WeRead Powered by ReaderPub
Beknopte geschiedenis van het vaderland cover

Beknopte geschiedenis van het vaderland

Chapter 33: § 33.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Het werk biedt een beknopt chronologisch overzicht van het gebied dat nu Nederland heet, begint bij geografische kenmerken, prehistorische bewoning en Romeinse overheersing, en behandelt vervolgens de vroege middeleeuwse vestiging van Germaanse stammen, de ontwikkeling van feodale verhoudingen en de opkomst van regionale graven en hertogen. Het volgt Bourgondische en Habsburgse bestuurlijke perioden, de religieuze en politieke spanningen die tot een opstand en de vorming van een republiek leidden, en beschrijft de republikeinse staatsinrichting, maritieme macht, commerciële expansie via compagnieën en de grote Europese conflicten. De tekst sluit af met de neergang van de Republiek, Franse overheersing en de totstandkoming van een moderne monarchie in de 19de eeuw.

§ 30.

Het stadhouderschap van Willem IV.

In de beide laatste oorlogen had Nederland een overspannen rol gespeeld. Als kampvechter voor Europa’s algemeene belangen had het meer gedaan, dan een kleine Republiek op den duur kon volhouden. Van nu aan namen vele regenten in de Zeven Gewesten zich voor, een anderen weg te bewandelen. De overweging, dat men tot dusver te veel had gedaan, voerde thans dikwerf tot het te weinig doen. Het werd van lieverlede het hoofdstreven der Republiek, zich veilig wanende achter haar barrière, zooveel mogelijk het deelnemen aan oorlogen te vermijden. Vanhier, dat de Europeesche mogendheden, geheel anders dan in vroegere tijden, weldra zonder Nederland onderhandelden en bij de samenkomsten harer gezanten niet zelden besluiten namen ten nadeele van Nederlands belangen. In plaats van te hechten aan een rechtmatigen invloed, was men er in ’t vervolg in de Republiek op uit, zich binnen een zoo nauw mogelijken kring te beperken. Voor land- en zeemacht droeg de regeering de noodige zorg niet langer, geenszins gedachtig aan het spreekwoord: „zoo gij den vrede wilt, bereid u ten oorlog” Millioenen verloren de Nederlandsche kooplieden door de kaapvaart der Algerijnen, met wier dey de Republiek eerst in 1726 vrede sloot.

Het kon niet anders, of de Republiek moest, in weerwil van haar zoo even aangeduid streven, van tijd tot tijd worden gemengd in vele der verwikkelingen, welke Europa’s staatsmannen in de eerste helft der 18de eeuw hadden op te lossen. Zoo teekende zij in 1731 de pragmatieke sanctie (Overzicht, negende druk, blz. 164), en wel niet dan onder voorwaarde, dat keizer Karel VI de Oost-Indische maatschappij, die hij te Ostende had opgericht, ophief. De Staten-Generaal toch beweerden, dat deze maatschappij geen recht van bestaan had, omdat de keizer de Zuidelijke Nederlanden bezat op den voet, vastgesteld bij den vrede van Munster. Onder de voorwaarden nu van dien vrede was er een (zie blz. 96), waaruit, volgens hen, voortvloeide, dat, vermits de Zuidelijke Nederlanden op het tijdstip van het sluiten van dien vrede niet op de Indiën voeren, zij thans evenmin aan die vaart mochten deel nemen.

In 1720 overleed de raadpensionaris Heinsius. Een zijner opvolgers was, sedert 1727, Simon van Slingelandt. Deze schrandere man schonk eenigermate den ouden duister terug aan het gewichtige ambt, hetwelk, voor een goed deel, zijn glans ontleende aan voorgangers, als Oldenbarnevelt en de Witt. Gedurende de negen jaren, waarin hij de leidsman der staten van Holland was en dit gewest ter Staten-Generaal mede vertegenwoordigde, deed hij vele pogingen, om de gebreken, die zijn heldere blik had doorzien, uit den weg te ruimen. Maar het was hem niet gegeven, zijn denkbeelden tot daden te zien rijpen. De stem der vaderlandsliefde en van het doordringend verstand stiet af op den muur der zelfzucht en eigenbaat. Toen hij in 1736 stierf, zeide de gezant van Portugal te ’s Gravenhage: „Nu heeft de Republiek haar hoofd verloren.”

Inmiddels was langzamerhand het getal toegenomen der waardigheden, opgedragen aan den spruit uit het huis van Nassau, den zoon van Johan Willem Friso (zie blz. 139), Willem Karel Hendrik Friso. Dadelijk bij zijn geboorte als erfstadhouder van Friesland erkend, werd hij in 1718 stadhouder van Groningen, in 1722 van Drente en van Gelderland. In 1732 werd de zaak der erfenis van Willem III (zie blz. 140) beslecht. Met uitzondering van eenige bezittingen, die aan Frederik Willem I, koning van Pruisen, werden toegewezen, erlangde Willem Karel Hendrik Friso alle heerlijkheden, op Nederlands bodem gelegen. Bij hetzelfde verdrag, hetwelk dit vaststelde, stond de prins het prinsdom Oranje aan den koning van Pruisen af, dat deze vorst trouwens, als zich gerechtigd achtende, reeds in 1713 (zie t. a. p.) aan de Fransche kroon had overgegeven. Den titel behield Willem Karel Hendrik Friso zich echter voor. Kort na deze beschikking, in 1734, trad de stadhouder van Friesland, Groningen, Drente en Gelderland in het huwelijk met Anna, de oudste dochter van George II, koning van Engeland. Eenige jaren later verkreeg hij bij erfenis en verdrag eenige streken van Nassau in Duitschland, Dillenburg en andere.

In weerwil van het streven der Staten-Generaal om zich in de geschillen, die nu en dan tusschen de hoven van Europa opkwamen, onzijdig te houden, was het hun niet mogelijk, zich te onttrekken aan een der Europeesche oorlogen, die in 1740 losbarstte. Nauwelijks was de keizer van Duitschland, Karel VI, gestorven, of zijn dochter, Maria Theresia, had een groot aantal vijanden het hoofd te bieden (Overzicht, blz. 164). Onmiddellijk zocht zij hulp bij de mogendheden, die zich hadden verbonden tot het handhaven der pragmatieke sanctie. De Staten-Generaal begonnen met, evenals Engeland, hulpgelden te geven. Vervolgens ondersteunden zij de koningin van Hongarije met krijgsvolk. De koning van Frankrijk, Lodewijk XV, nam dit zeer euvel op en deed in 1747, na de slag van Fontenai (Overzicht, blz. 165) te hebben gewonnen, een inval op ’t grondgebied der Republiek, allereerst in Staats-Vlaanderen.

Sinds de oorlog was uitgebroken en met vrij ongunstigen uitslag werd gevoerd, kon men overal onder het volk toenemende blijken van ontevredenheid met de regeering bespeuren. Naar gelang de barrière-steden bezweken en de oorlog de grenzen naderde, groeiden de ongerustheid en het misnoegen aan. Het gebulder van ’t Fransche geschut voor Sluis (in Staats-Vlaanderen) herinnerde den burgers van ’t naburige Veere, dat de prinsen uit het huis van Oranje-Nassau in netelige omstandigheden meermalen de redders van ’t land waren geweest. Vanhier een herhaling van het jaar 1672: wederom ging de beweging van Veere uit. Nadat de schutterij dezer stad in April 1747 haren wensch had te kennen gegeven, dat de vroedschap den prins tot stadhouder mocht verkiezen, nam dit lichaam een besluit in dien zin. Eveneens ging het in de overige steden van Zeeland, in de eene met, in de andere zonder opschudding. Den 28sten April werd de prins door de staten van Zeeland als stadhouder aangesteld.

Van Zeeland sloeg—wederom zooals in 1672—de beweging tot Holland over. Het eerst geraakte het volk te Rotterdam en te Delft op de been, ’s prinsen bevordering van de vroedschap verlangende. De andere steden volgden, en den 3den Mei 1747 had ’s prinsen benoeming door de staten van Holland plaats. Op denzelfden dag, als in Holland, geschiedde de verheffing van den prins te Utrecht. Den 4den Mei droegen de Staten-Generaal hem het kapitein-generaal-admiraalschap over de krijgsmacht van den staat op. Den 10den Mei volgden de staten van Overijsel het voorbeeld van die der andere gewesten. ’t Spreekt vanzelf, dat de prins nu tevens zitting nam in den raad van state.

Het scheen, dat er geen einde kwam aan het getal eerbewijzen en blijken van genegenheid, waarmede de stadhouder werd overstelpt. De Staten-Generaal vereerden den prins, van nu aan gewoonlijk willem IV (1747-1751) geheeten, met het stadhouder- en kapitein-generaalschap over de landen van Overmaas (zie blz. 96) en voegden er welhaast dat over de andere Generaliteitslanden bij. Nog verklaarden de gewesten het stadhouderschap, waarmede de prins was bekleed, erfelijk in zijn nakomelingschap, ook in de vrouwelijke linie. De Staten-Generaal verklaarden het kapitein-generaal-admiraalschap erfelijk in de beide liniën. Bij de tallooze onderscheidingen kwam nog het opper-directeur-gouverneurschap van O. en W. Indië, dat den prins in 1749 door de bewindhebbers der beide compagnieën werd opgedragen. Verre, zeer verre ging het gezag, hetwelk in de handen van Willem IV werd gelegd, dat zijner voorgangers te boven. Zonder den titel werd hij metterdaad souverein. Zien wij, hoe hij die macht aanwendde.

De misbruiken, ten opzichte van de pachterijen bestaande, gaven in den tijd van Willems verheffing van de zijde der bevolking van de steden van Holland aanleiding tot hevige opschuddingen. Het volk was zeer gebeten op de pachters, d. i. op hen, aan wie, als aan de meestbiedenden, de staten der gewesten zekere belastingen voor een aantal maanden verpachtten. De menigte, hier en daar door knevelarijen dier pachters gekweld, stak de groote en vaak binnen korten tijd verkregen rijkdom dezer lieden in ’t oog. Het eerste barstte ’t misnoegen in Friesland los. Het volk stak de kleine opzichtershuizen in brand of haalde ze omver, plunderde de woningen der pachters, in ’t kort beging allerlei baldadigheden. In Groningen en in de overige gewesten zag men weldra dezelfde tooneelen, vooral te Amsterdam. Met goedvinden en op raad van Willem IV schafte men in 1748 in Friesland, in Groningen, in Utrecht en in Holland de pachterijen af. In deze provinciën werden de pachterijen vervangen door de invordering bij wijze van collecte of inzameling. Aan de collecteurs of gaarders, thans ambtenaren, werden matige jaarwedden toegelegd. In Overijsel hield men zich deels aan de pachterijen, deels aan de collecte. Gelderland en Zeeland bleven bij het verpachten.

Inmiddels veroverden de Franschen de eene plaats na de andere in Staats-Vlaanderen en namen in 1747 zelfs de vesting Bergen op Zoom bij verrassing in. Het was inderdaad tot heil, van het land, dat de oorlog in ’t volgende jaar met den vrede van Aken (Overzicht, blz. 166) een einde nam. Voor de Republiek bevatte die vrede geen andere hoofdvoorwaarden, dan dat zij alles, wat de Franschen op haar hadden veroverd, terugkreeg, benevens de barrière-steden, maar deze grootendeels geslecht.

Gedurende den korten levenstijd, die Willem IV na dien vrede van Aken werd gegund, wijdde hij zich, voor zoover zijn zwakke lichaamskrachten het gedoogden, zorgvuldig aan de belangen van Nederland. Wakker stond hem, sedert 1749, de raadpensionaris Pieter Stein ter zijde. De stadhouder kon evenwel niet dadelijk al zijn aandacht vestigen op hetgeen hem toescheen voorziening te behoeven. Immers, in vele steden werd, reeds sedert eenigen tijd, gewezen op het wenschelijke eener geheele verandering der regeeringspersonen, hoedanige verandering met elken grooten schok in ’s lands binnenlandsche historie, b. v. in 1672 en in 1702, gepaard was gegaan. De meerderheid van ’t volk achtte dit evenzeer noodig of was licht tot dergelijke bewering te bewegen. Alzoo begon de prins in 1748 met zoodanige verandering te Amsterdam. Gelijke verzetting der wet had in de meeste overige steden van Holland plaats, verder in Gelderland, in Overijsel, in Friesland en in Groningen. Zoo doortastend, als vroeger bij dergelijke omwentelingen, was intusschen deze regeeringsverandering niet.

Te midden der verschillende bewegingen werd Willem IV in 1749 op het verval der zijde- en andere weverijen opmerkzaam gemaakt. Ten einde dit, voorzooveel hij vermocht, tegen te gaan, verklaarde hij aan de staten van Holland, dat hij had besloten, voor zich en zijn hof van nu af geen zijden of andere stoffen te bezigen, dan inlandsche. Het voorbeeld vond navolging bij de staten van Holland. Zij verzochten de heeren van de ridderschap en de burgemeesters der stemmende steden, hetzelfde te doen, als de prins. Aan de regenten van de niet-stemmende steden werd dit besluit der staten als gebod medegedeeld.

Op deze en andere wijzen trachtte de prins ’s lands welvaart te bevorderen. Hierbij gedachtig aan de belangen van zijn huis, bewoog hij in 1750, uit hoofde van den zwakken toestand zijner gezondheid, de Staten-Generaal, hertog Lodewijk Ernst van Brunswijk-Wolfenbuttel, een verwant der prinses, die tot dus ver in dienst was van den keizer van Duitschland, als veldmaarschalk aan te stellen over het leger der Republiek. Willems gezondheid toch nam steeds af, en in October 1751 stierf hij. Die dood was een zware slag voor het vaderland. Weinig is dat, wat hem wordt verweten, in tegenstelling met het vele goede, dat men van hem getuigt. Onder het eerste mag evenwel niet worden verzwegen, dat hij vaak te spoedig het oor schijnt te hebben geleend aan plannenmakers. Willem IV, door vele kundigheden uitmuntende, had tevens de gaven om aan ’t roer van den staat te staan. Geen der vorige stadhouders van de Vereenigde Gewesten was gematigder dan hij; geen hunner vereenigde met vastheid van daad meer zachtheid van vorm. Te hooger rijst de waarde dezer zelfbeheersching, omdat hij in aanzien en macht al zijn voorgangers overtrof. In de zaken hervormende, hetgeen hij noodig achtte, ontzag hij de personen, zooveel het welbegrepen belang der Republiek het veroorloofde. In de weinige jaren van zijn stadhouderschap heeft hij althans iets tot stand gebracht, meer nog willen doen.

 


§ 31.

Het regentschap van de gouvernante Anna, de voogdij van den hertog van Brunswijk en het stadhouderschap van Willem V tot het begin van den oorlog tusschen Engeland en Nederland.

Op den dag zelven van ’t overlijden van Willem IV werd anna als gouvernante en voogdes erkend van Willems eenigen zoon, willem V (1751-1795, overl. 1806), die in 1748 was geboren. De hertog van Brunswijk werd tot vertegenwoordiger van den kapitein-generaal benoemd. Tevens bleef hij de raadsman der gouvernante en hield een wakend oog op ’s prinsen opvoeding. Vele waren de vakken, waarin de jonge vorst uitmuntte. Maar weldra bleek het, dat men in hem de voortvarendheid, de veerkracht en de vastheid miste, die, zooals beneden zal blijken, juist in die dagen onontbeerlijke eigenschappen in ’t karakter van den stadhouder en kapitein-generaal der Republiek waren. Ook ontbrak hem het rechte doorzicht, om de gebreken, die er waren, naar eisch te doorgronden. In plaats van die hoedanigheden had hij de zucht, om, terwijl hij de gewichtigste en dringendste aangelegenheden verzuimde, zich met nietsbeteekenende zaken te bemoeien.

De eenige gebeurtenis van eenig gewicht, die in de eerste jaren van Anna’s regentschap voorviel, was de schikking, die in 1754 met den koning van Pruisen, Frederik II, werd getroffen nopens de goederen van het huis van Oranje-Nassau, hem vroeger toegedeeld (zie blz. 147). Bij deze overeenkomst stond de koning die goederen voor een groote som aan Willem V af. De zeeoorlog, die in 1756 tusschen Frankrijk en Engeland (Overzicht, blz. 167) losbarstte, bracht Nederlands regenten in groote moeielijkheden. Zoowel van den kant van Engeland, als van dien van Frankrijk werden pogingen gedaan, om Nederland aan zijn zijde te doen medestrijden. Desniettegenstaande wenschten de Staten-Generaal een onzijdige houding aan te nemen, en de schranderheid en de gematigdheid van de raadslieden der gouvernante wisten deze staatkunde, welke het welzijn van ’t vaderland vereischte, te handhaven. Zij zegevierde in weerwil van de thans herlevende, nimmer geheel verdwenen staatspartijen, waartoe een goed deel van Nederlands ingezetenen behoorde.

Welhaast leerde de tijd, hoeveel nadeel ook een oorlog, waaraan de Republiek geen deel nam, aan haar bewoners kon toebrengen. Een menigte Nederlandsche koopvaardijschepen, die scheepsbehoeften of andere goederen naar Frankrijks havens voerden en vandaar kwamen, werden, in strijd met vroeger gesloten verdragen, door de Engelschen als goede prijzen opgebracht. Daarenboven beroofden de Britsche kapers ook die Nederlandsche vaartuigen, welke noch naar Frankrijk waren bestemd, noch de havens van dit rijk hadden aangedaan. Bij de nadeelen, die de handel op deze wijze leed, kwamen nog die, welke hij van Algiers en Marokko had te lijden. Het bleek, dat de zeemacht van de Republiek zelfs niet tegen die van deze roofstaten bestand was. Dit alles berokkende de gouvernante menigen vijand. Men verweet haar, dat zij, van geboorte een Engelsche prinses, de belangen van Nederland ter wille van Groot-Britannië verwaarloosde. Elders verwekte de manier, waarop zij openstaande plaatsen in de vroedschap vervulde, haar menigen tegenstander. Toen zij in 1759 was gestorven, nam de hertog van Brunswijk de taak der voogdij op zich. In Friesland beschouwde men de prinses-grootmoeder Maria Louise (zie blz. 139), door de Friezen Maike-Moei genoemd, als regentes en regeerde op haren naam.

Eerst in 1763 kregen Nederlands handel en zeevaart rust, toen de vrede van Parijs een einde aan den zevenjarigen oorlog maakte (Overzicht, blz. 167). Drie jaren later, in 1766, aanvaardde de erfstadhouder, thans den leeftijd van achttien jaren hebbende bereikt, de hooge ambten, voorheen door zijn vader bekleed. Tevens werden hem die bedieningen, welke niet erfelijk waren verklaard, als het opperdirecteur-gouverneurschap over de compagnieën (zie blz. 149), gelijk vroeger aan Willem IV, opgedragen. De hertog van Brunswijk werd door Zijn Hoogheid en door de staten der verschillende gewesten met een som van ruim 600,000 gl. begiftigd. De staten van Holland en de Staten-Generaal gaven hem terzelfder tijd te kennen, dat zij zeer wenschten, dat hij voortging, den staat voortdurend ten dienste te staan. Niets kon hem, die reeds vreesde, met het einde zijner voogdij, al zijn invloed op den loop der zaken te zullen verliezen, aangenamer zijn, dan dergelijke betuiging. Hiervoor behoefde echter niet de minste vrees te bestaan, want reeds vóór het einde der voogdij, den 3den Mei 1766, had de prins den hertog verzocht, met hem een geschrift te onderteekenen, waarin hij zich verbond, hem, den stadhouder en kapitein-generaal-admiraal, in alle aangelegenheden van ’t bewind met raad en daad ter zijde te zullen staan. In dit geschrift, de akte van consulentschap geheeten, beloofde de prins hem plechtig, dat hij te dier zake van alle verantwoordelijkheid zou zijn ontslagen. Het stuk zelf bleef in de dagen, toen het werd opgesteld en geteekend, voor ieder, behalve voor zeer weinige personen, een geheim. Thans was de hoogste staatsdienaar, wiens ambten hem, krachtens de erfelijkverklaring, van rechtswege toekwamen, niets dan een onmondige, onder een voortdurende voogdij verkeerende.

Het is zeer waarschijnlijk, dat ’s prinsen volgzaamheid jegens den hertog zich al dadelijk in de keuze eener gemalin betoonde. Niet een Engelsche prinses werd dit, maar Frederika Sophia Wilhelmina, een dochter van prins August Willem, een broeder van Frederik II, koning van Pruisen. Uit Willems huwelijk sproten drie kinderen: Frederika Louisa Wilhelmina, later gehuwd met Karel George August, erfprins van Brunswijk, en twee zonen, Willem Frederik, geboren in 1772, en Willem George Frederik, geboren in 1774. De tweede dier zonen werd later, gedurende den tweeden coalitie-oorlog (Overzicht, blz. 180, 181), generaal in dienst van Frans II, keizer van Duitschland, en overleed in 1799 aan een ziekte. Het gezin des stadhouders bewoonde ’s Gravenhage, gelijk ook Willem IV sedert 1747 had gedaan. Over ’t geheel waren de eerste jaren van het stadhouderschap van Willem V, nadat hij meerderjarig was geworden, een gelukkig tijdperk, voor hem en voor den staat. Het was vrede in ’t Westen en Zuiden van Europa. Een ongestoord handelsvertier gaf welvaart en overvloed tot bij den geringsten burger. De vrij lange reeks van jaren, gedurende welke de Zeven Gewesten den vrede hadden genoten, hadden zij zich te nutte gemaakt, om den toestand der geldmiddelen op een beteren voet te brengen. Stein (zie blz. 150) maakte dit tot het voorwerp van zijn aanhoudend streven.

Nogtans waren er gronden, om de toekomst met bezorgdheid tegemoet te zien. Had Willem IV langer geleefd, misschien ware het hem gelukt, de partijschappen langzamerhand te doen verdwijnen, of althans haar kracht te doen verliezen. Met veel beleid had hij dit doel in de hand gewerkt. Doch de ineensmelting der partijen mocht geenszins plaats grijpen. Reeds de zeeoorlog (zie blz. 152) riep de voormalige verdeeldheid weder in ’t leven. Het waren de staatsgezinden, die de deelneming aan dien oorlog ten gunste van Frankrijk voorstonden, terwijl de aanhangers des stadhouders voor Engelands belangen streden. En licht kon men in de eerste jaren van het stadhouderschap van Willem V voorzien, dat slechts één of meer aanleidende oorzaken noodig waren, om de partijen in vijandschap tegenover elkander te doen staan. Bij de oude namen (zie blz. 89 en 112) kregen de partijen in deze dagen nieuwe. Zij, die tot de staatsgezinden behoorden, werden ook patriotten of keezen genoemd. Met de jaren veranderden, sinds de partij meer leden aanwon, ook de begrippen. In plaats van alleen te streven naar beperking van ’t stadhouderlijk gezag, zooals weleer, ten behoeve der regenten, waren er vele onder de staatsgezinden, die, naar volkomen gelijkstelling aller burgers staande, de leer der volkssouvereiniteit huldigden. De andere partij werd die der Oranjemannen of Oranjeklanten genoemd. Een andere reden tot bezorgdheid was hierin gelegen, dat de landprovinciën het geld, hetwelk Holland, Zeeland en Utrecht voor de vloot verlangden te besteden, aan het leger wenschten te koste te hebben gelegd. Terwijl dan de eene reeks gewesten niet voor de andere wilde wijken, werd doorgaans niets gedaan.

Alles intusschen tezamengenomen, was er veel, dat, tegen het begin van het laatste vierde gedeelte der 18de eeuw, aan de Republiek grond gaf, zich gelukkig te achten. Doch op dat tijdstip brak de oorlog van Engeland met zijn volkplantingen in Noord-Amerika (Overzicht, blz. 168 vlg.) los. Deze oorlog gaf het sein tot een overmaat van rampen, die zich over het vaderland uitstortten. Nauwelijks waren de Noord-Amerikanen in verzet gekomen, of de gezant van Engeland, Yorke, beklaagde zich bij de Staten-Generaal over den handel in wapenen en krijgsvoorraad, dien Nederlanders uit de bezittingen der West-Indische compagnie met de opgestane bewoners der volkplantingen dreven. Vooral was de aandacht van Engelands regeering gevallen op het eiland St. Eustatius (zie blz. 92). Hierheen deden de Nederlanders vervoeren, wat zij maar wilden, en het vandaar den Amerikanen te doen toekomen viel zeer gemakkelijk. Onmiddellijk na Yorke’s mededeeling verboden de Staten-Generaal in 1775 den toevoer van krijgsbehoeften naar de Amerikaansche volkplantingen ten scherpste. Maar de bevelen der Staten-Generaal werden voortdurend òf openlijk overtreden, òf ontdoken. De sluikhandel gaf te veel winsten, dan dat men er aan dacht, dien te staken. Met de klachten van den Engelschen gezant hielden die der Nederlandsche kooplieden gelijken tred, welke luide riepen over het onderzoeken, opbrengen en voor goeden prijs verklaren hunner vaartuigen of waren door Engelsche oorlogschepen.

Dan dit alles was nog van weinig beteekenis in vergelijking met hetgeen verder plaats greep. Ernstiger werd de verstandhouding van Nederland met Engeland bedreigd, toen de vrede tusschen dezen staat en Frankrijk (Overzicht, blz. 169) werd verbroken. De Engelsche regeering, thans meer dan ooit vreezende, dat haar vijanden door de Nederlandsche kooplieden werden voorzien van hetgeen zij voor den oorlog behoefden, verdubbelde haar nauwlettend toezicht. Meer en meer scheen het duidelijk te worden, dat Engeland tot een openbare breuk met de Republiek zocht te komen. Genoegzamen grond hiervoor had het nog niet; doch deze deed zich, naar de meening van de Engelsche regeering, weldra op. In 1778 sloot Frankrijk een handelsverdrag en verbond met de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Een gemachtigde dier staten, William Lee, gaf te Aken aan een aanzienlijk Amsterdamsche koopman, Jan de Neufville, te kennen, dat Amerika wel geneigd was, een dergelijk verdrag of althans een handelsverbintenis met de Republiek aan te gaan. De Neufville maakte dit aan de burgemeesters van Amsterdam bekend, die aan Lee deden weten, dat zij gezind waren, naar hun vermogen het hierheen te leiden, dat tusschen de Vereenigde Staten en deze Republiek een verdrag van vriendschap en handel werd gesloten, zoodra Engeland de onafhankelijkheid der staten zou hebben erkend. Na deze betuiging van bereidvaardigheid kwam nog in ’t zelfde jaar, 1778, een schets of ontwerp op het papier, opgesteld door de Neufville en Lee, van een verdrag, dat tusschen de Vereenigde Staten van Noord-Amerika en de Staten-Generaal zou kunnen worden gesloten.

Twee jaren lang bleef deze onderhandeling bedekt. Toen kwam zij aan het licht. In 1780 vertrok Henry Laurens, die in 1777 president van ’t congres was geweest, aan boord van een pakketboot van Philadelphia naar Nederland. Den 10den September van dat jaar werd het schip op de hoogte van New-Foundland door een Engelsch fregat genomen en naar Londen opgebracht. Even vóór de vermeestering der pakketboot wierp Laurens een doos, het ontwerpsverdrag bevattende, in zee. Doch daar het lood, aan de doos gehecht, niet zwaar genoeg was, om ze te doen zinken, vischten de Engelschen ze op. De gezant Yorke diende, uit naam van George III, over deze zaak bezwaren in. Gelijktijdig hiermede was de ontwikkeling eener andere aangelegenheid, die eindelijk het hangend onweder deed losbarsten. Door toedoen van Katharina II, keizerin van Rusland, sloten de Noordsche mogendheden, Rusland, Zweden en Denemarken, in 1780, onder den naam van het stelsel eener gewapende onzijdigheid, onderling een verdrag, ten einde het vrije verkeer ter zee te handhaven. Op uitnoodiging van Rusland besloten de Staten-Generaal eveneens toe te treden, waarop Nederlands afgevaardigden te Petersburg het verdrag onderteekenden. Maar ter zelfder tijd, als de Republiek haar aansluiting aan de Noordsche mogendheden aan Europa’s hoven mededeelde, in ’t laatst van 1780, verklaarde Engeland aan de Zeven Gewesten den oorlog.

 


§ 32.

De oorlog van Engeland en Nederland.—De geschillen der Republiek met Jozef II.—De binnenlandsche oneenigheden en de komst der Pruisen.

Zoo was dan de Republiek met gebonden handen en voeten aan Engelands willekeur overgelaten. Volgens zijn gewoonte richtte Engeland zijn wraak terstond tegen de Nederlandsche schepen, die, van niets wetende, rustig naar het vaderland stevenden. Op het einde van Januari 1781 waren reeds 200 koopvaardijschepen, met een waarde van 15 millioen beladen, in de Engelsche havens opgebracht. Van Nederlands bezittingen viel o. a. St. Eustatius, alsmede de kust van Guinēa in handen der Engelschen, terwijl Berbice, Demerary en Essequībo zich vrijwillig onder hun hoede stelden. St. Eustatius werd nog in ’t zelfde jaar, 1781, door de Franschen hernomen en aan de Staten-Generaal teruggegeven. Eveneens heroverden de Franschen in 1782 Berbice, Demerary en Essequībo en namen deze streken voor Nederland in bewaring. In Oost-Indië bemachtigde Engeland Negapatnam (in Voor-Indië, ten z. van Madras).

Engelands overmacht ter zee was zoo groot, dat aan ’t leveren van slagen eigenlijk niet viel te denken. Maar in 1781 verleenden de Staten-Generaal een konvooi of gewapende geleide van oorlogschepen aan een aantal koopvaarders, naar Petersbrug, Riga en Narva bestemd. De oorlogschepen, ten getale van vijftien, stonden onder ’t bevel van den schout-bij-nacht Johan Arnold Zoutman. Op den 5den Augustus ontmoetten zij bij Doggersbank (in de Noordzee, ten o. van Engeland) een Engelsch konvooi, eveneens een aantal koopvaardijschepen uit de Oostzee begeleidende. Over deze vloot, slechts twaalf, maar zwaardere en beter gewapende schepen tellende, voerde de vice-admiraal Hyde Parker het bevel. Weldra geraakte het grootste gedeelte der wederzijdsche vloten, aan elke zijde zeven, met elkander slaags. Dat de Engelschen, hoewel de slag onbeslist bleef, het eerst afdeinsden, verhoogde in Nederland het nationaal gevoel. In Januari 1783 sloot Engeland den vrede van Versailles (Overzicht, blz. 170). In Mei 1784 volgde de vrede van Parijs met Nederland, waarbij de Republiek Negapatnam aan Engeland afstond, maar zijn overige bezittingen terugkreeg.

Te midden van den oorlog met Engeland, in 1781, liet keizer Jozef II (Overzicht, blz. 168) de Staten-Generaal weten, dat hij verlangde, dat de barrière-steden door het krijgsvolk der Republiek werden ontruimd. Ofschoon de staten het vreemd vonden, dat hiertoe alleen zou worden overgegaan, omdat de keizer het wenschte, voldeden zij nog in ’t zelfde jaar aan zijn verlangen. In 1783 rezen er op nieuw geschillen tusschen de Staten-Generaal en Jozef II, die, behalve meer, de vrije vaart op de Schelde eischte. De Staten-Generaal achtten ’s keizers vorderingen overdreven en riepen het hof van Frankrijk als middelaar of scheidsrechter in. Nog eer de afgevaardigden hun beraadslagingen hadden geopend, trachtte een oorlogschip, onder Oostenrijksche vlag uit Antwerpen de Schelde afvarende, in 1784 zich aan het onderzoek van den uitlegger, die bij Lillo lag (zie blz. 97), te onttrekken. Het schip kreeg echter van een Nederlandsch oorlogschip de volle laag, draaide toen bij en werd in bewaring genomen, maar kort daarna weder ontslagen.

De keizer, dit schieten op zijn vlag als een oorlogsverklaring aanmerkende, vaardigde het bevel uit, een aanzienlijk leger naar de grenzen der Republiek te doen oprukken. Van hunnen kant rustten ook de Staten-Generaal zich ten oorlog. Inmiddels werden de onderhandelingen voortgezet en in 1785 door den vrede te Fontainebleau tot zulk een einde gebracht, dat de oorlog achterwege bleef. De hoofdvoorwaarden waren, dat Jozef van zijn eischen afzag, mits hem de forten Lillo en Liefkenshoek afgestaan en een som van 912 millioen uitgekeerd werd. Van deze 912 millioen nam Frankrijk 412 voor zijn rekening. Ook deze zwarigheden kwam ’s lands regeering alzoo te boven, al was het dan niet zonder opofferingen.

Moeielijker was het, de binnenlandsche geschillen, die bij de rampen, welke den staat van buiten troffen, steeds heviger werden, bij te leggen. Met den aanvang van den oorlog tegen Engeland begon de ontevredenheid zich weder te openbaren. Evenals vroeger de gouvernante, werd de stadhouder eerst beschuldigd van Engelschgezindheid, omdat hij had getracht de vredebreuk tegen te houden. Vervolgens verweet men, hoewel Willem V jaren achtereen vruchteloos voorstellen tot uitbreiding der zee- en der landmacht had gedaan, hem en den hertog van Brunswijk den weerloozen toestand des lands. Zoo gezien de hertog gedurende het tijdvak van zijn regentschap was geweest, evenzeer werd hij van 1766 af hoe langer hoe meer gehaat. Vele leden der regeering betuigden, dat zij het voor wenschelijk hielden, dat hij zich geheel aan het bewind onttrok. En toen in 1784 het geheim van ’t bestaan der akte van consulentschap (zie blz. 153, 154) werd verbroken en de inhoud van dit geschrift alom bekend werd, rustte men niet, eer men van den gehaten vreemdeling, van den „dikken herto”, was ontslagen. Daarom nam hijzelf zijn ontslag en vertrok in ’t zelfde jaar uit den lande.

Het werd intusschen weldra duidelijk, dat zij, die meenden in den hertog den oorsprong aller oneenigheden te moeten zoeken, dwaalden. Het getal van hen, die aan het volk meer invloed op de regeering wilden toekennen, groeide aan. Sedert het begin van ’t jaar 1783 nam de gisting der gemoederen in de Republiek steeds toe. In vele steden richtte men, met goedvinden der vroedschappen, exercitie-genootschappen of vrijkorpsen op, uit burgers, de staatsgezinde partij toegedaan, bestaande, die zich vlijtig in den wapenhandel oefenden. In Februari 1785 verboden de staten van Holland het dragen van Oranjelinten en kokardes, alsmede het roepen van „Oranje boven” In September van dat jaar hadden er te ’s Gravenhage eenige tooneelen van openlijke opschudding plaats, waarbij een burger dezer stad door een lid van een exercitie-genootschap licht werd gewond. Hiervan in kennis gesteld, beperkten de staten van Holland het gezag van den kapitein-generaal van dit gewest, als bevelhebber van de bezetting dezer stad.

Nu was, in ’t oog van den prins, de maat volgemeten. Nog vóór het einde van ’t jaar 1785 verliet hij met zijn gezin ’s Gravenhage en vestigde zich vooreerst op het Loo, later te Nijmegen. In 1786 waren Elburg en Hattem het tooneel eener andere gebeurtenis. In deze beide steden kwam de gemeente, door een deel der leden van de regeering gesteund, in verzet tegen de staten van Gelderland. Alzoo gelastten die staten den stadhouder, krijgsvolk naar Hattem en Elburg te doen oprukken en bezetting in die steden te leggen. Het geschiedde, en vele regeeringsleden en inwoners dezer steden vluchtten naar Kampen of elders. Kort daarna werden tegen de hoofdpersonen der beweging zware vonnissen geveld. Geweldig was de indruk, dien hetgeen in Gelderland gebeurde op de regenten en op de bevolking der overige gewesten maakte. Op de tijding van het binnenrukken der troepen te Elburg en te Hattem schorsten de staten van Holland den kapitein-generaal van hun gewest in dit ambt en onthieven den raadpensionaris van de verplichting, in gemeenschappelijk overleg met den stadhouder te handelen (zie blz. 133, 134).

Jammerlijk was voorwaar de toestand des vaderlands. Thans zag men het tegendeel van de macht, die de eendracht gaf. Alle gewesten leverden overvloedige voorbeelden van de meest ingewikkelde en netelige burgerschillen op. Zij waren het tooneel van de schromelijkste verwarring. Er was oneenigheid tusschen de Staten-Generaal en de staten van Holland, oneenigheid tusschen deze staten en die van Gelderland. Onbeschrijfelijk waren de haat en de partijschap, die in het anders zoo rustige Nederland alom blaakten. Men wendde zich tegen de personen, in plaats van in de zaken te wraken, hetgeen verkeerd was. Talloos waren de schot- en lasterschriften, de spotprenten en blauwboekjes. Men vergeleek den stadhouder met een Nero en Alva en stelde Philips II boven hem.

Bij alle partijen scheen het een uitgemaakte zaak te zijn, dat de redding van elders moest komen. De patriotten rekenden op Frankrijk; de stadhouderlijke partij wendde haar oogen naar Engeland of Pruisen. Inmiddels droegen de staten van Holland, bezorgd voor de veiligheid van hun gewest, de verdediging hiervan aan vijf regenten uit verschillende steden op, commissie van defensie geheeten, die zich te Woerden vestigde en over het krijgsvolk beschikte. Zij werd in haar bedoelingen ondersteund door een gewapend korps, vliegend legertje genoemd, hetwelk de gansche provincie doortrok, om de stadhoudersgezinde landlieden in toom te houden.

Zoo was dan alles rijp voor een uitbarsting. De lont ontbrak niet, die het kruit zou doen ontvlammen. In Juni 1787 begaf de prinses zich met een klein gevolg uit Nijmegen op reis naar ’s Gravenhage. Haar oogmerk was, door haar verschijning te midden van de bevolking dier stad de volksmenigte in geestdrift te doen ontvlammen en ’s prinsen vijanden ontzag in te boezemen, ten einde alzoo een omwenteling teweeg te brengen. Ten o. van Gouda lag een sluis, de Goejanverwellesluis genoemd. Bij die sluis gekomen, werd de prinses tegengehouden door eenige manschappen van het vrijkorps van Gouda, dáár op wacht staande. Vervolgens verzocht de commissie van defensie, zich terstond hierheen spoedende, haar, niet dieper in Holland door te dringen. Het geval, op zichzelf van weinig beteekenis, werd door de prinses hoog opgenomen. De koning van Pruisen, Frederik Willem II, liet terstond een schitterende voldoening eischen voor de beleediging, zijn zuster (zie blz. 154), en dus hem, aangedaan. Zij werd niet gegeven. Hierom rukte, op zijn last, Karel Willem Ferdinand, regeerend hertog van Brunswijk-Wolfenbuttel, een neef van Lodewijk Ernst (zie blz. 151), de Nederlanden met een leger van ongeveer 20,000 man binnen. Deze troepen trokken door Gelderland op Utrecht af en bezetteden deze stad. Na korten tegenstand gaf ook Amsterdam zich op zekere voorwaarden over.

In een oogwenk was de omwenteling voltrokken. Binnen den kortst mogelijken tijd gaf men aan alles de vorige gedaante terug. De stadhouder werd door de staten der verschillende gewesten verzocht, zooals bij de vorige omwenteling steeds het geval was geweest, in de steden de wet te verzetten. Raadpensionaris werd in 1787 Laurens Pieter van de Spiegel. Hij was een groot staatsman, die een uitstekende kennis bezat van staatsrecht en geschiedenis, tevens zeer ervaren in het financiewezen. Fel was de wraak, welke de zegevierende partij zich op vele plaatsen tegen de patriotten veroorloofde. In menige stad waren de Pruisen bereidvaardige dienaars dier wraakoefeningen. De patriotten werden in hun persoon aangerand, in hun goederen en bezittingen benadeeld. Niets was er evenwel, dat een volkomen verzoening meer in den weg stond, dan de wijze, waarop een amnestie, d. i. algemeene vergetelheid en vergiffenis, werd uitgevaardigd. In sommige provinciën kondigde men er een af, maar met zoovele uitzonderingen, dat zij dien naam niet verdiende. Hiervan was het gevolg, dat de reeks der reeds uitgeweken patriotten nog werd vermeerderd met een groot getal van hen, die door een rechterlijk vonnis werden getroffen of die zich, ook zonder dat, niet veilig rekenden. Duizenden bedroeg het cijfer van hen, die het vaderland verlieten en zich, voor een goed deel, in de Zuidelijke Nederlanden en in Frankrijk vestigden.

 


§ 33.

De val der Republiek.—Blik op den toestand des lands.

Eerst in 1788 verlieten de Pruisen, met een vrij grooten buit beladen, de Nederlanden. Op allerlei wijze zocht men den nu herstelden regeeringsvorm voor de stormen des tijds te beveiligen. Zoo sloot de republiek in 1788 een verdedigend verbond met Engeland en met Pruisen, waarbij deze mogendheden het erfstadhouderschap waarborgden. Het ontbrak thans niet aan blijken, die van hooge ingenomenheid met het huis van Oranje-Nassau schenen te getuigen, zoovaak de gelegenheid zich daartoe aanbood, inzonderheid in 1791, toen de erfprins (zie blz. 154) in het huwelijk trad met Frederika Louise Wilhelmina, een dochter van den koning van Pruisen. Op vele plaatsen liet men het dragen der Oranje-versierselen niet aan de inspraak van ’t gemoed der burgers over, maar werd zelfs het bevel hiertoe uitgevaardigd. Uit ’s prinsen huwelijk sproten in 1792 Willem Frederik George Lodewijk, in 1797 Willem Frederik Karel, in 1809 Marianne.

Desniettemin bleek het welhaast, dat er niets anders was voorgevallen, dan dat een vreemde mogendheid de stadhoudersgezinden had doen zegevieren en dat deze zegepraal de verbanning der patriotten ten gevolge had gehad. De rust—het is waar—was, doch met geweld, hersteld, niet de eendracht. Bij den omkeer der zaken had men geenszins vergeten en vergeven. Tweespalt en partijschap bleven voortwoelen. Vruchteloos poogde van de Spiegel de Republiek op te beuren. De gebreken in ’t staatsbestuur waren vele; zij waren verouderd. Slechts in ’t financiewezen was het hem mogelijk, eenige hervormingen in te voeren.

Hevig was de schok, dien de omwenteling in een naburig land, in Frankrijk, uitgebarsten (Overzicht, negende druk, blz. 174 vlg.), aan de Republiek gaf, duurzaam de gevolgen van dien schok. Een tijdlang slaagde van de Spiegel erin, de Republiek onzijdig te doen blijven, zelfs sedert April 1792, toen Frankrijk reeds in oorlog was met Pruisen en met Oostenrijk en zijn legerbenden alreede naar de Zuidelijke Nederlanden had gezonden. Van hun zijde spaarden de patriotten, die zich in Frankrijk ophielden, geen poging, om de nationale conventie (zie Overzicht, negende druk, blz. 177), die alle vorsten voor haar natuurlijke vijanden verklaarde, te nopen, haar beginselen op de Nederlandsche Republiek te gaan toepassen. Op den 1sten Februari 1793 voldeed de conventie aan den wensch der patriotten door den oorlog te verklaren aan den koning van Engeland en aan den stadhouder der Vereenigde Nederlanden. Kort hierna trok Dumouriez, een Fransch generaal, geleid door Herman Willem Daendels aan ’t hoofd der Bataafsche uitgewekenen, de grenzen van Nederland over. Doch na eenige vestingen te hebben veroverd, moesten zij terugtrekken, en de Republiek was nog eenmaal gered.

Maar de verademing was van korten duur. Het ééne vijandelijke leger na het andere stroomde naar de Zuidelijke Nederlanden, die, hoewel zij eerst bij den vrede van Campo Formio (Overzicht, negende druk, blz. 180) aan Frankrijk werden afgestaan, reeds sedert November 1792 metterdaad in de macht der conventie waren. Daarentegen zond de koning van Pruisen, zijn beloften brekende, zijn soldaten niet naar de kampplaats. Dus streden Willems zonen, de erfprins Willem Frederik en Frederik, vruchteloos met moed en beleid aan ’t hoofd der Nederlandsche krijgsbenden, die een deel van ’t leger der bondgenooten uitmaakten. De slag bij Fleurus in 1794 (Overzicht, negende druk, blz. 178) was zoo beslissend, dat in deze oorden de Franschen thans geen weerstand meer hadden te duchten. Toch draalden de Franschen nog een oogenblik, eer zij verder gingen. Na den val van het schrikbewind (Overzicht, negende druk, blz. 177) helde de regeering van Frankrijk tot den vrede over. Doch Daendels en de overige patriotten spoorden steeds tot de overkomst aan. Zoo trok dan in December 1794 en Januari 1795 de Fransche generaal Pichegru, wederom door de patriotten onder Daendels geleid, over de bevrozen rivieren en stroomen de Nederlanden binnen. Daar de nationale conventie had verklaard, dat zij zich in geen verdrag met de Republiek wilde inlaten, eer de stadhouder zich had verwijderd, scheepte Willem V zich den 18den Januari met zijn gezin naar Engeland in, waar hij tot 1800 vertoefde. Alzoo bleef de wederwerking op hetgeen het jaar 1787 had zien gebeuren niet achter. Thans, acht jaren na hun verbanning, keerden de patriotten terug, op hun beurt door een vreemde mogendheid, door Frankrijk, geleid. Door haren ondergang bezegelde de Republiek de oude spreuk, eendracht maakt macht, tweedracht verstrooit.

Onder de vele bewijzen van de steeds toenemende verzwakking der Republiek gedurende de 18de eeuw is het allengs meer en meer vervallen harer zeemacht een der meest in ’t oog loopende. Met het verval der zeemacht hield dat van den handel gelijken tred. Evenals de handel, waren de haringvisscherij en de walvischvangst langzamerhand aan het kwijnen geraakt (zie blz. 141). Wat de Oost-Indische compagnie betreft, zij had eveneens luisterrijker dagen gekend, dan de laatste vijftig à zestig jaren van haar bestaan. Onder haar gouverneurs-generaal in dit tijdperk zijn Adriaan Valkenier (1737-1741) en Gustaaf Willem baron van Imhoff een paar van de meest beroemde. Het bewind van Valkenier werd gekenmerkt door den beruchten moord der Sineezen op den 9den October 1740 en volgende dagen. Sinds eenigen tijd hadden sommige maatregelen van ’t bewind der compagnie het wantrouwen gewekt van een menigte te Batavia gevestigde Sineezen, die deswege naar ’t gebergte en naar de bosschen weken, den omtrek van Batavia onveilig makende. Den 8sten October hadden er in de nabijheid dier stad eenige gevechten tusschen de Nederlanders en de Sineezen plaats, waarin de laatsten werden verslagen. Volgens besluit nu van den raad van Indië (zie blz. 80) werd er den 9den en volgende dagen een ware bloedbruiloft gehouden onder de Sineezen te Batavia, die men verdacht hield van verstandhouding met hen, die buiten waren. Ruim 10,000 Sineezen vielen als de offers dezer vreeselijke wraakneming. Kort na dien moord werd van Imhoff gouverneur-generaal. Hij breidde het gebied der compagnie aanmerkelijk uit (zie blz. 143), en is de stichter van Buitenzorg, nu het gewone verblijf van den gouverneur-generaal.

Na van Imhoff ging de Oost-Indische compagnie steeds meer achteruit. Vele waren de oorzaken van haren achteruitgang. Een der voornaamste is, dat zij, reeds vóór het midden der 18de eeuw, elk jaar hare boeken met een tekort van eenige millioenen sloot. In plaats van de uitgaven naar evenredigheid te beperken, ging zij, die niets had uit te deelen, desniettegenstaande met haar uitdeelingen voort. Ofschoon op een lager bedrag neerkomende dan voorheen (zie blz. 144), beliepen die uitdeelingen toch nog 20 tot 1212 ten honderd. Eveneens ging het de West-Indische compagnie. Reeds in de 17de eeuw (zie blz. 144) was men begonnen, voor alle ingezetenen van den staat vrijstelling te verleenen van de vaart op eenige dier plaatsen, waarop het vroegere octrooi (zie blz. 88) de compagnie den alleenhandel toekende. In de 18de eeuw werd dezelfde vergunning verleend ten opzichte van de kust van Guinēa, van Essequībo en Demerary. Hoezeer deze maatregelen Nederlands handel in ’t algemeen moeten hebben begunstigd, zij konden de nieuwe West-Indische compagnie niet genoegzaam opbeuren.

Nederlands kerkelijke toestand onderging sedert den vrede van Munster (zie blz. 99, 100) geen groote veranderingen. Bij de vele sekten, die werden geduld, kwamen sinds het begin der 18de eeuw nog een paar andere: de Jansenisten en de Herrenhutters. De Jansenisten ontleenden hun naam aan Cornelis Janssen, hoogleeraar te Leuven en later bisschop te Yperen, die in 1638 stierf. Twee jaren na zijn dood kwam een werk van hem uit, Augustīnus getiteld, hetwelk de leer van dezen kerkvader verklaarde. Rome verbood dit geschrift. Intusschen vonden de begrippen van het Jansenisme bijval bij een aantal der Nederlandsche katholieken, die aldus onderling werden verdeeld. Zij, welke die begrippen waren toegedaan, benoemden in 1723 hun eersten aartsbisschop, wiens zetel te Utrecht was. De Herrenhutters of broedergemeente worden zoo genoemd naar het dorp of vlek Herrnhutt (in ’t z.o. van het koninkrijk Saksen, nabij Zittau), waar zij hun eerste gemeente stichtten. Sinds 1746 vestigden de Nederlandsche Herrenhutters zich te Zeist.

In de eerste eeuw van het bestaan der Republiek werden kunsten en wetenschappen hoog gewaardeerd, ook om haarzelven, maar vooral met het praktische doel, om de heerschappij van Nederland over verre zeeën en kusten uit te breiden. Al werd het praktische doel door de nazaten der 18de eeuw meer uit het oog verloren, van die zucht zelve voor vermeerdering van kennis vervreemdden zij niet. Achtereenvolgens verrezen talrijke genootschappen, als zoovele getuigen van den zin voor wetenschappen, die de Nederlanders bezielde. Een ander doel dan deze genootschappen had de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, welke Jan Nieuwenhuizen, Doopsgezind leeraar te Monnikendam, in 1784 stichtte. Op vele plaatsen verbeterde zij het Lager-Onderwijs, bevorderde een zekere verdraagzaamheid in zaken van godsdienst en verspreidde nuttige kennis onder alle standen der samenleving.

In de letterkunde bleef het heerschend karakter gebrek aan kracht en oorspronkelijkheid. Zoetvloeiendheid was het hoofddoel, waarnaar de leden der talrijke dichtergenootschappen streefden, die den lof dezer kringen wilden verwerven. Daarom vonden zij weinig weerklank, wier werken den stempel droegen van dichterlijken gloed en eigen talent. Zoodanige uitzonderingen waren de gebroeders Willem en Onno Zwier van Haren, die, hoewel op ’t gebied der staatkunde werkzaam, menig uur aan de beoefening der dichtkunst wijdden. Willems hoofdwerk, een heldendicht, verheerlijkt Friso, den gewaanden eersten koning der Friezen. De jongere broeder schreef een aaneengeschakelde reeks van lierdichten onder den titel de Geuzen. In breede trekken schildert dit gedicht de daden der Nederlanders, die in den strijd tegen Spanje den grondslag legden der onafhankelijkheid van hun vaderland.

In het proza dier dagen nemen de vriendinnen Elizabeth Bekker en Agatha Deken den eersten rang in. Elizabeth Bekker, eerst getrouwd met den predikant Wolff, woonde en schreef, na den dood van haren echtgenoot, tezamen met Agatha Deken. Zij waren de eersten, die werken in ’t licht gaven, welke in meer dan één opzicht den naam „Nederlandsche roman” verdienen. Twee dier werken, Sara Burgerhart en Willem Leevend, werden alom gelezen. De vrije wijze, waarop de schrijfsters hare gedachten ook over staatkundige onderwerpen uitten, deed het haar geraden achten, in 1787 met zoovele anderen het vaderland voor een wijl te verlaten. Een tijdgenoot dezer vriendinnen was, althans nog gedurende een aantal jaren, Jan Wagenaar, sedert 1760 eerste klerk ter secretarie van Amsterdam en gestorven in 1773. Zijn hoofdwerk is de Vaderlandsche historie, de eerste poging om de verspreide deelen van Nederlands geschiedenis tot een groot geheel te vereenigen.

 


§ 34.

De Bataafsche Republiek en het koninkrijk Holland.

Zoo was dan de oude Republiek bezweken, om plaats te maken voor een nieuwen staat. Nauwelijks hadden zich de Fransche bajonetten vertoond, of de oude, afgeleefde vormen bezweken vanzelven. Terwijl een deel van ’s lands bevolking, door te dansen rondom de vrijheidsboomen, zijn vreugde aan den dag legde, had er terstond een volledige omkeering in het bewind plaats. In plaats van het voormalige bestuur der Oost-Indische compagnie benoemde een vernieuwde vergadering der Staten-Generaal een comité (raad of afdeeling) tot de zaken van den Oost-Indischen handel en bezittingen. Eveneens kwam het beheer van de West-Indiën aan een comité tot de zaken van de koloniën en bezittingen in Afrika en Amerika. Verder hadden de Staten-Generaal in de eerste plaats ’s lands betrekking tot Frankrijk te regelen. Den 16den Mei 1795 kwam het Haagsche verdrag tot stand. Met 100,000,000 gl., den afstand van Maastricht, Venlo en Staats-Vlaanderen en het toelaten van Fransche bezetting in Vlissingen moest het vaderland den schijn van onafhankelijkheid van Frankrijk en de erkenning als zelfstandige mogendheid, als Bataafsche Republiek, betalen. Een der geheime artikels, aan het verdrag toegevoegd, behelsde, dat het Fransche leger, hetwelk van nu aan de bezetting dier Republiek zou uitmaken en dat niet grooter mocht zijn dan 25,000 man, door deze Republiek zou worden bezoldigd, gekleed en gevoed. Zoodra deze troepen in goeden toestand verkeerden, werden zij gedurig door andere vervangen, die slecht waren uitgerust en aan al het noodige gebrek hadden.

Dit verdrag was een duidelijke verklaring der afhankelijkheid van de Bataafsche Republiek ten opzichte van Frankrijk. Een tweede gevolg van de nauwe betrekking tot Frankrijk waren de assignaten (Overzicht, negende druk, blz. 175), die weldra alle waarde verloren. Bovendien erfde de nieuwe Republiek dadelijk de vijandschap, die Engeland tegen Frankrijk, haar bondgenoot, voedde. Reeds vóór den 16den Mei, terstond na het binnenrukken der Franschen, legde Groot-Britannië embargo of beslag op Nederlands schepen, om ze later prijs te verklaren. In September verklaarde het aan de Bataafsche Republiek den oorlog. Van dit oogenblik af viel de eene der buitenlandsche bezittingen na de andere in handen der Engelschen, tegen wier meesterschap ter zee niemand was opgewassen. Reeds in 1801 was Java de eenige zijner bezittingen, die Nederland had behouden. Bij al die rampen zijn de gedwongen geldheffingen te voegen, welke de regeerende lichamen der Bataafsche Republiek achtereenvolgens uitschreven.

Het spreekt vanzelf, dat, na de schikking met Frankrijk, de regeling van den regeeringsvorm de eerste taak was, hier te lande te verrichten. Te dien einde hield, den 1sten Maart 1796, een nationale vergadering haar eerste bijeenkomst. Zoodra zij te ’s Gravenhage was bijeengekomen, werden de Staten-Generaal ontbonden. De leden der vergadering waren tot twee partijen te brengen, die der unitarissen, voorstanders eener volstrekte eenheid, en die der foederalisten, welke tot op zekere hoogte een bondgenootschap van zelfstandige staten wilden. Foederalist was o. a. Vitringa. Tot de hevigste unitarissen behoorden Pieter Vreede en Gogel, tot de gematigden onder hen Schimmelpenninck. Deze eerste nationale vergadering slaagde niet in haar plan, weshalve, den 1sten September 1797, een tweede werd geopend. Deze gelukte het evenmin, het werk tot stand te brengen, want den 22sten Januari 1798 waagden de hevigste unitarissen, met name Daendels, een coup d’état of aanslag op hun meest gematigde medeleden. Een aantal van hen lieten zij in hechtenis nemen. De op die wijze gezuiverde vergadering noemde zich constitueerende vergadering, representeerende het Bataafsche volk. In Maart had zij het ontwerp eener grondwet afgewerkt. In April had de stemming van ’t Bataafsche volk over het ontwerp plaats, dat met een overgroote meerderheid van stemmen werd aangenomen.

De hoofdinhoud dezer staatsregeling, den 1sten Mei 1798 afgekondigd, komt hierop neer. De oppermacht berust, in naam van het Bataafsche volk, bij het vertegenwoordigend lichaam, waarvan de leden door het volk worden gekozen. Het bestaat uit twee kamers. Het draagt de uitvoerende macht op aan vijf directeuren, door zijn leden te kiezen, het uitvoerend bewind, en behoudt zelf de wetgevende macht. Het grondgebied der Republiek wordt in acht departementen verdeeld. De grenzen van geen dier departementen kwamen overeen met den omtrek eener voormalige provincie. Een daarvan b. v., hetwelk het departement van de Eems heette, bestond uit gedeelten van Friesland, Groningen en Drente. De geldmiddelen van den staat staan onder één beheer en komen in één algemeene kas. Eveneens heeft er een samensmelting der schulden plaats, amalgame geheeten. De kerk wordt van den staat gescheiden. Voorloopig zullen slechts de leeraren en dienaars der hervormde kerk uit ’s lands kas worden bezoldigd.

Niemand, die den inhoud dezer constitutie onbevooroordeeld gadeslaat, kan ontkennen, dat men het goede, hetwelk uit den druk der tijden werd geboren, grootendeels aan haar was verschuldigd. Vooreerst werd de pijnbank afgeschaft. Dan werd het Gemeenebest één en ondeelbaar verklaard, zoodat de zeven souvereine gewesten, benevens de Generaliteitslanden en het bondgenootschappelijke Drente van nu af maar één staat vormden. De provinciale naijver en tegenkanting weken langzamerhand voor één toenemende nationale eenheid. Insgelijks hield de druk op der stedelijke aristocratie. Volkomen gelijkstelling van allen voor de wet werd een vaste regel, en alle heerlijke rechten en wat verder van het leenstelsel afkomstig was werden vernietigd.

Intusschen leverde de oorlog zelf, waarin de Bataafsche Republiek, als bondgenoot van Frankrijk, werd medegesleept, niets dan nadeelen op. Gedurende den tweeden coalitie-krijg (Overzicht, negende druk, blz. 181) werd Nederland zelf het tooneel der vijandelijkheden. Daar Engeland en Rusland een poging wilden wagen, om de Bataafsche Republiek aan ’t oppergezag van Frankrijk te onttrekken, landde in Augustus 1799 een geduchte Engelsch-Russische krijgsmacht onder ’t opperbevel van Frederik, hertog van York, nabij de Helder. Daendels, bevelhebber der Bataafsche krijgsmacht, moest wijken. Maar de Fransche generaal Brune, zich met een aanzienlijk leger bij Daendels voegende, bracht den vijand den 19den September bij Bergen (ten n.w. van Alkmaar) en den 6den October bij Castricum (ten z.w. van Alkmaar) een nederlaag toe. Dit noodzaakte de Engelschen en de Russen, die bovendien in deze streken geen voldoende huisvesting en levensmiddelen konden vinden en hier te lande weinig blijken van deelneming bespeurden, terug te trekken. Dus keerde ook de erfprins van Oranje, die eenigen tijd te Alkmaar had vertoefd, naar Engeland terug, vanwaar hij zich in ’t begin van 1800 met zijn vader naar Brunswijk metterwoon begaf.

Zelfs al zag men deze en andere nadeelige gevolgen van den oorlog voorbij, dan nog had het vaderland geen redenen tot blijdschap. De koophandel, de nijverheid en het vertier beteekenden schier niets; de schuldenlast was ondragelijk. Daarenboven was de vreugde over de staatsregeling van korten duur. De eenheid, die erin heerschte, diende slechts om het uitvoerend bewind met zooveel bezigheden te overladen, dat alles zeer langzaam of in ’t geheel niet werd afgedaan. Dit deed wederom aan de noodzakelijkheid van ’t vervaardigen eener nieuwe grondwet denken. Middelerwijl zag de eerste consul Napoleon (Overzicht, negende druk, blz. 181) met weerzin de oppermacht des volks, die hij in Frankrijk aan ketenen had gelegd, in het kleine gemeenebest gehuldigd. De Bataafsche Republiek, van ’t oogenblik harer wording af gedwongen Frankrijk steeds uit de verte te volgen, kon dit ook thans niet nalaten. Met de meerderheid der vijf leden van ’t uitvoerend bewind knoopte Napoleon in ’t geheim onderhandelingen aan. Wetende, dat zij op den steun van hem kon rekenen, die alreede de machtigste man van geheel Europa begon te worden, liet de meerderheid van ’t uitvoerend bewind zich door niets terughouden van de voltrekking van haar voornemen. Den 1sten October 1801 werd het volk een ontwerp ter stemming voorgelegd. De uitslag der stemming was, dat de staatsregeling werd aangenomen. Tot dien uitslag geraakte men door te bepalen, dat het groote aantal van hen, die niet waren opgekomen, moest worden geacht te hebben toegestemd.

De staatsregeling van 1801 naderde meer, dan die haar voorafging, de beginselen van het foederalisme. Zij behield de eenheid, maar gunde meer vrijheid aan de besturen der departementen en der gemeenten. Aan ’t hoofd der Republiek stond thans een staatsbewind van twaalf personen met een wetgevend lichaam. Groot was het gezag, aan het staatsbewind opgedragen, terwijl de invloed van het wetgevend lichaam werd beperkt. Ook ten opzichte van de verdeeling van het grondgebied kwam deze constitutie terug op de andere. Zij herstelde èn de namen èn de grenzen der voormalige gewesten, waarvan men toen, om het provincialisme te fnuiken, was afgeweken. Het getal der departementen bleef hetzelfde. Zij heetten nu: Holland, Zeeland, Brabant, Overijsel (waartoe Drente tevens grootendeels behoorde), enz. De constitutie, in haar geheel, is een bewijs, dat men tot gematigder gevoelens terugkeerde.

In 1802 werd de Republiek één oogenblik verademing geschonken. Het was na het sluiten van den algemeenen vrede te Amiëns (Overzicht, negende druk, blz. 181) in Maart van dat jaar, waar Rutger Jan Schimmelpenninck de Republiek vertegenwoordigde. Van de verschillende artikels had dat de meeste betrekking op de Republiek, waarin werd bepaald, dat, met uitzondering van Ceylon, Engeland haar al hare volkplantingen teruggaf. Tevens werd, overeenkomstig vroegere bepalingen, vastgesteld, dat de schadeloosstelling voor het huis van Oranje-Nassau niet ten laste zou komen der Republiek. De schadeloosstelling werd weldra gevonden ten koste van Duitschland en bestond uit het voormalige bisdom Fulda (in ’t vroegere keurvorstendom Hessen, thans tot Pruisen behoorende) en eenige andere streken. Nimmer heeft echter Willem V het bewind over deze landen aanvaard. Hij bleef als ambteloos burger in Brunswijk, waarheen hij zich bij zijn vertrek uit Engeland (zie blz 164 en 171) had begeven. Zijn oudste zoon, wien hij de genoemde landen afstond, bleef ze ook na den dood zijns vaders, die in 1806 plaats had, besturen. Maar in 1807, bij den vrede van Tilsit, ontnam Napoleon hem, omdat hij voor Pruisen had gestreden, zoowel deze staten, als die, welke hij in Nassau van zijn vader had geërfd.

Op den gesloten vrede vertrouwende, begonnen handel en vertier in 1802 in Nederland weder te herleven; doch wederom was de verademing kort van duur. In Mei 1803 verklaarde Napoleon Groot-Britannië op nieuw den oorlog. Dit rijk legde zich nu dadelijk weder op de herovering toe der pas teruggegeven buitenlandsche bezittingen, die het allengs alle, behalve Java en een paar andere, in zijn macht kreeg. Thans werd geheele uitputting het lot van het fel geteisterde land. Het moest den consul voor de door hem beraamde verovering van Engeland troepen, schepen en millioenen leveren. Hoezeer alle krachten werden ingespannen en de laatste penningen bijeengezocht, wat opgebracht werd voldeed niet. Aan den vorm van ’t bestuur weet Napoleon dat, waarvan de oorzaak in het onvermogen was gelegen. Te midden dier nimmer eindigende eischen werd Napoleon keizer (Overzicht, negende druk, blz. 181). Nu moest alom, waar Frankrijks stem gold, ook de schaduw van volksregeering voor het eenhoofdig beginsel wijken. In ’t begin van 1805 verkreeg Schimmelpenninck, de gezant der Republiek te Parijs, van Napoleon bevel, een nieuwe grondwet op het papier te brengen, waaraan het monarchale beginsel ten grondslag lag. Schimmelpenninck kweet zich van den last. Het ontwerp behaagde Napoleon en werd in April door het volk goedgekeurd. Wederom werden de zwijgenden gerekend het ontwerp te hebben aangenomen.

Deze derde staatsregeling, waarvoor die van 1801 plaats maakte, stelde Rutger Jan Schimmelpenninck, onder den naam raadpensionaris, met een meer dan vorstelijk gezag bekleed, aan ’t hoofd van het Bataafsche gemeenebest. De wetgevende macht werd aan een wetgevend lichaam van 19 leden opgedragen. Den raadpensionaris stond een staatsraad van zeven leden ter zijde. Ten opzichte van de verdeeling van ’t grondgebied was de eenige wijziging, in ’t jaar 1805 ingevoerd, dat Drente van Overijsel werd afgescheiden en als landschap aan de acht departementen toegevoegd. Zooveel hij vermocht, wendde Schimmelpenninck zijn macht eenig ten algemeenen nutte aan, zooals dan ook de daadwerkelijke regeling van het lager-onderwijs bij de wet van den 3den April 1806 en het invoeren van algemeene in plaats van de vroegere provinciale belastingen gunstig voor zijn bewind getuigen. De invoering dier algemeene belastingen was een zeer gewichtige financiëele omwenteling. Zij waren reeds door de unie (zie blz. 61) voorgeschreven, maar nimmer in ’t leven getreden. Groot zijn bovenal Schimmelpennincks verdiensten omtrent het lager-onderwijs. Het algemeene volksonderwijs was een der vruchten van de hervorming. Hierom was het opzicht over de scholen bij de kerk, waaraan het nu werd onttrokken. Eerst door deze wet werd alom de verbetering der scholen en van ’t onderwijs krachtdadiger ter hand genomen en doorgezet.

Maar de machtige en alles beheerschende geest van Napoleon duldde ook deze zwakke schaduw van een onafhankelijke republiek maar kort. Een aanleiding tot verandering werd spoedig gevonden. Zij werd gezocht in een verzwakking van ’t gezicht van den raadpensionaris. Wat de keizer van Frankrijk wilde was weldra geen geheim meer. Zijn broeder Lodewijk moest koning van Holland worden. Een plechtig gezantschap werd verplicht, den keizer te Parijs te komen verzoeken om datgeen, wat hijzelf, als zijn wil, aan Nederland opdrong. Alzoo volgde in Juni 1806 een vierde constitutie. lodewijk napoleon werd koning van Holland tegen erkenning van de oppermacht zijns broeders als hoofd van ’t geslacht. Hem werd een wetgevend lichaam van 39, alsmede een staatsraad van 13 leden toegevoegd. Lodewijks streven was in de eerste plaats, een Nederlander te worden. Waar hij als koning zijn eigen weg kon bewandelen, poogde hij het goede tot stand te brengen.

Aan den derden coalitie-krijg, die inmiddels was uitgebarsten (Overzicht, negende druk, blz. 182 en boven blz. 172), namen de Nederlandsche krijgslieden in 1806 en 1807 deel. De vrede van Tilsit (Overzicht, negende druk, blz. 183), welke aan dien oorlog, voorzoover hij te land werd gevoerd, een einde maakte, vergrootte het grondgebied van den staat, doordien Jever (thans in ’t n.w. van ’t groothertogdom Oldenburg) en Oost-Friesland, tegen den vollen afstand van Vlissingen en zijn tafel, hetwelk aan Frankrijk kwam, met Holland werden vereenigd. Kort vóór het sluiten van dien vrede, nog in ’t zelfde jaar 1807, werd het koninkrijk in tien departementen verdeeld, waarbij Oost-Friesland thans als elfde kwam. Hoewel de derde coalitie-oorlog niet op den bodem van het koninkrijk Holland werd gevoerd, was hij de aanleidende oorzaak van een noodlottig voorval, waardoor de stad Leiden werd getroffen. Op den 12den Januari 1807 sprong een schip, met veel kruit geladen, dat op zijn doorvaart naar Delft de stad aandeed. Na de uitbarsting lag een van de fraaiste gedeelten van Leiden, het Rapenburg, in puinhoopen. Meer dan twee honderd huizen werden omvergeworpen, honderden bovendien beschadigd. Te midden der algemeene ontzetting, eenige uren nadat men den schok te ’s Gravenhage had gevoeld, kwam de koning op de plaats zelve van ’t ongeluk, om in persoon op alles orde te stellen. Vele bleven door de tijdig aangebrachte hulp behouden, ofschoon het getal van hen, die het leven verloren, nog 152 beliep.

Hoe erg ook, het ongeluk van ’t jaar 1807 was tijdelijk. Anders was het gelegen met die rampen, welke een gevolg waren van de onverbreekbare keten, welke het koninkrijk Holland aan Frankrijk verbond. Wrevelig over de nederlaag bij Trafalgar (Overzicht, negende druk, blz. 183), verordende Napoleon in 1806 het continentaal-stelsel, d. i. de uitsluiting der Engelschen van het vasteland, waardoor hij allen handel met Groot-Britannië verbood en al wat Engelsch was voor goeden buit verklaarde. Het besluit werd in de eerstvolgende jaren nog verscherpt door andere verordeningen, waarin de keizer o. a. het openlijk verbranden van alle Engelsche waren in de van hem afhankelijke staten gelastte. Voor Nederlands handel, in zoover er nog eenige handel was, werd het continentaal-stelsel de doodsteek.

Het was, alsof het Nederland was voorbehouden, de maat te zien volgemeten van alle soorten van onheilen, die een land kunnen treffen. Er ontbrak nog maar een inval aan op het grondgebied van ’t koninkrijk, en die inval kwam. Ten einde de heerschappij ter zee te beter te kunnen handhaven, achtte Engeland het geraden, Walcheren in bezit te nemen en Vlissingens alsmede Antwerpens werven en arsenalen te verwoesten. Tegen ’t eind van Juli 1809 stak een vloot in zee, de grootste, die Engelands havens immer had verlaten. Binnen weinige dagen waren Walcheren, Schouwen en Duiveland in handen van den vijand. Inmiddels verzuimden de Engelschen Antwerpen aan te tasten, terwijl een talrijk Fransch leger, zich bij het Nederlandsche voegende, niet ophield de Engelschen te bestoken. Meer nadeel nog brachten hun de Zeeuwsche koortsen toe. In ’t kort, het doel der landing, aanvankelijk geslaagd, werd niet bereikt, zoodat de vijand op het einde van ’t jaar Zeeland weder ontruimde. De onderneming, met zooveel ophef aangekondigd, liep teniet, evenals in 1799.

Reeds sinds lang was Napoleon verbitterd op zijn broeder Lodewijk. Hij, het maaksel zijner hand, matigde zich aan, als zelfstandig vorst te willen regeeren. Dit streed geheelenal met de bedoeling zijn broeders, die Holland alleen een eigen bestaan veroorloofde, onder voorwaarde dat het zich metterdaad als een Fransch wingewest liet behandelen. Voorloopig liet Napoleon zich in Maart 1810 nog tevreden stellen met een verdrag, bij hetwelk geheel Zeeland, Brabant, een gedeelte van Gelderland en een klein deel van Holland aan Frankrijk kwamen, zoodat de Waal de grens van ’t koninkrijk in ’t z.o. werd. Maar Lodewijk bleef van een onafhankelijk koningschap droomen en den sluikhandel met Engeland gedoogen. Van zijn kant toonde Napoleon duidelijk, wat hij in het schild voerde, door nieuwe troepen te zenden, die in last hadden, de hoofdstad te bezetten, en tolbeambten (douaniers), ten einde den sluikhandel te weren. De koning sprak ervan, Amsterdam tot het uiterste te verdedigen. De gansche natie wilde hij te wapen roepen. Doch zijn ministers beweerden, dat zoodanige kamp onmogelijk was. Zoo bleef hem niets anders over, dan afstand te doen van de kroon ten behoeve van zijn tweeden, toen oudsten zoon, Lodewijk Napoleon, onder regentschap der koningin Hortensia. Uit vrees van door de handlangers des keizers te worden belemmerd, verliet Lodewijk in den nacht van den 1sten Juli 1810 heimelijk het paviljoen bij Haarlem, waar hij toen vertoefde, en begaf zich naar Bohemen. Het land, waarover hij vier jaren had geregeerd, zag hij nimmer weder, ofschoon hij nog tot het jaar 1846 leefde. Op zware sommen was zijn bewind het volk te staan gekomen. Daarentegen was voor alles, wat den waterstaat betreft, voor dijken en wegen veel gedaan. Onder de ministers, van wier diensten de koning een tijdlang gebruik maakte, waren mannen van erkende bekwaamheid, b. v. de admiraal Karel Hendrik Verhuell voor de marine, van Maanen voor de justitie.

Het laatste punt, waarop, als op een voorwerp der werkdadige belangstelling van koning Lodewijk, de aandacht moet worden gevestigd, zijn de koloniën (zie blz. 165, 166, 168). Bij de grondwet van 1798 was bepaald, dat de Bataafsche Republiek alle bezittingen der gewezen Oost-Indische compagnie en haar schulden tot zich nam. Het oppergezag kwam aan het uitvoerend bewind (zie blz. 169), in 1801 aan het staatsbewind (zie blz. 171). Het bestuur werd in handen gesteld van den raad der Aziatische bezittingen. Terzelfdertijd werd dat van West-Indië opgedragen aan den raad der Amerikaansche koloniën. Lodewijk, den troon hebbende beklommen, was van oordeel, dat in de Oost-Indische bezittingen een doortastende hervorming moest plaats grijpen. Te dien einde benoemde hij in Januari 1807 Daendels (zie blz. 164, 170) tot gouverneur-generaal van Indië. Als een tweede Napoleon bracht hij in het bestuur der volkplantingen een geheele omkeering teweeg, weshalve hij door den een als een ware hervormer, door den ander als een willekeurig man en een vriend van harde maatregelen wordt voorgesteld. Het laatste is voorzeker niet volstrekt te loochenen. Maar onbetwistbaar is het, dat onder zijn bewind meer dan één wezenlijke verbetering tot stand kwam.