WeRead Powered by ReaderPub
Beknopte geschiedenis van het vaderland cover

Beknopte geschiedenis van het vaderland

Chapter 28: § 27.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Het werk biedt een beknopt chronologisch overzicht van het gebied dat nu Nederland heet, begint bij geografische kenmerken, prehistorische bewoning en Romeinse overheersing, en behandelt vervolgens de vroege middeleeuwse vestiging van Germaanse stammen, de ontwikkeling van feodale verhoudingen en de opkomst van regionale graven en hertogen. Het volgt Bourgondische en Habsburgse bestuurlijke perioden, de religieuze en politieke spanningen die tot een opstand en de vorming van een republiek leidden, en beschrijft de republikeinse staatsinrichting, maritieme macht, commerciële expansie via compagnieën en de grote Europese conflicten. De tekst sluit af met de neergang van de Republiek, Franse overheersing en de totstandkoming van een moderne monarchie in de 19de eeuw.

Tot diegenen, welke uit ’s prinsen dienst werden ontslagen, behoorde Henri de Fleury de Coulan, heer van Buat en ritmeester in dienst van den staat. Sedert eenigen tijd hield hij, met voorkennis en goedvinden der staten van Holland, in ’t geheim briefwisseling met leden der regeering van Engeland, onder voorwaarde evenwel, dat hij den inhoud getrouw aan den raadpensionaris mededeelde. Het onderwerp dier brieven was de vrede. Buat nu gaf de Witt de brieven, welke hij ontving, geregeld te lezen. Dit deed hij ook in Augustus 1666. Doch toen liet hij onder die brieven, uit onachtzaamheid, er een, waarop stond „pour vous-même” voor uzelf, en die dus voor hem alleen bestemd was. Hierin werd niet onduidelijk te kennen gegeven, dat de partij des prinsen, zoo zij door Engeland wilde gesteund worden, krachtiger moest optreden. Ternauwernood had de Witt deze letteren gelezen, of hij deelde den inhoud aan de staten van Holland mede, op wier last Buat in hechtenis werd genomen en voor het hof van Holland gedaagd. In het afschrift van een brief, vroeger door Buat aan een van Engelands ministers gericht, trof men verder bij het beslag leggen op zijn papieren, plaatsen aan, die den argwaan tegen hem versterkten. De slotsom was, dat het hof den ritmeester Buat wegens ongeoorloofde briefwisseling met den vijand, d. i. dus wegens hoogverraad of gekwetste majesteit, ter dood veroordeelde. Het vonnis werd voltrokken.

Omtrent twee jaren had nu de zeeoorlog geduurd, toen er met den aanvang van ’t jaar 1667 ernstig sprake begon te komen van vrede. Eerlang werd Breda als plaats om te onderhandelen aangewezen. Weldra werden de onderhandelingen begonnen; maar er was weinig voortgang, hoofdzakelijk door de onverschilligheid der Engelschen. Reeds lang had de raadpensionaris het voornemen gehad, Engeland een geduchten slag toe te brengen. Nu kon de verwezenlijking van dat denkbeeld tevens deze nuttige strekking hebben, dat zij den vrede bespoedigde. Eindelijk brak de dag der wrake aan. De vloot—een Hollandsche vloot, want Zeeland had er geen schepen bij en die van Friesland kwamen eerst later—stak in zee. Het bevel voerde de Ruiter. Als gevolmachtigde der Staten-Generaal vergezelde hem Cornelis de Witt, Johans broeder en ruwaard, d. i. baljuw, van het land van Putten (ten o. van Voorn). Den 17den Juni liet Hollands scheepsmacht voor den mond der Theems het anker vallen. Engeland had geen vloot in zee, om haar de vaart te verhinderen. Den 20sten Juni zeilde het eerste Hollandsche smaldeel de Medway of het Kanaal van Rochester op, en op zijn nadering vloden de schepen des vijands. De Engelschen hadden menig schip in de rivier de Medway laten zinken; doch dit belette de Nederlanders niet, meer dan één vaartuig in brand te steken of te veroveren. Treurig zag het bij die zegepraal te Londen uit. De stad sidderde, en aan afdoende maatregelen viel niet te denken. Daarom oefende dan ook de tocht naar Chattam een gunstigen invloed op de onderhandelingen te Breda. Den 31sten Juli 1667 werd de vrede gesloten. Hij liet aan elk, wat hij op ’t oogenblik van het sluiten des vredes in bezit had, en beperkte de akte van navigatie in zooverre, dat zij niet meer van toepassing zou zijn op de Duitsche waren, die den Rijn af of over land in Nederland waren ingevoerd. Zooals de Republiek dus, ten gevolge der eerste bepaling, Nieuw-Nederland verloor, zoo bleef Suriname (in ’t n.o. van Zuid-Amerika) behouden, dat Abraham Krijnszoon in Februari 1667 in naam der staten van Zeeland had vermeesterd en dat iets later aan de West-Indische compagnie werd verkocht.

 


§ 26.

De triple alliantie en de vrede van Aken.—Het begin van den oorlog van 1672.

Gedurende het laatste gedeelte van den zeeoorlog waren de onderhandelingen met Frankrijk (zie blz. 115) slepend gebleven. Intusschen gebeurde, wat men lang had gevreesd. De koning van Frankrijk, meenende, dat de oorlog met Engeland de Republiek zoozeer bezig hield, dat hij haar niet langer behoefde te ontzien, sloeg een anderen weg in, om tot zijn doel te geraken. Philips IV, de koning van Spanje, was in 1665 overleden, een minderjarigen zoon, Karel II, nalatende, die hem opvolgde. Hem wilde Lodewijk thans de Spaansche Nederlanden, als een erfenis zijner gemalin, Maria Theresia, een dochter van Philips IV, ontrukken. In Mei 1667 viel hij plotseling in de Zuidelijke Nederlanden. Binnen eenige weken vermeesterden de Franschen Charleroi, Doornik en vele andere steden. De Nederlanden geraakten door Lodewijks gewelddadige handelwijze in een neteligen toestand. Desniettemin hield de raadpensionaris het roer van den staat met vaste hand. Eerst wist hij tegen ’t einde van 1667 een wapenstilstand tusschen de oorlogvoerende partijen tot stand te brengen.

Middelerwijl leidden de overwegingen over de binnenlandsche aangelegenheden tot een uitkomst, die wederom zeer verschillend werd beoordeeld. Bij de beraadslagingen der Staten-Generaal over de versterking der landmacht kwam de vraag op, wien men zou stellen aan ’t hoofd der troepen van den staat. De staten van Holland, inziende, dat men er eerlang toe zou moeten komen, den prins van Oranje het kapitein-generaal-admiraalschap op te dragen, inzonderheid indien de Republiek in een oorlog te land mocht worden gewikkeld, en vreezende, dat de vereeniging dier waardigheid met het stadhouderschap op den ouden voet aan den persoon, die ermede werd bekleed, te veel overwicht gaf in den staat, stelden den 5den Augustus 1667 een overeenkomst op, die ongeveer dezelfde bepalingen inhield als de thans vervallen akte van seclusie. Bij deze overeenkomst, met eenparig goedvinden opgemaakt, het eeuwig edict, dat Hollands regenten, benevens de raadpensionaris, onderling bezwoeren, werd het stadhouderschap in Holland afgeschaft en verklaard, dat Hollands streven steeds zou zijn, dat het in de overige provinciën werd afgescheiden van het kapitein-generaalschap der unie.

Gedurende den genoemden wapenstilstand begon Karel II, duchtende dat Nederland en Frankrijk ten aanzien der Zuidelijke Nederlanden eendrachtig zouden te werk gaan, te neigen tot krachtdadige tusschenkomst. Te dien einde gaf de koning van Engeland aan William Temple, zijn afgevaardigde te Brussel, last, zich, onder den schijn, alsof hij over Holland naar Londen reisde, te ’s Gravenhage op te houden en zich met de Witt te verstaan over een verdrag ter wering van Lodewijk uit de Zuidelijke Nederlanden. Na korte voorloopige beraadslagingen stelden de beide staatslieden binnen vier dagen het verdrag op, bekend onder den naam triple alliantie of drievoudig verbond, hetwelk Engeland en de Nederlanden in Januari 1668 met elkander sloten. Tot dit verdrag trad Zwedens rijksraad, die destijds het bewind voerde voor den minderjarigen Karel XI en hiertoe was omgekocht door Hollands geld, terstond toe, en Spanje in 1669. Dit verdrag, het schrandere gewrocht van Temple’s en de Witts broederlijk overleg, bevatte hoofdzakelijk een wederkeerige verbintenis der drie staten, om den vrede tusschen Frankrijk en Spanje indiervoege tot stand te brengen, dat het eerstgenoemde rijk zijn veroveringen of een deel hiervan behield. Lodewijk XIV gaf aan den wensch der drie verbonden staten toe en sloot den vrede van Aken (Overzicht, 9e druk, blz. 150).

Hoezeer zijn toorn voor ’t oogenblik wetende te bedwingen, was Lodewijk diep gekrenkt door den stouten greep, die zijn overmoed voor een wijl had bedwongen. Zichzelf als den beschermer der Nederlanden, zooals nog kort tevoren tegen den bisschop van Munster, aanmerkende, kon hij de betoonde ondankbaarheid niet vergeven. Met onverbiddelijke wraakgierigheid zwoer hij het verderf dier kramers en visschers, die hem, den grooten koning, in zijn vaart hadden gestuit. Alle stappen, die hij van dit oogenblik af deed, doelden op den val der Republiek. De rijksraad van Zweden, wederom geld noodig hebbende, leende het oor aan Frankrijks voorslagen en beloofde bij een verdrag, in ’t begin van 1672 gesloten, tegen betaling eener groote geldsom, een leger op de been te zullen houden, ten einde iederen Duitschen vorst, die de Nederlanden te hulp mocht komen, aan te tasten. Alreede in 1670 sloot Karel II van Engeland, steeds goud behoevende voor zijn verkwistende handelwijze, met Lodewijk het geheime verdrag van Dover, waarin hij zich verplichtte, Frankrijk tegen Nederland bij te staan.

Terwijl de Staten-Generaal op die wijze in ’t onbepaalde voorgevoel van naderende rampen verkeerden, stelden zij in 1670 eenparig een stuk vast, volgens hetwelk, in overeenstemming met Hollands besluit (zie blz. 120, 121), het kapitein-generaal-admiraalschap voor altijd gescheiden bleef van het stadhouderschap. Dit stuk heet de harmonie of overeenstemming. Vervolgens ging men in December 1671 een verdedigend verbond met Spanje aan. In Februari 1672 benoemden de Staten-Generaal den prins tot kapitein-generaal voor één veldtocht. Door ’s prinsen toedoen kwam de keurvorst van Brandenburg (zie blz. 108) er nu eerlang toe, een verdrag met de Republiek te sluiten, waarin hij zich tot het geven van hulp verplichtte. Met den keizer van Duitschland kwam in den loop van hetzelfde jaar een dergelijk verbond tot stand.

Den 7den April verscheen de oorlogsverklaring der beide koningen op één dag. Aan bondgenooten had Frankrijk geen gebrek. Den 18den Mei 1672 verklaarde de bisschop van Munster (zie blz. 117) den Staten-Generaal den oorlog. Fransch geld en Fransche invloed bewogen hem hiertoe, gelijk mede zijn nabuur Maximiliaan Hendrik, keurvorst van Keulen en prins van Luik (zie blz. 96). Den 11den Mei brak Lodewijk ten strijde op. Maastricht werd voorbijgetrokken. Maar Wezel, Emmerik en andere steden, tot het Kleefsche gebied behoorende, waarin de Staten-Generaal bezettingen hadden liggen, vielen, binnen weinige dagen, in Lodewijks handen. Zij bezweken, omdat de vestingwerken waren verwaarloosd, of de bezetting te zwak was, of de noodige voorraad ontbrak, of de burgerij Nederlands regeering niet was toegedaan, of het verraad zijn rol speelde.

Men meende, dat de koning vervolgens zou trachten, den Ysel over te trekken. Doch in plaats hiervan maakte hij een zuidelijke beweging en richtte zich op den Rijn. Bij den Ysel lag het Nederlandsche leger, ruim 14,000 man voetvolk, 7000 ruiters en eenige duizenden gewapende landlieden, ongeschikt tot krijgsdienst. De rivieren waren uitgedroogd. Tegenover die Nederlandsche troepen stond een Frans leger van 118,000 man met 200 stukken geschut; bovendien meer dan 2000 adellijke vrijwilligers, die als gemeenen dienden, in afzonderlijke ruiterbenden ingedeeld. Allen bezielde de tegenwoordheid van hun koning, die het opperbevel aan Turenne en Condé had opgedragen. Den 12den Juni 1672 begon het overtrekken bij het tolhuis te Lobith. Tevergeefs beproefde men, de Franschen tot staan te krijgen. De overmacht was te groot, hoewel menig schot der Nederlanders zijn man trof. Vruchteloos hebben lage vleiers het overtrekken van den Rijn tot een schitterend wapenfeit willen verheffen. Evenmin als het nemen der vele kleine sterkten, kan die daad het Fransche leger tot eenigen roem verstrekken.

Wanhopig werd thans ’s lands toestand, nu de deur der Vereenigde Nederlanden was geopend en het leger der Republiek op Utrecht terugtrok, om ook hier slechts een paar dagen te toeven en dan nog verder te wijken. Binnen een tiental dagen bezweken de meeste steden van Gelderland en geheel Utrecht. Den 23sten Juni ging de stad Utrecht bij verdrag over. Dan gaf zich nog Naarden over. Eerst Muiden stuitte den zegevierenden marsch des vijands. Gedurenden denzelfden tijd, dien Frankrijk in zijn eigen belang zoo wel besteedde, veroverden de bisschop van Munster en de keurvorst van Keulen een gedeelte van Gelderland, waaruit hen evenwel de Franschen weder verdreven. Hun weg voortzettende, onderwierpen zij vervolgens Overijsel en namen Koevorden in. Een gelukkige tegenstelling tegen dit tafereel van vernedering was Aardenburg (in Staats-Vlaanderen), van welke stad de Franschen werden genoodzaakt met een zwaar verlies af te deinzen. Alleen ter zee bleek Neêrlands meerderheid boven zijn vijanden, want den 7den Juni leverde de Ruiter bij Solebay (een inham op de Oostkust van Engeland, ten z. van Soutwold) een slag aan de Fransch-Engelsche vloot, die onder ’t bevel stond van den hertog van York en d’Estrées. Een beslissende zege behaalde geen der beide partijen; maar het voordeel was aan den kant van de Ruiter. De Franschen namen weinig deel aan den strijd, niet ongaarne ziende, dat de beide zeemogendheden elkander zooveel mogelijk afbreuk deden.

In Holland en in Zeeland brachten de ongehoorde voorspoed en de nadering des vijands een buitengewone verslagenheid teweeg. De regenten der Republiek helden tot onderhandelingen met Frankrijk over en zonden te dien einde gezanten tot den koning. Lodewijk deed verregaande eischen. Eer deze voorwaarden nog bekend waren, hadden Amsterdam en Zeeland hun afkeer van ’t onderhandelen aan den dag gelegd. Niet minder buitensporig dan de vorderingen van Frankrijk, waren die, welke de koning van Engeland omstreeks denzelfden tijd, op ’t einde van Juni, deed.

 


§ 27.

Het vervolg van den oorlog van 1672.—De dood der gebroeders de Witt.—De verheffing van Willem III.

De rampen, die het vaderland zoo plotseling troffen, brachten een geheele omkeering in het land teweeg. De staten van Holland beijverden zich, hun gewest, door het doorsteken der dijken, ontoegankelijk te maken voor den vijand. Amsterdam rustte zich op allerlei wijze wakker ter verdediging toe en geleek weldra op een vesting, midden in het water gelegen. Intusschen weet het volk, steeds zoowel het goede als het kwade overdrijvende, de schuld van alle ongelukken aan ’s lands regeering en beschuldigde de Witt, met Frankrijk te heulen. Niets was ongerijmder dan deze laatste beschuldiging. Doch nu die kreet van landverraad eenmaal de uiting eener vrij algemeen verbreide meening was, lag de gedachte, dat ’s prinsen verheffing in de benarde omstandigheden het eenige redmiddel was, voor de hand. Weldra uitte zich de haat tegen de de Witten door daden. De raadpensionaris, op den avond van den 21sten Juni 1672 uit de vergadering der staten van Holland naar huis gaande, werd nabij het Buitenhof aangerand door vier mannen, die hem verscheiden wonden toebrachten, en, in de meening hem te hebben gedood, de vlucht namen. Van de vier misdadigers, die, door den wijn verhit, de daad bijna terzelfder ure beraamd en gepleegd hadden, werd alleen Jakob van der Graaf, een zoon van een lid van ’t hof van Holland, gegrepen. Den 29sten Juni werd hij ter dood gebracht. Velen hadden gepoogd, ook bij de Witt, vergiffenis voor den jeugdigen man te erlangen, doch vruchteloos. Dit deed, evenals de zaak van Buat, den haat tegen den raadpensionaris zeer toenemen.

Te Dordrecht wendde de woede des volks zich tegen den ruwaard, terwijl hij nog op de vloot was. Een hoop volk vloog naar het stadhuis en vernielde de schilderij, dáár ter zijner eer opgehangen. Eenige dagen daarna kwam hij in zijn vaderstad terug, maar moest, wegens ongesteldheid, het bed houden. Ongeveer gelijktijdig met den aanslag van van der Graaf trachtten op een avond vier onverlaten het huis van den ruwaard binnen te dringen en zouden het booze opzet, dat zij in den zin hadden, hebben volvoerd, zoo niet de gewapende macht tusschenbeide ware gekomen. Zelfs stond te Amsterdam het huis van de Ruiter, die zich op de vloot bevond, een weinig later aan een aanval van het grauw bloot, die eveneens door de burgerwacht werd afgewend.

Gedurende des ruwaards ongesteldheid rottede in verscheidene steden van Holland en Zeeland het volk samen met het doel, den prins van Oranje verder te doen bevorderen. Het eerst gebeurde dit te Veere, waar men de wethouderschap dwong, den 21sten Juni de belofte af te leggen, dat zij den prins het stadhouderschap zou aanbieden. Van Veere sloeg de beweging over naar Dordrecht. Den 29sten Juni onderteekenden de leden der vroedschap een geschrift, waarin zij het eeuwig edict herriepen en Willem het stadhouderschap opdroegen. Vermits de ruwaard nog ziek was, begaf zich de secretaris der stad met een kapitein der burgerwacht naar zijn legerstede en hielden hem voor, dat gewapende burgers zijn huis hadden omsingeld, hem, indien hij aarzelde, met den dood dreigende. Slechts met moeite brachten zijn huisgenooten hem ertoe, aan het verzoek te voldoen. Onderteekenende voegde hij er de letters v. c. bij, d. i. vi coactus, met geweld gedwongen. Maar de Witts gemalin haalde, op aansporing van den secretaris, de pen door deze woorden. Ongeveer op dezelfde wijze als te Veere en te Dordrecht ging het elders. Op de eene plaats kwam het volk uit eigen beweging op de been, op een andere werd het opgeruid.

Het werk, in de stemmende steden voorbereid, werd ter dagvaart voltooid. Den 2den Juli benoemden de staten van Zeeland, in den nacht tusschen den 3den en den 4den die van Holland, na eerst het eeuwig edict te hebben ingetrokken, willem III (1672-1702) tot stadhouder. Terzelfder tijd benoemden de Staten-Generaal hem tot kapitein-generaal der unie. De verheffing van den prins gaf een geheel andere richting aan de onderhandelingen over den vrede. Thans kwamen de onderhandelingen met Engeland op den voorgrond, die met Frankrijk op den achtergrond, juist het tegendeel van hetgeen men in de laatste weken had gezien. Willem hoopte Karel II te kunnen bewegen, voor zich een einde aan den oorlog te maken en wellicht daarenboven Frankrijk tot een billijken vrede te verplichten. Reeds waren zij het over sommige punten met elkander eens, ook hierover, dat de prins souverein zou worden; maar verder kwam het niet. Karel achtte Willems aanbiedingen onvoldoende en wilde zich niet van zijn bondgenoot laten aftrekken. De prins zag in, dat er geen gunstige voorwaarden waren te bedingen en alzoo de wapens moesten beslissen.

Aleer evenwel de lezer zijn aandacht vestigt op den verderen gang der vijandelijkheden, behoort hij ze nog een oogenblik bij de binnenlandsche aangelegenheden der Republiek te bepalen. Op het tijdstip dat de roekelooze aanslag, boven vermeld, op ’t leven van Jan de Witt werd gepleegd, was hij het nog, die aan ’t hoofd van ’s lands regeering stond. Toen hij genezen was, had de omwenteling plaats gegrepen, die Willem III aan het roer van den staat plaatste. Op dit nieuwe tooneel kon hij, zonder zijn eed (zie blz. 121) te breken en zijn beginselen te verloochenen, niet voegzaam verschijnen, of hij moest er een tweede of derde rol vervullen. Hij vroeg en verkreeg zijn ontslag den 4den Augustus. Doch hij en zijn broeder schenen slechts in het leven te zijn gespaard, om aan nog grievender leed ten doel te staan, dan hun tot dusver was beschoren geweest.

Het eerst trof dit lot den ruwaard. Willem Tichelaar, barbier te Piershil (ten w. van Dordrecht), beschuldigde Cornelis de Witt, een poging te hebben aangewend, om hem tot een aanslag op het leven van den prins van Oranje te bewegen. Tichelaar stond zeer slecht ter faam. Niet alleen had hij meer dan een vergrijp gepleegd; maar hij was ook in 1670, bij vonnis van des ruwaards plaatsvervanger, veroordeeld tot een geldboete en tot verbanning uit het land van Putten. De prins bracht Tichelaars aanklacht ter kennis van het hof van Holland, hetwelk den ruwaard, in strijd met de privilegiën van Dordrecht, gevankelijk naar den Haag, en weldra naar de Gevangenpoort liet voeren en de kennisneming der zaak aan zich trok. Lijnrecht tegenover de aangifte van Tichelaar stond de betuiging van Cornelis de Witt, luidende dat Tichelaar zijn steun had gevraagd voor het ondernemen der bedoelde misdaad, die hij evenwel eerder had aangeduid, dan uitgesproken. De Witts dienaar en zoon, die hadden geluisterd aan de deur van ’t vertrek, waarin Tichelaar met den ruwaard vertoefde, bevestigden deze getuigenis grootendeels. Ondervraging en pijnbank leidden tot geen ander gevolg, dan dat Cornelis de Witt bij zijn verklaring volhardde. Zoo weinig vermocht de pijniging op de Witt, dat hij te midden der felste smarten het begin van een van Horatius’ fraaiste lierzangen, als op zichzelf toepasselijk, opzeide.

De afloop van ’t proces is zeer vreemd. Het vonnis, hetwelk van geen misdaad gewaagde,—iets, dat bijna zonder voorbeeld was,—luidde, dat de Witt werd vervallen verklaard van al zijn ambten, voor immer uit Holland verbannen en tot betaling der kosten van ’t geding veroordeeld. Het vonnis werd den 20sten Augustus uitgesproken. Op dien noodlottigen dag werd Tichelaar, die tot dusver mede in hechtenis was gehouden, des morgens ontslagen. Terstond liet hij zich tegenover hen, die hij ontmoette, indezervoege uit, dat zijn eigen ontslag, evenzeer als het, hoewel zachte, vonnis, over de Witt geveld, aantoonde, dat de ruwaard schuldig was. Inmiddels kwam de gewezen raadpensionaris zijn broeder in de gevangenis bezoeken, van zins zijnde hem mede te nemen. Doch dit bleek weldra onmogelijk te zijn. Het duurde niet lang, of de Gevangenpoort, waarop zich de gebroeders bevonden, was door een tallooze menigte saamgeloopen volk omgeven. Tegen den middag schaarde zich tevens de schutterij onder haar vaandels voor de Gevangenpoort en hield er wacht. Kort hierna kwamen de drie afdeelingen ruiterij, die in de stad in garnizoen lagen, aanrijden en vatteden insgelijks in de nabijheid der gevangenis post. Doch toen vervolgens een gerucht werd verspreid, dat de boeren uit den omtrek op weg waren, om zich bij de saamgeschoolde lieden te voegen en hun in hun opzet de behulpzame hand te bieden, kregen twee van de afdeelingen der ruiters bevel, af te trekken en de toegangen tot den Haag te bezetten.

Thans hadden de vijanden der gebroeders de baan ruim. Een aantal van hen drongen verwoed den kerker binnen, noodzaakten de de Witten met hen het gebouw te verlaten en brachten hen te midden eener gewapende menigte van 1000 tot 1200 menschen laaghartig om. Hierop mishandelden eenige der burgers en het gemeen, niet tevreden met de gepleegde euveldaad, de doode lichamen op een wijze, te afschuwelijk om te verhalen. Wegens dit misdrijf, een der verfoeielijkste feiten uit de geschiedenis der Nederlanden, de grootste vlek, die op haar bladen is te vinden, heeft men de Hollanders, anders als goedaardig te boek staande, bij het verscheurend gedierte vergeleken. Noch de regeering van den Haag, noch de staten van Holland, destijds vergaderd, durfden de onzalige daad verhinderen. Wel schreven de staten van Holland, van zins schijnende de misdadigers te vervolgen, in dien zin aan den prins van Oranje. Doch Willem meende, dat men in de toenmalige omstandigheden aan geen gestrenge vervolging kon denken van een euveldaad, door menigeen van de meest gezeten burgers bedreven. Vreemd blijft het evenwel, hoe de prins een jaargeld kon toeleggen aan Tichelaar, die de onmiddellijke oorzaak is geweest van het treurige schouwspel, dat hijzelf verfoeide en dat aan het huis van Oranje-Nassau meer nadeel heeft gedaan, dan zijn vrienden immer in staat waren te vergoeden.

Ten zelfden dage, waarop de daad werd gepleegd, verkozen de staten van Holland Gaspar Fagel tot raadpensionaris. Het was een moeielijke taak, de opvolger te zijn van een man, als Johan de Witt. Onder zijn leiding vervulde Nederland een der eerste rollen in de Europeesche staatkunde. Onvermoeid was de Witt werkzaam voor de verheffing der Republiek, van haar zeemacht en handel. Groote diensten heeft hij aan zijn vaderland bewezen. Van ’s mans ervarenis in ’t financiewezen is boven (zie blz. 113) melding gemaakt. Alom heerschte, gedurende de jaren van de Witts raadpensionarisschap in Holland, uitnemende welvaart. Hij was het, die Holland en, door middel van Holland, de Vereenigde Gewesten met kracht, grootheid en ver vooruitzienden blik bestuurde. Dat hij zeldzame en uitstekende geestvermogens had, betwijfelt niemand. Van de beide gebroeders was hij de jongste in jaren, de oudste in wijsheid. Was hij uitnemend bekwaam en werkzaam, niet minder lof verdienen zijn onbaatzuchtigheid en eerlijkheid. Kalm was hij en, het meesterschap voerende over eigen gelaat, gewoon tot op den bodem door te dringen van eens anders gemoed. De stuurschheid, die zijn broeder schijnt eigen te zijn geweest, was geenszins een der eigenschappen van den raadpensionaris. Verwijt men hem, dat hij te veel gezag oefende, dit is toe te schrijven niet aan heerschzucht, maar aan zijn schrander vernuft en aan zijn bekwaamheden, die hem een zedelijken invloed gaven, grooter dan de meeste stadhouders hadden. Acht men het verkeerd, dat hij het oog bovenal op Hollands belangen gericht hield, men behoort niet te vergeten, dat hij de eerste ambtenaar van Holland was.

Mocht men meenen, dat de ongelukken van 1672 hem zijn te wijten, de onpartijdige beschouwing der geschiedenis leert, dat hij, zoo hij heeft gedwaald, hierin alleen dwaalde, dat hij niet heeft vooruit gezien, dat Karel II zoo bekrompen en laag was, Engelands belangen veil te hebben ter wille van een handvol Fransch goud.

Het noodlottige uiteinde der gebroeders bleek weldra geen voldoend middel te wezen, om de in beweging geraakte bevolking der steden tot bedaren te brengen. Eensdeels hierom, anderdeels omdat vele der regenten, als aanhangers der staatsgezinde partij, niet aangenaam waren aan den stadhouder, machtigden de staten van Holland den prins, den 27sten Augustus, voorzoover hij het noodig achtte, overal de wet te verzetten. Gelijk in Holland, koos de prins ook in de raden van Zeelands staten nieuwe leden.

Doch het wordt tijd, tot de zaken van den oorlog terug te keeren. In December 1672 viel de vorst in en maakte de hertog van Luxembourg, een van Lodewijks veldheeren, zich gereed, een inval in Holland te doen. Hij overviel Zwammerdam en Bodegraven, welke plaatsen de Franschen tot den grond afbrandden, tevens vele wreedheden tegen de ingezetenen begaande. Inmiddels ging de vorst in regen over, hetgeen Luxembourg noodzaakte op Woerden terug te trekken. Aan den Noordoostkant van Nederland werd het Keulsch-Munstersche leger onder den bisschop van Munster en den keurvorst van Keulen in 1672 gestuit door de stad Groningen. Zes weken belegerden zij de stad. Karel van Rabenhaupt, de bevelhebber der bezetting, leidde de verdediging, wakker bijgestaan door de burgers en de studenten. Een groot gedeelte der stad werd platgeschoten; doch de moed der belegerden herleefde telkens na iederen goed geslaagden uitval. In den nacht tusschen den 27sten en den 28sten Augustus blies de bisschop den aftocht met een verlies van ongeveer 5000 man, terwijl in Groningen slechts omtrent 100 menschen waren doodgeschoten. Den 30sten December liet Rabenhaupt, gebruik makende van de aanwijzing van Meindert van Thijnen, een gewezen koster te Koevorden, tevens een goed ingenieur, deze vesting door Eybergen verrassen. Ook ter zee stond het vrij wel met de aangelegenheden der Republiek. Na den slag bij Solebay (zie blz. 123) ging de Ruiter langs de kusten van ons land kruisen, om de Engelschen de landing te beletten, die zij, opdat Holland van twee zijden werd aangevallen, zich hadden voorgenomen. In zijn streven werd de Ruiter ondersteund door de natuur zelve. Toen de vijandelijke vloot in Juli 1672 in het gezicht van de Helder was, stak er een storm op, die drie dagen zonder ophouden en, met eenige tusschenpoozen, bijna drie weken aanhield. Zoo was het jaar, welks begin zoo rampspoedig was geweest voor Nederland, en inzonderheid het einde, niet teneenenmale van voorspoed verstoken.

Meer geluk bracht het volgende jaar. Een beslissende zege behaalde de Ruiter den 21sten Augustus bij Kijkduin (nabij de Helder) op de Fransch-Engelsche vloot onder d’Estrées en prins Robert (zie blz. 117). Te land noodzaakte Willem III door een koene onderneming, de verovering van Bonn, in November 1673 de Franschen, ons land te verlaten. In het jaar 1674 was de fortuin Frankrijk nog minder gunstig. De koning van Engeland, door de bedreigingen van ’t parlement gedrongen, moest tot den vrede van Westminster (19 Febr. 1674) besluiten, welke dien van Breda bekrachtigde. Dit voorbeeld volgden de bisschop van Munster en de keurvorst van Keulen.

Terwijl het hoofdtooneel van den oorlog thans werd verplaatst naar de Spaansche Nederlanden, waarheen de Franschen aanstonds na de ontruiming van ons land weken, keerden de bevrijde gewesten Utrecht, Gelderland en Overijsel tot het bondgenootschap weder. Ook zij moesten zich laten welgevallen, dat Zijn Hoogheid, op last der Staten-Generaal, de regeering hunner steden veranderde, gelijk dit in Holland en Zeeland was geschied. Hierbij bleef het niet. Nadat Holland en Zeeland het stadhouderschap, gelijk de Staten-Generaal het kapitein-generaal- en admiraalschap, erfelijk hadden verklaard in de mannelijke linie des prinsen van Oranje, volgden Utrecht en Overijsel in 1674, Gelderland in 1675 het gegeven voorbeeld. Aan Hendrik Kasimir II (zie blz. 118) droeg Groningen in 1674 het erfstadhouderschap op. In Gelderland achtte de adel nog niet genoeg te hebben gedaan. Door zijn invloed boden de staten van dit gewest den prins de hoogste macht aan met den titel „hertog van Gelderland en graaf van Zutfen” Deze waardigheid wees de prins evenwel van de hand, toen verscheidene steden van Holland en Zeeland te kennen gaven, dat dit aanbod haar weinig behaagde.

Alzoo, hoofdzakelijk door toedoen van Fagel, een macht hebbende verkregen, grooter wellicht dan die, welke den hertogelijken of graaflijken titel ware toegekend, zette Willem III den strijd tegen de vijanden van zijn vaderland buiten de grenzen van het Gemeenebest voort. In de Zuidelijke Nederlanden leverde hij den slag van Senef (Overzicht, 9e druk, blz. 152). Ook naar ’t Zuiden, naar de Middellandsche Zee, werd de kamp overgebracht (t. a. p.). In 1676 zond men de Ruiter naar die wateren. Driemalen leverde de Nederlandsch-Spaansche vloot slag tegen den Franschen admiraal du Quesne: in de tweede ontmoeting, bij den Etna, zegepraalden de onzen, maar verloren den eersten vlootvoogd zijner eeuw.

Sinds lang wenschten Frankrijk en Nederland vrede te sluiten. Tot plaats der bijeenkomst werd Nijmegen bepaald. Van het begin af streefde Frankrijk slechts naar een afzonderlijken vrede met de Staten-Generaal; doch Willem III hield dit lang tegen. Te midden der onderhandelingen ging Willem in 1677 een huwelijk aan met Maria, de oudste dochter van zijn oom, den hertog van York. In den nacht van den 10den tot den 11den Augustus 1678 kwam de vrede van Nijmegen tusschen Frankrijk en de Republiek tot stand. De Nederlanden verloren niets.

 


§ 28.

Willem III.—De negenjarige oorlog.—De Spaansche erfopvolgingsoorlog.

Zóó bereikte Lodewijk XIV, trots al zijn vijanden, zoowel door de wapens als door de kunst van ’t onderhandelen, althans ten deele, zijn doel. De vrede van Nijmegen versterkte den koning in zijn overmoed. Niets achtte hij, in ’t gevoel zijner overmacht, in staat, om hem te beletten, nu ook met vreemde staten even willekeurig te werk te gaan, als hij in zijn rijk zelf jegens zijn onderdanen placht te doen. De reunionskamers (Overzicht, 9e druk, blz. 152) toonden dit maar al te zeer. Na de herroeping van ’t edict van Nantes vreesde al wat protestant was voor ’t overwicht van den vervolger hunner geloofsgenooten. Dit verstrekte keizer Leopold I, het grootste gedeelte van ’t Duitsche rijk, Spanje en de Nederlanden tot een krachtigen prikkel, om in 1686 onder elkander verschillende verbonden te sluiten.

Hij, die deze verbonden tot stand bracht en er de ziel van was, was Willem III, van dit oogenblik af de rustelooze bestrijder van den heerschzuchtigen vorst. Gelijk Lodewijk de vertegenwoordiger was van ’t volstrekte gezag en van een algeheele staatseenheid, die het katholicisme als middel aanwendde, zoo was hij de vertegenwoordiger en de voorvechter van het staatkundig evenwicht van Europa, die het protestantisme als werktuig bezigde. Voor die taak was de prins van Oranje-Nassau ten volle berekend. Zwak en tenger was hij van lichaam, maar krachtig van geest. Zijn karakter, van nature standvastig, was door den tegenspoed zijner jeugd gestaald. Doorgaans was hij stil en in zichzelf gekeerd. Slechts op den dag van een veldslag was hij levendig en vol vuur: terwijl hij anders steeds langzaam sprak, vlogen hem dan de woorden van de lippen. Als staatsman stond Willem III boven al zijn tijdgenooten. Hij was volkomen bekend met de gesteldheid van Europa’s kabinetten, met de roersels en drijfveeren der machthebbers. De taak, die hij als zijn levenstaak aanmerkte, was een volhardend tegenstreven van Frankrijks pogingen, om de heerschappij over Europa te bemachtigen. Al beleefde Willem het geenszins, zijn doel werd mettertijd bereikt. Daarentegen kostte het stelsel van Europeesche staatkunde, dat de plaats innam van de Witts stelsel, hetwelk Neêrlands belangen tot punt van uitgang had, aan de Republiek den eersten rang onder de zeemogendheden. Van Willems tijd af moest zij zich met den tweeden rang tevreden stellen.

Even onvermoeid, als op het gebied der staatkunde, bestreed Willem III zijn vijand op het slagveld. Persoonlijke moed was een zijner gaven; doch onder de groote veldheeren verdient hij, gelijk zijn overgrootvader, niet de plaats, die hem onder de groote staatsmannen toekomt. Intusschen is het onwedersprekelijk, dat hij een aantal bekwame generaals heeft gevormd, die in den Spaanschen erfopvolgingsoorlog menige zege behaalden. Veldslagen gewonnen heeft hij bijna niet. Zijn talenten kwamen vooral uit, wanneer hij, òf op zijn meesterlijke aftochten, òf na de nederlaag onwrikbaar stand houdende, den vijand zooveel ontzag wist in te boezemen, dat hij hem niet verder durfde aantasten.

Het groote gezag, dat Willem in de Nederlanden had, heeft hij gebruikt, ten einde de hinderpalen, die hij nu en dan in de leiding der Republiek op zijn weg ontmoette, op zoodanige wijze uit den weg te ruimen, dat hij de regenten zoo goed als afhankelijk van zich maakte. Onwrikbaar stond hem in zijn pogen de raadpensionaris Fagel ter zijde, wien, evenals aan de latere opvolgers van Johan de Witt, gemeen overleg met den stadhouder tot plicht was gesteld. Vanhier, dat men thans een samenwerking aanschouwde van stadhouder en raadpensionaris, zooals men nimmer had beleefd. In vele opzichten strookte het streven des stadhouders weinig met den aard eener republiek. Vele bewijzen zijn aanwezig, om het verwijt te staven, dat Willem III zich niet ontzag, op willekeurige wijze in te grijpen, wanneer dit met zijn plannen overeenkwam. Vele steden moesten ondervinden, dat de stadhouder zich niet te stipt aan haar voorrechten hield. Hier stelde hij nieuwe leden in de vroedschap, elders zette hij er leden uit.

Onder alles, dat Lodewijk XIV zich zoo ten aanzien van Europa, als van hemzelf veroorloofde, was er niets, dat Willem dieper krenkte, dan het wederrechtelijk in bezit nemen van het prinsdom Oranje (zie blz. 50). ’s Prinsen haat tegen Lodewijk deelde de meerderheid der natie, hoog ingenomen met de hervormde leer, vooral sinds haar uit Frankrijk vluchtende broeders, in de naaste jaren vóór 1685 en inzonderheid sedert dit jaar, hier te lande een veilige schuilplaats kwamen zoeken. Zeer edelmoedig ontving men deze vluchtelingen, réfugiés, in Nederland.

Lodewijk XIV was destijds niet de eenige vorst, die gevaarlijk werd geacht voor de hervormde kerk. Vele maatregelen van Jakob II, Engelands koning, hadden dezelfde strekking (Overzicht, 9e druk, blz. 157). Van ’t oogenblik af, dat hij den troon besteeg, hield Willem den blik onafgebroken gevestigd op den toestand van dit rijk. Met vele aanzienlijke Engelschen stond hij in briefwisseling. De vroedschappen der steden van de verschillende provinciën stemden erin toe, den prins met ’s lands zee- en landmacht te ondersteunen. Middelerwijl had d’Avaux, Lodewijks gezant in de Nederland, zijn vorst bekend gemaakt met de groote toerustingen der Republiek en hem medegedeeld, dat zij, naar hij vermoedde, op Engeland doelden. Lodewijk draalde niet, Jakob II er een wenk van te geven; maar deze vorst sloeg de waarschuwing in den wind. Toen het ten laatste onwedersprekelijk was, dat de prins Engeland op ’t oog had, was het te laat en moest Jakob zijn lot afwachten. In November 1688 legde de vloot, ten aanschouwen eener groote menigte volks, welke zich op de kusten van Engeland en Frankrijk verdrong, in de haven van Torbay (aan de z. kust, ten o. van Plymouth) aan. Onmiddellijk trok Willem naar Londen. Jakob vluchtte naar Frankrijk, en in 1689 werden Willem en Maria als koning en koningin van Groot-Britannië uitgeroepen. Nog voordat Willem de kroon op zijn hoofd zette, verloor hij zijn vriend, den raadpensionaris Fagel, die veel had gedaan, om ’s lands regenten gunstig voor het ondersteunen des stadhouders te stemmen. In plaats van Fagel kwam in 1689 Antonie Heinsius.

Tot het welslagen der onderneming droeg dit veel bij, dat Lodewijk in 1688 en 1689 achtereenvolgens aan de boven genoemde bondgenooten (zie blz. 132), alzoo ook aan Nederland, den oorlog verklaarde. Zóó begon de negenjarige oorlog. Tegen zijn verwachting had Lodewijk thans nog één vijand meer te bestrijden, n.l. Engeland. De mogendheden bekrachtigden hun vereeniging in 1690 door het Weener verbond. Het leger der Republiek streed met het krijgsvolk der bondgenooten in de Zuidelijke Nederlanden. Hier won Luxembourg in 1692 op Willem III, opperbevelhebber van de gezamenlijke troepen der bondgenooten, den slag bij Steenkerken (in ’t n. van Henegouwen, ten n.w. van Senef), in 1693 dien bij Landen en Neerwinden (in ’t n.w. van Luik). Deze nadeelen werden eenigermate vergoed door de schitterende zege, die de Nederlandsch-Engelsche vloot onder Almonde en Russel in 1692 bij la Hogue (in ’t n.w. van Normandië, aan ’t Kanaal) op den Franschen admiraal Tourville behaalde. Hoewel de koning van Frankrijk over ’t geheel met geluk streed, deden de uitputting zijns lands en nieuwe ontwerpen bij hem begeerte naar rust ontstaan. Zoo sloot hij in 1697 den vrede van Rijswijk (tusschen den Haag en Delft). Lodewijk erkende Willem III als koning van Engeland en stond hem het prinsdom Oranje weer af.

Aan de Republiek bracht het geen voordeel, dat hij, die stadhouder van de meeste harer gewesten was, de eer verwierf, een kroon te mogen dragen, die weldra bleek voor hemzelf een doornenkroon te zijn. Zij ging gebukt onder den druk van ’t verbond met Engeland en was binnen kort te vergelijken bij een sloep, voortgesleept door een linieschip. Haar handel leed op nieuw een grooten schok. Dadelijk, in ’t begin van den oorlog, werden vele Nederlandsche koopvaardijschepen, die men wegens de geheimhouding, waarmede de toeleg op Engeland werd behandeld, niet had kunnen waarschuwen, in Frankrijk aangehouden. Tevergeefs vleide men zich met de hoop, dat Willem iets zou doen tot intrekking of verzachting van de akte van navigatie. De nadeelen, den handel toegebracht, werden niet vergoed door de ruim zeven millioenen, die Engeland in 1689 en volgende jaren, als schadeloosstelling voor de kosten van den overtocht, aan Nederland betaalde.

Even vóór het einde van den negenjarigen oorlog, in 1696, stierf een van de veldmaarschalken der Republiek, die in den slag bij Landen en Neerwinden wakker had medegestreden, de stadhouder van Groningen, Friesland en Drente, Hendrik Kasimir II (zie blz. 131). Zijn zoon Johan Willem Friso (1696-1711) volgde hem in Groningen en in Friesland op onder regentschap zijner moeder Amalia van Anhalt-Dessau, een kleindochter van Frederik Hendrik en dochter van Johan George II, vorst van Anhalt-Dessau, terwijl Drente aan Willem III het stadhouderschap opdroeg. Voor ’t overige werd de betrekking, waarin Nederland reeds sedert lang tot Rusland stond, in dezen tijd nauwer door een persoonlijk bezoek van Peter, den keizer aller Russen en eersten hervormer zijner natie op groote schaal (Overzicht, 9e druk, blz. 160, 161). Eenige dagen hield hij zich in 1697 te Zaandam op en timmerde te Amsterdam op de werf een geheel schip af. Later hervatte de alleenheerscher van het groote rijk het bezoek in 1717. Zonder overdrijving mocht Nederland zich beroemen, op die wijze een gunstigen invloed te oefenen op Ruslands ontkiemende beschaving.

Het werd weldra duidelijk, dat Lodewijk juist geen duurzamen vrede beoogde en welke bedoelingen hij nog in ’t schild voerde. Hij wendde zich tot Engeland en tot de Nederlanden, hun voorslaande, zonder den keizer (Overzicht, 9e druk, blz. 151) erin te kennen, met hem een verdrag te sluiten, waarin zou worden vastgesteld, op welke wijze de landen der Spaansche kroon te verdeelen bij den dood van den koning van dit rijk, Karel II, die elk oogenblik tegemoet werd gezien. Metterdaad kwamen er achtereenvolgens twee dergelijke verdragen tot stand. Leopold echter sloot zich er niet bij aan, en nog veel minder Karel II zelf, bij wiens dood (den 1sten Nov. 1700) men een testament vond, dat Philips van Anjou, den tweeden zoon van den dauphin, tot eenigen erfgenaam der kroon van Spanje verklaarde. Bij de gewichtige vraag, die deze verdragen trachtten te beslissen, had Willem III, de voorvechter van Europa’s vrijheid, alleen het evenwicht der staten en ’t behoud der rust van dit werelddeel op het oog. Als hoofd der zeemogendheden, Engeland en de Nederlanden, meende hij, dat het deze staten, bij de groote macht, die èn het huis Habsburg, èn Bourbon bezat, niet onverschillig kon zijn, wie de bezitter der Spaansche monarchie werd. Intusschen begaf zich Philips van Anjou, als koning Philips V, in 1701 naar zijn koninkrijk Spanje.

Keizer Leopold, die den nieuwen koning niet wilde erkennen, rustte zich dadelijk ten oorlog. Weldra vond hij steun bij het groote of Haagsche verbond in 1701, dat hij met Engeland en de Nederlanden sloot en bij hetwelk zich ook Frederik I van Pruisen, het Duitsche rijk, Portugal en Savoye voegden. Willem III was niet bestemd, zelf den oorlog mede te voeren. Eer die krijg nog recht was uitgebroken, leden de bondgenooten in Maart 1702 door zijn overlijden het zwaarste verlies, dat hen kon treffen. Vóór zijn dood had Willem III pogingen aangewend, om den stadhouder van Friesland, Johan Willem Friso, te doen verkiezen tot opvolger in de waardigheden, die hij hier te lande bekleedde. Maar ziende, dat de staten der gewesten hiertoe niet overhelden, had hij zijn bemoeiingen gestaakt. Terstond na Willems dood gaven de staten van Holland in de vergadering der Staten-Generaal te kennen, dat zij het voornemen hadden, de aangelegenheden te laten, zooals zij waren, en de staten der vier overige gewesten, alsmede die van Drente, volgden hun voorbeeld. Men liet de hooge ambten onvervuld, en de zaken der regeering werden in de vijf provinciën teruggebracht op den voet van 1651.

De oorlog, door Lodewijks toedoen ontbrand, werd gevoerd in Italië, Duitschland, de Zuidelijke Nederlanden en Spanje. Het getal van ’s konings uitstekende veldheeren was zeer afgenomen. Daarentegen stond aan den kant der bondgenooten een rij van groote mannen: John Churchill, graaf, daarna hertog van Marlborough (in Devonshire, in ’t z. van Engeland); Eugenius van Savoye, Leopolds veldheer, en Antonie Heinsius. Deze mannen noemt men, wegens hun gemeenschappelijke leiding der zaken, het driemanschap in dezen oorlog. Het aandeel, dat de Nederlanders aan den oorlog namen, bepaalde zich tot de verrichtingen ter zee en in de Spaansche Nederlanden. In 1704 nam de Engelsche admiraal Rooke, bijgestaan door de vloot der Nederlanden onder den luitenant-admiraal Callenburgh, bijna zonder slag of stoot het onneembare, maar toen slecht bewaakte Gibraltar in. Koningin Anna (Overzicht, 9e druk, blz. 157) verklaarde, over deze verovering te willen beschikken in gemeenschappelijk overleg met de Staten-Generaal; doch in strijd met deze uitdrukkelijke belofte en in weerwil dat de stad was genomen in naam van aartshertog Karel, Leopolds tweeden zoon, eigende Engeland zich haar stilzwijgend toe.

Wat den oorlog te lande betreft, voegden zich de Nederlandsche troepen bij het leger, dat in de Zuidelijke Nederlanden stond en waarover Marlborough het bevel voerde. Aan ’t hoofd van de krijgsbenden der Republiek stond o. a. Johan Willem Friso. Schitterend was de reeks der veldslagen. Marlborough versloeg in 1706 Villeroi bij Ramillies (in ’t z.o. van Zuid Brabant). Marlborough en Eugenius wonnen in 1708 den slag bij Oudenaarde (in Oost-Vlaanderen aan de Schelde) op Vendôme en op den jongen hertog van Bourgondië, den oudsten zoon van den dauphin, en in 1709 dien bij Malplaquet (nabij Mons) op Villars. Hierop werden de Spaansche Nederlanden allengs geheel veroverd.

Intusschen had Lodewijk XIV, Marlborough en Eugenius terecht voor afkeerig van den vrede houdende, zich reeds eenige malen in dien zin tot Heinsius gewend, maar vruchteloos. In 1709 geschiedde de aanvraag om vrede van Lodewijks kant met meer aandrang dan ooit. Doch toen de overwinnaars hun eischen al hooger stelden, werden de onderhandelingen afgebroken. Hierop volgde de slag bij Malplaquet. De onderhandelingen, in 1710 nogmaals te Geertruidenberg hervat, voerden wederom tot niets. Zij werden gestaakt, omdat de bondgenooten hun eischen nog in zoo verre verzwaarden, dat zij vorderden, dat de grijze Lodewijk zelf zijn kleinzoon, des noods met geweld, zou onttronen en dwingen, Spanje te verlaten. Maar plotseling kwam er een wending in den loop der gebeurtenissen. Juist toen de gezichteinder voor Lodewijk met steeds dreigender wolken betrok, brachten twee onverwachte gebeurtenissen hem redding aan. De eene was de vroegtijdige dood van Jozef I, keizer van Duitschland, Leopolds zoon en opvolger, wien zijn eenige broeder, Karel VI, in 1711 opvolgde. Nu drongen de zeemogendheden er niet langer op aan, dat men den beheerscher van zoovele landen nog de Spaansche monarchie zou toevoegen. De andere was de terugroeping van Marlborough en de val van het whig-ministerie, waarvan hij de ziel was. Het voor de whigs in de plaats komende tory-ministerie hield den oorlog voor strijdig met Engelands belangen en knoopte dus onderhandelingen met Frankrijk aan.

Intusschen verloren de Nederlanden nog vóór het einde van den oorlog een hunner veldheeren. Johan Willem Friso, in 1711 uit de legerplaats naar ’s Gravenhage willende gaan, om, ter zake van de erfenis van Willem III, een bijeenkomst te houden met zijn mede-erfgenaam, den koning van Pruisen, verdronk in Juli van dat jaar door ’t omslaan der schouw of pont aan den Moerdijk (tusschen Willemstad en Geertruidenberg), nog slechts vier-en-twintig jaren oud zijnde. Zijn gemalin, Maria Louise, een dochter van Karel, landgraaf van Hessen-Kassel, bracht kort daarna een zoon ter wereld, Willem Karel Hendrik Friso. In 1712 kwamen de gezanten der oorlogvoerende mogendheden te Utrecht bijeen, om te pogen tot een vrede te geraken. In April 1713 werd de vrede onderteekend, behalve door de gezanten van Karel VI, die eerst in ’t volgende jaar (Overzicht, 9e druk, blz. 155) een einde maakte aan den oorlog. Philips V behield Spanje en zijn bezittingen buiten Europa. De Nederlanden verwierven een voordeelig verdrag van handel en inkomende rechten. Ook dit moet als een voordeel voor de Republiek worden aangemerkt, dat het groote doel, waarom zij aan den oorlog had deel genomen, bij den vrede werd bereikt, daar de Zuid-Nederlandsche gewesten niet aan Frankrijk, maar aan Oostenrijk kwamen. Alsof dit evenwel niet genoeg ware tegen Frankrijks gevreesde nabijheid, verkreeg zij, om haar tot voormuur tegen de aanvallen van dit rijk te dienen, de barrière, die haar het recht gaf, in Namen, Doornik, Meenen, Warneton, Yperen, Veurne en het fort Knokke bezetting te leggen, terwijl mede werd bepaald, dat in de stad Dendermonde gemengd garnizoen, d. i. half Oostenrijksch, half Staatsch, zou liggen. Het verdrag over de barrière kwam den 16den November 1715 tot stand. Het prinsdom Oranje, hetwelk de Staten-Generaal uit de nalatenschap van Willem III aan Frederik Willem I, koning van Pruisen (Overzicht, 9e druk, blz. 163), hadden toegekend, ging, tegen schadeloosstelling vanwege den koning van Frankrijk, aan dit rijk over.

 


§29.

Blik op den toestand des lands in de laatste helft der 17de en in ’t begin der 18de eeuw.

Verbazend was de inspanning, die een staat van zulk een beperkt grondgebied als de Vereenigde Gewesten zich in den nu geëindigden oorlog had getroost ter wille eener zaak, die meer geheel Europa, dan de Nederlanden betrof. Die oorlog vermeerderde de schuld der Republiek met 350 millioen. Aan de dure offers waren de voordeelen, die de vrede schonk, niet geëvenredigd. Maar de wil van Willem III alleen had de buitenlandsche staatkunde der Republiek bestuurd. Voor de leidende gedachte zijns levens, de man te moeten zijn, die zich tegenover Lodewijk XIV stelde, moesten de belangen der Republiek achterstaan. Zoolang Willem III leefde, had antonie heinsius (zie blz. 135) hem getrouw ter zijde gestaan. Hij was een man van een welwikkend oordeel, onverdroten ijver en bezadigde handelwijze, wiens blik tot de kern der zaken doordrong. Doch nauwelijks had Willem de oogen voor goed gesloten, of Heinsius, zijn denkbeelden naar de omstandigheden wijzigende, voegde zich naar de regeering, gelijk zij toen werd geregeld, en was in allen opzichte een wakker dienaar en voorganger der staten van Holland. Hij werd in den vollen zin des woords de zuil van ’t bewind, de hoofdpersoon der Republiek.

Niettegenstaande de schaduwzijde, zoo even aangevoerd, bekleedde de Republiek na den vrede van Utrecht steeds een eervolle plaats onder Europa’s aanzienlijke mogendheden. Zij bezat nog een uitgestrekten handel en aanmerkelijke volkplantingen. Nogtans was de handel niet meer, wat hij was geweest. Sinds 1672 was hij gedaald van het hooge standpunt, dat hij vroeger had bestegen. De navigatie-akte van het lange parlement (zie blz. 109 en 119) had hem den eersten knak gegeven. Inzonderheid brachten de oorlogen, geëindigd met de vredes van Nijmegen, Rijswijk en Utrecht, den handel groot nadeel toe. Behalve dat zij den staat tot groote uitgaven dwongen ter bestrijding der krijgskosten, legden zij een zwaren schuldenlast op de schouders der Nederlanders. Het gevolg was de instelling van vele nieuwe belastingen. Een andere oorzaak van het dalen van den Nederlandschen handel is, dat hij de oogen van de meeste der Europeesche volkeren opende, die, de rijkdommen ziende, welke hij aanvoerde, zich op haar beurt op dien tak van bestaan toelegden en allengs op die baan voortschreden. En hoewel nu de handel van Nederland zeer wel naast dien van andere landen kan bestaan, is het van den anderen kant zeker, dat geen natie den haren destijds uitbreidde, dan ten koste van dien der Republiek.

Gelijk de handel, begon ook de haringvisscherij sedert den aanvang der 18de eeuw af te nemen. De walvischvangst was reeds vroeger in verval gekomen. De Noordsche compagnie (zie blz. 43) hield in 1645 op te bestaan. Vele schepen waren in ’t ijs blijven steken of hadden zonder gunstig gevolg gevaren. Van het genoemde jaar af werd de walvischvangst door de ontbinding der Noordsche compagnie vrij en leefde, thans door kooplieden, ieder op zichzelf, gaande gehouden, weder eenigermate op. Zeer in ’t oog vallend was, sedert den vrede van Munster, de achteruitgang der fabrieken en manufacturen. Zooals bij den handel, was een hoofdoorzaak van dien achteruitgang te zoeken in de zich meer en meer onder de Europeesche volkeren verbreidende zucht, om door eigen fabrieken in hun behoeften te voorzien en de voortbrengselen van die van anderen te kunnen ontberen.

Voor de Oost-Indische compagnie opende zich met den vrede van Munster (zie blz. 99) een tijdperk van verhoogden luister. De eer hiervan komt, voor een goed deel, aan den gouverneur-generaal Johan Maatsuiker (1653-1678) toe, die langer dan iemand, voor of na hem, over de bezittingen der compagnie het bewind voerde. Op Ceylon eindigde de strijd, onder van Diemen (zie t. a. p.) aangevangen, met de geheele verdrijving der Portugeezen. Ook Negapatnam (op de kust van Coromandel, tegenover Ceylon) werd veroverd. Op Sumātra werd Palembang (op de z.o. kust) schatplichtig. Bovenal werd Makassar (in ’t z.w. van Celēbes) het tooneel van een roemrijken kamp voor de Nederlandsche compagnie, welker hulp door een der elkander op dat eiland bestrijdende vorsten werd ingeroepen. Cornelis Speelman stond aan ’t hoofd van de scheepsmacht der compagnie, die er, eenige jaren achtereen, oorlog voerde. Hij dwong den vorst van Makassar tot een verdrag, waarbij deze vorst zich verplichtte, de Portugeezen en de Engelschen uit zijn gebied te verwijderen en de compagnie den alleenhandel, vrij van tollen, toe te staan.

Één jaar voordat Maatsuiker het bewind aanvaardde, had zich een volkplanting der Nederlanders aan de Kaap de goede hoop gevestigd. De streek zelve was dit volk sedert langer dan een halve eeuw bekend. Menig Nederlandsch schip was de Tafelbaai binnengeloopen, om er ververschingen in te nemen; doch aan een blijvende vestiging had niemand gedacht. Het eerst kwam dit denkbeeld op bij Jan van Riebeek, een scheepsheelmeester, toen hij in 1648 met een vloot uit Indië naar het vaderland terugkeerde. De kamer van zeventienen (zie blz. 79) keurde het ontwerp goed, en in April 1652 stichtte van Riebeek er een volkplanting. Slechts één donkere partij is er in het schitterend tijdperk van Maatsuikers landvoogdij op te merken: zij is het verlies van Formōsa (zie blz. 80). In ’t midden der 17de eeuw werd de keizerlijke dynastie, die in Sina regeerde, van den troon gestooten. De Mantsjoe-Tartaren, een volk, ten n.o. van Sina wonende, overstroomden het groote rijk, en hun opperhoofd trok het bewind aan zich. Een der vele Sineezen, die zich tegen hem verklaarden en van het vasteland moesten wijken, was de zeeroover Coxinga, die met een groote vloot de zee onveilig maakte. Weldra zette hij koers naar Formōsa, ten einde dit eiland te veroveren. De Nederlandsche gouverneur van Formōsa, Coyet, verdedigde wakker de sterkte Zelandia met de weinige troepen, die hij had. Den predikant Hambroek, in ’s vijands macht gevallen, zond Coxinga erheen, om op een spoedige overgave aan te dringen. Hij ried het tegendeel, weshalve hij, naar Coxinga teruggekeerd, kort daarna, onder voorwendsel dat hij de Formosanen had opgeruid, werd gedood. Eindelijk gaf Coyet, na een langdurig beleg, in 1662 het kasteel op eervolle voorwaarden over.

In Maatsuikers tijd was nog maar een klein deel van Java in ’t bezit der Oost-Indische compagnie: Batavia met den naasten omtrek. Van de inheemsche vorsten van dit eiland waren die van Matāram (in ’t midden van Java) en van Bantam (zie blz. 78) de voornaamste. Een zijner opvolgers was Cornelis Speelman. Voortdurend won, sedert de eerste vestiging (zie blz. 79), het gezag der compagnie veld op Ternate, Tidor en de overige Molukken. In ’t laatst der 17de eeuw werd het Noorden van Celēbes geheelenal afhankelijk van de compagnie, in 1704 de Preanger landen, in 1741 het oostelijk gedeelte van Java, o. a. Soerabaya. In 1755 verdween de naam „Matāra” uit de geschiedenis. Hij werd vervangen door die der vorstenlanden, Soerakarta en Djokjokarta, beide onder ’t oppergezag der compagnie staande. Ruim twintig jaren later, in 1778, stond de sultan van Bantam de rechten van opperhoogheid, die hij op de westkust van Borneo had, aan de compagnie af. In al die onderworpen landstreken behielden de inlandsche vorsten, doorgaans onder den titel regenten, zoowel als hun stamhuizen, onder de opperheerschappij der compagnie hun rang en recht van opvolging. Hun werd, als leidsman en voogd, een Nederlandsch ambtenaar ter zijde gesteld, die den titel resident voerde. Tevens werd hun, ten bewijze hunner afhankelijkheid, de verplichte levering van deze of gene voortbrengselen van den grond opgelegd.

Het vermeesteren van landen en het bemachtigen van volkeren waren evenwel niet de grootste voordeelen, die de compagnie uit haar ondernemingen trok. Meer waarde hadden de winsten, welke haar de koophandel verschafte. In 1671 verheugde zij haar deelhebbers door een uitdeeling van 65 ten honderd. Bij de waren, welke de Oost-Indische vloten, retourvloten geheeten, Nederland toevoerden, kwam sinds den aanvang der 18de eeuw de Java-koffie, een vrucht, oorspronkelijk in Arabië te huis behoorende.

Al was het niet op groote schaal, toch breidde ook de West-Indische compagnie haar bezittingen langzamerhand uit. Zoo voegde zij bij hetgeen zij had (zie blz. 88) Berbice (in ’t n. van Zuid-Amerika, ten w. van Suriname). Hoewel tot de West-Indische compagnie gerekend, was Berbice het bijzonder eigendom van eenige Amsterdamsche kooplieden en stond onder hun beheer. Gelijk Berbice en Suriname, was Essequībo (ten w. van Berbice) haar ontstaan aan Zeeuwen verschuldigd. Reeds in het begin der 17de eeuw hadden zij er een volkplanting. Van haar ging de kolonie Demerary (tusschen Berbice en Essequībo) uit. Beide stonden alleen onder de kamer Zeeland der West-Indische compagnie. Van Suriname’s (zie blz. 119) eigendom stond deze compagnie een deel af aan Amsterdam. In weerwil van deze aanwinsten bleek het, sinds het verlies van Brazilië (zie blz. 92, 93), dat het lot der West-Indische compagnie moest zijn, even spoedig te vervallen, als zij zich had verheven. Weldra was zij niet meer in staat, eenige uitdeeling te doen of slechts eenige p. c. rente te betalen, weshalve de Staten-Generaal ze in 1674 ontbonden. Reeds in 1675 verrees een nieuwe compagnie, waaraan de Staten-Generaal octrooi verleenden. Het getal der bewindhebbers werd op 53 gebracht, de generale vergadering tot op 10 leden verminderd en daarom de vergadering van tienen geheeten. Het ging de nieuwe maatschappij nog ongelukkiger, dan de vorige. Haar uitdeelingen, die schier nimmer het cijfer van 5 ten honderd overschreden, bleven doorgaans lager.

Van de compagnieën keeren wij tot den staat zelf terug. Reeds meermalen is gebleken, dat de soort van eenheid van den gevestigden staat, welke er nog bestond, dikwerf dreigde teniet te gaan door den strijd, dien de staten der gewesten bij herhaling tegen den band der unie voerden. Naast dien strijd ontstond allengs een tweede tusschen de staten der gewesten zelven en de leden, waaruit zij waren samengesteld. Van die leden waren de vroedschappen der steden de talrijkste en de voornaamste. Groot was de macht dezer vroedschappen. De groote macht, waarover de stedelijke overheidspersonen beschikten, deed de begeerte bij hen opkomen haar te behouden en ze op hun verwanten te doen overgaan. Zoo zag men de waardigheid van lid der vroedschap van lieverlede zoo goed als erfelijk worden en onder de hand van die raden uitsluiten al wie niet tot de regeerende familiën behoorde. De gewoonte van ’t aangaan van dergelijke overeenkomsten, waarbij de leden van zulke familiën zich verbonden, om elkander, hun verwanten en vrienden op het kussen te helpen, was in ’t midden der 18de eeuw vrij algemeen. De overeenkomsten zelven noemde men veelal correspondentiën. Naar men meent, zal het eerste verdrag van dien aard reeds in 1652 te Zierikzee zijn gesloten.

De kracht en de oorspronkelijkheid van Nederland verzwakten. Dit zag men ook op het veld der letterkunde en op het gebied der schoone kunsten. Vermaarde schilders kwamen minder voor. Wat de letteren aangaat, er waren schrijvers, verdienstelijke schrijvers zelfs; doch het waren meerendeels navolgers van de grootsche gestalten, waarop vroeger (zie blz. 101 vlg.) werd gewezen. Vondel werd b. v. nagestreefd door Antonides van der Goes, afkomstig uit Goes en in 1684 overleden, die in zijn Ystroom de reeks der Nederlandsche stroomdichters opende. Dit gedicht, dat tot de beschrijvende soort behoort, bezingt den lof van het Y en heeft alzoo den roem van Amsterdam tot onderwerp. Meer en meer oefende de Fransche letterkunde een doodenden invloed op de oorspronkelijkheid der Nederlanders, al verruimde zij van den anderen kant hun denkbeelden. Slechts Justus van Effen (overleden in 1735) handhaafde in zijn Hollandsche spectator de eischen van een zuiveren en lossen Nederlandschen stijl, tevens de nationale ondeugden en gebreken van zijn tijd bestrijdende.

Zin voor wetenschap bleef den Nederlanders evenwel eigen. In de natuurkunde verwierf o. a. Christiaan Huygens, Constantijns (zie blz. 102) zoon, de uitvinder der slingeruurwerken (overleden in 1695), grooten roem. Een Europeeschen naam had Herman Boerhaave, hoogleeraar in de geneeskunde te Leiden (overleden in 1738), tot wiens lessen honderden studenten uit verschillende landen toestroomden.