarnevelt. Van dit oogenblik af bestond er een niet zeer goede verstandhouding tusschen de beide hoofdpersonen van den staat. In 1601 sloeg de vijand het beleg voor Ostende. De leiding der zaak nam weldra Ambrosius Spinŏla op zich, de man, die, met het opperbevel over de troepen van den aartshertog bekleed, bestemd was zich als een waardig tegenstander van Maurits te doen kennen. Na drie jaren met volharding tegenstand te hebben geboden, gaven de Staten-Generaal in 1604 de vesting over, die niets meer was dan een steenhoop. Sedert 1607 werd de oorlog te land voorloopig gestaakt. Doch terzelfder tijd begonnen de Nederlanders hun eerste lauweren te verwerven op het element, waarover zij eens, als de eerste der mogendheden, de heerschappij zouden voeren. In 1606 greep de roemrijke daad plaats van den vice-admiraal Reinier Klaassens, die in de nabijheid van kaap St. Vincent (in ’t z.w. van Portugal) met zijn schip in de lucht vloog, een eervollen dood boven een vernederende overgave kiezende. In ’t volgende jaar behaalde Jakob van Heemskerk in de baai van Gibraltar een aanmerkelijke zege op de Spaansche vloot, waarbij hij wel zelf omkwam, doch zóó, dat de vijand zijn dood met een zwaar verlies moest boeten.
Het twaalfjarig bestand.—De oprichting der Oost-Indische compagnie.
In 1603 overleed koningin Elizabeth. Haar opvolger, Jakob I, sloot een jaar later vrede met Spanje. Uit spijt hierover versperden de Staten-Generaal de Schelde voor de Engelsche schepen. Zóó bleven zij, als oorlogvoerende mogendheid, alleen staan tegenover Spanje en de Zuidelijke Nederlanden. De oorlog te land leverde in de eerste jaren der nieuwe eeuw geen bijzonder gunstige uitkomsten op. De ingezetenen zuchtten onder zulke zware belastingen, dat zij voor geen verhooging vatbaar waren. Wel was het nog waar, dat de oorlog den handel voedde; maar toch kostte die oorlog aanzienlijke sommen. In zes gewesten werd de behoefte aan vrede vrij algemeen erkend. Slechts eenige steden in Holland en de provincie Zeeland waren ertegen. De reden was niet ver te zoeken. Philips II had, ofschoon wel eens beslag leggende op de Nederlandsche schepen, die in de havens van Spanje en Portugal lagen, de vaart op zijn rijk over ’t geheel oogluikend toegelaten, omdat hij de waren, welke die vaartuigen hem aanbrachten, niet konde ontberen. Anders deed Philips III. Nauwelijks den troon hebbende beklommen, verbood hij voor goed allen handel van Nederland op zijn staten. Dit versterkte de Nederlanders in hun plan om zelven naar de Indiën te varen, met welke tochten zij vóór 1598 niet meer dan een begin hadden gemaakt, gelijk beneden nader zal blijken. Deze tochten, zoo rijke winsten opleverende, vreesden die kooplieden thans, bij een vrede of bestand, te moeten staken.
Met klimmende bezorgdheid den achteruitgang der geldmiddelen gadeslaande, achtte Oldenbarnevelt het in ’t belang van ’t land, dat de oorlog ophield, die zooveel kostte. Ook Maurits was in den beginne niet tegen het ten einde brengen van den oorlog. Doch toen er weldra niet langer van een duurzamen vrede, maar van een bestand sprake was, kantte hij zich met kracht tegen dit voornemen aan. Inmiddels viel ook den aartshertogen de krijg zeer zwaar. Albert wenschte den vrede. Zijn huwelijk bleef kinderloos, en bij zijn dood moesten de landen weder aan de Spaansche kroon vervallen. Eveneens kon Spanje geen andere gezindheid hebben. De schatkist van dit rijk was ledig ten gevolge van de zware offers, welke Spinŏla’s krijgstochten hadden vereischt. Hierdoor wordt het verklaarbaar, hoe de aartshertogen er in 1607 toe konden overgaan, onderhandelingen aan te knoopen met de Republiek, als met een „onafhankelijke mogendheid.” Maar weldra bleek het, dat er aan geen vrede viel te denken. De vijand eischte afstand van de vaart op Indië en vrijheid van godsdienst voor de Roomsch-katholieken. Deze beide vorderingen achtte men dezerzijds ongehoord.
Bij zoo tegenstrijdige inzichten besloot men zich te vergenoegen met het trachten naar een wapenschorsing voor een aantal jaren. Nog was er een derde mogendheid, die, uit hoofde van de betrekking, waarin zij steeds tot de oorlogvoerende staten had gestaan, meende een woord mede te moeten spreken. Het was Frankrijk. Daarom zond ook Hendrik IV een aantal gezanten, ten einde de onderhandelingen bij te wonen, waarbij ook Engelsche en Duitsche afgevaardigden tegenwoordig waren. In April 1609 werd de wapenstilstand te Antwerpen gesloten. De hoofdbepalingen waren: de aartshertogen verklaren, ook uit naam van den koning van Spanje, de Vereenigde Gewesten voor onafhankelijke landen te houden; het bestand zal twaalf jaren duren; ieder zal behouden, wat hij heeft. Dit punt werd evenwel niet nader omschreven.
Deze laatste bepaling was van des te meer gewicht, vermits de Nederlanders zich sinds eenige jaren in de Oost-Indiën hadden gevestigd en er belangrijke vorderingen maakten. Zoolang Lissabon de Oost-Indische waren voor Neêrlands kooplieden veil had, was hier te lande geen behoefte gevoeld aan een rechtstreeksche vaart op de Indiën. Maar sedert Philips van tijd tot tijd beslag legde op de ladingen, gingen Nederlands handelaars op middelen peinzen, om zelven de waren uit andere werelddeelen te halen. De vaart naar Indië toch, hoe bezwaarlijk in ’t oog der menschen, was geen geheim. Zij was in vele geschriften van Portugeezen beschreven, en er waren Nederlanders, die op Portugeesche schepen de reis naar Indië mede hadden gedaan.
Ten einde evenwel de dreigende gevaren van kapers, Spaansche vloot en Kaapsche stormen te ontgaan, namen de Hollanders zich voor, op ’t voorbeeld der Engelschen, een eigen weg te zoeken, niet zuidwaarts, maar door het Noorden. In 1594 werden te dien einde eenige schepen uitgezonden, in 1595 een tweede tocht gewaagd. De uitslag was niet gunstig. Sneeuw en ijs versperden den weg om het Noorden. Nogmaals wendde de Amsterdamsche regeering een poging aan. Zij rustte in 1596 een paar schepen uit, waarover de stuurman Willem Barentsz. en Heemskerk (zie blz. 75) het bevel voerden. Maar ook nu was de inspanning vruchteloos. Na den winter op Nova Zembla te hebben doorgebracht, aanvaardde de volhardende bemanning den terugtocht, doch verloor onder weg den wakkeren Barentsz., die van vermoeienis bezweek.
Inmiddels had men de fortuin zuidwaarts beproefd. Eenige kooplieden te Amsterdam hadden een maatschappij van verre (landen) opgericht en zonden iemand, waarschijnlijk Cornelis Houtman, naar Lissabon, om er de bijzonderheden der vaart naar Oost-Indië uit te vorschen. Verder rustte de vereeniging vier schepen uit, om den tocht langs de Kaap de goede hoop te doen. Den 2den April 1595 lichtten Pieter Dirksz. Keyser, de opperstuurman, en Cornelis Houtman, de opperkommies, d. i. de vertegenwoordiger der handelsbelangen, te Texel het anker en landden in Juni 1596 te Bantam (in ’t n.w. van Java). Nu werden er talrijke maatschappijen van verre opgericht, zoowel in verschillende steden van Holland, als in Zeeland. In 1598 zeilde Olivier van Noort uit, de eerste Nederlander, die den aardbol omstevende. Zoo werd er vloot op vloot uitgerust, en niets kon de zucht naar winst doen afnemen, noch de verliezen, die men nu en dan leed, noch de tegenwerking der inlandsche vorsten, opgezet door de Portugeezen. Maar nog een grooter kwaad scheen de pas ontkiemde plant in hare ontwikkeling te zullen verstikken. Het was de wedstrijd tusschen de onderscheiden maatschappijen, die, de een de ander, de loef trachtten af te steken en elkander tegenwerkten. Dat er een samensmelting der maatschappijen noodig was, zagen vooral de Staten-Generaal en Oldenbarnevelt in.
Eindelijk gelukte het den advocaat, de zaak in 1602 tot een voldoend einde te brengen. Dus kwam de Vereenigde Oost-Indische compagnie tot stand, waaraan de Staten-Generaal het recht van alleenhandel (monopolie) voor een-en-twintig jaren verleenden. Later werd de vergunning bij herhaling vernieuwd. De maatschappij begon te handelen met een kapitaal van ongeveer 61⁄2 millioen en had zes afdeelingen of kamers, hebbende Amsterdam 1⁄2, Zeeland (gevestigd te Middelburg) 1⁄4, Delft, Rotterdam, Enkhuizen en Hoorne elk 1⁄16 van den inleg. Ruime uitdeelingen beloonden weldra het vertrouwen der inleggers. De deelgenooten behoefden natuurlijk niet juist in een der zes steden, die zetels van de kamers waren, te wonen. Aan alle inwoners der Vereenigde Nederlanden werd vergund, binnen vijf maanden na de oprichting te verklaren, of zij wenschten deel te nemen. De zes kamers, waarin de compagnie was gesplitst, werden bestuurd door 73 bewindhebbers, wier getal, bij versterf, niet lager zou dalen dan tot 60. De hoofdleiding en het dagelijksch bestuur der zaken kwamen aan de vergadering van zeventienen, uit de bewindhebbers gekozen.
De Oost-Indische compagnie werd een staat in een staat. Zij oefende in de Indiën een volstrekt gezag. Zij benoemde haar ambtenaren, verklaarde en voerde oorlog en sloot verbonden, op naam der Staten-Generaal. Zij bouwde sterkten en nam krijgsvolk in dienst, dat evenwel den eed van trouw aan de Staten-Generaal moest afleggen. Welhaast werd zij een bron van rijkdom niet alleen voor hen, die naar Indië gingen, maar ook voor die Nederlanders, welke zich niet verplaatsten.
Kort na de oprichting der compagnie legden onze voorouders den grondslag tot de uitgestrekte heerschappij, die hun weldra in Azië ten deel viel. In 1605 gaven de Portugeezen hun bij verdrag het kasteel op Amboina over, waarop de vorsten van dat eiland zich deels aan de compagnie onderwierpen, deels bondgenooten werden. Terzelfder tijd poogde de compagnie zich op Ternate, Tidor en de overige Molukken te vestigen. In 1610 stelde zij als eersten gouverneur-generaal Pieter Both aan, die zijn verblijf doorgaans op Ternate had. De gouverneur-generaal was het hoofd van ’t bewind over Nederlandsch Indië, opperbevelhebber van de legers en van de vloot der compagnie. Hem stond de raad van Indië ter zijde. Een der opvolgers van Both was Jan Pietersz. Coen, die in 1619 de stad Jakătra op de inboorlingen en op de Engelschen veroverde en de factorij van dien naam onder den naam Batavia tot hoofdplaats van Nederlandsch Indië verhief. In 1624 verwierf de compagnie het eiland Formōsa (ten n.o. van Kanton, in Sina), waar het fort Zelandia werd gebouwd. Inmiddels ontdekte men in 1623 op Amboina een samenzwering van Engelsche kooplieden, die ten doel hadden, de Nederlandsche ambtenaren te vermoorden en zich van ’t kasteel van dit eiland meester te maken. Zij werden gegrepen en tien van hen ter dood gebracht. Zoodra dit in Groot-Britannië bekend werd, ontstaken de Engelschen in grooten toorn en haalden deze zaak later nog menigmaal op als een zware verongelijking, hun aangedaan. Zooals men ziet, was het twaalfjarig bestand geen beletsel voor de uitbreiding van Nederlands macht in de Indiën, waar de vijandelijkheden werden voortgezet.
De oneenigheden, die de Republiek ten tijde van het bestand schokten.
In plaats dat Nederland nieuwe krachten opdeed gedurende den rusttijd, werd bewaarheid, wat Maurits had gevreesd: bij rust naar buiten ontstonden binnenlandsche twisten. Hevige kerkgeschillen barstten in de nauwelijks gevestigde Republiek los en werden gaandeweg staatsgeschillen. Reeds vóór het bestand waren de zaden dier verdeeldheid gestrooid. In 1603 werd Jakob Arminius, predikant te Amsterdam, tot hoogleeraar in de godgeleerdheid aan de hoogeschool te Leiden benoemd. Het duurde niet lang, of het openbaarde zich, dat hij in een belangrijk punt, n.l. omtrent de praedestinatie of voorbeschikking, van de leer afweek, die als de heerschende leer der kerk werd aangemerkt. Volgens dit leerstuk, in den strengsten zin opgevat, hangt de zaligheid hier namaals uitsluitend af van Gods vrije verkiezing in verband met ’s menschen geloof, niet met zijn werken. Arminius daarentegen was een van de weinigen, die, aan ’s menschen vrijen wil niet allen invloed op zijn doen en laten kunnende ontzeggen, het leerstuk der voorbeschikking niet onvoorwaardelijk aannam. Tegen hem stond een andere Leidsche hoogleeraar in de godgeleerdheid, Franciscus Gomārus, over. Inmiddels stierf Arminius in 1609.
Een tweede punt van verschil kwam weldra bij het leerstellige. De aanhangers van Gomarus waren verklaarde tegenstanders van alle bemoeiing der regeering met aangelegenheden van den kerk: de Arminianen waren van een tegenovergestelde zienswijze. Dit toonden zij metterdaad in 1610 door het indienen van een remonstrantie of vertoog bij de staten van Holland, naar welk stuk zij den naam Remonstranten verkregen. Hierin verzochten zij om de bescherming der staten en erkenden het gezag dier staten over de kerk. Naar het tegenvertoog, door de bestrijders der Arminianen gehouden, werden zij Contra-Remonstranten genoemd.
Sedert 1616 was Willem Lodewijk de man, die Maurits voortdurend ried, met kracht tegen de Remonstrantsche partij op te treden. Van een anderen kant werd Maurits gesteund door Jakob I, koning van Engeland, die er zich veel op liet voorstaan, een groot godgeleerde te zijn en zich geroepen achtte, de beschermer der hervormde leer in Europa te wezen. Waar hij kon, werkte de koning de tegenpartij van Oldenbarnevelt in de hand en trachtte den advocaat ten val te brengen. In ’t oog van Jakob was het begunstigen der Arminianen en het weerstreven der synode (zie blz. 83) een zware misdaad. Ook kon hij het den ervaren staatsman niet vergeven, dat hij in 1615, gebruik makende van een der vele oogenblikken, dat hij groote geldsommen behoefde, hem ertoe had gebracht, tegen betaling van 3,000,000 gl., d. i. van niet meer dan ruim 1⁄3 van de toen nog verschuldigde som, de pandsteden (zie blz. 64) aan de Republiek terug te geven.
Intusschen scheidden de Contra-Remonstranten zich meer en meer af en hielden ter oefening van hun godsdienst afzonderlijke vergaderingen. Hier werd door de ééne, daar door de andere partij onderdrukking en geweld tegen de zwakkeren gepleegd. Vanhier onlusten in verschillende plaatsen gedurende het jaar 1617. Bij al die tooneelen van wanorde bleek het vaak, dat de magistraat of overheid luttel kon rekenen op de troepen, die de bezettingen der steden uitmaakten. De oorzaak hiervan lag voor een goed deel in de houding, die Maurits sinds eenigen tijd had aangenomen. Tot het jaar 1617 onthield hij zich van ’t geven van openbare blijken van instemming met één der beide partijen. Maar van het tijdstip af, dat hij op een Zondag van het genoemde jaar in ’t openbaar met een groot gevolg naar de den Contra-Remonstranten afgestane kloosterkerk ging, wierp hij zijn zwaard in de weegschaal. Behalve Willem Lodewijk en Jakob I, was het hoofdzakelijk François van Aerssen, heer van Sommelsdijk (op Overflakkee), een man van groote schranderheid, list en stoutheid, die den stadhouder tegen Oldenbarnevelt in ’t harnas joeg. Aerssen was verbitterd op zijn voormaligen beschermer Oldenbarnevelt, omdat hij het hem weet, dat Lodewijk XIII, koning van Frankrijk, in 1613 had verzocht, dat de Staten-Generaal, in zijn plaats, een anderen gezant aan het Fransche hof mochten benoemen, aan welk verzoek men had voldaan. Met eenige andere mannen werd hij een van het zeven- of achttal, dat den advocaat ten val bracht.
Het was geen bijzonder moeielijke onderneming, den wrok van den stadhouder tegen Oldenbarnevelt te prikkelen. De klove, die alreede tusschen de beide hoofden van de Republiek bestond, behoefde nog maar een weinig wijder te worden gemaakt. Hadden de vroegere geschillen tusschen de beide leiders van den staat louter over zaken geloopen (zie blz. 75, 76, 77), aangelegenheden van persoonlijken aard waren er sedert bijgekomen. Bij herhaling was de vraag gerezen, of het, ten einde meer eenheid in ’t bewind te krijgen, niet wenschelijk was, aan Maurits het hoogste gezag toe te vertrouwen. Hoewel Oldenbarnevelt geheel doordrongen was van ’t besef der behoefte aan eenheid in het bestuur, was hij er sinds het bestand tegen, dat Maurits’ macht werd uitgebreid. Maar al te wel slaagden zij, die het in ’t belang van ’t land en van henzelven achtten, den stadhouder hoe langer hoe meer tegen Oldenbarnevelt en zijn aanhangers in te nemen. Hij, de advocaat, en die het met hem eens waren werden met de Remonstranten als vereenzelvigd. Zóó kwam de tegenpartij op het denkbeeld, de Remonstranten uit de kerk te stooten en op die wijze den grijzen staatsman tevens in ’t verderf te storten. Dit doel kon worden bereikt, indien men, volgens den raad van Jakob, één nationale synode voor alle gewesten bijeenriep. De meeste provinciën waren de zaak der Contra-Remonstranten uitsluitend toegedaan. Slechts Holland en Utrecht waren grootendeels voor die der Remonstranten. Dat de partij der Remonstranten nu tegen een nationale synode moest zijn, is duidelijk. Zij van haren kant verlangde, dat er in Holland, en waar men het verder noodig rekende, een provinciale synode bijeenkwam.
Uit al de bewegingen van ’t jaar 1617 en vroeger sprak klaarblijkelijk verzet tegen de wettige overheid. Het was daarom, dat de staten van Holland den 4den Augustus 1617 een besluit uitvaardigden, door de tegenstanders de scherpe resolutie genoemd. In dat besluit, door de edelen en de groote meerderheid der steden genomen, werden o. a. de steden gemachtigd, zoo het werd vereischt, op eigen gezag krijgsvolk in dienst te nemen. Op dit besluit werd menige aanmerking gemaakt, maar geen enkele, die gegrond mocht heeten. De punten, waaruit het bestond, behoorden tot diegene, waarover de staten, krachtens hun souvereine macht, een beslissing konden nemen. Dergelijke soldaten, als de resolutie bedoelde, hadden de gewesten en de steden van oudsher in dienst genomen. Men noemde ze waardgelders, d. i. lieden, gehuurd, om waarde of wacht te houden, aldus zooveel als bezoldigde rustbewaarders. Vele steden van Holland brachten nu waardgelders op de been. Twee of drie honderd was het gewone getal voor één stad. In ’t geheel had Holland er niet meer dan 1800. De staten van Utrecht namen er eveneens ruim zeshonderd aan. Het spreekt vanzelf, dat de vroedschappen, die waardgelders aannamen, dit deden, om, des gevorderd, zichzelven tegen woelingen van onruststokers te kunnen verdedigen en alle dadelijkheden tegen te gaan. Dat zij met die 1800 onervaren manschappen, in verschillende plaatsen verstrooid, een vijandelijken aanval in den zin hadden op de 30,000 welgeoefende krijgsknechten, welke de Republiek in dienst had, is een beschuldiging, die zichzelve weerlegt. De aanvallende partij was, zooals men weldra zal zien, niet die van Oldenbarnevelt.
Tegen het einde van Juni 1618 naderde de ontknooping. Toen hakte plotseling de partij, die in de Staten-Generaal de zege wilde behalen, d. i. het boven (zie blz. 82) bedoelde achttal, den knoop met geweld door. Vooreerst besloten de Staten-Generaal, dat er een bezending uit hun midden zou gaan naar Utrecht, om de staten dezer provincie te bewegen tot afdanking der waardgelders; dan, dat er een nationale synode zou worden uitgeschreven. In plaats van aan de staten van ieder gewest de zorg te laten voor datgene, waarin zij alleen hadden te beslissen, trachtte men hun alzoo de zienswijze der staten van sommige andere provinciën op te dringen en hen te nopen, even zoo gezind te zijn, als die staten. Ten andere waren het besluiten van slechts een deel der Generaliteit. Den 25sten Juli 1618 kwam de deputatie der Staten-Generaal, met Maurits aan ’t hoofd, te Utrecht aan. Op den 31sten dier maand, vroeg in den morgen, dankte Maurits na de toegangen tot de voornaamste plaatsen van de stad te hebben bezet, op het plein, geheeten de Neude, de waardgelders af. Vervolgens veranderde hij de vroedschap der stad Utrecht. Hierdoor zag de secretaris (zie blz. 68) der staten, Gillis van Ledenberg, de ziel der staten en in gevoelens geheel overeenstemmende met Oldenbarnevelt, zich genoopt, zijn ontslag te nemen.
Na de terugkomst van prins Maurits en van de gedeputeerden uit de Generaliteit tastte men ter Staten-Generaal ook ten aanzien van Holland door. Den 21sten Augustus stelden die Staten-Generaal een plakkaat vast, dat de zes provinciën en zes steden uit Holland goedkeurden en dat den waardgelders gelastte, binnen tweemaal vier-en-twintig uur de wapens neer te leggen. Het geschiedde. Vervolgens werden den 28sten en den 29sten Augustus ter Staten-Generaal door een achttal leden een paar geheime besluiten genomen, waarin werd goedgevonden, dat men Oldenbarnevelt, Hugo de Groot en Rombout Hogerbeets, pensionaris van Leiden, in hechtenis zou nemen. Toen op denzelfden 29sten Augustus de advocaat van den lande op het punt stond, de vergadering der staten van Holland binnen te treden, kwam een kamerdienaar hem verwittigen, dat de stadhouder hem wenschte te spreken. In plaats van den stadhouder zag hij weldra den luitenant van Maurits’ lijfwacht, die hem, in naam der Staten-Generaal, gevangen nam. Met hem werden de Groot, Hogerbeets en Ledenberg gekerkerd. In het begin van September reisde de prins, vergezeld van een aantal edelen en omstuwd door zijn lijfwacht, bij de steden van Holland rond en koos er overal, waar het hem behaagde, andere leden in de vroedschap. Dat de wettige tijd hiervoor niet was aangebroken en hem geen voordrachten (zie blz. 70) in behoorlijken vorm waren gedaan, was iets, waarom hij zich evenmin bekreunde, als dat hij te Utrecht zijn bevoegdheid als stadhouder had overschreden. Op deze wijze was alsnu de partij, die bovendreef, tegen alle verzet gedekt.
Weldra werd er een commissie uit de Staten-Generaal benoemd, ten overstaan waarvan de gevangenen werden verhoord, met uitzondering van Ledenberg, die zichzelf in de gevangenis had gedood. Tot dit uiterste was hij overgegaan in de hoop, dat men zijn bezittingen dan niet zoude verbeurd verklaren, hetgeen evenwel geschiedde. Op het voorloopig onderzoek volgde de benoeming van vier-en-twintig buitengewone rechters, twaalf uit Holland en twaalf uit de overige gewesten. Onder de vier-en-twintig was meer dan één bijzonder vijand van Oldenbarnevelt en menig tegenstander van zijn staatkundige denk- en handelwijze. De Staten-Generaal waarborgden de rechters tegen alle onaangenaamheden, die hun wegens de vervulling der taak, hun opgedragen, konden worden aangedaan. De maatstaf, waaraan alle woorden en daden der beschuldigden werden getoetst, was de zienswijze der tegenpartij. Een behoorlijke gelegenheid om zich te verdedigen werd den gevangenen niet gegund. Dat zij dienaren waren der staten van hun gewest en alzoo niet verantwoordelijk voor de besluiten van dit lichaam, kwam geenszins in aanmerking. Ten opzichte van Hogerbeets zagen de rechters nog bovendien dit over het hoofd, dat hij eerst sinds October 1617, als pensionaris, in dienst was van de vroedschap van Leiden en alzoo niet had medegewerkt tot het meerendeel der besluiten, om welke hij werd veroordeeld. Het vonnis luidde, dat Oldenbarnevelt zou worden onthoofd, de Groot en Hogerbeets levenslang gevangen gezet. Tevens werden hun goederen verbeurd verklaard.
Den 13den Mei 1619 werd Oldenbarnevelt in ’t openbaar te ’s Gravenhage onthoofd. Zóó viel een man, die langer dan veertig jaren het land trouw had gediend, eerst als pensionaris van Rotterdam, toen als advocaat van Holland. Met dit ambt bekleed, werd hij terstond het hoofd van de partij, die zich tegenover Leicester stelde. Onbeschrijfelijk was de verwarring, waarin zich ’s lands zaken in die dagen bevonden. Oldenbarnevelt vestigde een geregeld bewind en bracht orde in den toestand der geldmiddelen. Hij stichtte, door zijn beleid, de Republiek, die Maurits tegen buitenlandsch geweld beschutte. Hij alleen werd geacht het bewind in handen te hebben. Aleer het vonnis geveld en ’t hoofd van den advocaat gevallen was, had de Contra-Remonstrantsche partij ook in het kerkelijke met geweld de zegepraal behaald. Den 13den November 1618 werd de nationale synode te Dordrecht geopend. De meerderheid der inheemsche leden waren Contra-Remonstranten. Uit Engeland, Zwitserland en vele staten van Duitschland kwam tal van godgeleerden, bijna allen vijandig gestemd tegen de Remonstranten. Van de Remonstranten verschenen slechts weinigen. Van den beginne aan werden zij niet als leden, maar als gedaagden behandeld. Den 6den Mei 1619 werden de gevoelens der Remonstranten in ’t openbaar veroordeeld en de leeraars dier sekte afgezet. Later werden al degenen, die te Dordrecht waren geweest over de grenzen gezet, omdat zij weigerden de akte van stilstand te teekenen, die hen verplichtte, zich van alle kerkelijke bedieningen te onthouden. Behalve de vervulling der rechterlijke taak, die de synode op zich had genomen, wijdde zij nog een deel harer zittingen aan het vaststellen van de voornaamste leerstukken der Nederlandsche hervormde kerk. Eindelijk nam zij het gewichtig besluit, den bijbel uit de grondtalen in de taal des lands over te zetten, een werk, dat in 1635 tot stand kwam. Het is bekend onder den naam Staten-overzetting, Statenbijbel.